• Waarnemen wat anderen ontging

    Waarnemen wat anderen ontging

    In 2021 overleed de gelauwerde dichter, romanschrijver en essayist K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter (1936-2021). Vanaf 1963 verschenen van zijn hand tientallen publicaties, allemaal heel verschillend van aard, maar steevast herkenbaar door Schippers’ ernstige liefde en aandacht voor het speelse en het alledaagse – en voor het bijzondere dat hij daarin vaak wist te betrappen. In 2022 verscheen postuum een bundel gedichten onder de titel Je moest me eens zien, die nog door Schippers zelf werd samengesteld. 

    Voor een overleden dichter met een indringend en fijn afgesteld taalgevoel als Schippers is de titel Je moest me eens zien, uiteraard programmatisch: hij is dood, we kunnen hem niet meer zien. We moeten het doen met deze gedichten. Met deze titel nodigt hij de lezers uit: ‘je moest me eens zien’ en in deze gedichten is hij ook te zien. Vraag blijft wel wat we te zien krijgen, wat Schippers de lezer te zien geeft. Iedereen kijkt anders, hij zelf incluis. Juist daarin blonk Schippers zijn leven lang uit: iets waarnemen dat anderen doorgaans ontging. Laten we eens kijken. 

    Zeventien van de ruim vijftig gedichten uit Je moest me eens zien, schreef Schippers tussen 2016 en 2018 als stadsdichter van Amsterdam. Die gedichten zijn tijdloze kunstuitingen die juist, en bijna vanzelfsprekend tijd- en plaatsgebonden zijn. Ze gaan bijvoorbeeld over een tentoonstelling in Foam (Fotomuseum Amsterdam) aan de Keizersgracht, de sluiting van het warenhuis V&D, de afbraak van de Valeriuskliniek, de dood van Armando. Misschien om juist niet in die voor de hand liggende kuil te vallen wijdt Schippers ook een ‘stadsgedicht’ aan een poëtische tekst van meer dan duizend jaar oud, vertaald uit het Chinees. En daarin gaat het dan weer over het tijdloze lijden van mensen die bekenden en beminden moeten missen die eerder zijn gestorven dan zij zelf. Een universeel gegeven.

    Wat we nog meer zien, is zintuiglijkheid. De dichter K. Schippers voelt, kijkt, ruikt, hoort en raakt aan, wordt aangeraakt of denkt en schrijft over aanrakingen. Titels van gedichten wijzen al in die richting: ‘Dicht bij je’, ‘Op de tast’, ‘Toevalsaanrakingen’, ‘Wat je aanraakt’.

    ‘Me afdrogen
     met de handdoek
     waarmee je je
     net hebt afgedroogd
     brengt me
     nog dichter
     bij je’ 

    Waarin de zintuiglijkheid, die telkens weer anders wordt verwoord, anders wordt benaderd om het pure plezier van taal, van exercities in observeren, verschuiven en bedenken aanwezig is. Een strofe als de volgende, in een postuum verschenen bundel, samengesteld door de dichter zelf, mag dan ook programmatisch heten: hij bevestigt de afwezigheid van de dode dichter K. Schippers, maar zijn interesse reikt over het graf. 

    ‘[…]
     wie ziet je
     als ik er
     niet meer ben’  

    of

    ‘[…] Hoeveel moet
     je van iets zien om het
     te herkennen.’

    Tegelijkertijd zijn Schippers’ gedichten in deze bundel niet te vangen. Ze verschillen in lengte, vorm, structuur. Zelfs met typografische stunts verrijkt Schippers zijn poëtische instrumentarium, waardoor sommige gedichten haast het karakter van een rebus krijgen. Zoals het gedicht waarin zelfs een ‘kruiswoordpuzzel tot leven gewekt’ wordt. 

     

     

    Deze bundel is een perfecte kennismaking met het speelse, geestige, talige, verrassende en soms vragen oproepende werk van K. Schippers. Door hemzelf bij leven en welzijn gekozen om gezien te worden na zijn dood. Je moest hem eens zien. 

     

     

  • De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    Nadat in 1971 het laatste reguliere nummer van het literaire tijdschrift Barbarber verschenen was, verklaarden de oprichters en redactieleden Bernlef, Brands en K. Schippers dat het blad zou blijven bestaan zolang zij het niet ophieven. Toen in 2018 het Barbarberkunstwerk Lijnen beschadigd raakte door een lekkend dak, concludeerde K. Schippers laconiek dat Barbarber nog steeds in beweging was nu de tijd letterlijk haar sporen had nagelaten. En nu, na zijn overlijden afgelopen augustus, alle redactieleden ter ziele zijn, is er het boek van Toef Jaeger om Barbarber levend te houden: De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde.

    Barbarber is het literaire tijdschrift dat in de jaren zestig van de vorige eeuw het gedachtegoed van Dada in de praktijk bracht in de Nederlandse letteren: de werkelijkheid werd vaak op een geestige of absurdistische manier als literatuur voorgeschoteld, want een gedicht is ook maar een tekst – en in Barbarber ook vaak andersom: een tekst is ook een gedicht; de beroemde readymade die vaak in het blad te vinden was.  En soms was er helemaal geen tekst maar bestond een nummer louter uit behangstalen, een grammafoonplaat of een fles wijn. 

    Drie titaantjes uit Oud-West

    Toef Jaeger vertelt hoe Henk Marsman (J. Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) en Gerard Bron (G. Brands) -kort voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Amsterdam Oud-West- elkaar na de oorlog leerden kennen op de Eerste Openbare Handelsschool. Daar kregen ze Nederlands van Rob Nieuwenhuys. Hij liet hen kennis maken met moderne schrijvers als Hanlo, Alberts en Reve – van hem leerden ze het oude niet klakkeloos te aanvaarden als het goede. 

    Aan niemand iets gelegen laten liggen, zeker niet aan ouderen, blijkt een rode draad in de geschiedenis van Barbarber. In het Nederlandse culturele klimaat van de jaren vijftig domineerde aan de ene kant de vrij klassieke dichters (Vasalis, A. Roland Holst en J.C. Bloem) en aan de andere kant de vijftigers (Lucebert, Kouwenaar, Claus, Campert, Vinkenoog etc). De drie titaantjes uit Oud-West vinden dat allemaal veel te serieus en te pretentieus. Zij hebben het in café Eylders aan het Leidseplein liever over Vroman, Dada, Laurel en Hardy en Tatie.  Vanuit de gedachte dat iedere tekst -als hij de moeite waard is- zo goed is als een andere, ontstaat  het plan een literair tijdschrift op te richten: Rabarber.

