• Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    De omvang van de wereld is alweer de veertiende roman van de Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) die Harrie Lemmens naar het Nederlands heeft vertaald. Deze keer betreft het echter het sluitstuk van dat imposante oeuvre (Lobo Antunes schreef er ruim 30): deze roman uit 2022 is de laatste voordat de eerste tekenen van dementie zich bij de schrijver manifesteerden.

    Zoals in bijna alle romans van Lobo Antunes volgen we ook hier de gebeurtenissen via meerdere personages. Het verhaal draait om een 77-jarige industrieel die nu hij ziek is zijn dood voelt naderen. Als jonge man heeft hij een kind verwekt bij een van de arbeidsters uit het bedrijf van zijn vader. De dochter die uit deze verbintenis is voortgekomen is het tweede personage. Dan is er de jonge vrouw met wie de industrieel samenwoont, het derde personage. Zij heeft een relatie met een advocaat, de vierde persoon, die haar helpt voorbereidingen te treffen om zoveel mogelijk geld uit de nalatenschap van de industrieel te krijgen als deze komt te overlijden.

    Verwijt

    ‘Het hoogste wat het leven ons in het algemeen geeft, is een zekere kennis van dat leven, die veel te laat komt’. Dit citaat uit een van de columns van Lobo Antunes dat Harrie Lemmens aanhaalt in zijn nawoord, illustreert perfect het hoofdthema van De omvang van de wereld. Terugkijkend op zijn leven verwijt de industrieel zijn zwakte als jonge man; hij durfde zijn hart niet te volgen en koos niet definitief voor zijn geliefde en zijn dochter, bang als hij was voor de consequenties van zijn vader die deze verbintenis afkeurde. ‘Haal het niet in je hoofd om je eigen leven en dat van de zaak te vergallen vanwege een of ander mokkeltje met wie je je nergens kunt vertonen druiloor’. De positie die hij zijn dochter later geeft binnen het bedrijf komt voor haar als een schrale en te late troost; ze is al teveel vervreemd van haar vader, die ze in haar jeugd zo vaak heeft gemist: ‘mijn vader geen vader meer maar een meneer die ik nauwelijks kende’. De vader die in haar jeugd maar een keer per week op bezoek komt, altijd ongemakkelijk, hij blijft veraf.

    De passages waarin de dochter terugdenkt aan de momenten waarop ze met haar vader de speeltuin vlakbij het souterrain bezocht behoren tot de meest ontroerende van de roman, juist omdat die ontroering niet door sentiment wordt gecreëerd. ‘[… ] net zoals ik nooit heb gekeken als hij wegging uit het souterrain, dan pakte ik mijn vilten olifant en luisterde zittend op de grond naar zijn voetstappen buiten’.  Het is pijnlijk om keer op keer te lezen hoezeer ze haar vader heeft gemist ‘het aantal keren dat ik bij het parkje ben gaan kijken in de hoop u daar op een andere bank te zien zitten’. Nu is ze hard en verbitterd. Het is knap hoe Lobo Antunes tussen de verbittering door haar emoties toont. De liefde waar ze altijd naar hunkert. De vader die er wel maar vooral ook niet is. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel hij van zijn dochter houdt, en hoezeer hij haar altijd heeft gemist – die pijn is erger dan de pijn die hij nu fysiek voelt als langzaam stervende man.

    Bij al zijn beslissingen speelde ook mee dat hij bang was dat haar moeder – die inmiddels is overleden – alleen zijn geld wilde, maar uit alles blijkt dat de moeder vooral verbitterd is geraakt door de weigering van de vader om zijn leven werkelijk met hen te delen. Zijn geld hoeft ze niet. ‘Ik hoef geen aalmoezen ik ben je hoer niet’. De ouders hebben een haat-liefde verhouding: ‘vol haat en tegelijkertijd een en al glimlach, ze snauwde hem weg en greep zijn arm vast, duwde hem van zich af terwijl ze aan hem trok’.

    Armoede

    De jonge vrouw die met de industrieel samenwoont en de advocaat worden ook gedreven door de armoede die ze hebben gekend in hun jeugd, waarbij daarnaast voor de advocaat ook nog het cynisme komt van de praktijken waar hij zich noodgedwongen mee bezighoudt; ‘terwijl ik gegoede lui help bestaand geld te stallen in niet-bestaande landen’. Steeds schemert door dat de industrieel heel goed beseft wat de jonge vrouw en de advocaat van plan zijn, maar het lijkt hem niet meer te deren en onbeschaamd zetten zij hun plannen door, waarbij de advocaat steeds het initiatief neemt: ‘ik zette de bankrekening van mijn cliënte over op mijn naam en nee, daar zat ik niet zo mee, zo is het leven, de grote vissen eten de kleine en worden op hun beurt gegeten door nog grotere dieren’.

    ‘Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels’. Zoals in bijna al het werk van Lobo Antunes zijn er zinnen die als een mantra terugkeren, de gedachtes die het leidende motief vormen en waarop steeds meer wordt gevarieerd, als een terugkerend motief in een symfonie. Het beeld is prachtig en laat alle ruimte voor die variatie die hij zo nodig heeft en die zijn stijl zo kenmerkt, ‘gedreven door het dwingende verlangen om een vorm te vinden voor gelijktijdigheid en meerstemmigheid’, zo karakteriseert Harrie Lemmens deze stijl treffend. Dit uit zich in herinneringen, gedachtesprongen, wisselingen van perspectief, maar de kracht van Lobo Antunes is dat bij dit alles de focus altijd blijft op het verhaal dat hij wil vertellen.

    Herinneringen en eenzaamheid

    Ouderdom en eenzaamheid zijn twee leidende motieven on deze roman. In zijn portrettering van de industrieel heeft Lobo Antunes autobiografische elementen verwerkt, zo leren we uit het nawoord van Harrie Lemmens: mede doordat hij al eerder door kanker werd getroffen was die nakende dood voor Lobo Antunes een angstbeeld. En naarmate we ouder worden krijgen we natuurlijk steeds meer herinneringen: ‘God wat zit ik toch vol voorvallen van vroeger’, zo denkt de industrieel, en later ‘de tijd vernielt je lichaam langzaam’. Die herinneringen, en daarmee de eenzaamheid, spelen zich allemaal af binnen dat universum dat onze gedachtewereld vormt, voor de psychiater die Lobo Antunes vooral ook was, bij uitstek het terrein dat hem door en door bekend was. ‘We hebben allemaal iets nodig wat ons verbindt met het verleden en ons helpt te geloven dat we in zekere zin misschien gelukkig zijn geweest.’ Zijn werk als psychiater is niet strikt gescheiden van zijn literaire werk, maar loopt er direct in door, een vloeiende lijn. En bij die herinneringen, bij dat ouder worden, neemt de eenzaamheid alleen maar toe: ‘eenzaamheid is een traan van een waterkraan die door het donker vanuit de keuken tot hier komt’.

