• Een circulaire tijdreis

    Een circulaire tijdreis

    In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.

    Duurzaam leed

    Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.

    ‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen

    Een gloednieuwe morgen breekt aan,
    de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
    schepen voeren het heil aan in megacontainers:
    de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.

    Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
    Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
    de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
    noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.

    Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
    gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
    We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
    Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
    kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
    overleven nog eeuwen.’

    Hoop en vrees

    Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’

    Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’

    Bijbelse motieven

    Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’

    Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.

    Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?

    Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.

    Litanie van gesukkel

    De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.

    ‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’

    Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.

    Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.

    ‘Dit wandelend eiland

    Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
    Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
    naar elkaar als ontluisterde goden.

    Rondom woelt de zee.
    Er drijven, als in de kosmos planeten.
    Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.

    Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
    en nu jij.
    Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
    maar vermoed, ik was er dichtbij.

    Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
    zijn afkomst voorgoed is vergeten.

    Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
    Zoiets.’

     

     

  • Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Wie bij een dichtbundel van tweeënzestig pagina’s denkt ‘grote stappen, snel thuis’, komt geheid bedrogen uit. Bij Sterkteleer van Lans Stroeve al helemaal. Is er voor het lezen van poëzie toch al een zekere gesteldheid nodig – rust, geduld, openheid -, voor deze bundel geldt dat des te meer. Stroeve’s gedichten voelen alsof men voor een rotspartij staat en een code, een wachtwoord, een soort van ‘Sesam open u!’ nodig heeft voordat de spaarzame openingen zichtbaar worden. Er lijkt aanvankelijk weinig lucht te zitten in deze poëzie. Het is allemaal te vast en te hard, hermetisch bijna. Moest deze bundel een baksel zijn, dan was het een Christmas pudding. Of een zuurdesembrood, met inhoud die vult, hoezeer ook vorm- en woordschoonheid in acht worden genomen.

    De taal van deze gedichten is stevig en gesloten. Als lezer ben je voortdurend in verwarring, weet je niet wat binnen of buiten is, bolster of pit. Denk je zacht te beginnen, dan breek je de tanden op een harde binnenkant. Of omgekeerd. Erger nog, wat binnen of buiten is, is vaak niet duidelijk. Maar je moet erdoorheen, hoe dan ook. Soms blijf je berooid achter, geschokt, onbarmhartig van je sokken geblazen. Andere keren word je beloond met een schat; een gedachte, een beeld, een kostbaarheid waarbij je huilend scheefzakt. En is die ervaring je eenmaal ten deel gevallen, dan wíl je er ook doorheen. ‘Dat je dat leert in de loop van je leven, om het ongedierte / uit je dekentje te kloppen voordat je het omslaat en je warm / te stappen en op tijd te zwijgen, te fluiten, de vogels te spotten / met hun ragfijne pootjes balancerend op de uiteindes van goud- / gebladerte en daarbij de route te snappen, de tomtom ontwijkend.’
    Beelden zijn er ook. Tussen de drie blokken waarin deze bundel is opgedeeld – ‘Breekspanning’, ‘Imker van de engelen’ en ‘Kracht’ – zijn afbeeldingen van schilderijen opgenomen. Enkele zijn van Stroeve zelf, die behalve dichter ook kunstenaar is, en enkele van haar grootvader Egbert Johannes de Maar.

    Dansende ritmiek

    Net als de omhulde, verborgen zachtheid, zit er ook dansende ritmiek in de gedichten zelf. Niet in de opmaak, niet in de visuele vorm. Ongeacht de vorm – soms met herkenbare strofen en witregels, maar even zo vaak niet – loopt elk gedicht door als proza, wordt bijna een kort verhaal. Proza dat om de beeldigheid van de taal gedicht mag heten. Omdat er in die dichtgedrukte zinnen een cadans zit, sterk als een harteklop. en daarover gaan de meeste gedichten, over een lichaam waar iets mee is. Het hoe en waarom van dat alles wordt gespiegeld in operatiekamerscènes, met die heldere kleuren ook, en in dat licht.

