• Oogst week 44 – 2022

    Sprookjesboek

    Godfried Bomans schreef meer dan zestig boeken, waaronder vele kinderboeken, en werd vooral bekend met Erik of het klein insectenboek en De avonturen van Pa Pinkelman, een absurdistische strip. Hij was een kenner van Charles Dickens en vertaalde de Pickwick Papers. Hij schreef humoristisch en ironisch, een stijl die weerklank vindt bij illustrator Thé Tjong-Khing.

    Deze veelgeprezen illustrator heeft sinds 1956 ontelbare boeken en verhalen geïllustreerd en strips getekend. Thé begon als tekenaar bij de Toonder Studio’s en werkte vanaf 1971 als freelance illustrator. De meeste illustraties zijn voor kinderboeken, waarvan alleen al zeven voor de Vos en haas boeken, een reeks van Sylvia Vanden Heede. Hij won met zijn werk vele prijzen, waaronder de Woutertje Pieterse-prijs en Gouden en Zilveren Penselen. In 2010 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Max Velthuijs-prijs.

    Uitgeverij Sunny Home verzocht Thé uit de sprookjes die Godfried Bomans schreef het Sprookjesboek samen te stellen en het te illustreren. Thé deed dat eerder met Bomans’ De gierige koning. Hij vindt het een eer en groot plezier om tekeningen te maken bij de sprookjes, omdat hij erg houdt van de ‘ietwat ironische, quasi-ernstige toon en verhalen met een donker randje’, zoals hij zegt.
    Thé heeft altijd affiniteit met de tekst. Zijn detaillistische stijl met pen en fijn penseel is magisch en tegelijkertijd realistisch. Gevoelens van personages worden door hem uitmuntend weergegeven en ook humor is in zijn tekeningen te vinden.

    Sprookjesboek
    Auteur: Godfried Bomans
    Uitgeverij: Uitg. Sunny Home

    Waarom een schilderij werkt

    Jurriaan Benschop is curator, kunstcriticus en schrijver en woont in Berlijn. Hij publiceerde boeken over Berlijn als kunststad, over Cezanne, over de drijfveren en opvattingen van hedendaagse Europese artiesten en over tentoonstellingen van toonaangevende Europese kunstenaars. Voor het magazine Artforum recenseerde hij meer dan zeventig exposities. Hij publiceerde interviews met kunstenaars en schreef essays en artikelen over kunst en aanverwante zaken in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Ook houdt hij lezingen en is hij gastdocent bij kunstacademies in Europa en de VS, waar hij ook schrijfworkshops geeft.

    In Waarom een schilderij werkt laat Benschop de lezer kennismaken met tientallen hedendaagse schilders. Hij onderzoekt hun werk, hun thema’s en motieven, de manier van schilderen en de culturele achtergrond van de schilder. Daarmee probeert hij antwoord te geven op de vragen die hij zich voortdurend stelt: Waarom werkt dit schilderij, welke betekenis heeft het, kan het overtuigen? Eveneens behandelt hij kwesties als hoe we, behalve ernaar kijken, over kunst kunnen spreken en schrijven, en het doorgronden van een kunstwerk. De verhouding tussen concept en schilderkunst komt aan de orde, evenals bijvoorbeeld de vraag wanneer een schilder een colorist wordt genoemd. Verder verklaart Benschop waarom het bezoeken van een museum of een atelier zo veel voldoening kan geven.

    Het boek bevat kleurenreproducties van Nikos Aslanidis, Paula Rego, Rezi van Lankveld, Lara de Moor, Martha Jungwirth, Marc Mulders, Matthias Weischer, Daniel Richter, Louise Bonnet, David Benforado, Andreas Ragnar Kassapis, en van vele anderen.

    Waarom een schilderij werkt
    Auteur: Jurriaan Benschop
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot

    Autobiografie tot op de dag van vandaag

    In Autobiografie tot op de dag van vandaag van Arjen Duinker staat het leven van de dichter zelf centraal. In Delft wel te verstaan, waar hij al vrijwel zijn gehele leven woont.

    Duinker debuteerde in 1980 met gedichten in Hollands Maandblad, maakte met K. Michel het gestencilde en handgeschreven tijdschrift AapNootMies (1982-1985) en publiceerde later zestien dichtbundels en een roman. Met zijn gedichten won hij belangrijke prijzen, waaronder de Jan Campertprijs en tweemaal de VSB-poëzieprijs. Hij werkt ook samen met internationale kunstenaars.

    Duinker doet niet mee aan de hedendaagse poëzietrend waarin het navelstaren veelal de regels vult en iedere minimale ervaring van de dichter breed wordt uitgemeten. Bij Duinker gaat het om de schoonheid, de verwondering van wat hij concreet aanschouwt, de absurditeit van het bestaan. Hij is wars van abstracties en metaforen. Zijn dichtregels bestaan uit klanken, ritmes, herhaling in heldere, korte regels.