    Langzaamfietsen

    Wanneer Schippers en Brands de kunst van het langzaamfietsen beoefenen in de Leidse straat verandert die naam door een verspreking in Barbarber. In 1958 verschijnt het eerste zelf getypte en gestencilde nummer. In de inleiding schrijven ze dat een gedachte formuleren die de moeder moet zijn van een tijdschrift vaak moeilijk is waarna een schaakpartij uit 1906 wordt afgedrukt, overgenomen uit Praktische Schaaklessen deel 11 van Dr. M. Euwe en H.J. den Hertog. Maar natuurlijk zit er wel degelijk een gedachte achter het tijdschrift: literaire teksten moeten niet te serieus worden genomen en ze moeten ook niet al te serieus zijn.

    De oprichters illustreren die opvattingen met een “tombola van gedichten” (zoals Bernlefs Deur: `Duwen/Trekken’),  “aftandse moppen, verhaaltjes, brieven en krantenberichten” (altijd uit de Harlinger Courant) of andere trouvailles zoals de running gag over een rode driewieler die steeds weer opduikt als vermist, gestolen, gevonden, gezocht, te koop etc. Het blad wordt echter nauwelijks opgemerkt. Na de eerste jaargang is het aantal abonnees maar 26. Vermakelijk is het om te lezen hoe de redactie zich van slimme trucs bedient om in de publiciteit te komen en leden te winnen. Nadat ze het blad eerst ongevraagd naar allerlei mensen van betekenis hebben gestuurd, wordt in het zesde nummer de schaamtelijst ingezet: een namenlijst van alle mensen die wel gratis nummers hadden ontvangen maar geen abonnement hebben genomen. 

    Simon Carmiggelt vindt dit zo grappig dat hij voor het eerst een positieve Kronkel aan het blad wijdt. Vervolgens krijgt het blad in de literaire wereld steeds meer aandacht: Kouwenaar vindt het onbetekenende meligheid, maar Jan Hanlo loopt ermee weg en zal de belangrijkste medewerker worden. Uiteindelijk neemt het aantal abonnees toe tot maximaal 300. 

    Nooit enige twijfel over de koers 

    Opvallend is hoe de oprichters nooit aan zichzelf of de koers van het blad lijken te twijfelen. Vinkenoog mag niet meedoen, Hanlo wel. Van Herzberg en illustrator Chris van Geel wordt alles zonder enig commentaar geplaatst wat hen ook zenuwachtig maakt: zijn ze wel kritisch genoeg? Wat vinden ze er eigenlijk van? Van de meeste anderen en van elkaar wordt kopij echter regelmatig -meestal zonder opgaaf van reden geweigerd.  Boze brieven maken weinig tot geen indruk. 

    Hanlo die vanaf het achtste nummer zoveel bijdraagt dat hij het vierde redactielid genoemd wordt, zegt herhaaldelijk zijn medewerking op (omdat hij het niet eens is met andere bijdragen of omdat er voor de zoveelste keer nog fouten in zijn teksten stonden) maar komt steevast met hangende pootjes terug omdat de drie vaste redactieleden geen sjoege geven. Bernlef, Schippers en Brands blijven wars van ouderen en anderen die hen vertellen wat zij wel of niet moesten doen. 

    Kenmerkend is een interview van Ischa Meijer met Schippers, Bernlef en Ed Hoornik, de dichter die de schoonvader was van beide redacteuren. Wanneer Hoornik zegt : Ik zou niet bestaan als ik niet schreef’ regeert Bernlef met: ‘Nou, biologisch lijkt me dat een onhoudbare verklaring.’ En wanneer Hoornik over sociaal engagement begint (‘Bij jullie was niets van de sociale bewogenheid van ons… ‘), krijgt hij niet eens de mogelijkheid zijn verhaal af te maken omdat Bernlef en Schippers een gesprek beginnen over de nieuwe fiets die Schippers op de middelbare school kreeg en die al vrij snel gestolen werd.  

    Opsomming Amsterdamse straatnamen

    De poëzie van Bernlef, Schippers en Brands is inderdaad niet sociaal geëngageerd en wars van pretentie. Brands schrijft (onder het pseudoniem G. Bak) Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/des avonds weer naar bed/mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ En K. Schippers wil zonder enige opsmuk van metaforen en vergelijkingen de kale werkelijkheid tonen: ‘Ja/ Ik heb je lief zoals je/soms gelijk een gouden zomerdag bent/ nee nee nee/Ik heb je lief zoals je bent/ nee nee / Ik heb je lief zoals / nee/Ik heb je lief’. In 1966 opent hij de beroemde poëziemanifestatie in Carré met zijn opsomming van Amsterdamse straatnamen.

    In het laatste hoofdstuk behandelt Jaeger de invloed van Barbarber. Die moet eerder in de journalistiek dan in de literatuur gezocht worden. Journalistieke teksten werden literairder en diverser. Jaegers eigen oordeel over het blad blijft op een prettige manier op de achtergrond. Soms noemt ze iets melig, maar over het algemeen staat ze sympathiek tegenover het blad. Alleen de zoals altijd laconieke en stoïcijnse manier waarop de drie omgaan met het feit dat Brands een meisje had bezwangerd, verleidt Jaeger tot een afkeurende reactie.

    Waardevolle cultuurgeschiedenis

    Jaeger weet treffende of grappige citaten uit interviews, brieven en artikelen goed met elkaar te verbinden tot een prettig leesbaar verhaal. De pretentie dat ‘dit boek niet over de Zestigers [gaat], niet over Barbarber op zichzelf maar vooral hoe vriendschap de basis was van het blad’ wordt echter niet helemaal waargemaakt. Weliswaar rijst er een beeld van drie eensgezinde lefgozers, maar een collectief krijgt pas reliëf wanneer de individuele delen gestalte krijgen. Bernlef en Schippers komen echter niet goed uit de verf.

    De opbouw van het boek is wat onevenwichtig. Aan medewerker Jan Hanlo is een heel hoofdstuk gewijd, aan de redactieleden niet. Veel hoofdstukken missen bovendien een duidelijke invalshoek. Toch heeft Jaeger een waardevolle en leesbare cultuurgeschiedenis geschreven over een vrolijke noot in de literatuurgeschiedenis die vooral op zijn journalistieke waarde geschat moet worden.

     

  • In memoriam K. Schippers 1936-2021

    Op 12 augustus is schrijver, dichter, essayist K. Schippers na een korte periode van ziek zijn overleden. Hij werd vierentachtig jaar. Schippers, die ook wel de ‘beeldend kunstenaar onder de schrijvers’ werd genoemd, was in juni van dit jaar een van de gasten in de laatste uitzending van het boekenprogramma van de VPRO Brommer op zee, waar hij vanaf zijn huis in de Concertgebouw buurt, naartoe was gewandeld om daar verslag te doen van wat hem onderweg zo was opgevallen. Wie de uitzending terugkijkt, ziet dat de presentatoren die hem interviewden over zijn laatste boek Nu je het zegt, gretig aan zijn lippen hingen, een verwachtingsvolle lach om de lippen, verlangend naar een typisch schipperiaanse observatie. Die dan niet kwam. 

