• Manifest van onverwoestbaarheid

    Manifest van onverwoestbaarheid

    Drie lezingen en vele weken geduld waren er voor nodig vooraleer duidelijk werd dat er aan Koeiendagen van Kira Wuck weinig valt te grijpen, en nog minder te be-grijpen. Poëzie die vrij als stromend water zichzelf lijkt te vormen, zonder zich te storen aan hoofdletters, leestekens, en wat er verder zoal aan regels zijn uitgedacht om het de schrijver en vooral de lezer makkelijker te maken. Gedichten die soms wat langer, soms wat korter zijn; soms een titel hebben, soms ook niet; en die zijn opgedeeld in zes blokken van ongelijke grootte. De inhoudsopgave alleen is al een feestje. Titels vetgedrukt, titels cursief, of gewoon een eerste regel ingeval er geen titel is.

    Wuck hanteert haar taal soepel. Woorden die niet als klinkertjes of kinderkopjes met veel symmetrie en ritmiek in een fraai patroon zijn gelegd in het voorplein van een zestiende-eeuws kasteeltjes, maar hier en daar als ringen in de rotswand geslagen, om met nog iets van houvast een ravijn te kunnen passeren. Met prachtige vergezichten uiteraard, maar ook met peilloze diepten waarvan niemand precies weet wat zich daar afspeelt. Levensgevaarlijk. Maar wel een ervaring die je achteraf voor geen goud had willen missen. Woorden waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. De titel alleen al: Koeiendagen. In de Dikke Van Dale komt het niet voor. Maar er is iets aan dat woord – en aan andere woorden en zinnen trouwens ook – dat je pakt, dat je raakt, zodat je maar al te graag meedrijft op de melancholie die het oproept.

    Wachten op Vertraging

    Verwacht bij die weidse panorama’s overigens geen scherpe adelaarsblik. Die past niet bij deze gedichten, noch qua vorm, noch qua inhoud. Eerder is het als wachten op een vlucht met vertraging, ergens op een vliegveld ver van huis; met een beker te dure koffie in de handen. Halfslaperig, tussen je wimpers door, kijken naar de andere reizigers. Allemaal wachtend op harde stoelen, aan formica tafeltjes, met hun rolkoffers, hun blèrende kinderen.

    ‘de man die met zijn hoofd tegen het beslagen raam bonkt
     zoekt een uitweg
     hij wordt door antidepressiva aan elkaar geregen’

    Hoe kan taal die zo fragmentarisch wordt gebruikt, zo zonder kop of staart, toch zo’n compleet verhaal vertellen? Nee, eerder nog alsof de verhaal-fase in een rotvaart wordt gepasseerd, in één keer door naar het beeld. De gedichten van Wuck lezen als korte films. En die films zijn van een dermate niveau dat ze moeiteloos internationale prijzen zouden binnenslepen; verbluffend van eenvoud en tegelijk geraffineerd complex.

    Naar believen wordt er in- en uitgezoomd, van cel naar heelal en vice versa, door een ik-figuur waarvan niet zeker is of dat een mens is of een dier. Zelfs niet of het een zoogdier is; mogelijk een amfibie, een weekdier, een visje. Het is allemaal zo diffuus als wat, doorschijnend en zonder materie bijna. En daar tussendoor plaatst Wuck woorden van een onontkoombare en welhaast alledaagse concreetheid: bril, pillen, sinaasappels, kopje, suiker, melk.

    ‘Zure melk

     Als de aarde is opgebrand / hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat / bossen zijn teruggegroeid
     eencelligen voeten krijgen / rechtop leren staan / beschutting zoeken
     misschien is er voor een lange tijd / alleen heel veel zwart / doet iemand vanaf een andere planeet / met zaklampen de sterren na’

    Huidloos naakt

    Een paar jaar terug was er een film met de intrigerende titel Kan door huid heen. Bij het lezen van deze bundel krijgt de lezer bij tijd en wijle het gevoel dat er helemaal geen huid is. Wucks gedichten zijn van een haast lichaamloze transparantie, en tegelijk zijn ze zo lichamelijk als het maar kan; aards, naakt, en op een meer dan gebruikelijke manier nabij. Intiem, op een soms ongemakkelijke wijze.

    Als een peepshow waar niet het platte, directe bloot wordt bekeken, maar de werkelijke intimiteit die zich onder dat evidente bloot afspeelt. De intimiteit van mensen die voor hun geliefde niets te verbergen hebben. De zelfloosheid waarmee iemand zich overgeeft, om te worden uitgehold, verslonden, met huid en haar. Of – het is maar net hoe de verhoudingen liggen – om met de ander te versmelten, zoals slakken paren, traag, langdurig, en ja, huidloos naakt. Niet meer zichtbaar waar de een ophoudt en de ander begint. Voor de betrokkenen zelf mogelijk ook niet.

