• Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Kees van Domselaar (1954) publiceerde onlangs zijn vierde bundel, Fabrieksinstellingen. Eerder verschenen van hem Postfris (2005), Een vrouw op het Zuiden (2009) en De stille fanfare (2019). Domselaar groeide op in Zeist en woont er nog steeds. Het deftige dorp en de omgeving vormen het landschap van zijn ziel. Het motto van Fabrieksinstellingen is een citaat uit het werk van J.C. Bloem: ‘Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’ Waarbij de afbeelding op de voorkant van de bundel – van een geluidsfrequentie, door Steven van der Gaauw – beginnend en eindigend met nul, mooi aansluit.

    Van Domselaar staat als dichter in de klassieke traditie van Bloem en Nijhoff en zijn werk doet denken aan dat van Herzberg en Kopland. Hij schrijft geen ingewikkelde, abstracte gedichten, maar neemt concrete gebeurtenissen en herinneringen, voorwerpen en plaatsen en mensen als uitgangspunt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een besef dat alles vergankelijk en niets blijvend is. IJdelheid der ijdelheden, zou de Prediker zeggen. En de dood blijkt nooit ver weg, zoals in een gedicht uit zijn eerste bundel Postfris. Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt / die de dag breekt en de hoop een slappe hand is / en het luistert niet meer nauw’.

    Spel en werkelijkheid

    Wat in zijn leven tot voor enkele jaren terug een spel was, over alles wat een mens kon overkomen of werd waargenomen bij familieleden of vrienden, is in de nieuwe bundel Fabrieksinstellingen realiteit voor de dichter geworden. En is ‘Luistert niet meer nauw’ – ‘niets luistert meer’ geworden. In het voorjaar van 2023 werd Van Domselaar ernstig ziek en dicht hierover. ‘Hoe het geheel / buiten je om gebeurt / wat je lichaam bekokstooft’. In deze situatie maakte de dichter haast met het schrijven van de bundel die hij onder handen had. Deze gedichten zijn, om het zo maar eens te zeggen – positieve bijwerkingen, een zegen – van de ziekte. Vandaar de titel ‘Bijwerkingen’ van de eerste sectie gedichten in deze bundel. In zijn gedichten kan de dichter overleven. ‘voortvluchtig als we zijn waren we vergeten / waar we woonden / behalve dan / in het gedicht’.

    In het eerste gedicht maakt de dichter meteen duidelijk waar de bundel over gaat en staat de titel al genoemd. Een man ‘van top tot teen met tijd besmet’ die de ‘voortgang van zijn dagen uitziekt’ staat voor het raam. Hij ziet zichzelf weerkaatst en maakt de balans op van zijn bestaan. De laatste strofe: ‘Verlaat mij niet, zei hij, staande / voor zijn spiegel en keek zijn profiel / voor altijd aan, terug, zei hij, zie hier dan / de fabrieksinstellingen van mijn bestaan.’

    Fabrieksinstellingen is een woord uit een gebruiksaanwijzing. Als een apparaat het niet meer doet, bestaat de optie om het via die instellingen te resetten. De zieke man in Van Domselaars gedichten probeert uit noodzaak zijn leven in fabrieksinstellingen te plaatsen, een romantisch terug naar het begin. Wat voor een apparaat mogelijk is, is dat voor een mens niet, maar wel voor een dichter. Ieder gedicht is een nieuw begin waarin het leven een nieuwe vorm krijgt. Ieder gedicht is een terugkeer naar hoe het begon en wat van betekenis was, naar de kern. Wat voor de dichter de kern is, blijkt uit zijn gedichten. Die gaan over zijn geliefden, zijn ouders, zijn (kinds)kinderen, zijn vrienden, de muziek die hij luisterde, de poëzie die hij las, de omgeving van het dorp Zeist waar hij opgroeide en de taaltraditie waarin hij werd opgevoed. Die van de Statenvertaling, van Johannes de Heer en van de psalmen, die hem beelden verstrekte voor wat hij dacht, voelde en beleefde. Hij kan en wil die taal niet verloochenen in zijn gedichten al spot hij er anderzijds ook volop mee. Die christelijke taaltraditie is voor hem een rijk bezit zoals blijkt in ‘Hoog Beek en Royen’, dat sterke herinnert aan het werk van Rutger Kopland.