    K. Schippers werd op 6 november 1936 als Gerard Stigter in Amsterdam geboren en schreef een uitzonderlijk oeuvre van verhalen en beschouwingen, gedichten, romans, essays en readymades. Hij was een creatieve kijker, alledaagse dingen werden door zijn waarneming van hun gewoonheid ontdaan. Samen met J. Bernlef en G. Brants richtte hij het tijdschrift Barbarber (1958-1972) op dat in eigen beheer werd uitgegeven. In 1963 debuteerde Schippers met de dichtbundel De waarheid als De koe. Hij schreef in totaal ruim veertig romans, poëziebundels en bundels verhalen & beschouwingen. Op zijn eigen typische wijze vermengde hij in alle genres fictie, documentaire en autobiografie.

    Zijn romans hebben vaak een gedachte-experiment als uitgangspunt, zoals de gedachte over het toe-eigenen van taal in de roman Zilah (2003). Hij schreef over kunst in het documentaire boek Holland Dada (1974/2000) en voor zijn beschouwende bijdragen voor NRC Handelsblad, kreeg hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Het jaar daarop ontving hij voor zijn kunstkritieken de Pierre Bayle-prijs. Twee van zijn romans werden bekroond, in 1983 de Multatuliprijs voor Beweegredenen en in 2006 de Libris Literatuur Prijs voor Waar was je nou, de roman die uitgroeide tot een bestseller. 

    K. Schippers trad geregeld op tijdens de Nacht van de Poëzie, de laatste keer was in 2015 waar hij door Ester Naomi Perquin werd aangekondigd met een anekdote. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd bij elke toiletdeur die zij opentrok de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem had gezocht, (Waar was je nou) haar groeiende angst hem op de vloer van een toilet te vinden. Hoe de dichter, na aandachtig luisteren, vroeg: ‘En, lag hij daar?’
    Waarna K. Schippers met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: ‘Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien’ uit zijn bundel Fijn dat u luistert.

    Het is verwonderlijk hoe Schippers zijn verrassende standpunten en visies kwijt kon in de romanvorm.  Zijn romans zijn geen ‘pageturners’, ze behoren langzaam gelezen te worden, als was het poëzie, en dan komt het genieten. In 2014 schreef hij ter ere van de Poëzieweek het Poëziegeschenk. Het thema ‘Verwondering’, kon niet toepasselijker, Schippers keek enkel met verwondering naar de dingen om hem heen. Een van zijn meest geliefde en geciteerde gedichten is ‘De ontdekking’:   

    Als je goed om
    je heen kijkt
    zie je dat alles
    gekleurd is

    Waarna je geïnfecteerd lijkt met zijn woorden en niets zich nog kleurloos aan je voordoet.

    Gerard Stigter was getrouwd met Erica Hoornik, samen hadden ze twee dochters, Diana en Bianca. K. Schippers publiceerde bij Uitgeverij Querido waaraan hij meer dan zestig jaar verbonden is geweest.

     

    Foto: Bianca Sisterman

     

  • Een literaire dwaaltocht

    Een literaire dwaaltocht

    ‘”Het is inderdaad een buitengewoon klein mannetje en hij zou beter op zijn plaats zijn in het Théâtre des Variétés”. “Zonder enige twijfel”, antwoordde ik werktuiglijk en ik liep zo te dromen dat ik op het eerste ogenblik niet besefte, hoe wonderlijk precies die opmerking van mijn vriend in mijn gedachtegang paste.’ Dit is een citaat uit het verhaal ‘De moorden in de Rue Morgue’ van Edgar Allan Poe. De ik-persoon en een vriend maken een wandeling en als de ik in gedachten verzinkt zwijgen ze een tijdlang allebei. Dan zegt de vriend ineens de hierboven geciteerde zin, die precies aansluit bij wat de ik-persoon op dat moment denkt over een acteur. Het blijkt dat de vriend de omstandigheden die zich tijdens hun wandeling voordoen en de signalen die de ik-figuur onbewust afgeeft, in een sluitend verhaal kon passen dat de gedachtegang van zijn vriend precies weergeeft.

    Dit verhaal van Edgar Alle Poe was het eerste waarin het idee van het kunnen volgen van iemands gedachtestroom werd gebruikt en Arthur Conan Doyle’s Sherlock Holmes-verhalen zouden mogelijk niet geschreven zijn zonder deze voorganger.

    Gedachtegangen volgen

    In Nu je het zegt, dat vanwege zijn leeftijd en lichamelijk conditie werd aangekondigd als zijn laatste ‘roman’, geeft K. Schippers de lezer de kans om zijn gedachtegangen te volgen tijdens een zoektocht in Londen. ‘Daar hoop ik voor een verhaal het vroegere huis van de Duitse schrijver Agust Bolte te vinden, naar Londen gevlucht, in het begin van de oorlog’. Schippers maakt het de lezer niet makkelijk, want in één opzicht had Edgar Allan Poe ongelijk: gedachtegangen volgen niet één logische lijn, maar kunnen onderweg dubbele sporen ontwikkelen en maken gebruik van beelden uit het geheugen van de denker, die de lezer vaak niet zal kennen en dus ook niet zal herkennen.

    Schippers zoektocht is dan ook vooral een literaire dwaaltocht met voor de lezer geregeld herkenningspunten, maar vaak ook niet. Een citaat: ‘Het station ligt nog net zo ver van het strand als in de negentiende eeuw. Zeelucht, zout op je hand als je eraan likt. Weggetjes, voren in het veld, strepen in kleur op eiken en berken. Rood tien mijl, geel en groen doen het bedeesder, komen niet eens tot vijf. Wat doet het ertoe, geen boswandeling. Het gezichtspunt van kinderen zoeken.’

    Spelen met taal

    De Duitse schrijver August Bolte naar wiens Londense adres Schippers op zoek is heeft nooit bestaan, maar is wel een figuur uit het werk van de door hem bewonderde Kurt Schwitters. En die woonde tijdens de oorlog inderdaad in Londen. Of de zoektocht naar het Londense adres van Bolte/Schwitters slaagt wordt in deze roman niet duidelijk, maar dat doet er niet toe. Die zoektocht  is voor Schippers de aanleiding voor het spelen met taal: ‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets lees of beschrijf, ben ik er, een spitssnuitdolfijn kan z’n adem onder water twee uur inhouden. Soms dompel ik me in de taal tussen twee kaften, die in stilte op me wachten.’
    Deze recensent moet bekennen het geduld te missen dat het proza van Schippers van de lezer vergt. Maar hij kan wel zien dat lezers die dat geduld wél op kunnen brengen aan Nu je het zegt veel leesgenoegen zullen beleven.