    Los van de vraag of de lezer hier op zit te wachten – zo ongevraagd en onbedoeld voyeur te zijn van zo’n verregaande intimiteit – verdient Wuck alle lof voor deze bundel, want ze krijgt het toch maar op papier. Als een goocheltruc waarbij je je als toeschouwer alleen maar afvraagt: Hoe dan? 

    ‘Ineens besefte ik dat je geurloos was / alsof je jezelf tot nu toe ongemerkt door het leven bewogen had / toch wist ik je steeds te  vinden en te verleiden / om op lelies te gaan staan / misschien ben je wel een engel / want je huid is ook intact // nog geen doorn heeft in je enkels geprikt / geen scherf heeft je ooit geraakt’

    Herinnerd lichaam

    Wie de door Wuck geschetste en geschilderde intimiteit uitsluitend wil opvatten als liefdespoëzie in positieve, wellicht zelfs romantische zin, komt bedrogen uit. Veel gedichten zijn geschreven vanuit negatief oogpunt. Niet in de betekenis van somber, depressief, zwartgallig, maar als een fotonegatief, als omgekeerde aanwezigheid. Afwezigheid dus; na het vertrek, na het verlies van de geliefde, op welke wijze dan ook.

    Herinnering van aanraking die derhalve niet-aanraking is geworden; gemis, leegte, en de rouw die nu, na het heengaan, om dat ontbreken wordt geleden. En uiteraard met dezelfde intensiteit, wat bijna onvermijdelijk doet denken aan dat prachtige Shakespeare-vers: love is not love which alters when it alteration finds. Ofwel: de liefde is altijd wat ze is, ongeacht de omstandigheden; met een aanwezige of afwezige geliefde; met een levend lijf, of met een herinnerd lichaam dat er in puur stoffelijke vorm allang niet meer is.

    Verval en dood gaan hand in hand, de dood van dingen, het verval van mensen. Of omgekeerd, wie zal het zeggen. Zonder aarzeling wordt in dat bederf gewroet en gezocht naar de gaafheid van het begin. Als tijd niet bestaat – en die indruk wordt veelvuldig gewekt in de gedichten van Wuck – is het er allemaal tegelijk, geruststellend nabij, en pijnlijk afwezig.

    ‘Vintage is hip

    Vannacht droomde ik dat ik in je huis was/ maar het servies was al opgehaald / dus omhelsde ik de aangevreten bank /   dievanbinnen zo hol moest zijn / als een oude ezel // overeind gehouden met telefoonboeken uit de jaren negentig / toen je nog gewoon iedereen bellen kon // de lelijke kopjes zocht ik in elke kringloopwinkel / net als je kleren die hipsters nu dragen’

    Kaarten met spreuken

    Tot slot het allerlaatste vers; daarna komt er niets meer, enkel nog het schutblad. Woorden die iedereen aan het begin van een nieuwe liefde aan de nieuwe geliefde zou moeten toesturen. In sierlijke letters gekalligrafeerd, als op zo’n kaart die je vindt in een molentje, tussen spreuken van Rumi, Rilke of Inayat Kahn. Zo’n kaart die niet zelden eindigt in een mooi lijstje; vanwege de compacte maar o zo waardevolle levenswijsheid. In dit geval als een gebruiksaanwijzing, een manifest:

    ‘je kan met me gooien
     maar niet op me gaan staan
     ik veer niet terug
     en vertrek maar één keer’



     

  • En de stad verzwolg hen

    En de stad verzwolg hen

    In Paravion vertelt Hafid Bouazza over drie generaties Baba Baloek. Zij wonen in Morea, waar Marokko in herkend kan worden, en ze zijn ontevreden. Elke dag verleidt een luchtspiegeling van een rijk land in het noorden hen ertoe hun spullen te pakken en van de overvloed te genieten. Vooral een groen lustoord middenin die stad vol verlustiging en zonde, het Vondelpark gelijkend, doet hen watertanden. De mannen wagen het erop en verlaten hun vaderland. Ze komen bedrogen uit. Eenmaal verschanst in hun theehuis, komen zij er niet meer uit en missen ze de restricties die vroeger duidelijkheid verschaften. In vrijheid zijn ze reddeloos verloren.