    ‘Al wandelend onder de oude bomen
    van het landgoed Hoog Beek en Royen
    bespraken we de eeuwige gang van zaken
    terwijl er iets ruischte langs de wolken

    we droegen rugzakjes met oude verhalen
    verzamelden restjes van een bezield verband
    hoorden in de verte een orgel vol hele noten
    en zongen balorig een lied van genade’
    (…)

    Relativering van een dichter

    De bundel bevat enkele gedichten over zijn familie, zijn ouders, zijn vrouw en (kinds)kinderen. Het gedicht ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige spreekt over het toevallige en achteloze van het bestaan van een mens. ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige / en volop deelgenomen aan de tijd / angst, plezier, verdriet, geluk en woede / en lang geleden liefde, die hem spijt’. Van Domselaar spot ook met zijn familie. Zijn moeder waarschuwde hem ooit dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen als hij zo door zou gaan. Hij schrijft hierover, ‘Je komt jezelf / nog weleens tegen / zei mijn moeder / lang geleden / in een boze bui // vandaag was het zover.’ De vader komt in de bundel voor als de man die aan tafel bidt in een gedicht waarin de leraar in Van Domselaar om de hoek komt kijken en hij de verleden tijd ‘geschiedde’ en de aanvoegende wijs ‘geschiede’ naast elkaar gebruikt.

    ‘Uw wil geschiede
    gelijk in de hemel
    alzoo ook op de aarde

    ik was een kind
    aan tafel en wist niet
    wat het betekende

    maar zo mooi klonk het
    uit de mond van mijn vader
    dag in, dag uit, na het eten

    voorbij en leeg geworden
    die oude woorden
    Uw wil geschiedde.

    Hoe urgent zijn levenssituatie tijdens het schrijven van deze gedichten ook was, Van Domselaar kan ook dan nog relativeren. ‘Nooit is er zekerheid / wat er precies gebeurt / zelden sterft een mens / tijdens zijn diagnose’.

    Ontroering en vertedering

    In de tweede sectie gedichten, ‘Twaalf intieme gesprekken uit de nalatenschap van Jeroen Dageraath’, is Van Domselaar ronduit geestig. Jeroen Dageraath is een pseudoniem van de dichter uit vroeger tijden. De gedichten gaan over een merel-echtpaartje dat op een tak zit. De vrouwtjesmerel is nuchter en praktisch, het mannetje doet allerlei quasifilosofische uitspraken die door het vrouwtje gerelativeerd worden. De lol die de dichter bij het schrijven ervan moet hebben gehad, spat ervan af. Ontroering en vertedering vechten om voorrang. ‘Heb je wel gehoord / vroeg de merel aan zijn vrouw / hoe mooi ik gisteravond floot? // ach lieverd, zei zijn vrouw / het geeft niet / maar juist als je fluit / hoor ik / dat je ouder wordt.’

    De bundel sluit af met een serie luchthartige gedichten met grote levensthema’s geformuleerd in een heldere en directe taal. Zijn vakmanschap bewaart de gedichten voor al te oppervlakkige sentimentaliteit. In zijn werk breekt ook af en toe een glimp van hoop door, naast het ‘basso continuo’ van de dood.

    ‘We moesten maar niet denken
    aan de dood
    dat kon altijd nog

    we moesten maar denken
    aan groeien en bloeien
    en aan de kleinkinderen
    en aan al het leven
    dat nog kwam

    aan al die foto’s
    en filmpjes
    die nog moesten.’