     

     

  • Herinneringen van een kunstliefhebber

    Herinneringen van een kunstliefhebber

    Toen K. Schippers in 1995 de P.C. Hooftprijs kreeg stond in het juryrapport: ‘Schippers demonstreert door de jaren heen een oorspronkelijke manier van kijken. Het verrassende van zijn essayistiek is, dat hij door zijn omcirkelende wijze van schrijven de lezer verleidt tot zijn blik’. Dat omcirkelende proza is ook te vinden in Schippers laatste bundel Andermans wegen. Het zijn deels beschrijvingen van de wijze waarop hij films (met name van Billy Wilder), beeldende kunst, muziek en gedichten beleeft. En deels zijn het anekdotische herinneringen aan schrijvers, dichters en kunstenaars als Jan Roeland die niet in één categorie te vangen zijn. Zelfs met omcirkelend proza niet.

    Gefascineerd door kunst

    Schippers is altijd gefascineerd geweest door kunst waarin de kijker, luisteraar of lezer op het verkeerde been wordt gezet. Hij haalt herinneringen op aan Jan Hanlo die dat deed. Of haalt Stanley Brown aan, die aan passanten de weg vroeg naar de straat waar hij al stond. Thom Mercuur, Hans Faverey, Jan Roeland deden het ieder op hun eigen manier. En dat gold ook voor Hans Scholze, René Knip, J.J.Schoonhoven, Annaleen Louwes, György Ligeti om er nog een paar te noemen over wie Schippers anekdotes vertelt in Andermans wegen.

    De anekdotes zijn de moeite waard en zijn bewondering voor de beschreven personen is oprecht. Maar Schippers is zó gericht op wat zij aan kunst produceren dat de mens die zij ook zijn, nauwelijks contouren krijgt. Hij beschrijft hoe zij zich willen laten zien. Toch is het evident dat Schippers probeert wat dieper te graven. Het duidelijkst is dat het geval in de hoofdstukken die gaan over Hans Faverey en zijn vroege overlijden in 1990, hij is dan zesenvijftig jaar. Het hoofdstuk ‘De toetssteen’ dat gaat over de maanden voorafgaand aan Faverey’s dood begint als volgt:

    ’10 oktober 1989.
    E en ik bij Hans. 5 uur. Hans legt het uit.
    Roken, drinken, geen primaire kanker op lever.
    Indien…protest. Een vrouw was ook genezen.
    Vraag aan Lela, later, “speelt hij clavecimbel?”
    Nee, nu niet. Ze zal bellen.’

    Zo gaat het 8 pagina’s door tot eindelijk:

    ‘8.7.90
    Rob A., Erica, Bianca.
    Duitsland – Engel
    ½ 9 u. Lela – Hans ¼ over 4 gestorven.
    R.A.E. en ik erheen – regenjas – lange stappen-
    Hans in pak; sokken;
    donker overhemd.
    Egyptische koning.
    Kaars, boekje; gele roos –‘

    Dagboekaantekeningen

    De bedoeling is duidelijk: via kleine dagboekaantekeningen het stervensproces van Faverey schetsen. Maar de gebruikte steekwoorden roepen alleen voor Schippers zelf een levendige herinnering op aan die momenten, de gemiddelde lezer zal er geen touw aan kunnen vast knopen. Zeker niet als hem onbekend is dat Lela (Zeckovic) Faverey’s Joegoslavische echtgenote was naar wie hij als jonge man jarenlang elke zomervakantie heen reisde tot zij eindelijk mee kwam naar Amsterdam. Het is jammer dat Schippers ervoor gekozen heeft deze aantekeningen niet uit te werken tot begrijpelijke herinneringen. Is het gemakzucht? Dat gevoel ontstaat wel bij het al even onbegrijpelijk begin van het hoofdstuk ‘Zoek’ over de schilder Kees Nieuwenhuijzen.

    ‘Van een schaker kun je een partij naspelen. In een huis kun je wonen en dan maak je de ruimte die het heeft gediend dagelijks mee. Muziek, gedichten, bloedworst met appelschijfjes, een Haagse voetstap van Marianne Hilarides of een schijnbeweging uit de zeventiende eeuw, bewaard op een stilleven met een haring, een vlinder en gepelde druiven. Het is helder in de buurt en zo vult het je bestaan.’
    ‘Gooi maar in mijn pet,’ zal menig lezer geneigd zijn uit te roepen. Maar bij K. Schippers weet je het nooit: misschien was dat wel zijn bedoeling.

     

     

     

  • Een verhaal over kunstwerken, muziek en jeugdherinneringen

    Een verhaal over kunstwerken, muziek en jeugdherinneringen

    Straks komt het is de nieuwe roman van K. Schippers, meester van de associatieve vertelling. Hij heeft inmiddels al zoveel geschreven dat alle titels niet eens meer voorin een nieuw boek worden opgenomen. Schippers schrijft onder meer gedichten, essays, en kinderboeken. Het wordt nadrukkelijk een roman genoemd, maar is het dat wel. Je zou kunnen zeggen dat er kop noch staart aan dit boek zit, dat het van de hak op de tak springt. Maar dat is een ongewild negatieve benadering, want Schippers schrijft boeiend.

    Een roman gebaseerd op autobiografische elementen, geschiedenis, beeldende kunst, muziek, oorlog, toekomst en wat al niet meer. Het vertelt onder meer het verhaal van de liefde van Schippers voor de kunstschilder en publicist Kurt Schwitters (1887-1948), met wiens werk hij ooit kennismaakte in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij stond perplex en heeft zijn leven lang de liefde voor het werk van Schwitters behouden. Schippers: ‘Hij hief de grens op tussen de officiële kunsten en het leven van alledag. Als ik iets heb geprobeerd, is het om daarmee verbonden te blijven.’

    Liefde voor een kunstenaar

    Schippers beschrijft  zijn reis langs de plaatsen waar Schwitters woonde, wat er nog over is van zijn werk, met name van Merzbau, een kunstwerk dat volgens Schippers met niets te vergelijken is, een soort driedimensionale eigen wereld, gebouwd uit restjes: ‘bouwmateriaal, speelkaarten, lapjes stof, pleisters, letters uit een kinderdrukkerij’. Je kunt bijna zeggen: gebouwd zoals Schippers zijn boeken bouwt: uit losse eindjes, gevonden voorwerpen, losse aantekeningen, gedachten en ideeën.

    Zowel Schwitters als Schippers creëren iets wat uit een grabbelton lijkt te komen. Niets is minder waar: achter alles wat in zowel het kunstwerk van Schwitters als in dit boek wordt getoond en verteld zit een idee. Het is aan de kijker en lezer te ontdekken wat al die schijnbaar losse ideeën met elkaar te maken hebben; wat wil de kunstenaar dat de beschouwer mee krijgt?