    Eenzelfde desillusie verwoordt Kira Wuck in haar debuutroman Knikkerkoning. In dit eerbetoon aan haar ouders dompelen de Finse Anne en de Indonesische Otto zich onder in het Amsterdam van de jaren ’60 en ’70: de een zoekend naar een groots, meeslepend leven zonder bedilzuchtige moeder, de ander vluchtend voor zijn gewelddadige vader. Verreweg het sterkste element van Knikkerkoning is het onvermogen van de hoofdpersonen om de negatieve patronen uit hun jeugd te doorbreken. Hoewel het geweeklaag nergens Freudiaans wordt, is de schrijver niet wars van stilistisch melodrama. Vanuit de leeftijd van de beide hoofdpersonen valt dit te begrijpen. Als jonge twintigers raken zij in verwachting van Jane en de moeder ‘is bezig met verdwijnen’, zo ontdekt het dochtertje nog voordat zij haar kleutertijd ontgroeid is.

    Kauwtjes en ijskoude sisu

    Op de mooi geïllustreerde omslag van Knikkerkoning staat een kauw. Dit vogeltje, Kay geheten, is de enige bij wie Otto zich in zijn jonge jaren veilig voelt als zoon van een verwoed om zich heen slaande Indonesië-veteraan. Zijn moeder sterft jong, vader hertrouwt met de vrome Albertina. Voor terugkijken en gevoelens is geen plaats; stiefbroertjes en -zusjes krijgen het eerstgeboorterecht. Eén bedrukte gelaatstrek, één traan om zijn moeder is voor vader voldoende aanleiding om Otto een eetlepel sambal zijn huig in te schuiven, hem een zomervakantie lang huisarrest te geven of hem verrot te slaan. Uit zulke blinde razernij valt slechts één conclusie te trekken: het gezin lijdt onder de oorlogstrauma’s van vader Herman. Het mag een wonder heten dat Otto het er levend vanaf brengt, evenals het gegeven dat de kauw hem verhalen vertelt. Tot vader de vogel het erf af jaagt met een luchtbuks, en dit sterkt Otto in zijn beslissing: hij vlucht naar Amsterdam.

    Waar Otto de toorn van zijn vader probeert te ontwijken, verlangt Anne naar meer contact met de hare. Hij is een goedgemutste drinkebroer die zijn ex-vrouw, Annes moeder, zo gek krijgt steeds weer de slaapbank voor hem gereed te maken, na de zoveelste nacht doorzakken. Hij ruikt dan wel sterk naar alcohol en tabak, Anne houdt ervan. Later zal menig man met eenzelfde aroma haar gebruiken, verwaarlozen en vergeten. Desondanks houdt Anne van haar vader, wat haar moeder steekt. Zij voedt hun dochter op en hoeft niets te verwachten van haar ex-man. Zij brengt Anne sisu bij, de Finse onverzettelijkheid waar de Engelse stiff upper lip bij verbleekt. Deze hardheid heeft een prijs: Anne worstelt met depressies en kent louter destructieve manieren hiermee om te gaan. Voordat ze van Helsinki naar Amsterdam vliegt, merkt de verteller op ‘dat er iets in haar kapot gaat, een klein onderdeel dat niemand kan zien maar zich langzaam steeds verder uitspreidt.’

    Dolende adolescenten

    Het tweetal leidt een nomadisch bestaan in Amsterdam, waardoor het bohemiencliché opdoemt. Zo waant Otto zich een onontdekte zielsverwant van Bob Dylan en Jimi Hendrix na drie seconden op zijn gitaar te tokkelen bij het Rijksmuseum. En wie spreekt onze troubadour aan, wanneer hij vrijuit musiceert in Montmartre? Brigitte Bardot, die hem uitnodigt bij haar thuis. De acteerambities van Anne blijven onvervuld: ze raakt verslaafd aan alcohol, zoals haar vader, en wordt geronseld door Ron voor prostitutie. De verwijzingen naar Flauberts meesterwerk Madame Bovary stapelen zich in dit gedeelte van het boek op. Maar waar de Fransman naarstig zocht naar wat hij ‘le mot juste’ (het juiste woord) noemde, legt Wuck meer uit dan nodig.

    Met haar poëziebundels Finse meisjes en De zee heeft honger geeft ze blijk van scherpte, bondigheid en lichtvoetigheid. In deze roman lijkt voor de toeschouwers te zijn bepaald wat ze van Anne en Otto moeten vinden. Ze zijn namelijk te zeer verweven met Wucks echte ouders, waardoor je hun twijfelachtige acties en opmerkingen met de mantel der liefde móét bedekken. Je zou haast de inhoudelijke en stilistische opvallendheden door de vingers zien die nu eens de wispelturigheid van de adolescentie vertolken, dan weer doorslaan in karikaturaal pubergedrag.