    ‘Wist je dat iedere, ook de fijnste materie / zoals huid in meerdere gehaltes bestaat / zodat de breekspanning wisselt. Sterker / materiaal geeft andere waarden, waar // het lichaam via de huid bij tl-licht / geopend, gepijnigd en gezuiverd werd, / de ziel zich verborg maar bij kaarslicht / verscheen, schemert er iets voor de geest’

    Een lichaam en een hoofd dat enerzijds zichzelf moet verstaan in die nieuwe rol van patiënt. Anderzijds zichzelf verder droomt als levend tussen al het andere leven van de vogels, de struiken, een hond, de kleur van de lucht.

    En juist als je de vraag stelt: wat is hier droom, en wat werkelijkheid, valt het kwartje. Alles is de werkelijkheid in lagen. De ene werkelijkheid, de oude vertrouwde, waar de voelende, kijkende verteller zich verbergt. De andere, die nieuw is en ongemakkelijk, en met dat tl-licht dus. Maar alles mag, met ogen dicht of ogen open, want in alle lagen wordt de autonomie hoe dan ook bewaard. In alle lagen huist een diepste zelf dat al dat schijnbaar ongerijmde met elkaar verbindt. Een zelf dat zegt: dit ben ik, dit ben ik allemaal, dit alles is mijn leven.

    Krachteloze lichaam

    Niet de hogere kunst van het loslaten, maar de hogere kunst van het besef dat er niet zoiets bestaat als loslaten, dat het enkel aankomt op hoe er wordt vastgehouden, en waar het wordt gestald. En als er toch wordt losgelaten – omdat het niet anders kan – dan is het eerder een toevertrouwen. Je krachteloze lichaam leggen in de handen van onbekenden die met geen ander doel om je heen staan dan je te dragen. ‘Bij vele koppelingen ontstaat een oppervlakte / en kan je als een schaatsenrijdertje over donker // water snellen. Zigzaggen. Hoeken slaan. Je gaat / niet zinken, je wordt gedragen. Ogen open: // ze vliegen af en aan, het flinke ziekenhuis in / en uit, de grootste zwerm goede zielen van de stad.’

    Uiteindelijk is de grens tussen hard en zacht en tussen sterk en kwetsbaar niet te vinden. En misschien is het ook niet relevant. Stroeve is erin geslaagd tussen al dat onbekende en schijnbaar onvindbare de nodige woorden te vinden om het onbenoembare van een persoonlijke situatie – een mens balancerend op de levensgrens – te benoemen. En anders worden er woorden gemaakt, met speels gemak, plezier en bravoure: ‘Zielekastje, pimpelmeespetjeblauwehemelkoepel, bezwijkmechanisme, zwartenachtblauwe, paniekregister’.

    Voor deze poëzie moet je moeite doen. En is dat verkeerd? Integendeel. Misschien is het wel goed dat in deze lelijke tijden – van oorlogen tot fatbikes – we ergens moeite voor moeten doen om schatten en kostbaarheden terug te vinden die het leven mooi maken. Niet dat het weg was, maar omdat we waren afgeleid, tot stilstand gekomen in een poel van oppervlakkigheid. Omdat we om wat voor reden ook geen moeite meer deden, niet zochten, niet vochten terwijl we zo verlangden.

    Niks krijg je cadeau

    Alles is er nog, het goede, het ware en het schone, maar we krijgen het niet cadeau. Wellicht is dat de essentie van deze bundel. Alles is vindbaar, zolang je maar graaft, en nog dieper graaft. Durf te blijven gaan, van de ene stapsteen naar de andere, van de ene gedachte naar de andere. Meegaan in de ‘stream of consciousness’. Want naast gedichten met strofen en witregels en leestekens, zijn er ook die in de meest letterlijke zin van het woord vooraan beginnen en achteraan eindigen. Die lezen als één lange flow van beelden zoals in het gedicht:

     ‘Meander

     In deze meander kan men aan de leuning lopen
     in mateloze passages. Men neemt de laatste zin
    en start vanuit die woorden naar een volgende
    verbeelding in klare, laag gezongen klinkers
    en loost in de bochten leestekens voor oude
    ogen. Denkt de houding te herkennen aan de
    herinnering van die ene.