    Muziek van Gershwin

    Naast alle  informatie over Schwitters,  zijn geschiedenis, het feit dat hij door nazi-Duitsland werd veracht, over zijn persoonlijk leven, over de achtergronden en filosofie van zijn kunst, krijgt de lezer ook nog even alles over de componist Gershwin mee. Schippers vindt dat de muziek van The American Songbook (jazz en lichte muziek) een soort filmscore is bij de kunst van o.a. Schwitters. Gershwin had dezelfde wijze van werken als Schwitters (en als Schippers): gebruik alles wat er is, plak het aan elkaar, leg het op elkaar.

    Als Schippers zo’n idee heeft, gaat hij er mee aan de haal en dus gaat hij naar New York om te zien waar Gershwin heeft gewoond en gecomponeerd. Boeiende vertellingen en levert veel historische feiten en citaten uit de Amerikaanse volksmuziek, van Gershwin, een stukje Strange Fruit van Billy Holliday op. En dat doet hij op dezelfde wijze als de beschrijving van alle indrukken die hij krijgt op de plaatsen waar Schwitters heeft gewoond en gewerkt: hoe is het licht, welke mensen lopen er in een appartementengebouw rond, is dit dezelfde lift waar Gershwin in gestaan heeft, hoe zit dat met zijn kinderen en zijn vrouw, en zo  maar door.

    Jeugdherinneringen

    Daar tussendoor loopt als een rode draad de jeugdherinneringen van de broertjes Schippers die vlak na de bevrijding de wereld opnieuw ontdekken: muziek, kunst en  alles wat ze op straat tegenkomen: etalages, moffenhoeren die worden kaalgeschoren, de eerste kauwgom en frisdrank. Verhalen die er uitzien als een stadswandeling. Waarbij de indrukken die bij Schippers via al zijn zintuigen binnenkomen een plek krijgen en daardoor belangrijk zijn. Schijnbaar onbelangrijke zaken (gevonden briefjes met een gedicht) krijgen een plaats. Zo ook de collages van Schwitters. En let vooral op de parallellen in het gebruik van al zijn zintuigen. De indrukken van vlak na de oorlog legt hij een op een op wat zijn zintuigen opvangen over het leven van Schwitters en Gershwin.

    Tijdens een bezoek aan een museum eind jaren veertig gaf Schippers’ moeder hem een goede raad: ‘Moeder zei dat je in een museum altijd bij iemand moet blijven, anders verdwaal je. “Zoek maar ‘ns iemand in een vol museum”, zei ze.’
    Zo’n boek is het dus: je verdwaalt in een vol boek, maar gelukkig blijft de auteur bij je. Of zoals Freek de Jonge een show opbouwt: zijwegen, bijzalen, achterdeuren, maar uiteindelijk altijd weer de uitgang.

    Gedachtesprongen

    De zintuigen van Schippers zijn de regisseur van al zijn associaties. Dat vergt van de lezer wel het een en ander om mee te kunnen  gaan met alle gedachtesprongen en heeft daarbij ook enige (cultuur) kennis nodig. Wat erop neerkomt dat je Schippers al gauw leest met Google bij de hand. Hup, daar komt weer een naam van een kunstwerk, een muziekstuk, een straat in een stad. Alles heeft betekenis dus ga maar zoeken wat het is. Gelukkig staan er ook diverse illustraties van Schippers zelf in zijn boek: foto’s, kunstwerken, waaronder een prachtige tekening die van hem en zijn broer is gemaakt vlak na de oorlog. Het geeft Schippers direct weer een reden om de tekenaar op te zoeken. Wat dan weer een prachtige dialoog oplevert.

    Ritmische taal

    Schippers is van huis uit dichter en dat is aan alles  te merken. Zijn taal is in proza gestolde poëzie: ritmisch, beeldend, vaak swingend, altijd spannend en origineel. Over de kinderlijke verwachting, de hoop op een leven waarin leuke dingen kunnen gebeuren. Dingen waarvan je  nog geen weet hebt maar toch nauwelijks op kunt wachten. Kleine kinderen hebben het altijd over later als ik groot ben, als ik sterk ben, later ‘als’. Schippers citeert hierin George Formby: ‘It’s in the air; this funny feeling everywhere’.

    In Straks komt het heeft alles met alles te maken en ziet Schippers verbanden, of legt ze zelf, tussen allerlei zaken die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben. Hij schetst een wereld vol zaken die er op wachten ontdekt te worden. De schrijver heeft de kinderlijke blik en open mind die nodig is om alles onbevangen tegemoet te treden, wat hij volop doet in dit boek. Daarmee roept hij de lezer op de wereld ook zo te bezien. Laat je vooral meevoeren door dit geweldige boek.

     

  • Oogst week 37 – 2018

    De hartenjager

    De vierhonderdste sterfdag van Gerbrandt Adriaensz. Bredero is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Op 23 augustus werd zijn laatste rustplaats – tussen Kalverstraat en Rokin – met een plaquette gemarkeerd; Brechtje van Dijk (muziek), Lisanne van Aert (libretto) en Warre Simons (regie) maakten Niet de klucht van koe, ‘een absurde prog-rock opera’ op basis van teksten van Bredero en van René van Stipriaan verscheen De hartenjager: leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Het is maar een kleine greep uit dat waarmee de Amsterdamse schilder/dichter herdacht wordt.

    Over het leven van Bredero is weinig bekend. Een traditionele biografie is De hartenjager van Van Stipriaan niet. Niet alleen. Want het eerste deel bevat wel degelijk een reconstructie van het leven van Bredero. Dat Van Stipriaan bij gebrek aan feitelijke informatie niet anders kon dan dat leven zien in het licht van werk en thematiek en tegen de achtergrond van een welvarende stad waar ook het culturele leven bloeit, betekent niet dat hij aan het hineininterpretieren slaat. Hoewel met het nodige voorbehoud – veel is niet absoluut zeker, maar dan kiest Van Stipriaan voor het meest waarschijnlijke – ontstaat daardoor een levendig portret van een naar kennis hongerende Bredero, die als geen ander de veranderlijkheid van mens en maatschappij vastlegde.

    In het tweede deel van De hartenjager vat René van Stipriaan de ontvangst en interpretatie van het werk van Bredero in de loop der eeuwen samen om daar daarna in het derde deel zijn eigen conclusies aan toe te voegen. Hij beschouwt hij de komische, de amoureuze en de religieuze Bredero en betrekt ook leven en werk van diens tijdgenoten bij zijn analyse.
    Dat de belangstelling voor het werk van Bredero al vrij snel na zijn dood wegebde had volgens Van Stipriaan niets te maken met de kwaliteit. Bredero’s beste werk doorstaat volgens hem de vergelijking met dat van Shakespeare. Bredero kreeg echter te maken met wat hij zelf tot motto en leidraad van zijn leven en werk maakte: ’het kan verkeeren’. De samenleving veranderde en opvattingen over taal en literatuur veranderden mee.