    Het koppel wordt neergezet als vrijgevochten, verfrissend onconventioneel bovendien. Ze weigeren in de rij te staan bij het Louvre, sluipen zonder te betalen naar binnen en de Mona Lisa vinden ze maar weinig aan. Daarnaast moeten doodgewone mensen in pak met aktetas – o gruwelijk symbool van burgerlijkheid! – het ontgelden, omdat deze kleingeestige mensjes ‘meewarig’ kijken naar seksende stellen in het Vondelpark. En zo zijn er meer overtollige bijwoorden die de fantasie niet prikkelen, maar lamleggen. Er wordt ‘stilletjes’ geslopen, ‘brutaal’ gescholden, ‘streng’ toegesproken, ‘verlegen’ gebloosd, ‘geërgerd’ gefronst en ‘sarcastisch’ opgemerkt dat het lekker gaat met de drankinname van Anne. Daarbij spreken personages zinnen uit, die hen niet passen. Zo oreert de reeds genoemde pooier én drugsbaas Ron tegen Anne, voordat hij haar de straat op schopt: ‘Een tijdlang woonde je in mijn pels, als een vlo, als een parasiet.’ Over de als-vergelijking gesproken: omdat elke bladzijde drie van zulke kunstgrepen herbergt, is het net alsof de dichteres Wuck de kundige, personale verteller naar de achtergrond verdrijft. 

    Eerlijke onmacht

    Los van de passages waarin de schrijver te aanwezig is, blijft Knikkerkoning een liefdevol, integer portret. De krachttoer culmineert in het derde deel, waarin dochter Jane vanuit een ik-perspectief over de ondergang van haar ouders vertelt. Wuck laat zien dat mensen liever vertrouwen op het slechte dat ze kennen, dan op het onbekende waarvan de gevolgen ongewis zijn. Daarin schuilt een onmetelijke wijsheid en pijn. Hoe vaak de personages er ook van wegrennen, hun psychische problemen verdampen niet in de ether na een vliegreis. Anne, de labielste van het jonge gezin, beseft dit. In een discussie over zelfdoding beweert Otto dat optimisme een keuze is en neerslachtigheid dus ook. Zijn vrouw antwoordt: ‘Niet iedereen is in staat dat te zien en daarin te geloven. (…) Doodgaan betekent vrijheid en dit was de enige manier om dat te bereiken.’ Het onvermogen van Anne om vol te houden en van Otto om haar te redden, maakt hen menselijk en beminnelijk. Door hun sterfelijkheid wekt Wuck haar ouders tot leven. Zwakte is wat deze vertelling kracht verleent.

     

     

  • Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Magie en melancholie en zintuiglijke belevingen

    Magie en melancholie en zintuiglijke belevingen

    Met de indrukwekkende debuutbundel Finse meisjes (2012) trad Kira Wuck toe tot het nationale poëziegilde. Een aanwinst voor de poëzie, een aanwinst voor de poëzieliefhebber én een aanwinst voor de Nederlandse taal. Op het podium van de Nacht van de Poëzie 2014 verscheen een wat schuchter meisje dat met grote, donkere ogen de zaal inkeek. Ze las een gedicht voor dat nu – in gewijzigde vorm – in haar nieuwe bundel De zee heeft honger is opgenomen. Eerst de versie uit 2014,

    Het geeft niet als er iemand vertrekt
    er was een tijd dat ik alle camera’s telde
    onderweg naar jouw huis
    ergens is te zien hoe ik
    te lang op een kruispunt blijf staan
    in de banden van mijn fiets knijp
    wacht tot het stoplicht meerdere keren verspringt
    voordat ik naar je toe kom
    in bogen die steeds groter worden
    tot ik de stad uit fiets

    er zijn foto’s van vreemden waar we op staan
    ze zitten tussen vakantiealbums
    in landen waar we nooit zullen komen

    In de loop van de tijd heeft Wuck dit gedicht grondig aangepakt, waarmee ze laat zien hoe een dichter kneedt en schaaft aan een vers dat steeds in beweging lijkt te zijn. Tijd en afstand zijn belangrijke factoren in de dichtkunst en de meest perfecte vorm is niet vanzelfsprekend in de eerste versie gelegen. Wuck speelt met de woordvolgorde, draait de tijd om en schrapt zelfs een hele strofe. Vier jaar later komt ze met een compactere versie van het gedicht; het is scherper gesteld, persoonlijker gemaakt en heeft veel meer zeggingskracht:

    Er was een tijd dat ik
    op weg naar jouw huis
    alle camera’s telde
    die mijn beweegredenen vastlegden

    ergens zag iemand hoe ik
    te lang op een kruispunt bleef staan
    de banden van mijn fiets controleerde
    wachtte tot het stoplicht meerdere keren versprong
    voordat ik naar je toe reed
    in bogen die steeds groter werden
    tot ik de stad uit was

    De genuanceerde aanpak van Kira Wuck, het doorlopende detailonderzoek, is kenmerkend voor haar gedichten. Ze probeert indrukken en beelden te typeren door haar gevoelswereld weer te geven, allemaal met een beknopte beschrijving van de look and feel. Het zijn de ingrediënten die aan de basis van een reeks boeiende gedichten staan: Wuck is vooral bezig met het zijn. De eigen identiteit en de verhouding tot de ander is het startpunt van een zoektocht die een brede stroom aan ervaringen oplevert.

    Magisch, beschouwend, met een flinke scheut melancholie, vormt dit tezamen de atmosfeer die de verbeelding van Kira Wuck het sterkst naar boven haalt. Magie is ook te vinden in haar gedicht ‘India’, een reisverslag gecomprimeerd tot een zintuiglijke beleving die met een minimum aan woorden is uitgebeeld:

    Een man wijst naar de binnenkant van zijn mond
    alsof hij een pistool op zijn gehemelte richt
    we geven hem een sigaret
    de nacht snijdt de hoeken van zijn gezicht

    in dit land verdwijnen mensen
    om op onverwachte plekken weer op te duiken
    zoals de bedelaar zonder benen
    bleef verschijnen waar we ook uitstapten

    het behang maakt vreemde geluiden
    ’s nachts worden er briefjes onder mijn deur
    geschoven met huwelijksaanzoeken

    er schijnt hier een bos te zijn waar het zo stil is
    dat je niet voorbij een bepaald punt kunt
    vogels, slangen, mensen keren er om

    De man uit het gedicht zet hier de toon met een universeel gebaar: hij vraagt om een sigaret terwijl ‘de nacht de hoeken van zijn gezicht snijdt’. Een mooi beeld, de duisternis waarin een gezicht half herkenbaar tevoorschijn komt om vervolgens weer te verdwijnen. En om op onverwachte plekken weer op te duiken. Wuck speelt met de oosterse mystiek van de ‘diepe meditatie’ die mensen doet vervagen en als geestverschijningen ergens anders weer boven water laat komen. Een vervreemdende constatering die in de laatste regels via een persoonlijk verlangen naar een sprookjesachtige uitkomst loopt.

    Met haar caleidoscopische herkomst (Finse moeder, Indonesische vader) is Kira Wuck een prachtige parel in het Nederlandse poëzielandschap. Ze vormt de taal tot een herkenbare eigenheid die desondanks vol raadselachtige voorvallen en onverwachte wendingen zit. Onder die lagen zit een dosis verwondering en een lichtelijk verlangen verscholen. Een verlangen naar schoonheid, misschien ook wel naar geborgenheid, maar uiteindelijk naar liefde:

    Hoe kan ik een goede indruk op je maken
    als ik aan slapeloze nachten lijd
    geesten mij niet met rust willen laten
    na elke dagdroom eindig ik
    verder bij jou vandaan

    als ik je eindelijk denk te kunnen vangen
    breek je verder af
    als regen in de zee valt
    dan raakt de lucht de aarde

     

     

  • Oogst week 2

    De zee heeft honger

    Het jaar komt langzaam op gang. Twee dichtbundels – waarvan één debuut – en deel twee van Moord op de commandore van Murakami kwamen er bij de redactie binnen.

    Kira Wuck maakte met haar debuutbundel Finse meisjes in 2012 haar entree in de Nederlandse poëzie. Haar eigen kijk op de wereld wist ze in aanstekelijke poëzie te vatten. In 2016 debuteerde ze met een verhalenbundel, Noodlanding waarvan gezegd werd dat haar verhalen net zo vervreemdend werken als haar poëzie.
    Volgens haar uitgever gaat De zee heeft honger ‘over de anonimiteit van de stad, het verlangen om daaraan te ontsnappen en de verlokking van de zee’. Familie is een terugkerend thema in haar poëzie, evenals het verlangen normaal te zijn. Een bundel die meer een donkere kant laat zien dan haar vorige week, aldus de uitgever. De zee heeft honger, een zeer tot de verbeelding sprekende titel. Er wordt uitgekeken naar de recensie.

