• Er gebeurt niets in Rathbone Road

    Er gebeurt niets in Rathbone Road

    ‘Het leven is mooi, Joan. Dat geweldige feit heb ik ontdekt in mijn werk met terminalen’. Het is de slotzin van de eerste brief die Eliza Peabody schrijft aan haar vriendin Joan, een buurvrouw van de briefschrijfster die met achterlating van wat tijdelijke adressen is vertrokken met een kwakkelend been.
    De eerste drie brieven zetten meteen de toon. Joan antwoord nooit. Waren ze wel echt vriendinnen? En al snel sijpelt bij Eliza de twijfel door of ze zich niet te veel bemoeit met iemand die ze eigenlijk nauwelijks kent. We zitten in de roman Hoogachtend, Eliza Peabody van Jane Gardam, die geheel uit brieven is opgebouwd. Die worden steeds langer, zonder dat Joan er ooit op reageert, en langzaam groeien ze uit tot een autobiografie van Eliza, die steeds zonderlinger trekken krijgt. We lezen dat Eliza een diplomatenvrouw is die door haar man is verlaten. Vanuit haar huis aan Rathbone Road 34 in Londen kijkt ze uit op de verlaten woning van Joan op nummer 43 (een omkering van nummers die symbolisch is zoals de lezer aan het slot van de roman zal beseffen), waaruit ook Joans man Charles, vertrokken is. Ook hij was een diplomaat en Joan vergezelde hem dus, net als Eliza dat bij haar man deed, op ambassades in verschillende landen.

    Eliza ontpopt zich als een overbezorgde zorgzame vrouw. Ze is actief in de Christelijke Huisvrouwenbond en werkt als vrijwilliger in een hospice, waar ze – als schoonmaakster – een bijzondere band opbouwt met de op sterven liggende Barry. Deze patiënt noemt haar vanwege haar oorbellen de Kermiskoningin. Dat is de naam die de Nederlandse vertalers gebruiken voor wat in het Engels tevens de titel van de roman is: Queen of the Tambourine. Maar Eliza’s zorgzaamheid beperkt zich niet tot het hospice. Ze probeert de reddende engel te zijn voor iedere buurtgenoot die zij problemen toedicht. Het leidt allemaal tot komische en soms hilarische taferelen van misverstanden en ongelukkige samenlopen. Bovendien krijgt Eliza dan wel geen reacties per post van haar zorgenkind Joan, maar er verschijnen wel twee keer mannen aan de deur die door haar zouden zijn gestuurd.
    Gaandeweg gaat er bij de lezer iets wringen. Razend knap zaait Jane Gardam steeds meer verwarring. Wat is die Ratbone Road voor idiote buurt? Of haalt Eliza zich van alles in het hoofd? Al die momenten in de roman dat de lezer geneigd is in schaterlachen uit te barsten, krijgen steeds meer een wrange ondertoon. De hilariteit verschuift naar een tragikomedie, die uiteindelijk uitloopt op een exposé van het verleden van Eliza die alles verklaart. Meer mag er in deze bespreking niet over worden prijsgegeven.

    Hoogachtend, Eliza Peabody – beetje vreemde Nederlandse titel wel vanwege dat afstandelijke ‘Hoogachtend’ waar geen enkele brief daarmee is ondertekend en de toon vaak juist amicaal is – is geraffineerd opgebouwd, zet de lezer herhaaldelijk op het verkeerde been, is doorspekt met onweerstaanbaar komische dialogen en gedachten en kluchtige situaties.
    Als Eliza aan Tom Hopkin (één van de mannen die door Joan is gestuurd) bekent dat haar man Henry haar op Kerstavond heeft verlaten, staat dat er zo: ‘Ik wist dat er iets broeide toen hij na de mis met Charles binnenkwam. Ineens stonden ze gewoon op en gingen weg. Vóór de pudding’.
    En als Charles een verklaring geeft voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de diplomatieke dienst zegt hij: ‘Oordelen is een vrouwelijk tekort dat wordt goedgepraat met het gevaarlijke woord “intuïtie”’.