     Men heeft een zacht hart en warme handen.
    Ongenaakbaar werd langzaam onbeholpen
    en opende daarmee een luikje in mijn zielekastje.’

    Helemaal zichtbaar wordt deze ‘stream of consciousness’ in ‘De glimwormen van het geheugen’. en met welk een impact!

    ‘er is me verteld dat je bijna verdwenen bent
    uit het nu en alleen nog uit verleden op te roepen
    herinner ik me dat ik gewekt ben op een zomeravond
    in het warme donker of ik lig toch nog te luisteren
    de schuifgeluiden van de stoelen en een ingehouden
    fluistersfeer schoenen aan we gaan de berg op lopen
    in colonne er is iets wat je moet gaan zien krekels
    breken met hun kleine ratels de geurende duisternis
    tot aan de sterren open, er staat iets te gebeuren’

    Lees dit hardop, proef het ritme, gaande gehouden door subliem gedoseerde assonantie.



  • Manifest van onverwoestbaarheid

    Manifest van onverwoestbaarheid

    Drie lezingen en vele weken geduld waren er voor nodig vooraleer duidelijk werd dat er aan Koeiendagen van Kira Wuck weinig valt te grijpen, en nog minder te be-grijpen. Poëzie die vrij als stromend water zichzelf lijkt te vormen, zonder zich te storen aan hoofdletters, leestekens, en wat er verder zoal aan regels zijn uitgedacht om het de schrijver en vooral de lezer makkelijker te maken. Gedichten die soms wat langer, soms wat korter zijn; soms een titel hebben, soms ook niet; en die zijn opgedeeld in zes blokken van ongelijke grootte. De inhoudsopgave alleen is al een feestje. Titels vetgedrukt, titels cursief, of gewoon een eerste regel ingeval er geen titel is.

    Wuck hanteert haar taal soepel. Woorden die niet als klinkertjes of kinderkopjes met veel symmetrie en ritmiek in een fraai patroon zijn gelegd in het voorplein van een zestiende-eeuws kasteeltjes, maar hier en daar als ringen in de rotswand geslagen, om met nog iets van houvast een ravijn te kunnen passeren. Met prachtige vergezichten uiteraard, maar ook met peilloze diepten waarvan niemand precies weet wat zich daar afspeelt. Levensgevaarlijk. Maar wel een ervaring die je achteraf voor geen goud had willen missen. Woorden waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. De titel alleen al: Koeiendagen. In de Dikke Van Dale komt het niet voor. Maar er is iets aan dat woord – en aan andere woorden en zinnen trouwens ook – dat je pakt, dat je raakt, zodat je maar al te graag meedrijft op de melancholie die het oproept.

    Wachten op Vertraging

    Verwacht bij die weidse panorama’s overigens geen scherpe adelaarsblik. Die past niet bij deze gedichten, noch qua vorm, noch qua inhoud. Eerder is het als wachten op een vlucht met vertraging, ergens op een vliegveld ver van huis; met een beker te dure koffie in de handen. Halfslaperig, tussen je wimpers door, kijken naar de andere reizigers. Allemaal wachtend op harde stoelen, aan formica tafeltjes, met hun rolkoffers, hun blèrende kinderen.

    ‘de man die met zijn hoofd tegen het beslagen raam bonkt
     zoekt een uitweg
     hij wordt door antidepressiva aan elkaar geregen’

    Hoe kan taal die zo fragmentarisch wordt gebruikt, zo zonder kop of staart, toch zo’n compleet verhaal vertellen? Nee, eerder nog alsof de verhaal-fase in een rotvaart wordt gepasseerd, in één keer door naar het beeld. De gedichten van Wuck lezen als korte films. En die films zijn van een dermate niveau dat ze moeiteloos internationale prijzen zouden binnenslepen; verbluffend van eenvoud en tegelijk geraffineerd complex.