    António Lobo Antunes weet de diepere menselijke angsten, gevoelens en drijfveren altijd naar boven te halen. Zijn kracht ligt erin dat hij ogenschijnlijk ‘gewone’ levens weet uit te vergroten en zo een universeel karakter weet te geven, terwijl ze toch ook gewoon dat ogenschijnlijk ‘normale’ leven blijven. Ook in dit sterke sluitstuk van zijn oeuvre toont António Lobo Antunes aan dat hij tot de top van de wereldliteratuur behoort.

     

  • Een zoektocht naar loutering

    Een zoektocht naar loutering

    Precies 100 jaar nadat de debuutbundel Ossi di Seppia van Eugenio Montale (1896-1981) verscheen in Italië, en 50 jaar nadat hem de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, is er eindelijk een integrale vertaling in het Nederlands verschenen onder de titel Zeekatskeletten. Voor zijn debuut heeft Montale zich laten inspireren door Monterosso, een van de vijf inmiddels door toerisme overlopen plaatsen in de Cinque Terre, niet ver van zijn geboorteplaats Genua. De familie Montale bracht elk jaar de vakanties door in Monterosso, in de villa die er nog altijd staat en die tegenwoordig gehuurd kan worden. Het huis is het epicentrum van Montales debuut, samen met de ommuurde tuin en de altijd aanwezige Middellandse Zee.

    T.S. Eliot

    In deze omgeving is de dichter voortdurend op zoek naar een diepere duiding, naar inzicht, en naar een bijna Danteske zoektocht naar loutering. Zo lezen we in het beroemde openingsgedicht ‘De citroenen’: Kijk: in deze stiltes waarin de dingen/ zich gewonnen geven, alsof ze elk moment/ hun diepste geheim kunnen verraden,/ verwacht je soms/ een vergissing van de Natuur te ontdekken,/ het dode punt van de wereld, de schakel die niet houdt,/ de draad die uiteindelijk, als we hem ontwarren,/ naar het hart van een waarheid voert.’

    De ommuurde tuin levert direct associaties op met het werk van T.S. Eliot; natuurlijk met name met ‘Burnt Norton’ uit de Four Quartets, ware het niet dat dat pas in 1939 werd geschreven. Maar dat de beide dichters elkaar over en weer hebben beïnvloed is duidelijk en blijkt alleen al uit de vertalingen van elkaars werk. Zo vertaalde T.S. Eliot het lange gedicht ‘Arsenio’ uit deze bundel. Daarnaast zijn er parallellen met Paul Valéry’s beroemde lange gedicht Het kerkhof bij de zee. Evenals Montale zocht ook Valéry naar duiding in een wereld tussen leven en dood, en ook bij hem is daar altijd de Middellandse Zee.

    Overgave

    Deze gedichten van Montale geven hun geheimen niet direct prijs, in tegenstelling tot de meer toegankelijke poëzie uit zijn late periode. Dit vroege werk is typisch poëzie waaraan je je moet overgeven, maar dan vind je ook een enorme rijkdom, met vaak wisselende inzichten. Kenmerkende elementen zijn tijd, moment, wind, natuur, herinnering, eenzaamheid, zee, kust, vogels en vergankelijkheid; zoals in ‘Cocon’: zie hoe de tijd/ ijlt en verdwijnt, opgeslorpt/ tussen de stenen’.

    De notie zoals vermeld in het nawoord, dat de dichter zelf in zijn poëzie geen verlossing vond, staat naast de zoektocht naar zingeving, naar een zachte weg naar de dood, die juist louterend werkt. Zo blijft het werk van Montale een baken voor de tot bespiegeling geneigde lezer die, wetende dat hij tekortschiet, probeert grip te krijgen op het raadsel van het bestaan,’ aldus vertalers Jur Koksma en Joep Stapel in het nawoord. We vinden dit bijvoorbeeld terug in een van de gedichten van de cyclus ‘Sarcofagen’, waarin het rondlopen over een begraafplaats herinneringen oproept aan diegenen die ooit een betekenis voor ons hadden in het leven. Laat de zwijgzame steenmenigte achter/ en wend je tot de verwaarloosde zerken,/ waarin een ongemakkelijk symbool gebeiteld is:/ de traan en de lach, tweelingen,/ wellen gezamenlijk eruit op’. De dichter is altijd op zoek naar de essentie van het bestaan. U, mijn prooi, schenkt mij/ een kort moment van menselijk zinderen./ Geen tel zou ik ervan willen missen/ dit is mijn deel, al het andere ijdel.’  En steeds heerst de vluchtigheid van het moment, dat altijd weer direct verleden is. Het uur verstrijkt/ en trekt alles uit elkaar; door de hemelkoepel schieten/ bladeren of vogels, wie zal het zeggen – ze zijn er al niet meer.

    De dichter komt steeds op de drempel van een inzicht en als lezer ga je met Montale mee in die zoektocht. Dat is de meerwaarde van Zeekatskeletten: in de omgeving de waarheid en het lot van de mens ontdekken. Maar de omgeving en de natuur zijn gewoon aanwezig, het is de dichter die er zijn betekenis aan oplegt: hop, vrolijke vogel, belasterd/ door de dichters […] en jij hebt geen idee,’.  In deze gedichten heerst een zoektocht naar rust, sereniteit en tijdeloosheid, naar buiten de tijd staan, naar het volledig opgaan in de natuur, ja een plant of zelfs een steen te zijn. ‘O en dan te verdwijnen,/ beetje bij beetje, wentelend/ als het zeekatskelet in de golven,/ een knoestige boom te worden/ of een door de zee geslepen steen’.

     Deze gedichten zijn ontstaan aan het begin van de jaren ’20, toen het fascisme in Italië vaste voet aan de grond kreeg. Hoewel Montale geen politiek dichter was, kan het openingsgedicht van de cyclus waaraan de gehele bundel haar naam ontleent worden gezien als verhulde aanklacht tegen het fascisme en de slotregels behoren tot de beroemdste uit de Italiaanse poëzie: ‘Vraag ons niet de formule die je de nieuwe orde openbaart,/ hooguit, droog als een tak, wat kromme lettergrepen. / Dit alleen kunnen we je vandaag zeggen:/ dat wat we niet zijn, dat wat we niet willen.’

    Vertaling

    Niet alleen de gedichten op zich, ook de verantwoording van vertalers Jur Koksma en Joep Stapel dwingt bewondering af. Inherent aan het vertalen van poëzie is dat je vrijwel altijd iets van het origineel zult moeten prijsgeven. In het nawoord geven de vertalers inzichten die iedere aspirant-poëzievertaler ter harte mag nemen: Als vuistregel hebben we gestreefd het ‘nettogewicht’ van een gedicht en van de bundel als geheel te bewaren. Wat we laten liggen aan formele kenmerken als eindrijm en versvoet proberen we goed te maken met de tot Nederlands genaturaliseerde inzet van ritme, dichtheid, klank en assonantie.’ Zeer terecht is hun reden minder eindrijm te gebruiken dan Montale, want niets is zo fnuikend voor de esthetische ervaring als geforceerd rijm, met dat vleugje je ne sais quoi van de decembermaand. Eindrijm klinkt in het Nederlands nu eenmaal anders dan in het Italiaans, waar bijna alles op alles rijmt.’