    Als er een ding duidelijk wordt uit De hartenjager dan is het de voortreffelijkheid van de uiterst productieve dichter/toneelschrijver Gerbrandt Adriaensz. Bredero, vertegenwoordiger van het neostoïsche gedachtegoed, die zijn klassieken kende en onderdeel uitmaakte van een netwerk van vakbroeders. Hij raakte de kern van het (klein)burgerlijke. Zijn stukken lenen zich zeker thematisch voor heropvoering. Bredero schrok er niet voor terug om heikele thema’s aan te kaarten die nu opnieuw actueel zijn.

    De hartenjager
    Auteur: René van Stipriaan
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Vloedlijnen

    ‘In Vloedlijnen zit een man op het strand. Als hij goed luistert, hoort hij fluisterende, zingende en orerende stemmen die verwoede pogingen doen om greep te krijgen op een ontsnappend leven. Ergerlijk genoeg worden die verhalen stelselmatig onderbroken door stoorzenders die uit een andere wereld lijken te komen. Het dieptepunt van de bundel wordt gevormd door een operalibretto waarin een activist zich tegen beklemmende structuren verzet.’

    Bovenstaande tekst is geen citaat uit de recensie van een tot wanhoop gedreven criticus. Met dit citaat opent de flaptekst van Vloedlijnen, de nieuwe gedichtenbundel van Piet Gerbrandy. Ook dit keer maakt Gerbrandy het zijn lezers niet makkelijk, maar de door de uitgever verstrekte tekst nodigt uit om de zes cycli en dat ene libretto argwanend tegemoet te treden, om vervolgens de teugels van de weerzin gaandeweg te laten vieren en tot de conclusie te komen dat er veel gezegd en ontregeld wordt in Vloedlijnen.
    Een andere vaststelling zou kunnen zijn dat als Piet Gerbrandy in zijn verantwoording niet geschreven had dat een aanzienlijk deel van zijn gedichten al eerder verscheen, dit alleen degenen die de dichter op de voet volgen opgevallen zou zijn. Wie niet zo thuis is in zijn werk zullen vanwege vorm, toon en een consequent suggestief refereren aan vooral samenhang en eenheid opvallen.

    Vloedlijnen
    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Uitgeverij AtlasContact (2018)

    Neem de titel serieus

    Terwijl Rodaan Al Galidi de beminnelijkheid zelve lijkt als hij anderen tegemoet treedt, haalt hij in zijn werk regelmatig hard uit als hij het heeft over de wereld waarin hij beland is. Door de charmante wijze waarop hij het Nederlands hanteert en zijn ongebruikelijke beelden, valt dat niet altijd meteen op.
    Doordat de dichter de zinsnede ‘psychisch ziek’ vaak laat vallen en er ook regelmatig in inrichtingen verbleven wordt, lijkt Neem de titel serieus over geesteszieken te gaan, maar eigenlijk is de rode draad in de bundel ‘lijden onder de druk van de omstandigheden’. Niemand is gevrijwaard van relatiestress, vervreemding en stigmatisering.

    Mijn bestaan

    Soms word ik bang wakker
    dat ik echt besta.
    Angstig tast ik de muren af,
    het bed, mijn nek
    en zoek mijn gezicht,
    maar ik kan het niet vinden.

    Trillend sta ik op.
    Ik doe het licht aan,
    trek mij onrust aan
    en loop alleen
    op de sneeuw die mijn hart bedekt.

    Alles buiten
    is nog steeds zoals het ooit gestapeld is.
    Maar de wereld die mij koesterde,
    tot ik haar geworden ben,
    is verdwenen.

    Meer dan de vorm hebben de gedichten in Neem de titel serieus hun oorsprong gemeen. Die ligt in het waarnemen, in het voelen en vinden.

    De bundel is opgedragen aan Begoña, en omdat het eerste gedicht gaat over een liefde die voorbij lijkt te zijn en Begoña met name genoemd wordt, is de verleiding groot in Begoña een vrouw te zien. Maar ‘zij’ zou ook zomaar iedere buitenstaander kunnen zijn. Dan leest Neem de titel serieus anders.

    Neem de titel serieus
    Auteur: Rodaan Al Galidi
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Het epos van sjeik Bedredinn

    Het epos van sjeik Bedreddin een van de klassieke titels uit de Turkse literatuur. Nâzim Hikmet schreef het  toen hij in 1936 in de gevangenis zat vanwege zijn revolutionaire, want communistische, ideeën. De raamvertelling – die begint met een gevangen gezette dichter die het epos van sjeik Bedreddin ligt te lezen en vervolgens door een derwisj meegevoerd wordt de geschiedenis in, waardoor hij een ooggetuige wordt van de door de sjeik aangevoerde boerenopstand in de veertiende eeuw, waar hij vervolgens verslag van doet – weerspiegelt Nâzim Hikmets eigen verhaal. Sjeik Bedreddin voert gewapend strijd tegen de Osmaanse sultan, de schrijver/dichter Himket neemt het met zijn pen op tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek. Hikmets verhaal in een verhaal is deels proza en deels poëzie.

    Sytske Sötemann voorzag haar vertaling van een inleiding waardoor duidelijk wordt hoe uit de uit een kosmopolitische en aristocratische familie stammende Nâzim Hikmet een revolutionair groeide die de eerste avant-gardistische dichter van Turkije werd.

     

    Het epos van sjeik Bedredinn
    Auteur: Nâzim Hikmet
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Straks komt het

    Hij wijdde al eens een boek aan Marcel Duchamp en in zijn vorige roman verbond hij een verhaal over zijn moeder met de levens van Giorgio de Chirico en Alberto Giacometti. In Straks komt het reist K. Schippers in de voetsporen van Kurt Schwitters, maar gaat het ook over de oorlog en over jazz.

    In Straks komt het ontspint het verhaal zich niet langs de lijnen der geleidelijkheid: K. Schippers associeert er vrolijk edoch vakkundig op los. Dat is inmiddels zijn handelsmerk. In navolging van Kurt Schwitters raapt, verzamelt en assembleert hij. En aan het eind blijkt hij toch een samenhangend verhaal verteld te hebben, waarin  beleefd en verzonnen in elkaar overlopen.

    Straks komt het
    Auteur: K. Schippers
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)
  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is… Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is… Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is… – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiële lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is… Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn Büch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. Büch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarrière: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: Büch’s boeken. Büch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn Büch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte Büch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn Büch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beïnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.

     

     

  • Overleden tijdens lezen van dit boek

    Overleden tijdens lezen van dit boek

    De man of vrouw die op 15 juli 1977 Hebdomeros van Giorgio de Chirico kocht of kreeg, wachtte daarna nog bijna anderhalf jaar voordat hij of zij in het boek begon. Dat maak ik op uit wat er geschreven staat op de franse titelpagina van de Nederlandse vertaling uit 1973 die ik gisteren op het Waterlooplein kocht: ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen / van dit boek.’
    Het was weliswaar de naam van de schrijver die mijn aandacht trok, maar het waren deze slordig geschreven woorden die mij over de streep trokken. Dat het boek maar één euro kostte, speelde geen rol.