    Naar believen wordt er in- en uitgezoomd, van cel naar heelal en vice versa, door een ik-figuur waarvan niet zeker is of dat een mens is of een dier. Zelfs niet of het een zoogdier is; mogelijk een amfibie, een weekdier, een visje. Het is allemaal zo diffuus als wat, doorschijnend en zonder materie bijna. En daar tussendoor plaatst Wuck woorden van een onontkoombare en welhaast alledaagse concreetheid: bril, pillen, sinaasappels, kopje, suiker, melk.

    ‘Zure melk

     Als de aarde is opgebrand / hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat / bossen zijn teruggegroeid
     eencelligen voeten krijgen / rechtop leren staan / beschutting zoeken
     misschien is er voor een lange tijd / alleen heel veel zwart / doet iemand vanaf een andere planeet / met zaklampen de sterren na’

    Huidloos naakt

    Een paar jaar terug was er een film met de intrigerende titel Kan door huid heen. Bij het lezen van deze bundel krijgt de lezer bij tijd en wijle het gevoel dat er helemaal geen huid is. Wucks gedichten zijn van een haast lichaamloze transparantie, en tegelijk zijn ze zo lichamelijk als het maar kan; aards, naakt, en op een meer dan gebruikelijke manier nabij. Intiem, op een soms ongemakkelijke wijze.

    Als een peepshow waar niet het platte, directe bloot wordt bekeken, maar de werkelijke intimiteit die zich onder dat evidente bloot afspeelt. De intimiteit van mensen die voor hun geliefde niets te verbergen hebben. De zelfloosheid waarmee iemand zich overgeeft, om te worden uitgehold, verslonden, met huid en haar. Of – het is maar net hoe de verhoudingen liggen – om met de ander te versmelten, zoals slakken paren, traag, langdurig, en ja, huidloos naakt. Niet meer zichtbaar waar de een ophoudt en de ander begint. Voor de betrokkenen zelf mogelijk ook niet.

    Los van de vraag of de lezer hier op zit te wachten – zo ongevraagd en onbedoeld voyeur te zijn van zo’n verregaande intimiteit – verdient Wuck alle lof voor deze bundel, want ze krijgt het toch maar op papier. Als een goocheltruc waarbij je je als toeschouwer alleen maar afvraagt: Hoe dan? 

    ‘Ineens besefte ik dat je geurloos was / alsof je jezelf tot nu toe ongemerkt door het leven bewogen had / toch wist ik je steeds te  vinden en te verleiden / om op lelies te gaan staan / misschien ben je wel een engel / want je huid is ook intact // nog geen doorn heeft in je enkels geprikt / geen scherf heeft je ooit geraakt’

    Herinnerd lichaam

    Wie de door Wuck geschetste en geschilderde intimiteit uitsluitend wil opvatten als liefdespoëzie in positieve, wellicht zelfs romantische zin, komt bedrogen uit. Veel gedichten zijn geschreven vanuit negatief oogpunt. Niet in de betekenis van somber, depressief, zwartgallig, maar als een fotonegatief, als omgekeerde aanwezigheid. Afwezigheid dus; na het vertrek, na het verlies van de geliefde, op welke wijze dan ook.

    Herinnering van aanraking die derhalve niet-aanraking is geworden; gemis, leegte, en de rouw die nu, na het heengaan, om dat ontbreken wordt geleden. En uiteraard met dezelfde intensiteit, wat bijna onvermijdelijk doet denken aan dat prachtige Shakespeare-vers: love is not love which alters when it alteration finds. Ofwel: de liefde is altijd wat ze is, ongeacht de omstandigheden; met een aanwezige of afwezige geliefde; met een levend lijf, of met een herinnerd lichaam dat er in puur stoffelijke vorm allang niet meer is.