    In 1984 verscheen een selectie uit de poëzie van Montale in Nederlandse vertaling onder de titel De roos in de kermistent, onder redactie van Jacques Hamelink. Een mooie verzameling, een enkele keer iets archaïscher en formeler dan deze nieuwe uitgave (logisch gezien de ruim 40 jaar die ertussen liggen), maar de grootste winst ten opzichte van die eerdere uitgave is dat we nu een integrale vertaling hebben van Montale’s debuutbundel. Daarbij is het geheel ook nog eens voorbeeldig uitgegeven. Niet alleen een sterke vertaling met een erg informatief en verhelderend nawoord, maar ook de vormgeving is prachtig; kleur en typografie sluiten heel mooi aan bij het karakter van deze bundel. Al met al een mooie tweetalige uitgave die met veel liefde is gemaakt. En daarmee een aanwinst voor elke poëzieliefhebber.

     

  • Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Geluk. Een woord, of misschien beter gezegd een idee of concept waarbij iedereen direct een beeld zal hebben. Ga je echter kijken hoe dat concreet moet worden ingevuld, dan zullen velen het antwoord schuldig blijven. De ware betekenis van ‘geluk’ is voor de meesten even duidelijk als vluchtig en ongrijpbaar. Het is daarom een uitdagende taak een verzamelbundel poëzie samen te stellen met geluk als leidraad. In Het komt goed; de mooiste gedichten over geluk heeft Elisabeth Lockhorn zich over deze taak gebogen, met zeer bevredigend resultaat. Hier is duidelijk veel zoekwerk aan voorafgegaan: veel lezen, veel afwegen.

    Een van de belangrijkste functies van poëzie is dat het je leert opnieuw, en vooral met een andere blik, naar vaak alledaagse dingen te kijken. Met die notie in gedachte is ‘Grassen van H.H. ter Balkt een treffende keuze. ‘De grassen in boomgaarden onder groen hout, / de grassen op boerenerven, door honden bewaakt’. En welk een geluk er uitgaat van de rust van een stapel hout toont Rolf Jacobsen: ‘Het is goed, dat er in de wereld nog hout is / En dat er nog / Stapelplaatsen genoeg zijn. / Want in hout is een grote rust / En een sterk licht, / Dat ’s zomers ver  /De avond in schijnt.’

    Er is het geluk dat kinderen geven, het geluk van mooie woorden, het geluk van een schilderij, het geluk je in je auto af te sluiten met Mozart. Anderen vinden het geluk in God en via hem in de natuur (Gerald Manley Hopinks). J.C. van Schagen laat zien dat ook in regen geluk kan schuilen: ‘en over de huiverende slootjes danst de regen / hij ritselt stilletjes tussen het helm in het duin’.

    Sta er voor open

    Maar je moet geluk wel durven ervaren, zoals het motto van Anna Kamieńska zo treffend zegt: ‘Joy – it’s not just a gift. / In a sense it is also a duty, / a task to fulfil. Courage.’ En dat is het precies. Het is onze plicht open te staan voor geluk. ‘Aarzel niet, zo zegt Mary Oliver in het gelijknamige gedicht. ‘Hoe dan ook, wat het ook is, wees niet bang voor / de overvloedigheid ervan. Vreugde is niet gemaakt / om een kruimel te zijn.’ Dit gedicht is vertaald door Marjoleine de Vos, die zelf ook met enkele gedichten is vertegenwoordigd, waaronder het erg mooie, Het leven in juni’, met de slotstrofe ‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld / en om mij heen ademt alles en in huis / zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, / deze ochtend in juni, de zwartkop zingt / en in de tuin zit zij.’ Niet geheel toevallig staat naast haar het al even fraaie Dit moment’ van haar ex-man Tom van Deel (1945-2019), met als eerst vijf regels, ‘Er is niets voor te stellen mooier dan / een vrouw die in het strijkend avondlicht / een tuin inloopt, het waait, het blad van / de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar / bloemen, snoeiend, alles als weleer’.

    ‘Om / Onrechtvaardigheid als enige / in het centrum van onze aandacht te zetten is het prijzen / van de Duivel’, aldus Jack Gilbert (wat een ontdekking!) in ‘Een instructie van de pleiter’. Van Jack Gilbert kan een directe lijn getrokken worden naar de Poolse Zbigniew Herbert ‘- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het / leven van anderen wreed onherroepelijk om me draaide / als de grote sterrenklok van Sint-Pieter in Beauvais.’ Misschien moeten we ook de natuur hier als voorbeeld nemen: ‘Dan komt de rust over me van wezens in het wild / die niet hun leven lastig maken met piekeren / over verlies.’, (Wendell Berry).

    Pure kwaliteit

    We komen veel grote nationale en internationale namen tegen zoals de Zweedse Nobelprijswinnaar Tomas Transtrőmer, uiteraard in vertaling van Bernlef. De voor Transtrőmer zo veelzeggende titel De halfklare hemelis misschien wel de perfecte geluksstaat, op weg naar het ultieme, met nog veel moois op komst. ‘Alles begint om zich heen te kijken / Met honderden tegelijk lopen wij de zon in. // Ieder mens een halfopen deur / Leidend naar een kamer voor allen.’

    Van Kavafis zijn vier gedichten opgenomen (vertaling door Blanken), waarvan ‘Ithaka’ en ‘Antonius door zijn god verlaten’ tot de absolute hoogtepunten van de moderne wereldliteratuur mogen worden gerekend. ‘Houd altijd Ithaka in gedachten. / Daar aan te komen is je bestemming. / Maar overhaast de reis volstrekt niet. / beter dat die vele jaren duren zal, / en dat je, oud al, landen zult op het eiland, / rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen, / niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal. / Ithaka gaf je de mooie reis. / Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan. / Verder heeft het je niets meer te geven.’ Het geluk zit in de reis, wat hier staat voor het leven zelf.

    Nog een Nobelprijswinnaar, de Pool Czesław Miłosz is vertegenwoordigd met vijf gedichten, evenals Zbigniew Herbert in de vertaling van Gerard Rasch, een van de grote namen op literair vertaalgebied. De bundel begint direct goed metMiłosz’ zeer fraaie ‘Een Geschenk’, waarvan de kernregels, ‘Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten.’  Ziedaar geluk in een notendop.
    Van Dylan Thomas is een van zijn mooiste gedichten gekozen, ‘Varenheuvel (‘Fern Hill’, vertaald door Bert Voeten). Met die bekende en prachtige openingsregels: ‘Toen ik nu jong en onbezwaard was in de appelgaard / Nabij het jubelend huis en blij om het groen van het gras’. Daar is het groene gras weer.

    ‘Een draagbaar paradijs’ van Roger Robinson is ook een van de parels uit deze bundel. Hier wordt poëzie bijna mindfulness. ‘En als het leven je onder druk zet, / moet je de richels ervan aftasten in je zak, / zijn dennenachtige geur opsnuiven / zijn hymne neuriën onder je adem.’ Verder vinden we onder andere Rutger Kopland, Philip Larkin, Ida Gerhardt, Vasalis en Fernando Pessoa, tussen de vele andere grote namen – en de vaak minder bekende verrassingen.