    In Fabrieksinstellingen toont Domselaar zich, in de woorden van de dichter K. Michel, ‘Naakt als de stenen’.

  • Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat  Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK  meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.

    Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.

    ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo  nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.

    Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen

    Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met  de smaak van poëzie in elke regel.
    ‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier)

    ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert).
    ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez)
    ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman)
    ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink)
    ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal)
    ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)

    Het kortste gedicht is van K. Michel:

    Op de Dam

    (klimaatmars 6-11-21)

    als het zonlicht doorbreekt
    en valt op twee flaporen voor mij in de menigte
    zie ik twee dieprode vlinders

    Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.

    ‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd.
     Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk
     de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader
     in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
     Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis.
     (…)’
     Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
    Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ 

     (…)

    Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt

    Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.

    ‘Hoe krijg ik je samen heel
     stil mag je zijn hier breekman
     schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe
     dagwater in, schreeuwend om losgelaten
     vastgehouden te zijn

     Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me
     hartman hoe snij je je
     klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper

     begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne
     elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’

    Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.

     

     

  • Oogst week 1 – 2021

    Ik ben er niet

    Lize Spits debuut Het smelt (2016) vielen overwegend goede kritieken en lovende lezersreacties ten deel, en het werd bekroond met de Belgische literatuurprijs De Bronzen Uil en de Hebban Debuutprijs. Onlangs verscheen haar langverwachte tweede roman, Ik ben er niet, waarin de tien jaar durende relatie tussen hoofdpersonen Leo en Simon onheilspellende barstjes begint te vertonen. Leo is snel jaloers, wil de controle hebben en houden, schaduwt haar vriend; Simon gaat zich in Leo’s ogen steeds vreemder en afwijkender gedragen, waarmee de verhoudingen op scherp komen te staan.

    Net als Het smelt is Ik ben er niet deels autobiografisch geïnspireerd, en net als Spits debuut is het een plot driven vertelling (Spit volgde een opleiding tot scenarioschrijver). Meteen wordt met de onheilspellende aankondiging ‘Nog elf minuten, winkel’ al duidelijk dat er iets vreselijks is gebeurd – maar wat dat dan is, dat ontvouwt zich langzaam.

    Ik ben er niet
    Auteur: Lize Spit
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij

    & rol door

    ‘Goed advies: struikel je voorover, hou je dan slap en rol dóór.’

    Deze regel uit & rol door, de nieuwste bundel van K. Michel, lijkt haast een optimistische oproep bij aanvang van een vers jaar. Het is ook in verband te brengen met een van de bijzondere vormexperimenten die hij uitvoert; een gedicht als een koprol.

    Michel (pseudoniem van Michael Maria Kuijpers) ontving onder andere de Herman Gorterprijs (voor Boem de nacht), de Jan Campertprijs (voor Waterstudies), de VSB Poëzieprijs (idem) de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelleprijs (beide voor Bij eb is je eiland groter). Werk van zijn hand werd vertaald in het Engels, Spaans en Zweeds.

    & rol door
    Auteur: K. Michel
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eén erwt maakt nog geen snert

    In dit persoonlijke essay Eén erwt maakt nog geen snert, verschenen bij uitgeverij Van Oorschot, gaat Asis Aynan (1980) in op de komst van migranten uit het Rifgebergte en de vooroordelen die over hen zijn ontstaan in Nederland vanaf de jaren vijftig vorige eeuw. Aynan neemt de lezer mee langs wat de Riffijnen uit Marokko op hun weg naar Nederland verloren. Hij legt een groot aantal misverstanden bloot (zo wonen er nauwelijks Marokkanen in Nederland maar merendeels Riffijnse Nederlanders) en ontkracht hij de vaak onjuiste aannames en vooroordelen waaruit deze misverstanden ontstaan zijn.