    Verval en dood gaan hand in hand, de dood van dingen, het verval van mensen. Of omgekeerd, wie zal het zeggen. Zonder aarzeling wordt in dat bederf gewroet en gezocht naar de gaafheid van het begin. Als tijd niet bestaat – en die indruk wordt veelvuldig gewekt in de gedichten van Wuck – is het er allemaal tegelijk, geruststellend nabij, en pijnlijk afwezig.

    ‘Vintage is hip

    Vannacht droomde ik dat ik in je huis was/ maar het servies was al opgehaald / dus omhelsde ik de aangevreten bank /   dievanbinnen zo hol moest zijn / als een oude ezel // overeind gehouden met telefoonboeken uit de jaren negentig / toen je nog gewoon iedereen bellen kon // de lelijke kopjes zocht ik in elke kringloopwinkel / net als je kleren die hipsters nu dragen’

    Kaarten met spreuken

    Tot slot het allerlaatste vers; daarna komt er niets meer, enkel nog het schutblad. Woorden die iedereen aan het begin van een nieuwe liefde aan de nieuwe geliefde zou moeten toesturen. In sierlijke letters gekalligrafeerd, als op zo’n kaart die je vindt in een molentje, tussen spreuken van Rumi, Rilke of Inayat Kahn. Zo’n kaart die niet zelden eindigt in een mooi lijstje; vanwege de compacte maar o zo waardevolle levenswijsheid. In dit geval als een gebruiksaanwijzing, een manifest:

    ‘je kan met me gooien
     maar niet op me gaan staan
     ik veer niet terug
     en vertrek maar één keer’



     

  • Hoop op vertaling: De hoedsters

    Hoop op vertaling: De hoedsters

    Hoe geef je een boek een titel die recht doet aan het origineel? In dit geval Les Gardiennes van Ernest Pérochon. Het zou ook De bewaarsters kunnen zijn, of Zij die waakten zoals de titel luidde van de Nederlandse vertaling die verscheen in 1927 bij Bruna & Zoon Utrecht. Die vertaling was van Ellen Forest die eerder al van dezelfde auteur Nêne, Buiten eigen grenzen en De krotten onder handen had.

    De Groote Oorlog

    De volgende vraag is wie er op zo’n vertaling zit te wachten. Wellicht was Les Gardiennes (1924) wel geheel in vergetelheid geraakt als Xavier Beauvois het boek niet had verfilmd in 2017. Het waren de jaren van het grote herdenken, honderd jaar na de Eerste Wereldoorlog. Zozeer dat ook in Nederland eindelijk wat meer belangstelling ontstond voor deze oorlog die het lot van de wereld zo ingrijpend en voorgoed had bepaald. ‘We’ waren immers neutraal geweest. Waarbij voor het gemak vaak wordt vergeten dat Nederland op een eigen bevolking van zesenhalf miljoen één miljoen Belgische vluchtelingen herbergde en dat er vanwege de zeeblokkade ernstige voedseltekorten waren, met alle gevolgen van dien. Wat dat betreft hadden de vrouwen in Les Gardiennes het ietsje beter. Hoe hard het leven ook was, ze hoefden niet met honger naar bed.

    Misschien moeten we ons ook niet te veel blindstaren op die oorlog. Hoewel zeer bepalend, vormt die vooral de context voor het eigenlijke verhaal. Zonder de plot te verklappen, gaat het in grote lijnen over Hortense die met haar dochter, haar schoondochter en een oude invalide knecht haar boerderij draaiende houdt nu de zonen ten strijde zijn getrokken. In dat huishouden komt de wees Francine terecht die Hortense als hulp van de staat krijgt toegewezen.

    De problemen beginnen als een van de zonen met verlof thuiskomt en er tussen hem en Francine een liefdesrelatie ontstaat. Dan tuimelt het verhaal uit de knusse beslotenheid van het Franse platteland en worden motieven zichtbaar die we ook tegenkomen in andere literatuur uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw.