    Elisabeth Lockhorn ontwijkt vakkundig alle clichés die zo’n bekend referentiekader bieden bij het thema ‘geluk’. Juist door aan de ene kant dichtbij dit kader te blijven, maar het tevens door de kracht van de keuzes vakkundig te omzeilen en overstijgen krijgt deze bundel extra waarde en stijgt daarmee verre uit boven de gemiddelde thematische verzamelbundel. Een heerlijke bloemlezing voor alle poëzieliefhebbers, maar zeker ook voor iedereen die niet zoveel in aanraking is geweest met poëzie maar er wel benieuwd naar is.

     

     

  • Verlangens hebben een prijs

    Verlangens hebben een prijs

    Nadia Terranova (Messina, 1978) is een vrij nieuwe naam in de Italiaanse literaire wereld. Haar twee eerste romans kregen alom lof, en haar tweede roman Afscheid van de geesten werd in 18 landen vertaald. In deze roman liet Terranova al zien dat haar kracht vooral ligt in haar herkenbare stijl, de sterke metaforen en de wijze waarop ze zich meester toont van haar materie. Haar stijl nestelt zich rond de lezer als een cocon; je begeeft je volledig in haar wereld, middels de sterke beelden en door de manier waarop je mede daardoor direct toegang hebt tot de karakters, wat het vermogen tot empathie versterkt.


    In De nacht beeft gaat Nadia Terranova terug naar 1908, toen de stad Messina op Sicilië en het aan de andere kant van de zee-engte gelegen Reggo Calabria werden getroffen door een aardbeving die de geschiedenis in zou gaan als de ergste die Europa ooit heeft getroffen. Van Messina werd twee derde verwoest, 80.000 mensen vonden de dood. De kracht was in Reggio iets minder, maar ook daar een en al dood en verwoesting. Een treffend decor voor veel drama.

    De grote ramp

    Hoofdpersonen in De nacht beeft zijn de jonge Nicola in Reggio, en de iets oudere Barbara (bijnaam Rina) in een plaatsje vlakbij Messina. Gemene deler in hun levens is de gevangenschap waarin zij zich bevinden binnen hun familiesituatie. Nicola wordt ’s nachts in zijn kelder aan bed vastgebonden door zijn waanzinnige moeder, Rina leeft na de dood van haar moeder alleen met haar vader, die alvast een echtgenoot voor haar heeft gereserveerd die zij absoluut niet wil. Om die situatie te ontvluchten gaat zij op bezoek bij haar grootmoeder, maar ook die houdt haar in het gareel. Samen bezoeken ze de opera; direct na dit bezoek vindt de grote ramp plaats. Eén Scylla en Charybdis samen, een zeskoppig monster, elke kop met drie rijen vlijmscherpe tanden, had zich vanuit het hart van de straat opgericht, met zijn drakenstaart gezwaaid en daarmee de Calabrische kust platgeveegd terwijl die op hetzelfde moment onder het gebulder van een ongekende donderslag explodeerde.’ Zowel Rina als Nicola verliezen alles en lopen na de shock als verdwaasd door de onherkenbare steden.

    Een ander leven

    Bij toeval kruisen de levens van Rina en Nicola elkaar kortstondig. De twee vluchten op een schip, waar een matroos Rina verkracht. Later blijkt zij zwanger te zijn, maar de aardbeving biedt de kans om de waarheid te verdraaien. Rina kan volhouden dat de vader van het kind dood is en aldus kan zij aan een nieuwe toekomst werken met haar dochter. Nicola verliest zijn beklemmende ouders en vindt de vrijheid middels een ongewild kinderloos echtpaar dat hem adopteert. Zo brengt de aardbeving hen beiden een nieuwe toekomst. De toekomst klopte aan, drong zich op en bracht alle kleuren van de wereld mee.’ Daarbij schudden ze hun eerdere levens voorgoed af: ‘Nicola’s verleden was een smalle, donkere plek, afgeschermd met barricades zonder openingen’. Rina keert niet terug naar haar vader.

    Uiteindelijk brengt de aardbeving de zo gewenste grote verandering in de levens van Nicola en Rina, zij het tegen een grote prijs. ‘Het leven had me al met genoeg onrechtvaardigheid opgezadeld, het was tijd om het tij te keren. De schande zou een bevestiging zijn van de vrijheid die ik had verlangd en van de aardbeving die ik had gekregen: dankzij de smet zou mijn vader me definitief verstoten en zou ik geen ketenen meer hebben. Verbitterd moest ik toegeven dat hij gelijk had gehad: verlangens hebben een prijs, zei hij altijd wanneer ik hem om iets vroeg.’

    Filosofie

    Het is te merken dat Nadia Terranova filosofie heeft gestudeerd; de wijze waarop zij filosofische ideeën op toegankelijke wijze met haar verhaal vervlecht doet denken aan Connie Palmen. Soms iets te nadrukkelijk, met de schok van de aardbeving als bevrijding, maar de roman bevat ook veel sterke existentiële ideeën over de vraag wie wij zijn en wat er van ons overblijft na de dood. Een thema dat mooi wordt behandeld en uiteraard zeer relevant is bij een aardbeving waarbij er vaak ook fysiek niets van ons overblijft. Zo resteert van de grootmoeder van Rina alleen de naam.

    De kracht van Nadia Terranova is dat zij meester blijft over een verhaal bij een stijl die makkelijk zouden kunnen ontsporen. Het zijn uiteindelijk de sterke beelden en ideeën die de boventoon voeren in deze mooie roman, soepel vertaald door Etta Maris. Daarmee onderstreept Nadia Terranova haar plaats als een van de belangrijkste hedendaagse Italiaanse schrijvers.

     

     

  • Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    ‘Ruim twintig jaar al duikt Paul van Ostaijen met enige regelmaat op in mijn bestaan.’ Aldus begint Matthijs de Ridder het nawoord van zijn biografie over de Vlaamse dichter, die als ondertitel ‘De dichter die de wereld wilde veranderen’ heeft meegekregen. Die tijdsspanne toont aan hoe grondig De Ridder te werk is gegaan. Het resultaat is ernaar, want hij geeft de lezer een zeer gedetailleerd beeld van het leven van de grote vernieuwer van de Vlaamse poëzie.

    Het verhaal begint in het Antwerpen van vlak voor de eeuwwisseling, bij de geboorte van Pol van Ostaijen in 1896. De wijze waarop Matthijs de Ridder het Antwerpen van deze tijd tot leven brengt is een waar genot voor de lezer. We volgen Pol in zijn jeugd en schooljaren. Een begaafd leerling is hij bepaald niet en op jonge leeftijd wisselt hij het schoolleven al in voor een baan als klerk bij de gemeente. De drang om een grote rol te gaan spelen in de Vlaamse letteren manifesteert zich echter al vroeg. Pol wil de dichter van zijn generatie worden. Het duurt na deze vroege jaren van Pol (zijn originele naam, ‘per ongeluk’ vernoemd naar Koning Leopold I zo valt ergens te lezen, dus veranderde hij zijn naam in Paul), nog enkele honderden bladzijden voor we aankomen bij Music-Hall, zijn debuut uit 1916, waarmee hij de gangbare begrippen van de kunst aan het wankelen brengt. De oorlog had duidelijk een nieuwe tijd ingeleid, en Music-Hall is daarvan een manifestatie.