    Ook de beschrijving van het hospice werkt op de lachspieren. Het werd ooit Caesar’s Farm genoemd omdat het zou zijn gebouwd op de restanten van een Romeinse legerplaats. Toen de nonnen kwamen trokken ze zich er niets van aan en doopten het tot Het Hospice van Sint-Julianus. Eliza snapt dat: ‘Van Julius naar Julianus (…) De heilige die een leproos in zijn eigen bed stopte en door een engel werd aangemoedigd zich in de echtelijke liefde te verblijden. O, hij is dé man voor mij’.
    Ronduit kluchtig is de brief over de keer dat Eliza zichzelf heeft buitengesloten en ze overal in de buurt om ladders vraagt om haar eigen huis binnen te kunnen klimmen.
    Hoogachtend, Eliza Peabody zit bovendien vol literaire toespelingen en grappen. Zoals in de belevenissen van de kinderboekenschrijfster Anne Robin, ook al bewoonster van Rathbone Road of in de discussies over dichter Coleridge. Grappig zijn ook de namen die in de roman opduiken: die van Peabody zelf (erwt), Conundrum (raadsel) en Penumbra (halfschaduw) bijvoorbeeld. En wat te denken van de straatnaam Rathbone Road?

    Maar als die verhalen worden verteld is de lezer al aardig op weg te vermoeden dat er iets ingrijpends met Eliza gebeurd moet zijn toen, jaren geleden, begin juni de kermis zijn tenten kwam opzetten.
    De opmerking hierboven over de Nederlandse titel mag niet verhullen hoe prachtig de vertalers alle grappen en tragiek hebben overgebracht. Een mooi voorbeeld is in de discussie over Coledridge deze lastig te vertalen dialoog:

    They looked non-plussed.
    I said, ‘Why isn’t non-plussed minussed? Or just nought?’
    ‘Minussed? Nought?’
    ‘You both look minussed’.

    Het werd in handen van Gerda Baardman en Kitty Pouwels – vaste vertalers van de vele romans van Gardam die al in het Nederlands verschenen:

    Ze keken gebelgd.
    ‘Waarom heet het trouwens gebelgd? Waarom niet geduitst of gefranst?
    ‘Geduitst? Gefranst?
    ‘Jullie kijken allebei zo gefranst’.

    Gardam heeft de geschiedenis van haar hoofdpersonage vervat in een virtuoze stijl en opbouw. Wie het boek na afloop weglegt zou nog eens die allereerste brief moeten lezen waarmee de roman begon. Dan dringt door hoe gelaagd zelfs dat begin al is en hoeveel al door Gardam vooruitgewezen is naar Eliza’s lot.
    ‘Hier gebeurt niets’, schrijft Eliza twee keer aan Joan. Ja. Het wapen van de ironie beheerst Gardam bovenal.

  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Een prachtig kleinood

    Een prachtig kleinood

    Als op 12 september 1985 even na tienen zijn moeder de telefoon opneemt om te vernemen dat haar dochter Marta waarschijnlijk behoort tot de slachtoffers van het grote treinongeluk van de vorige avond, zit João op de grond in de huiskamer met zijn Apachefort te spelen, in gespannen afwachting van de aanval van de wrede indianenhoofdman Cochise op het fort dat manmoedig verdedigd wordt door kapitein Kirby en zijn makkers.

    Een film!
    João is de hoofdpersoon in Onderweg, een ijzingwekkend verhaal over de zoektocht naar een eigen identiteit opgehangen aan de zoektocht naar de lotgevallen van zijn oudere zus Marta. Zat Marta echt in die trein? Alles wijst erop. Waarom zat zij in die trein en als zij niet in die trein zat, wat deden dan haar spullen in die trein? Zij logeerde toch bij haar vriendin, Sofie, die op de ochtend voor het ongeluk dood werd aangetroffen in haar badkuip? Allemaal vragen die roepen om een antwoord, ingrediënten voor een spannende verfilming, waar het boek zich uitstekend voor leent. Hele dialogen kunnen zo worden overgenomen.