    Giorgio de Chirico… Schilder die op zijn vroege doeken de leegte alle ruimte gaf. Zo ben ik naar hem gaan kijken sinds Niet verder vertellen van K. Schippers. Dat hij ook schreef, was ik blijkbaar even vergeten. Vandaar mijn ingetogen aha-erlebnisje, waar overigens niemand aanstoot aan nam.
    Die De Chirico overviel met zijn dood een lezer. Een lezer die door de verkopende partij middels een zwart balkje onherkenbaar is gemaakt, maar gezien het handschrift denk ik dat hij een zij is.
    Waarom liet zij Hebdomeros anderhalf jaar ongelezen in de kast staan of op een stapel liggen? En wat maakte dat ze er uitgerekend vlak voor de dood van De Chirico in begon? Zag ze zijn werk hangen en herinnerde ze zich toen dat ze dat boek gekocht had nadat ze hem al eerder ergens zien hangen?

    Ik vraag me af of ze wist wat haar te wachten stond. Hebdomeros is geen gewoon boek, ook al oogt het als een roman (maar dan een zonder dialogen). Hebdomeros (‘hoe zei u dat hij heette?’) is een man met opvattingen, die zich op een geheel eigen wijze door de wereld beweegt. Hij onderscheidt morele en immorele spijzen; kan het goed vinden met rolgordijnen en twijfelt niet aan het bestaan van centauren (maar dat kun je hém niet kwalijk nemen: zijn schepper werd geboren in Volos en daar komen centauren heel veel voor).
    Echte actie ontbreekt en gedreven door een plot wordt Hebdomeros ook niet. Daar kijkt tegenwoordig niemand meer van op, maar in 1929 was het boek van De Chirico ‘apart’. Behalve voor wie geloofde in surrealisme en metafysica.

    Was de anonieme eigenaresse van Hebdomeros al zo ver dat ze ook iets kon vinden van de roman op het moment dat De Chirico stierf? Onduidelijk is of ze Hebdomeros uitgelezen heeft. Misschien belandde het boek van schrik wel weer in de kast om er vervolgens nooit meer uit te komen. Het zal je ook maar gebeuren dat de schrijver van het boek dat op je nachtkastje ligt de geest geeft. Ook al is die schrijver op dat moment negentig.
    Dat brengt me op de vraag hoe en waarom deze Hebdomeros op het Waterlooplein belandde. Wat is er gebeurd met de vrouw die ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen van / dit boek.’ het vermelden waard vond?

     

  • Oogst week 45

    De Kennedy files

    In de week dat de man die president wilde worden van Amerika, het tot ontzetting van de rest van de wereld ook werd, is in ons land deel 1 van De Kennedy Files uitgekomen. De man die president wilde worden begint in 1938 in Londen. Selfmade miljonair Joseph P. Kennedy wil de eerste Iers-katholieke president van Amerika worden. Om van hem af te zijn, stuurt president Roosevelt hem als ambassadeur naar Engeland. Aanvankelijk is men daar zeer van hem gecharmeerd, maar als hij Roosevelt probeert ervan te overtuigen zich niet in de Tweede Wereldoorlog te mengen, valt dat niet goed bij de president, noch bij de Britten.

    De man die president wilde worden is gebaseerd op feiten. Kennedy-biograaf Nigel Hamilton schreef het voorwoord en verschaft hiermee inzicht in de historische context van deze strip.

    Erik Varekamp and Mick Peet maakten eerder samen de serie over Agent Oranje, een getekende biografie over Prins Bernard.

    De Kennedy files
    Auteur: Erik Varekamp en Mick Peet
    Uitgeverij: Uitgeverij Scratchbooks

    Tot in de verste hoeken

    ‘De dingen hebben jou nodig / om gezien te kunnen worden’, dichtte K. Schippers.

    Wij hebben Schippers nodig om dat te zien:

    We krijgen een nieuw aanrecht. Liever hielden we het oude, van graniet. De koelte als je er met je hand overheen strijkt en dan al die handen in de jaren voor ons. Het is een oud huis, uit 1905.
    De plankjes en de messen, de tomaten, het varkensvlees, al het voedsel dat een gezin in een eeuw heeft gegeten. Emmers van zink, plastic, lepels van email, waarin van die zwarte plekjes zijn gebutst. Geen pan of vork heeft een kerf in het graniet achtergelaten.

    De zwart-witte stenen in de gootsteen zijn zo geteisterd, dat ze vervangen moeten worden en dan gaat het aanrecht er ook aan. Anders lekt het naar de buren.’

    Dit zijn de eerste regels uit het ‘Zachte bonk, eerste flirt’ uit Tot in de verste hoeken, de nieuwe essaybundel van K. Schippers met oude en nieuwe verhalen over zijn jeugd, de bevrijding, de eerste flirt of de films van schrijver Georges Perec.

     

     

    Tot in de verste hoeken
    Auteur: K. Schippers
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Aan het eind van de dag

    Biografieën over mensen die deugen, – en dat is door de bank genomen toch het soort dat het tot een biografie brengt – halen het qua spanning niet bij biografieën over mensen die niet deugen, vooral als algemeen wordt gedacht dat ze wel deugen.’

    Dit citaat staat op de website van Nelleke Noordervliet. Het maakt nog nieuwsgieriger naar haar nieuwe roman over een vrouwelijke ex-minister die het verzoek krijgt mee te werken aan haar eigen biografie. Dat wil ze niet. Ze voert een aantal weerspannige gesprekken met haar aspirant-biografe, maar herinneringen dringen zich steeds meer aan haar op. Wat wil ze per se niet kwijt aan de biografe? Wat is te persoonlijk? Wat is te pijnlijk? In een reeks sleutelscènes voert Nelleke Noordervliet haar hoofdpersoon terug naar de jaren zeventig-tachtig, naar Suriname en kijkt ze naar haar rol als dochter, echtgenote, vriendin, politica, publiek figuur. En moeder.

    Aan het eind van de dag
    Auteur: Nelleke Noordervlied
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Aan nederlagen geen gebrek

    Een foto van een jonge Arnon Grunberg siert het omslag van de nieuwe privé-domein uitgave Aan nederlagen geen gebrek. De auteur heeft de afgelopen week in tal van tv- en radioprogramma’s kunnen vertellen over zijn jeugdige besluit om zijn middelbare school niet af te maken en zijn toenmalige wens om acteur of toneelschrijver te worden. En over hoe het hem verder is vergaan. In de brieven en documenten in Aan nederlagen geen gebrek lezen we over dat besluit, zijn onbeantwoorde liefdes en een enorme schuld tot aan het verschijnen van Blauwe maandagen waardoor het tij keerde.