    In het eerste deel worden veel vrienden en medeoprichters van literaire tijdschriften aangehaald, tijdschriften die vaak een kort leven beschoren zijn. Het grote aantal namen maakt het verhaal soms moeilijk te volgen. Daarnaast zijn er veel passages die niet direct relevant zijn. Dat Paul van Ostaijen mogelijk bij een bokswedstrijd aanwezig was en daar misschien een bespreking aan heeft gewijd hoeft geen drie bladzijden te kosten. Zo zijn er meer passages die korter of in een voetnoot afgehandeld hadden kunnen worden.

    Eerste Wereldoorlog

    Van Ostaijen heeft duidelijk het heilige vuur om de literatuur een flinke optater te geven, maar hij mist nog de juiste structuur om dat echt waar te maken. Natuurlijk breekt ook de Eerste Wereldoorlog uit in 1914, en na een korte maar hevige strijd valt Antwerpen. De oorlog wordt slechts sporadisch genoemd, maar op de achtergrond is deze altijd aanwezig. Door de taalstrijd krijgt de oorlog nog extra betekenis. Het Frans voert op alle gebieden de boventoon zodat de positie van het Vlaams nog bevochten moet worden. Er zijn elementen binnen de Vlaamse beweging die voor hun strijd steun hopen te krijgen van de Duitse bezetter. De rol van Van Ostaijen hierin is onduidelijk, maar zijn medewerking aan de Duitsgezinde Vlaamsche Gazet is er wel mede de oorzaak van dat hij na de oorlog wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf. Uiteindelijk zal hij nooit in de gevangenis belanden. Aan het eind van de oorlog verschijnt zijn tweede bundel Het Sienjaal (1918).

    Berlijn

    Na de oorlog gaat Paul naar Berlijn met zijn nieuwe vriendin Emma Clément, beter bekend als Emmeken. De stad zelf lonkt, maar Paul is ook op de vlucht voor het gerecht vanwege zijn veroordeling. In Berlijn komt hij in aanraking met het nachtleven in de grote stad, de jazz, de clubs. Het zal zijn weerslag vinden in bundels als Bezette Stad (1921) en Feesten van Angst en Pijn (1921, maar postuum gepubliceerd). Om zijn hectische leven en zijn complete toewijding aan de poëzie vol te houden raakt hij steeds meer afhankelijk van de cocaïne. In 1921 keert hij terug naar Antwerpen, korte tijd later gevolgd door Emmeken. Hun knipperlichtrelatie is dan al een aflopende zaak en eindigt definitief als zij met iemand anders trouwt.

    Bundels

    Ondanks de vele details verliest Matthijs de Ridder de grote lijn niet uit het oog. Deze is opgebouwd rond drie belangrijke pijlers: de biografische levensloop van Paul van Ostaijen, zijn liefdesleven en vooral de dichtbundels waar hij zijn faam aan dankt. Opvallend is hoezeer het verhaal vaart en structuur krijgt zodra er een bundel in zicht komt; dat zijn dan ook de beste passages van de biografie. Door een duidelijk beeld te schetsen van de ontstaansgeschiedenis van elke bundel maakt De Ridder ook duidelijk hoe deze allen op zichzelf staan. De poëtische ontwikkeling van Paul van Ostaijen is niet eenlijnig. Music-Hall was vooral qua inhoud revolutionair, wat stijl betreft lag het nog altijd in het verlengde van de traditionele poëzie. In zijn tweede bundel Het Sienjaal kiest hij steeds meer voor het woord als bouwsteen. Daarna gaat de typografie een grote rol spelen, zoals in Bezette Stad. En dan zijn er natuurlijk zijn nagelaten gedichten. Heel mooi beschrijft De Ridder de wordingsgeschiedenis van klassiekers als ‘Melopee’ en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’: ‘De ‘dingen’ uit de titel van dit laatste gedicht worden in een totaal ander licht gesteld door de blik van een kleine jongen die ’s ochtends door het huis loopt en ze tot leven wekt. […] Voor de duur van het gedicht wordt zelfs de meest cynische lezer ontwapend door dit onweerstaanbaar naïeve perspectief en verleid om het leven van een totaal andere kant te zien.’

    De Ridder geeft de parameters van de tijd zodanig weer dat deze automatisch leiden tot het vernieuwende dichterschap van Paul van Ostaijen. Maar ondanks de herhaalde drang een ‘revolutionaire’ poëzie te schrijven, moet dat vernieuwende toch vooral worden gezocht in vorm en stijl. Inhoudelijk en maatschappelijk blijft de revolutie ver verwijderd.

    Waardering

    Na de publicatie van Bezette Stad lijkt het er steeds meer op dat Van Ostaijen geen aansluiting meer kan vinden in het artistieke milieu van Antwerpen. De bundel wordt matig tot negatief gerecenseerd. Hij voelt zich onbegrepen als kunstenaar en daardoor eenzaam. Zijn plaats tussen de Vlaamse poëzie blijft moeizaam. ‘Iedere keer dat hij zelf zijn nek uitstak om een beweging op te richten, mislukte dit jammerlijk.’ Daarin kunnen we natuurlijk ook de oorzaak zien van het feit dat zijn poëzie, hoe origineel ook, hoezeer aansluitend bij de tijdgeest en hoezeer ook een eeuw later nog steeds aansprekend, toch nooit echt school heeft gemaakt. Het stak Van Ostaijen dat hem nooit een grote literaire prijs ten deel viel. Het zegt ook alles over zijn plek in de Vlaamse poëzie: ondanks al zijn pogingen en de waarde die wij nu in zijn werk zien, bleef hij tijdens zijn leven toch meer een buitenstaander, niettegenstaande zijn vriendschappen met dichters als Gaston Burssens en Wies Moens, en later Eddy du Perron.

    Als langzaamaan de lof voor zijn poëzie begint te groeien en Van Ostaijen de erkenning krijgt dat dankzij hem de moderne poëzie voet aan de grond kreeg, is het al te laat. In 1925 wordt bij hem TBC geconstateerd. Uiteindelijk sterft Paul van Ostaijen op 18 maart 1928 in Sanatorium Miavoye-Le Vallon. Een half jaar later overlijdt ook zijn broer Stan aan TBC, het vierde kind van de ouders Van Ostaijen dat als jongvolwassene sterft aan TBC en het zevende in totaal.

    Ondanks de genoemde tekortkomingen verdient Matthijs de Ridder vooral lof voor deze groots opgezette biografie, een waardevol bezit voor alle fans van Paul van Ostaijen. Een laatste woord verdient de uitgave op zich, want wat is deze biografie voorbeeldig uitgegeven. Alles klopt: het ontwerp, de kleuren, de foto’s, de besproken kunstwerken in de bijlage, het lettertype, het is werkelijk allemaal even prachtig.