    Naast schrijver is Aynan docent op de Hogeschool van Amsterdam. Zijn docentschap inspireerde zijn eerder verschenen Linoleumkoorts, over taal en identiteit door de lens van een schoolomgeving in de grote stad.

    Eén erwt maakt nog geen snert
    Auteur: Asis Aynan
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.

     

     

  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

     

     

  • Michel daagt de wereld uit

    Michel daagt de wereld uit

    In deze verzamelbundel zijn vijf dichtbundels van Michel samengebracht met als ondertitel Alle gedichten tot nu toe. Maar op deze explicite bewering volgde nauwelijks twee maanden later zijn allernieuwste bundel Te voet is het heelal drie dagen ver: de tijdsbepaling ’tot nu toe’ dient dan wel heel letterlijk genomen te worden. Een grapje van de dichter? Wie door de inhoud van het boek bladert, komt al gauw tot de conclusie dat die vraag gerechtvaardigd is, want humor is Michel zeker niet vreemd. Ten dele komt dat ook tot uitdrukking in de titel Speling zoeken, die ontleend is aan een regel van Breyten Breytenbach uit diens boek
    n Seizoen in die paradys: ‘Ik speel niet, ik zoek speling.’ Michel vatte dit volgens zijn schrijven aan Rutger Kopland op als ‘het zoeken naar bewegingsruimte in de etiquette van de taal, in de codes die voorschrijven hoe het hoort; met als doel om bewegingsruimte te creëren, om even diep adem te kunnen halen.’

    K. Michel (pseudoniem van Michael Kuijpers, dat hij vormde door de eerste letter van zijn achternaam als initiaal te nemen en van zijn voornaam zijn achternaam te maken) debuteerde in 1989 met de bundel Ja! Naakt als de stenen, een verzameling gedichten gelardeerd met een overvloed aan uitroeptekens en imperatieven, waarmee een schuimende overmoed uitdrukking geeft aan een ‘Sturm und Drang’- periode, die door niemand ooit beter omschreven werd dan door Marsman met zijn ‘Groots en meeslepend wil ik leven / hoort ge dat, vader, moeder, knekelhuis!’. Geheel in deze geest daagt Michel de hele wereld uit: ‘Bwoehoeoe! / Grote boze wereld!  […] / Bwoehoehoeoeoe! /  Mij pakken ze niet meer’

    Optimisme en blijmoedigheid voeren de boventoon in deze bundel: de titel ‘a capella’ die aan het eerste deel is gegeven, duidt er al op dat het leven een feest is dat bezongen moet worden:

    Yaaa!
    Het leven voorbij de namen.
    Yaaa!
    De liefde die danst.
    Yaaa!
    Duizend miljoen seringen.

    Alleen het hier en nu lijkt van wezenlijk belang te zijn, al wordt er in Jeugdherinneringen even teruggeblikt op het verleden, maar ook hier alleen lichtvoetigheid en speelsheid. Deze dichter put niet uit de bron van een ongelukkige jeugd, dat mag duidelijk zijn: water, licht, zon en kleuren zijn de hoofdbestanddelen in deze feestelijke eerste bundel. Dit is poëzie waar je blij van wordt.

    De vijf opgenomen bundels laten een ontwikkeling zien van jeugd naar volwassenheid: al in de tweede bundel Boem de nacht wordt de toon ernstiger en nadenkender. Waar in de voorgaande afdeling alle gedichten iets vertelden over de dichter zelf, hoeft het onderwerp van de gedichten  niet meer het persoonlijke ik te zijn, maar kan nu ook een derde persoon beschreven worden:

    Ze is een jaar of veertig
    haar kinderen zijn op de jongste na
    allang het huis uit
    en haar man, ander onderwerp