     

    Aan nederlagen geen gebrek
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Wintertuinfestival Nijmegen over fictie en non-fictie

    Wintertuinfestival Nijmegen over fictie en non-fictie

    Waarom dit thema? De laatste decennia heeft er in de literatuur een verschuiving plaatsgevonden van fictie naar non-fictie. Het aandeel literaire non-fictie in het totale boekenaanbod is fors toegenomen. Ook krijgen steeds meer literaire werken het stempel ‘autobiografisch’. De populariteit van verhalen die waargebeurd zijn groeit. De positie van fictie ten opzichte van de feiten lijkt veranderd. Waar komt het nieuwe verlangen naar echtheid vandaan? Waarom is de werkelijkheid zo populair? En whatever happened to de verbeelding? Deze, en talloze andere vragen, komen eind november aan bod tijdens het Wintertuinfestival.

    Tientallen schrijvers, wetenschappers, muzikanten en kunstenaars gaan tijdens het festival in op dit thema. Deze festivalgasten zijn al bekend: Arjen Lubach, Rob Wijnberg,  K. Schippers, Jeroen Olyslaegers, Niña Weijers, Maud Vanhauwaert, Joost de Vries en Eerie Wanda.

    Arjan Lubach zal een college verzorgen op de Campus, twee nieuwe talenten Lisa Weeda en Joost Oomen presenteren hun chapbook  en het poppodium Doornroosje zal tijdens de grote festivalavond op zaterdag, omgetoverd worden tot een literair walhalla waar onder meer Rob Wijnberg, K. Schippers, Jeroen Olyslaegers, Niña Weijers, Maud Vanhauwaert en Eerie Wanda te gast zullen zijn.

    Aankomende weken maakt Wintertuin via de website en social media meer bekend over de programma’s en de optredende artiesten. De kaartverkoop start op maandag 3 oktober viawww.wintertuinfestival.nl

     

     

  • Poëtische, maar cryptische roman

    Poëtische, maar cryptische roman

    Niet verder vertellen, de nieuwe roman van K. Schippers, wordt een sprookjesachtig vervolg op Waar was je nou genoemd, dat bekroond is met de Libris Literatuurprijs 2006. In beide romans speelt Schippers met de tijd en verdwijnt de hoofdpersoon via foto’s in het verleden. Maar waar Waar was je nou een organisch geheel vormt van tijdswisselingen, stijlvariaties en alledaagse observaties, blijft zijn opvolger een verzameling indrukken en verwarrende elementen, dat op den duur zelfs irritatie opwekt.

    K. Schippers staat bekend om zijn experimenten met taal, tijd en ruimte. Een conventioneel verhaal, waarin de gebeurtenissen grotendeels chronologisch worden gepresenteerd, is hem een gruwel. Voor Schippers moet de taal swingend zijn, onverwachte wendingen nemen en de lezer op het verkeerde been zetten. De taal is gebaseerd op zintuiglijke ervaringen en moet de lezer in trance brengen, zodat hij elk besef van tijd en ruimte laat varen. Dit is een mooi en ambitieus streven, dat doet denken aan de droomwerelden van de surrealisten, die in hun gedichten en schilderijen droom en werkelijkheid laten versmelten en daarmee essentiële vragen stellen over de als vanzelfsprekend geachte relatie tussen realiteit en representatie en tussen gevoel en verstand. Wat dat betreft is het vreemd dat in Schippers’ nieuwste roman geen René Magritte of Salvador Dalí figureren, maar de realistische schilder Georg Hendrik Breitner en de modernistische beeldhouwer Alberto Giacometti.

    Inmiddels liggen de hoogtijdagen van het surrealisme ver achter ons en het postmodernisme, dat oude stijlen hergebruikt en verstoppertje speelt met de lezer, is ook verleden tijd. Schippers gaat vrolijk op de oude voet verder en verzandt in gecompliceerde spielerei. Zo begint Niet verder vertellen met de mededeling dat ‘Simonetta Vespucci tussen de golven is geboren’, een verwijzing naar de vrouw die model stond voor de schilderijen van Sandro Botticelli. De hoofdpersoon zit met een geheimzinnige dame, genaamd Simone, in de trein richting Turijn, waar ze de lijkwade van Christus gaan bekijken. Verder bezoeken ze het Zwitserse bergdorp Stampa, om het licht en de ruimte te zien waarin De Chirico en Giacometti werkten. In het tweede deel van de roman duikt Schippers in het verleden van zijn moeder, die als meisje gefotografeerd wordt door Breitner. Zijn moeder is een eenvoudige winkelbediende in de provincie, maar ambieert eigenlijk een artistieke carrière. In de loop van de roman raken deze twee verhaallijnen steeds meer met elkaar vervlochten.

    Van dit gegeven had Schippers een boeiende roman kunnen maken, waarin het verlangen (en de onbereikbaarheid) van de kunst centraal staan. In plaats daarvan springt hij van de hak op de tak en irriteert hij de lezer met op het oog cryptische, quasifilosofische dialogen. In het hoofdstuk ‘Waar blijft Simone?’ staat de ik-persoon ongeduldig op zijn mysterieuze vriendin Simone te wachten, met wie hij de woon- en werkplaats van Giacometti gaat bezoeken. Daar, in de afgelegen, Zwitserse Alpen, komt het zonlicht niet over de bergen. Tijdens het wachten verliest hij zichzelf in ‘een weefsel van de lichtste voorvallen’. Wanneer Simone plotseling opbelt, murmelt hij ‘…dat het door geen enkel voorval wordt geraakt…’ Simone begrijpt niets van zijn reactie.

    ‘…wat krijgen we nou…’ vraagt ze.
    ‘…dat web…’
    ‘…het zal wel…’
    ‘…onderling zo zorgvuldig…’ ga ik nog door.

    Verder verspringt hij van tijd binnen een alinea (‘In dezelfde tijd liep ik over een gracht in Delft. Dichters lezen poëzie in Café de Eland en ik heb even vrij.’) en gebruikt hij regelmatig onduidelijke verwijzingen (‘Strak staat het, zonder te breken, niets van dit geringste dringt ergens door. Als het al iets doet, dan probeert het afwezig te zijn.’). Hier spreekt de dichter K. Schippers. Hij brengt beelden met elkaar in verband en laat ze -op verschillende plaatsen en in verschillende tijden- in elkaar overgaan. Daarvoor hanteert hij overigens prachtige, poëtische zinnen: ‘Buiten neemt de wind een paar bladeren op, niet al te gretig, veel zijn het er niet (…) om dan ineens z’n belangstelling voor wat hij toch zelf heeft opgetild te verliezen’. Maar dichterlijke vrijheden werken minder goed in romans, die afhankelijk zijn van sterke verhaallijnen en ontwikkelende personages. In Niet verder vertellen vraagt K. Schippers te veel van zijn lezer. Schippers’ creativiteit en vindingrijkheid resulteren in een poëtische, maar cryptische roman, die door het gebrek aan aanknopingspunten zijn doel voorbijschiet.