     

     

  • Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    In verschillende interviews die Hella Haasse (1918-2011) op latere leeftijd gaf, zei ze dat ze geen biografie wilde. Het feit dat ze desondanks haar agenda’s bewaarde omdat ‘zulke bronnen voor iemand anders ook van waarde zouden kunnen zijn’, toont al aan dat ze in deze wens niet heel standvastig was. Daarnaast was er het ‘zwarte schrift’, waarin ze haar meest persoonlijke gedachten en herinneringen bewaarde. Naarmate het einde naderde werd het dan ook steeds duidelijker dat die biografie er na haar dood zeker zou komen. Dat Aleid Truijens voor deze dankbare taak werd benaderd was een logische keuze gezien haar grote staat van dienst in de bestudering van en het schrijven over het oeuvre van Hella Haasse.

    Familie

    Natuurlijk begint Truijens met de geboorte van Haasse in wat toen nog Nederlands Indië heette. Haar jeugd aldaar zou haar hele schrijversleven als een rode draad door haar werk blijven lopen – met Oeroeg (1948) en Heren van de Thee (1993) als de grote publiekslievelingen. In 1925 kreeg haar moeder tbc. Ze moest naar een kuuroord en Hella werd naar haar grootouders van moederskant gestuurd in Baarn. In 1928 keerde ze terug naar Indië. Afgezien van een half jaar met het hele gezin in Nederland (1935) waren de jaren daarna een gelukkige tijd voor haar, tot haar ouders haar in 1938 opnieuw naar Nederland stuurden om te studeren. Mede door de oorlog zou ze haar ouders acht jaar niet meer zien. De band met haar ouders bestond uitsluitend uit intellectuele intimiteit. Voor haar emotie zocht ze toevlucht in haar fantasie. ‘Ik heb de fantasie altijd nodig gehad om te kunnen leven’, zo zei ze in een interview. Voor Hella Haasse was de schrijver per definitie een waarnemer, geen deelnemer. Het werd haar tweede natuur om zich als buitenstaander op te stellen.

    Met haar vader was de relatie ook afstandelijk. Die afstand tot de ouders zou haar parten blijven spelen, en later zou dit patroon zich herhalen in haar band met haar dochters. Het opvallende is dat haar kinderen wél een goede band hadden met hun grootouders, net zoals Hella later een hechte band zou ontwikkelen met haar kleindochters. Haar broer Wim vertrok al op jonge leeftijd naar Australië. Een poging zich met zijn Australische vrouw in Nederland te vestigen liep op een mislukking uit omdat zijn vrouw hier niet kon aarden. De spaarzame bezoeken van Hella en echtgenoot Jan aan Australië worden gekenmerkt door afstandelijkheid; aan warme band zou het nooit worden.

    Huwelijk

    In 1939 ontmoette Hella Jan van Lelyveld. Ze werd verliefd, maar ondanks haar eigen woorden die het tegendeel beweerden, zou het huwelijk altijd problematisch blijven. Hella en Jan trouwden in 1944 en in datzelfde jaar werd dochter Chrisje geboren. April 1947 overleed Chrisje aan difterie. Hella zou haar hele leven schuldgevoelens houden; ze verweet zichzelf dat zij en Jan te laat hulp in het ziekenhuis hadden gezocht. Dit schuldgevoel speelde zeker ook een rol in haar latere verstandhouding met dochters Ellen en Marijn. Het is tevens een van de redenen dat het huwelijk tussen Hella en Jan stand hield want zij droegen samen dit verdriet.

    Er was geen intimiteit in het huwelijk, waardoor Hella verbitterd raakte. Compensatie zocht ze in het schrijven. Dochter Ellen van Lelyveld zei daarover: ‘Ik denk wel eens: mijn moeder had dat drama nodig. Ze had sterk de behoefte om slachtoffer te zijn, en dan een slachtoffer dat haar ellende met opgeheven hoofd droeg.’ Aleid Truijens: ‘Pas toen ze volwassen waren, doorzagen ze het patroon: een mengeling van superioriteit en zichzelf vernederen was een belangrijke karaktertrek van hun moeder. Naarmate Hella meer de smekende rol op zich nam werd hun vader afstandelijker, wat weer reden tot klachten gaf. Zo nam de kilte tussen hen toe.’ Echtgenoot en dochters hadden er moeite mee zichzelf te herkennen in de verhalen van Hella, ook al begrepen ze heel goed dat Hella soms eigenschappen van hen leende omdat ze pasten in het verhaal. Voor vrijwel al haar werk haalde Hella Haasse inspiratie uit haar eigen leven. ‘Wat ik ook schreef, het ging over mezelf’, zo zei ze ooit.

    De Grote Vier

    Een biografie van Hella Haasse ontkomt niet aan de clichés die we door de jaren heen zo vaak gehoord hebben. Als vrouwelijke auteur zou zij niet de waardering hebben gekregen die haar mannelijke collega’s ten deel vielen, er hing altijd een zweem van braafheid om haar heen. ‘Wat moet ik in godsnaam doen om van dat imago af te komen? […] Iemand die mij maar een beetje kent, zal nooit en te nimmer zeggen dat ik braaf ben’.  Tegelijkertijd werd ze ‘De Grande Dame van de Nederlandse Literatuur’ genoemd en werd ze niet zelden tot ‘De Grote Vier’ gerekend. Toch voelde Hella Haase zich altijd de mindere van de grote drie, Reve, Hermans en Mulisch. Toen haar in 1983 de P.C. Hooftprijs werd toegekend, nam zij deze dankbaar in ontvangst, maar ergens wrong toch ook de late toekenning.

    Haasse had grote waardering voor Hermans, Wolkers en Reve. Met Hermans ontstond er zelfs een vriendschap, al werd tijdens hun gezamenlijke etentjes vrijwel nooit over hun werk gesproken. Voor Reve had ze een zwak, al vond ze hem ‘een beetje getikt’. De vriendschap met Yvonne Keuls liep regelmatig deuken op, niet in het minst omdat het nogal eens botste als ze aan een gezamenlijk project werkten. Alleen met Harry Mulisch boterde het totaal niet. De laatste decennia woonden Hella en Jan in Byzantium, aan het begin van het Vondelpark. Mulisch woonde letterlijk aan de overkant. Als Annie Kroon, een van haar twee vaste Franse vertalers, op bezoek was, meden ze voor hun gezamenlijke lunches liever Hotel Americain omdat ze bang was Mulisch daar te treffen. En elk jaar dronken ze samen een glas van haar favoriete wijn Morgon om te vieren dat Mulisch opnieuw de Nobelprijs níet had gewonnen.

    Tegelijkertijd overvleugelde ze haar mannelijke collega’s in haar tweede thuisland Frankrijk, waar ze jaren woonde met Jan. Mede dankzij haar heldere, zeer vertaalbare stijl waren de Franse vertalingen van Haasse’s werk zeer succesvol. Het leverde haar zelfs een plaats op in het programma Bouillon de Culture van Bernard Pivot. Opvallend is het verhaal achter de Amerikaanse vertaling van haar vroege roman Het woud der verwachting. Ene Lewis Kaplan raakte in 1949 geïntrigeerd door het onderwerp en leerde speciaal hiervoor Nederlands. Hij maakte een vertaling die na zijn dood in 1957 jaren in de kast bleef liggen, tot zijn zoon het weer oppikte in de jaren tachtig. Met behulp van professionele vertalers verscheen er in 1989 een vertaling die naast lovende recensies een oplage haalde van 50.000 exemplaren.