     

    De zee heeft honger
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium

    Moord op Commendatore- Deel twee

    Lang werd er gewacht op het tweede deel van De moord op commendatore van Murakami dat vandaag is verschenen. Het eerste deel eindigde met een echte cliffhanger dus voor wie het eerste deel gelezen heeft, zal het een goed weekend worden. Vooral wie naar het Murakami weekend gaat, waar, naar het schijnt speciale ruimtes zijn ingericht om deel twee te lezen.

    Rondom de verschijning van dit tweede deel van De Moord op Commendatore organiseert uitgever Atlas Contact een Murakami-weekend in Rotterdam met muziek, theater, literatuur en Japanse cultuur. Kijk voor kaarten op Murakami.nl.

    Moord op Commendatore- Deel twee
    Auteur: Haruki Murakami
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Wisselplaats

    Debutant Greetje Kruidhof  studeerde aan de Schrijversvakschool te Amsterdam. Ze publiceerde eerder op de site van Liter en in het tijdschrift Kluger Hans. De bundel Wisselplaats is geschreven als afstudeeropdracht. Als dichter werd ze beoordeeld als: grossiert in sterke beelden en onverwachte wendingen en ‘verbeeldt de ontheemding op een verrassende manier’.

    Het thema in Wisselplaats is zeer actueel is: hoe voelt het voor een kind om in een volstrekt andere omgeving te worden geplaatst? Hoe hervind het zichzelf en hoe verovert het zich een plek in die andere gemeenschap? Kruidhof ontleedt en verbeeldt die wisseling van huizen en tehuizen in haar gedichten.

     

    Wisselplaats
    Auteur: Greetje Kruidhof
    Uitgeverij: Manuzio
  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

     

     

  • De tragiek van het alledaagse

    De tragiek van het alledaagse

    Ze zijn onhandig, wereldvreemd en komen in de meest absurde situaties terecht. Waar de personages uit Kira Wucks verhalenbundel Noodlanding in eerste instantie vooral op de lachspieren werken, komt daarna de mokerslag: het schuurt, het doet pijn wat er hier gebeurt.

    Zinderende beelden
    Kira Wuck debuteerde in 2012 met de gedichtenbundel Finse meisjes, die bijzonder goed ontvangen werd door de pers. Het eenvoudige en alledaagse taalgebruik in combinatie met de scherpzinnige en veelzeggende beelden wordt veelvuldig aangehaald. Wucks gedichten ontvouwen zich langzaam voor de lezer, alsof je laag voor laag afpellen moet voor je tot de kern van haar poëzie komt. Diezelfde directe taal en beelden die nog lang na blijven zingen vinden we terug in haar eerste verhalenbundel.

    Wuck heeft ervaring als slamdichter en dat is duidelijk terug te zien in de twaalf verhalen van Noodlanding. Alleen al de titels van haar verhalen zinderen en wekken nieuwsgierigheid op, net als de sterke openingszinnen, die onmiddellijk een hele wereld oproepen. Je voelt bijna de adempauze die Wuck na haar eerste zin neemt en de afwachtende blik waarmee ze haar publiek aankijkt. Wat gaat er door de toehoorder of lezer heen bij een zin als ‘Mijn broer Edgar werd dood gevonden met drieënzeventig hotdogs in zijn maag’ of ‘Sinds Arno door de politie wordt gezocht, woont hij weer bij zijn moeder’? Meer heeft Wuck niet nodig: zij geeft de voorzet, de fantasie van de lezer doet de rest.

    Minimalistisch absurdisme
    Zien we in deze minimalistische, licht absurdistische verteltrant de Scandinavische wortels van de schrijfster terug? Wuck is het kind van een Finse moeder en een Indonesische vader en geeft zelf aan zich thuis te voelen bij de nuchterheid en melancholie van de noordelijke landen. Ook in haar karakters zien we dat terug. Van heldendom is geen sprake in Noodlanding, haar karakters laten zich eerder omschrijven als antihelden. Allemaal zijn het einzelgängers, die zich niet willen laten leiden door wat de buitenwereld van ze denkt: de vrouw die haar man doodsimpel meedeelt dat ze een affaire heeft met de slager, de kippenboer die aan zijn lievelingskip vertelt dat hij een vrouw uit de Filippijnen laat komen of de zakenman die van de ene op de andere dag besluit van de aardbodem te verdwijnen met een vrouw die hij net een paar uur kent. Denken is duidelijk ondergeschikt aan doen, er wordt eerder meegedeeld dan meegeleefd.