    De wereld is groter geworden en de dichter beperkt zich niet alleen tot zijn directe omgeving. Toch lijkt Michel zich in deze verzamelbundel steeds de vraag te stellen wie hij is in verhouding tot dat wat hem omringt en zoekt hij voortdurend naar de samenhang van patronen en processen. Hij probeert de ordening van de dingen te begrijpen om tot het wezenlijke te komen, ontdaan van alle franje. Wat daarbij het meest opvalt, zijn de grillige ideeën en de speelse, originele invallen die hij gebruikt: zo wordt de dichter letterlijk opgevoerd als een fossiel, kunnen bomen praten, laat hij gras dromen en wordt in het gedicht Ook de vissen de Haagse Hofvijver rechtstandig overeind gezet ‘als een majestueuze wand van water’. Ook in zijn beeldgebruik komt een heel eigen kijk op de dagelijkse dingen naar voren: zo schrijft hij in het gedicht Op weg naar de koelkast : ‘Ik voel me beroerd, een gebroken ei / een blote dooier schommelend in een glazen kom’. Wie wel eens gekeken heeft naar zo’n dooier, weet dat de vergelijking van Michel niet treffender kan zijn: je zou er zelf nog beroerd van worden. Verderop worden saaie sanseveria’s – toch niet het grootste geschenk van Moeder Natuur aan de mensheid –  verrassend vergeleken met ‘Een rij groene chorusgirls / die één been hoog de lucht in gooien.’  Michel goochelt met woorden op een ogenschijnlijk vanzelfsprekende, gemakkelijke  manier en laat de lezer met de achterkant van de dingen kennismaken, waardoor eenvoudige objecten plotseling vanuit een heel nieuw perspectief bekeken kunnen worden: zo krijgen de alledaagse, vertrouwde dingen een andere interpretatie.

    Niet alle gedichten zijn even sterk: sommige zijn zo zeer een verwoording van de innerlijke gedachtewereld  van de dichter dat het voor buitenstaanders niet langer begrijpelijk is en tot wartaal verwordt. Soms spreekt hij vanuit een droom zijn gedachten uit en ook dan is het voor de lezer moeilijk om hem te volgen. Ook waar namen genoemd worden: bijvoorbeeld ‘Als Ans er niet geweest was!’ in het al eerder genoemde gedicht Jeugdherinnering, voegt dat voor de lezer niets toe. Ook zijn er gedichten die zo raadselachtig zijn van inhoud, dat de schouders ophalen en verder bladeren het enige is dat er voor de lezer opzit. Andere gedichten doen sterk denken aan Toon Tellegen of ook wel aan Ted van Lieshout en het verhaal van de man die op de leeftijd was dat hij ‘liever een sprekende kikker [had] dan een prinses’ is verre van oorspronkelijk. De verwijzingen van Michel naar andere auteurs en hun werken duiken overigens vaak op in zijn gedichten, echter zonder hieraan een speciale nadruk te geven.

    Elke opgenomen bundel lijkt beter dan de vorige: naast de filosofische visie op de dingen sluipt er een melancholische sfeer door de gedichten, zonder dat er iets aan de speelsheid en originaliteit verloren gaat. De gedichten worden complexer en indringender, zoals in het mooie gedicht ‘Lieve’, waarin een schetterende megafoon aankondigt dat de chemokar in de straat is. Het simpele ophalen van chemisch afval wordt tot een: ‘luguber […] klinken […] voor hen die kanker hebben’. Dit leidt tot een bijbelse vervloeking van de dichter: ‘Moge de wind opsteken / en de regen een vuist maken / de luidspreker platslaan’. Het verschil met de gedichten uit de eerste bundel kan nauwelijks groter zijn. Wat niet betekent dat Michel zijn humor is verloren:  de beginregel ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien’ behoeft nauwelijks toelichting. Ook humor door zelfspot treedt regelmatig op en steeds weet hij het komische met het plechtige element te verweven. Het gedicht ‘Indringend lezen volgens dr. Drop’ is daar een schitterend voorbeeld van.