    Patriarchale structuren

    Hoewel hier te lande nauwelijks bekend, was Pérochon in zijn tijd zeker een schrijver die meetelde. Voor zijn roman Nêne ontving hij in 1920 de Prix Goncourt. Ook toen al werd door zijn beoordelaars opgemerkt dat zijn werk – hoewel intiem en eenvoudig qua setting en thematiek – het niveau van zomaar een streekroman verre overstijgt.
    De problematiek die Pérochon aansnijdt, sluit moeiteloos aan bij werken van Hardy of Tsjechov.
    Wat daar gist tussen die vrouwen op die boerderij past in het grote verhaal van een samenleving die door en door patriarchaal is en waar vrouwen geen andere macht hebben dan het binnen dat systeem zo goed mogelijk benutten van de overgebleven speelruimte.

    Vooral bij plattelandsdrama’s – en daar dringt zich de vergelijking met Hardy en Tsjechov des te sterker op – gaat het om bezit waar vrouwen als het erop aankomt weinig of geen zeggenschap over hebben. Het enige waar de moeders, de schoonmoeders, de grootmoeders wel invloed op hebben, is de partnerkeuze van de volgende generatie, de huwelijken die er worden gesloten; wie gaat deze boerderij, dit landgoed, dit bedrijf straks erven? Aan wiens zorg en goodwill ben ik straks overgeleverd als ik oud en afhankelijk ben?
    Dan ontpoppen zelfs de meest zachtmoedige vrouwen zich als ware sekreten; dan verdwijnen er plots testamenten, brieven, kinderen zelfs; dan wordt er gelogen, bedrogen en gemanipuleerd dat het een aard heeft. Alles om maar dat kleine beetje macht in handen te houden.
    Voor echte macht, voor echte verandering van die eeuwenoude structuren wordt dan al wel door vrouwen wereldwijd strijd gevoerd. Maar stapsgewijs, en met vaak maar sobere resultaten.

    Chroniqueurs van het gewone leven

    Met alles wat zich in de negentiende eeuw had voltrokken en ontwikkeld, was er een omvangrijke middenklasse ontstaan die in meer dan één opzicht een echte ‘midden’klasse was. Niet langer werd de kloof tussen de adel en het plebs overbrugd door de clerus en een handjevol bestuurders, maar door een laag die enerzijds net als de hogere klasse goed onderlegd en geletterd was, maar die anderzijds wel veel dichter bij de laagste klassen stond. Met daarin een bijzondere positie voor de leraar en de dokter.

    Wat de hogere klasse niet wilde zien over de enorme sociale afstanden heen, en waarin de schrijvende clerus zich vanwege de eigen unieke situatie niet kón verplaatsen, kon van dichtbij worden waargenomen en beschreven door degenen die beroepshalve veel te maken hadden met mensen uit alle lagen van de bevolking en die bovendien zelf met werken aan de kost moesten komen, een gezin moesten onderhouden, huur moesten betalen.
    De effecten van armoede, ondervoeding, gebrek werden het eerst opgemerkt door artsen die vaak letterlijk voor een appel en een ei hun patiënten moesten behandelen. Net zoals de onderwijzer – of onderwijzeres uiteraard – op dagelijkse basis getuige was van het leven van het gewone volk; daarover kon nadenken en schrijven, en dat vaak ook deed.

    Daarin was Ernest Pérochon – in 1885 geboren op een boerderij in de Vendée – geen uitzondering. Behept met een zwak hart was hij al in 1914 vanuit de loopgraven terug naar huis gestuurd. Na het succes van Nêne kon hij het in de jaren twintig rustiger aan gaan doen. Niettemin is zijn betrokkenheid bij sociale kwesties altijd groot gebleven. Zodanig dat de Gestapo hem scherp in de gaten hield vanwege zijn kritische blik en al even kritische pen. Pérochon heeft geweten dat zijn leven gevaar liep maar heeft dat voor zijn familie stilgehouden. Hij stierf in 1942 aan een hartaanval, 56 jaar oud.


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.