    Wucks droge manier van vertellen plus de geringe omvang van haar verhalen levert algauw de vergelijking met een krantenartikel op. Van een journalist die op zoek is naar de meest obscure verhalen dan, dat wel. Maar in tegenstelling tot de journalistiek is het in Wucks verhalen moeilijk het einde te voorspellen. Al is er na het lezen van een aantal verhalen wel degelijk een constante te ontdekken: Wuck is een tikkeltje morbide. Toch roepen die zwartgallige eindes niet per se een gevoel van afschuw op, maar is er eerder sprake van verwarring en soms zelfs blijf je zelfs achter met een vaag schuldgevoel. Net nog, een paar bladzijden geleden, lachte je nog om de onbeholpenheid waarmee het personage zich door het leven beweegt en nu blijkt alles als een kaartenhuis in te storten.

    30 minuten
    Misschien is Noodlanding nog wel het beste te vergelijken met 30 minuten, de mockumentary-reeks die Arjan Ederveen in de jaren ’90 maakte. In elke aflevering van deze serie komt een variatie op de volgende zin terug: ‘er was iets, maar wat er was wist ik niet, maar wel dat er iets was, alleen niet wat dat was’. En dat is precies wat de korte verhalen van Kira Wuck oproepen, al heel snel blijkt de lezer minder grip op de situatie te hebben dan hij van tevoren dacht. Met als grote verschil dat het bij Ederveen in eerste instantie bloedserieus lijkt te zijn en bij nadere inspectie één grote komedie is, en bij Wuck de lach steeds meer naar de achtergrond verschuift en plaatsmaakt voor onbehagen.

    Geslaagd proza
    Met haar poëzie bewees Wuck al dat ze goed is in het oproepen van originele beelden. In Noodlanding laat ze opnieuw zien dat ze een interessante speler is in het Nederlandse literaire veld. Van haar nuchtere vertelstijl moet je houden – lyriek is Wuck vreemd – en ook de wat bloederige beelden die ze oproept zijn niet aan iedereen besteed, maar zeker is dat deze schrijfster met haar verhalen iets teweegbrengt. Wat dat precies is, laat zich moeilijk omschrijven, maar het is onmogelijk niets te voelen bij het lezen van Noodlanding. En twaalf keer kennis maken met een kleurrijk personage, twaalf keer in een achtbaan zitten en twaalf keer genieten van iets dat het midden houdt tussen een lach en een grimas voor de prijs van één – dat klinkt als een goed recept voor een vrije zondagmiddag, toch?

     

     

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Of de omslagfoto een heus Fins meisje toont is onzeker, maar de frisheid die er vanaf spat rijmt wel degelijk met de inhoud van deze debuutbundel van Kira Wuck (1978). Weliswaar van Nederlandse bodem is deze dichteres het product van een Indonesische vader en een Finse moeder. En bovenal winnaar van het Nederlands Kampioenschap Poetryslam 2012, het fastfoodgerecht van de dichtkunst. Een genre waarin doorgaans meer wordt gezapt dan ingezoomd, en waarin met aanstekelijke herkenbaarheid gepaard aan goede voordracht, gepoogd wordt het gehoor te boeien. De 34 gedichten in Finse meisjes worden nu zonder voordrachtskunst de wereld in geschopt. En dan blijken ze ook nog verstoken te zijn van iedere vorm van rijm. Maar in ruil daarvoor is er flink ingezet op verrassende beeldspraak als ‘Eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal’, abrupte overgangen en sterk onderkoelde zinnen als ‘[mijn oma] had graag bij de maffia gewild / want die zorgen tenminste goed voor hun familie’. De lezer komt dan ook weinig tekort.

    De allereerste versregel in deze bundel heeft een voorgeschiedenis achter zich: ‘Hierna drink ik niet meer doordeweeks zei ik’. Dat dit voornemen heeft stand gehouden lijkt twijfelachtig, gemeten naar het aantal gedichten waarin gedronken wordt. Maar tot een kwaaie dronk wil het nergens komen.
    Wel hangt er vaak een licht ontheemde sfeer in deze poëzie, maar eentje waarin de lezer zich algauw leert thuis te voelen. Zo kan men glimlachen om een beginzin als ‘Hij ligt in bed met zijn sokken van gisteren’, want een tikkeltje afwijkend gedragen zich de personages wel in Wucks bundel. Deze jongeman blijkt echter in de derde strofe alweer uit bed te zijn:

    ‘Dan belt hij een moeder
    omdat hij met haar naar bed wil
    hij kent foto’s van toen ze een bikini droeg
    voordat ze drie kinderen baarde

    Ze heef het over verjaardagen
    hij knikt zonder te antwoorden
    loopt naar het balkon
    voelt de eerste herfst op hem neerslaan’

    Een heel verhaal is hier verteld met weinig woorden. Kira Wuck beschikt beslist over een goed gevoel voor stijl. Van de zinnen is voldoende afgehakt en afgeschaafd om het beeld op z’n scherpst te krijgen.
    Het leven van de personages ligt ietwat bezijden van dat van een modaal gezinnetje. Een gedicht heet niet voor niets Mijn ouders zijn goed in ontvreemden. Maar er heerst geen afgedankte stemming. Eerder een latent opgewekte.
    Een deze bundel typerend gedicht is het naamloze uit de afdeling Familie:

    ‘Als het regent op zondag
    regent het bij ons anders dan bij anderen
    de lucht is droger en de kat laat zich niet aaien

    Vroeger hadden we een kijkgat in de schutting
    daarachter gebeurde het

    Vanuit de achtertuin zie je waar de vaat zich opstapelt
    wat de afstand is tussen geliefden
    als ze elkaar net niet raken

    Intimiteit is erachter komen dat je met iemand
    naar hetzelfde punt staart
    zoals naar mijn ouders
    die voor de zoveelste keer de muren witten’

    De samenhang is op het eerste gezicht vrij los. Zo mag in de eerste strofe maar liefst tweemaal van regen sprake zijn, daarna doet de regen al niet meer mee. Maar de toon is er intussen wel mee gezet, die van gelatenheid. Zoals de kat zich niet laat aaien, zo lijken de geliefden verderop elkaar eveneens te ontwijken. Waar het kijkgat in een schutting doorgaans iets onthullends laat zien, wordt hier slechts de alledaagsheid van een zich opstapelende vaat getoond. Niettemin wordt ernaar gestaard en vinden de twee elkaar in hun gezamenlijke staren. De voyeur die doorgaans alleen is, heeft hier tenminste gezelschap. Tussen hen is meer verbondenheid dan tussen het begluurde ouderpaar. Het buitenstaanderschap kent zo z’n eigen wetten van geluk. En zo heeft in deze bundel een montere ondertoon kunnen sluipen. De frisse, uitdagende zinnen staan evenwel niet garant dat het allemaal van een leien dakje gaat. Maar de tragiek wordt gelaten ondergaan en kaltgestellt in een laconieke stijl die geen verzuring toelaat.

    Na de afdeling Familie is het de beurt aan de ik-persoon om haar weg in de liefde te vinden. In de afdelingen Wasdagen en Overblijfsels lezen we dat daarbij de nodige hobbels genomen moesten worden: ‘ik had je willen zeggen dat je altijd zo goed het weer voorspelt / en je willen vragen wat voor dag het werd // In plaats daarvan bleef ik staan zonder me te bewegen’. Maar elders blijkt dat uiteindelijk de volgende ervaring is opgedaan: ‘als je er nog bent als ik me omdraai / dan ga je niet meer weg’.

    In de laatste afdeling Finse meisjes lijkt de ik-persoon zich thuis te voelen. De benadering van Finnen vergt misschien enige gebruiksaanwijzing: ‘Finse meisjes zeggen zelden gedag / maar zijn niet verlegen of arrogant / je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen’, maar ontwakend uit de winterslaap blijken het zomaar ‘mensen die ik als familie beschouw’. De meest fijngevoeligen lijken Finse meisjes niet te zijn: ‘In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning / als ze niet in slaap gevallen zijn’. Of de ik-persoon zich er daarom zo thuis voelt? ‘Toen ik iemand zag die heel erg op jou leek / wou ik mijn mond op de zijne drukken / daarna zijn hart uit zijn borstkas snijden / en in een vissenkom doen’. Maar wie Kira Wuck leest heeft vooralsnog niets te vrezen. Prettig lezende zinnen als ‘Alles waar je net doorheen past kun je niet negeren’, ‘hij zoekt een ruimte waarin hij niet gevonden wordt’ of ‘De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift’ maken het lezen van Finse meisjes tot een aangename ervaring.

    Ofschoon wel duidelijk is dat niet iedereen zich in de buurt van deze meisjes moet gaan wagen, zien we een tweede worp van Kira Wuck graag tegemoet.