    Michel ontdoet de daagse dingen van hun zwaarte zonder ze daarmee aan kracht en betekenis te laten inboeten. Hij geeft aan zijn gedichten een speelsheid die dwars tegen logica en realiteit ingaat, maar het kost geen enkele moeite om hem op zijn kronkelige pad te volgen. ‘Al dat gepuzzel, man, alsof niemand weet / dat het allemaal draait om vertalen / het halen van adem, het eten van brood’.

     

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Werd uit z’n vorige dichtbundel Kleur de schaduwen de mooiste zin, ‘Zonder noorden komt niemand thuis’, door schrijfster Nelleke Noordervliet ingepikt en gebruikt als titel voor haar eigen boek, de nieuwe en vijfde gedichtenbundel van K. Michel kreeg van zijn schepper dit maal zelf de mooiste zin als titel mee: Bij eb is je eiland groter. Die titel staat natuurlijk als een huis en is het waard om op gevels van pakhuizen te gaan prijken. In zijn speelse diepzinnig- en monterheid is het een typische K. Michel-titel, en de kwalificatie ‘typisch K. Michel’ mag voor de hele bundel gelden.

    De productiefste dichter zal hij wel nooit worden ? tussen zijn dichtbundels zit gemiddeld een jaar of vijf – een herkenbare toon bezit hij intussen wel: lichtvoetige gedachten gepaard aan beheerste en concrete dictie. Wat dat aangaat doet het soms denken aan de schilderijen van René Magritte. Van huis uit is K. Michel filosoof en van het denken lijkt hij evenzeer te genieten als dat het hem blijft verbazen. Want geen antwoord is te goed of er komt een nog betere vraag uit voort. En zijn gedichten vormen de weerslag van de verwondering. Maar omdat K. Michel aan vaagheid een broertje dood heeft, wordt het allemaal in dartele frisheid verwoord. Wijsheid (‘een blinde vlek komt tevoorschijn / door er iets in te laten verdwijnen’) en flauwheid ( ‘stik, ik ben vergeten een ladder / te plaatsen tegen de windroos’) wisselen elkaar af, maar beide worden door een zelfde soort speelse, associërende toon voortgestuwd. Waarbij het toeval op het moment dat het er met de verbeelding vandoor lijkt te gaan, altijd nog door de dichter op tijd wordt betrapt.

    De gedichten zijn minder vaak kort dan lang, maar laten zich in een vaart lezen. Of de versregels nu kort of lang zijn, ze hebben altijd de juiste ritmiek, zodat ze het rijm niet van node hebben om zich van prozaregels te onderscheiden. De dichter lijkt het dan misschien van spitsvondige gedachten en ludieke invalletjes te moeten hebben, in het juiste woord op de juiste plaats is niet minder geïnvesteerd. Waar over de hedendaagse roman wel eens de klaagzang wordt geheven dat het leven van de straat er niet in zou doorklinken, kun je aan de gedichten van K. Michel goed merken dat ze geschreven zijn door een filosoof die liever door de wereld wandelt dan dat hij zijn hersenspinsels laat koesteren in de lichtbundel van zijn bureaulamp. Zo stuit je zomaar op een onvergetelijke typering van onze demissionaire minister-president in het gedicht Brief over het regeringsbeleid aan mijn vader die zich zoals iedere september in de bergen heeft teruggetrokken:

    Solide oplossingen vragen tijd
    Regelvermindering schept ruimte
    Deze ingrepen doen mogelijk pijn en
    Zijn zeker geen sigaar uit eigen doos

    Vertrouwen vraagt vertrouwen
    Dus kan het mag het absoluut niet
    Zo zijn dat je zelf de zak draagt
    Maar je buurman een ezel noemt

    Cultuur verrijkt eenieders leven
    Sport versterkt wederzijds de banden
    Maar naast rechten gelden plichten
    Een ieder moet zijn eigen broek ophouden.