    Monumentaal en invoelbaar

    Misschien wel de gootste verdienste die Aleid Truijens met dit monnikenwerk – het schrijven van deze biografie nam acht jaar in beslag – heeft geleverd is de wijze waarop je als lezer zoveel zaken vooral aanvoelt, hetzij voor, hetzij nadat deze zijn benoemd. Het moeizame huwelijk met Jan, diens autisme, tegelijkerijd de wederzijdse waardering voor de persoon, vooral gebaseerd op hun intellectuele band, de moeizame relatie met haar ouders en haar dochters, het gemak in de verstandhouding met haar kleindochters. En vooral, dat er zoveel meer schuilt achter die op het oog inderdaad misschien wat brave dame. Je kunt het als biograaf natuurlijk vertellen, maar het werkt zoveel beter als de lezer het ook werkelijk voelt.

    Aleid Truijens is zeer zorgvuldig te werk gegaan in het leveren van de context bij de vele romans van Hella Haasse, waarbij het knappe is dat het werk zelf centraal blijft staan en nooit ondergesneeuwd raakt door al die informatie. Het is en blijft altijd ‘in dienst van’, en daarmee heeft ze een zeer waardevolle biografie van deze ‘grande dame’ van de Nederlandse literatuur geschreven.

     

     

  • Kloten en meppen  

    Kloten en meppen  

    Rotzak is de debuutroman van Peter Bierhaus (1956). Gezien zijn geboortejaar kunnen we spreken van een rijkelijk laat debuut. Een schrijver die in de literatuur debuteert na zijn zestigste is vrij uitzonderlijk, maar niet uniek: denk aan Frank McCourt (1930-2009) (De As van mijn Moeder- 1997) en Francesco Pecoraro (1945) (Leven in tijden van vrede – 2013).

    Peter Bierhaus debuteerde wel jong als schrijver, zij het in de journalistiek, bij weekblad Panorama. De stoere, typisch mannelijke, no nonsense taal van dat weekblad vindt zijn weerslag in Rotzak. ‘Een typische coming of age-roman’ aldus de achterflap. Met evenveel recht kun je het een moderne schelmenroman noemen. Hoofdpersoon Robbie wordt geboren in de Arnhemse Persikhaaf. Thuis is de situatie niet geweldig. Robbie kan het goed vinden met zijn zusters, maar zijn vader is gewelddadig en zijn zonderlinge moeder ontwikkelt zich meer en meer tot een religieus waanzinnige. Robbie zoekt steeds vaker zijn heil op straat, komt in contact met de Arnhemse onderwereld en begint een zeer winstgevend handeltje in speedpillen die hij de grens met Duitsland over smokkelt. In het Arnhem van Robbie is Vitesse nooit ver weg, evenmin als het ernums dialect.

    Paradiso

    Arnhem wordt al snel te klein, en Robbie vertrekt naar Amsterdam. Liefdes, zuipen en veel neuken, de straattaal is op elke bladzijde prominent aanwezig en Robbie heeft ‘altijd zin om te kloten en te meppen’. Het leven van Robbie ontwikkelt zich tot een ware rollercoaster, en in deze met veel vaart geschreven roman zijn de opeenvolgende fasen in het leven van Robbie nauwelijks bij te benen. Na een jeugdliefde in Arnhem die Robbie toch niet kan geven wat hij wil, ontmoet hij in Amsterdam na verschillende vriendinnen uiteindelijk de veel wildere Susy. Met haar bezoekt hij vaak Paradiso, waar net de punk in opkomst is, met concerten van onder andere de Sex Pistols en Blondie. Maar meer nog houdt hij van de blues à la John Lee Hooker. Met Susy bezoekt hij haar ouderlijk huis, in een arbeidersbuurt in een kleine stad net boven Londen. Het arme leven van Susy’s ouders raakt hem, en zijn empathie levert mooie passages op die behoren tot de meest treffende van het boek. Alles is hier armoedig. Het stinkt. Een diepe, zware lucht die je nooit meer weg krijgt. Een mengsel van schimmel, rook, drank en gore scheten. Jarenlang.”

    Terug naar Ernem

    Robbie is al vroeg bezeten van boksen. Hij is er ook heel goed in en wint veel wedstrijden. In Arnhem al, maar hij zet zijn hobby in Amsterdam met zo mogelijk nog meer geestdrift voort. Maar het gaat fout als zijn kracht en vechtlust leiden tot de noodlottige klap die hij een opdringerige medebewoner van het kraakpand van Susy verkoopt in Paradiso. Robbie verdwijnt voor jaren de bak in wegens moord.

    Als hij na jaren vrijkomt verlaat hij de grote stad en zoekt zijn heil in Wehl in de Achterhoek, maar daar is het weer te rustig en saai, dus uiteindelijk keert hij terug naar Arnhem. En daarmee is wat zijn omzwervingen betreft de cirkel rond. In Arnhem vindt hij in de oudere Marjan zijn grote liefde. Maar al snel slaat het noodlot toe en blijkt Marjan ongeneeslijk ziek. Na haar dood is hij ontroostbaar, de kroeg en zijn vrienden bieden soelaas, lekker nuilen op z’n ernums. En natuurlijk zijn daar altijd weer het boksen en Vitesse.

    Eigenlijk is Robbie de kwaadste niet. Hij heeft een duistere kant – de ‘donkere wolk’ in zijn hoofd wordt vaak aangehaald maar niet echt goed uitgewerkt – maar als hij terug in Arnhem plots wordt geconfronteerd met zijn tot dan toe onbekende tienerdochter Linda, verwekt in een one night stand tijdens zijn tijd in Amsterdam, ontwikkelt hij zich tot een liefhebbende vader. Met het geld dat hij op jeugdige leeftijd met de drugssmokkel heeft verdiend heeft hij destijds twee huizen gekocht. In het ene mag zijn dochter met haar vriendin gaan wonen, in het andere woont hijzelf, totdat hij het verhaal hoort ‘van de bevriende Afghaanse taxichauffeur Amar’. Direct besluit Robbie zijn woning aan Amar en zijn gezin af te staan voor een lage huur, zelf trekt hij in een kleiner huurhuis. Opvallend zijn trouwens de uitspraken van Amar over immigratie. Volgens hem laten de Nederlandse autoriteiten te veel mensen binnen en veronachtzamen ze hun eigen bevolking. Robbie kan zich daar wel in vinden, maar zijn vriendschap met Amar en anderen laat zien dat je hem moeilijk xenofoob kunt noemen. De titel Rotzak, die naast zijn vader meer mensen hem toebedelen, moet vooral worden gezien als geuzennaam. Als het erop aankomt heeft Robbie een goed hart, ook al berooft hij als hij slecht bij kas zit wel eens Duitsers, die tenslotte in groten getale naar Arnhem komen.