    Besta ik wel?
    Marta en João behoren tot de gegoede burgerij van Lissabon. Marta is een opstandige meid, agressief, sportief, sterk en creatief. Tijdens haar studie maakt zij zich los van haar ouders, breekt met haar milieu en zoekt spanning in de rafelranden van de Portugese samenleving. Een bonte stoet figuren passeert gaandeweg de revue. João kijkt heel erg op tegen zijn zus. Als zij niet thuis is, struint hij stiekem in haar tekenmappen op haar kamer op zoek naar tekeningen van hemzelf. Die zijn er niet!  Dit is voor João een existentieel probleem. Zou hij wel bestaan?

    ‘En wat sloofde ik mij uit om te bestaan! …… Kijk naar mij, zusje! …….. Maar haast je, ga snel aan de slag, want zo meteen gaat de telefoon en zegt een meneer tegen mama dat je rugzak is gevonden in de ravage van een treinongeluk en dan vraagt luitenant-kolonel Owen Thursday aan kapitein Kirby York of hij de grote meren van Michican kent, en dan landt er een regen van vuurpijlen op de cavalerie, en daarna is het goed mogelijk dat je de kans niet meer krijgt om een tekening te maken van je lieve broertje.’

    Er zijn talloze schetsen waarop bekenden figureren, alleen hij komt nergens in voor. Bij een van die zoektochten wordt hij door Marta betrapt. Zij verkoopt hem zo’n muilpeer dat hij ervan suizebolt en even het bewustzijn verliest. Als dit niet verborgen blijft voor hun ouders en João het hele verhaal vertelt, wordt Marta zo kwaad dat zij op een keer bij hem in bed kruipt zijn keel dicht knijpt en met de dood bedreigt.

    Kan Tristan leven zonder Isolde?
    Eigenlijk sterft João tegelijk met Marta. Dit Tristan- en Isoldemotief blijkt heel duidelijk uit het tweegesprek tussen Sophie, Marta’s hartsvriendin die op de ochtend voor het treinongeluk dood werd aangetroffen in haar badkuip, en haar oom tijdens een bezoek aan het palazzo Barberini waar Sofie beslist de Narcissus van Caravaggio wilde zien:

    ‘ “Heb je gehuild?” vroeg ik. [haar oom, HB]

    “Ik vind hem zo zielig.”

    “Waarom?”

    “Hij wil spreken met de jongen in het water, maar dat kan niet.”

    “Sofia,” zei ik en ik pakte haar handen in een poging haar gerust te stellen, “er is geen jongen in het water, het is alleen maar een spiegelbeeld.”

    “Dat weet hij nog niet. Zodra hij daarachter komt, gaat hij dood van verdriet. Of misschien verdrinkt hij als hij hem probeert te ontmoeten.”’

    João ‘verdrinkt’ uiteindelijk in psychiatrische inrichtingen als hij Marta probeert te ontmoeten, omdat alleen Marta betekenis kan geven aan zijn leven. Dit is waar het boek in essentie over gaat: over menselijke relaties. De mens is een relatie. Als er geen relatie is, ben je dus niet. Het gaat over de zin van het leven en de onbegrijpelijkheid van de dood. In die zin overstijgt het verhaal de persoonlijke tragiek van de hoofdpersoon en krijgt het een meer universele dimensie.

    Razend knap!
    João Ricardo Pedro slaagt erin met een variëteit aan stijlmiddelen een spanning te creëren die de lezer meesleept in dit grimmige verhaal. Zo wisselt hij tussen journalistieke ooggetuigenverslaggeving van het treinongeluk, de gedetailleerde beschrijving van de avontuurlijke belevingswereld van een kleine jongen, van de haast ritueel werktuigelijke herhaling van het stof afnemen in Marta’s kamer na haar dood, het heilige der heiligen voor João, en de krankzinnige redeneringen over de waarde van leven en dood. Pedro is een anarchistisch schrijver, die je voortdurend op het verkeerde been wil zetten om de shockerende beleving van de werkelijkheid in volle omvang tot zijn recht te laten komen. Wat Caravaggio in beeld probeert te brengen probeert Pedro in zijn verhaal te vangen.