    Vader, tot zover

    In stokregels het najaarsbeleid
    Nog een laatste noot over
    Het hoofd van de regering

    Kijk je diep in zijn ogen
    Dan zie je: het rad draait
    Maar de hamster is afwezig.

    Dit gedicht is overigens een van de drie gedichten in deze 28 gedichtenrijke bundel dat in een andere vorm eerder verscheen in de bundel In een handpalm die essays, verhalen en enige gedichten bevatte. Daarin vereeuwigt een dergelijk Balkenende-gedicht niet alleen ’s mans clichés maar ook diens woordverhaspelingen.

    K. Michel zijn gedichten zijn zeker niet voor één gat te vangen. Misschien heeft het ermee te maken dat twee gedichten in deze bundel op biologen (Tijs Goldschmidt en Dick Hillenius) zijn geïnspireerd dat in deze bundel ook een gedicht, Voor het vertrek geheten, staat waarin zelfs het gras een stem heeft gekregen. Het gedicht is een soort dagboek, logboek en maakt ons deelgenoot van de revolutionaire gedachten die er gisten in het gras wanneer het geconfronteerd wordt met de gevreesde terugkomst van de koeien in het voorjaar:

    ‘Woensdag:
    Iedereen ziet de terugkeer van de koeien
    met vreze tegemoet; het ruk- en trekwerk
    de hoempa van hun passen, het domme
    domme boe, het royale schijtpissen.’

    Omdat het gras ter ore is gekomen dat op de pampa’s en de verre steppen de grassen in vrijheid leven, beraamt het een plan om er van tussen te gaan. ‘Wij bespreken het plan. / Wij dromen van Mongolië.’

    Dit gedicht kent geen strofen, maar in plaats daarvan laat het zich ordenen door de zeven dagen van de week op te sommen. In de gedichten van K. Michel lijkt het er hier en daar soms flink op los te gaan, voor de samenhang, de coherentie heeft de dichter echter wel vooraf zorg gedragen. Die samenhang wordt niet bewerkstelligd door middel van de ouderwetse poëtische lapmiddelen als rijmschema’s en rijmvormen, maar veelal door zelf bedachte retorische oplossingen. Zo wordt in het gedicht Staande golf een eenheid gecreëerd door diverse groepjes zinnen te laten aanvangen met het woord ‘verdiept’:

    ‘Verdiept
    in het rollen van een bal
    in het gesjouw van mieren
    tussen de stenen
    in het vallen van een gum
    de zijwaartse sprongen
    verdiept
    in de schaafwond op je knie
    in het schillen van een appel
    (…).’

    Om een paar ‘verdiepingen’ verder te eindigen met de prachtige regels:

    ‘(..) blijk je zomaar ineens / te zitten in de schaduw van een boom / die je als takje hebt meegenomen uit de tuin van je jeugd.’

    Elders nummert K. Michel simpelweg de regels. Omdat het een gedicht betreft over de diverse stadia van de windkracht, staan de getallen 1 tot en met 12 ook voor de bijbehorende windkracht.

    Een op het eerste oog apart gedicht is Marx ging naar Zaltbommel, gebaseerd op het historische bezoek van Karl Marx aan die stad, waarvan de eerste regel luidt: ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien.’ Wie hier nog denkt dat er een pastiche zal volgen op Nijhoffs Moeder de vrouw, wordt in de tweede zin al meteen gewaarschuwd: ‘Zaltbommel ligt aan een rivier die de Waal heet.’ En de derde zin is: ‘Zijn oom was de man van de zus van zijn moeder.’ De vierde zin gaat dan: ‘De man beheerde haar financiële zaken.’