    Balans van een bewogen leven

    Qua hoofdstukindeling, taalgebruik en branie doet Rotzak nog het meest denken aan Ik Jan Cremer. Andere voorbeelden die zich aandienen zijn Louis Ferdinand Céline, net als Jan Cremer met de kenmerkende staccatostijl, en Charles Bukowski. En juist als je denkt dat de staccato zinnen wel heel erg aan Céline doen denken, meldt Robbie dat hij diens Reis naar het Einde van de Nacht heeft gelezen, een boek dat enorme indruk op hem heeft gemaakt. Ook Bukowski wordt genoemd. Nu is er niets mis met beïnvloeding door grote schrijvers, maar als je zo hoog gokt, dan valt het verschil des te meer op. En ondanks de vaart en de avontuurlijke inslag van het geheel, is dit boek toch stilistisch van een duidelijk minder kaliber dan deze grote voorbeelden.

    Aan het eind maakt Robbie de balans op van een bewogen leven. ‘Ik ben geboren, heb d’r een klotezooi van gemaakt en ga dood als ouwe gek die moffen berooft. Mijn leven. O ja, met d’r tussenin nog een moord. Ik mot ‘r vrede mee hebben. Ik heb ’t zelf gedaan. Ik koop een paar goeie, dure biertjes. Proost!’

     

     

  • De hel van Tadeusz Borowski

    De hel van Tadeusz Borowski

    De lezer die dacht dat hij na schrijvers als Primo Levi, Imre Kertesz en Curzio Malaparte de meest gruwelijke Holocaust literatuur wel onder ogen zou hebben gehad, heeft niet gerekend op Tadeusz Borowski’s Hierheen naar het gas, dames en heren. Een titel zo wrang en cynisch dat je als lezer direct aanvoelt welke gruwelen je kunt verwachten. Borowski beschrijft in zijn verhalen de hel. Erger nog, hij beschrijft een hel waarvan we ons zelfs met onze kennis omtrent de meest duistere aspecten van de geschiedenis van de 20e eeuw geen voorstelling kunnen maken. Het resultaat is zowel trefzeker als ontstellend.

    In het – net zoals vrijwel alles uit deze bundel, autobiografische – titelverhaal vertelt de ik-persoon hoe hij samen met een groep medegevangenen verantwoordelijk is voor het leeghalen en schoonmaken van de wagons nadat er een nieuwe groep Joden in Auschwitz is aangekomen. ‘De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (…) zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deur, hijgend als vissen op het zand.’ Nadat alle overlevenden van de reis zijn uitgestapt en naar de plek zijn gevoerd waar de selectie zal plaatsvinden, moet de groep de wagons legen. ‘We springen naar binnen. In de hoeken tussen de menselijke uitwerpselen en verloren horloges slingeren gestikte, vertrapte baby’s rond, naakte monstertjes met enorme hoofden en uitpuilende buiken. We dragen ze naar buiten als kippen, een paar tegelijk in elke hand.’

    Ieder voor zich
    Met zijn kille beschrijving toont Borowski aan waartoe ontmenselijking leidt. Een moeder verloochent haar kind omdat ze onder de levenden wil blijven, een groep uitgehongerde gevangenen rent naar de plek waar zojuist een groep jonge Russen is geëxecuteerd want de volgende dag ‘verzekerde de Joodse muzelman uit Estland […] me ervan dat mensenhersenen zo mals zijn dat je ze zonder te koken volstrekt rauw kunt eten,’ een lid van het sonderkommando vertelt enthousiast over een nieuwe efficiënte manier om zoveel mogelijk lichamen tegelijk te verbranden. ‘We pakken vier kinderen met haar, leggen die met de hoofden bij elkaar en steken het haar in brand. Dan brandt het verder vanzelf en is het gemacht.’ Het doet denken aan de efficiëntie van de fabrikant van de verbrandingsovens, die enthousiast bij de nazi’s aankwam met nóg betere ovens waarin de lichamen nóg sneller konden worden verbrand. De nazi’s waren er uitermate vernuftig in van de slachtoffers daders te maken, met als resultaat dat de ontmenselijking ook tot ongevoeligheid bij de gevangenen leidt. ‘Zie je, vriend, ik voel een volstrekt onbegrijpelijke woede tegenover die mensen in me opkomen, omdat ik door hen hier moet zijn. Ik heb helemaal geen medelijden met ze dat ze naar het gas gaan. Dat de aarde onder hen uiteen moge splijten. Ik zou me met mijn vuisten op hen kunnen werpen. Dat is toch ziekelijk, ik kan het maar niet begrijpen.’ In de hel van Auschwitz is het in de drang om te overleven ieder voor zich. ‘Het belangrijkste is om vandaag te overleven. Ik wil terug naar mijn vrouw, naar mijn kind, ik heb al genoeg oorlog lopen voeren.’

    Vertalers Karol Lesman en Charlotte Pothuizen zijn erin geslaagd de zo kil beschreven hel van Borowski in helder Nederlands te vertalen, voorwaar geen geringe prestatie. Naast de verhalen uit Hierheen naar het gas, dames en heren, bevat deze bundel een aantal verspreide verhalen en gedichten, die deels ook na de oorlog spelen. Een wereld waar nog altijd de chaos regeert, waar het nog steeds ieder voor zich is en waar het antisemitisme nog springlevend blijkt.

    Moraliteit
    Wat de verhalen van Borowksi zo sterk en tegelijkertijd schokkend maakt is de afstand tussen de moraliteit waar wij ondanks alle mogelijke ellende in de 21e eeuwse maatschappij van uitgaan en de hel van Auschwitz. ‘Borowski speculeert op een moreel besef waarvan hij vermoedt dat dat nog aanwezig is bij de lezer; vooral daaraan is het effect van deze tekst te danken, de botsing tussen het residu aan moraliteit in de lezer en het universum waar de moraal de absurditeit bij uitstek is geworden,’ zo zegt Arnon Grunberg treffend in zijn zeer sterke inleiding. Het zorgt er steeds weer voor dat de gebeurtenissen uit deze verhalen aankomen als een mokerslag.

    Tadeusz Borowski en zijn vriendin overleefden beiden de oorlog. Ze hadden het geluk dat drie weken voor hun arrestatie in 1943 de nazi’s de gang naar de gaskamer voor ‘Ariërs’ hadden afgeschaft, waardoor ze aan een vroege dood waren ontsnapt. Na de oorlog en omzwervingen van zijn vriendin naar onder andere Zweden, trouwden ze. Maar eenmaal getrouwd kon Borowksi zijn draai niet vinden en begon hij een buitenechtelijke relatie. Gedesillusioneerd in de Communistische Partij in Polen, waar hij aanvankelijk zijn hoop op had gevestigd, pleegde hij op 1 juli 1951, daags na de geboorte van zijn dochter, zelfmoord, ironisch genoeg door de gaskraan open te draaien. Hij liet geen briefje na waarin hij een motief gaf voor zijn daad. Tadeusz Borowski was nog geen 30 jaar oud.