    Het is op deze manier verleidelijk het hele vers te citeren, maar daarvoor is het te lang. Doordat op iedere versregel een witregel volgt, krijgt de schoolopstelachtige toon iets bezwerends als een pianostuk van Satie. Maar tussen die houterige toon, kabbelt iets heel subtiels: de volgende regel herhaalt iets uit de vorige regel en rijgt zich zo aan het geheel, dat gaandeweg iets van een grote rivier krijgt. Een rivier die zich traag voortbeweegt en zijn weg zoekt door een landschap. Het einde van dit trage gedicht heeft Marx dan ook op de kade achtergelaten. De rivier gaat alleen verder:

    ‘Het water zoekt en volgt de laagste weg.

    Voorwaarts naar zee naar zee en verder.

    Het wassende water sleept alle bootjes mee.’

    Een gedicht dat na lezing lang zal blijven hangen. Niet ieder gedicht uit deze bundel zal dat in gelijke mate doen, maar ook niet ieder gedicht lijkt met dat doel geschreven. De wat mindere gedichten vormen overigens een kleine minderheid waarvan mij de kans groter lijkt dat ze meer zullen winnen bij latere lezing dan dat de betere gedichten aan waardering zullen gaan verliezen. Lezen van zijn gedichten verfrist toch altijd weer de binnenkant van je hersenpan. Was K. Michel een Nederlandse voetballer, dan stond hij geheid bij een buitenlandse topclub onder contract. Al met al verrast deze bundel in vergelijking tot zijn eerder werk niet vanwege het niveau, maar vanwege de titel. De vorige moesten het met mindere titels doen.

    Bij eb is je eiland groter

    Auteur: K. Michel
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (april 2010)
    Prijs: € 17,90

  • K. Michel – Auteur van de week

    ‘Taalfilosofisch maar niet gortdroog; muzikaal, geestig, lyrisch, parlandistisch,’ zei Joost Zwagerman ooit over K. Michel, onze Auteur van de Week.

    K. Michel is het pseudoniem voor de op 13 augustus 1958 te Tilburg geboren Michael Maria (‘Michel’) Kuijpers. Hij studeerde aan het Sint Odulphuslyceum en daarna vanaf 1978 filosofie in Groningen en Amsterdam. Na zijn studie gaf hij samen met Arjen Duinker de literaire circulaire ‘AapNootMies’ uit. Hij debuteerde in 1989 met de gedichtenbundel Ja! Naakt als de stenen. Hij werkte mee aan de bundel Openbaringen. Zeventien jonge dichters over het cruciale gedicht (1989). In 1990 verscheen zijn uit het Spaans vertaalde keuze van gedichten van de Mexicaanse letterkundige Octavio Paz, onder de titel Het vuur van iedere dag. Michel was een van de vijf genomineerde debuterende dichters voor de C. Buddingh’-prijs 1990, (overigens gewonnen door Nachoem M. Wijnberg). In 1992 publiceerde hij de verhalenbundel Tingeling & Totus, die in 1999 door het Onafhankelijk Toneel werd bewerkt tot een toneelvoorstelling. Voor zijn tweede gedichtenbundel Boem de nacht (1994) kreeg hij de Herman Gorterprijs en zijn derde bundel Waterstudies (1999) werd bekroond met de VSB-poezieprijs en de Jan Campertprijs. Naast zijn Paz-vertalingen heeft K. Michel ook poëzie vertaald van Russell Edson en Michael Ondaatje. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift Raster.

    Nee en ja

    Nee en ja er is altijd
    meer dan een keus
    En voor je iets doet (of laat)
    kun je altijd tot basta tellen
    Een ruzie vraagt twee meningen
    een kus vier lippen
    een lichaam vijf liter bloed
    Om regen te maken, een boom
    een huis. muziek, een droom
    zijn meerdere elementen vereist
    En in de sporen van schichtige dieren
    rond, een modderige drinkplaats
    schitteren ’s nachts ontelbare sterren
    Voor iemand die slechts denkt
    met de één (en niet de ander)
    is dat getal een hamer
    en is de hele wereld een spijker

    uit Waterstudies (1999)