    De Delftse binnenstad is in Autobiografie tot op de dag van vandaag een grote rol toebedeeld. Het boek is één lang gedicht, bestaande uit straten en straathoeken, winkels, cafés, meubilair en bloemen. ‘Ik ben ver weg geweest. Ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik ben in Delft geweest.’ Het meest houdt hij van de Baljuwsteeg, vertelt hij in een interview in Trouw, ‘omdat die nergens heen lijkt te gaan. Maar als je eruit komt, sta je opeens in een andere wereld, de grachtenwereld, met mooie panden, licht, water, intimiteit.’ En in de Autobiografie schrijft hij: ‘Ik loop door de Baljuwsteeg en ga de hoek om Naar de Voorstraat! Wat een hoek!’

    Vertalingen van Duinkers werk verschenen in Italië, Engeland, Frankrijk, Portugal, Australië, Iran, Finland en Rusland.

     

    Autobiografie tot op de dag van vandaag
    Auteur: Arjen Duinker
    Uitgeverij: Uitg. Querido
  • Kunst als antwoord op existentiële vragen

    Kunst als antwoord op existentiële vragen

    Aan het einde van de negentiende eeuw schilderde Paul Gauguin in Tahiti het enorme schilderij D’où Venons Nous / Que Sommes Nous / Où Allons Nous. ‘Waar komen we vandaan / Wie zijn we / Waar gaan we heen’. Het is deze wezensvraag die Jurriaan Benschop in Zout in de wond najaagt door in gesprek te gaan met hedendaagse kunstenaars in Europa. Met een rotsvast vertrouwen zo het dichtst bij een antwoord te komen. Omdat kunstenaars volgens hem beter dan journalisten in staat zijn de werkelijkheid te doorgronden.

    Volgens Benschop maakt de journalistiek altijd zeer specifieke uitsneden van de realiteit. Kunst doet dat misschien ook, maar ‘kan daar een andere diepte geven, een ander tempo in de verwerking van informatie, een andere manier van aandacht’. En dat verschil van tempo is voor Benschop cruciaal, vanwege de afstand die het creëert. Terwijl goede kunst zelf ook afstand nodig heeft om gemaakt te kunnen worden. Afstand die ervoor zorgt dat wat de kunstenaar te vertellen heeft meer is dan ‘een verhaal van opa’ of een letterlijke gebeurtenis, ‘maar een gesprek dat ze nodig hebben om het heden te kunnen duiden’. Een cirkelredenering, maar wel een pakkende, die een blik op kunst oplevert als het prikkelende maar reinigende zout in de wond.

    Benschop interviewt door heel Europa kunstenaars en bevraagt hen over hun kunst en levensvisie. Hij portretteert bijvoorbeeld Miroslaw Balka, Anish Kapoor, Michaël Borremans, Paula Rego, Bernard Frize en Bridget Riley en schetst hoe zij de werkelijkheid om hen heen zin proberen te geven. Kunstenaars die stuk voor stuk hun eigen weg zoeken maar deel uitmaken van een gedeelde Europese kunstgeschiedenis. Voor sommige is dat een fact of life, zoals voor Frize die schilderen ziet als een act en de voorgaande geschiedenis als medebepalend voor een kunstwerk. Voor anderen is dat meer problematisch, omdat kunst altijd om een nieuwe schepping gaat. ‘It’s all about invention’, verzucht Kapoor dan ook, die het beu is dat mensen hem steeds weer naar zijn Indiase wortels vragen. Hij verzet zich dan ook het sterkst tegen Benschops zoektocht naar herkomst omdat dat volgens hem te provinciaal is. Iets waar Benschop hem een klein beetje gelijk in geeft, maar tegelijkertijd ook weer niet, omdat de werken die hem het meeste raken allemaal naar naar Kapoors herkomst (het Oosten) verwijzen.

    Deze sterke eigen opvatting over herkomst en kunst is tekenend voor Benschop. Hij ondervraagt de kunstenaars open over hun opvattingen over kunst, maar komt zelf nooit los van zijn overtuiging dat hun wortels doorwerken in hun werk. Iets dat hij volop toegeeft als hij schrijft niet in nationale kunst te geloven, maar ‘wel in het belang van geboortegrond, van kennis over het geloof waarmee iemand groot wordt, de taal die gesproken wordt, het landschap dat uit het raam te zien is, de mentaliteit waarbinnen gedacht wordt’. Die sterke opvatting maakt dat Benschop in belangrijke mate de antwoorden krijgt die hij wil horen. Namelijk dat kunst van grote waarde is om te begrijpen wie we zijn, waar we vandaan komen en waar we heen gaan. In het bijzonder met Europa. Antwoorden die hoop geven in een tijd waarin binnen Europa begrippen als gemeenschapszin en gezamenlijkheid aan betekenis inboeten. Het maakt Zout in de wond een interessante reis door de hedendaagse Europese werkelijkheid en kunstscene.

  • Een portret van kunststad Berlijn

    Een portret van kunststad Berlijn

    Wie het verhaal vertelt van de geschiedenis van de kunst heeft het ook over steden: Athene, Rome, Florence, opnieuw Rome, Amsterdam, Parijs, New York. Al deze steden hebben voor kortere of langere tijd de rol gespeeld van centrum van de kunst. Wilde je als kunstenaar mee in de nieuwste ontwikkelingen dan moest je toch naar de stad waar het gebeurde. Welke stad komt vandaag de dag in aanmerking als hoofdstad van de kunst? Waar gebeurt het? Waar moet je als kunstenaar heen? Of kun je blijven zitten waar je zit, zolang je maar browst, mailt en twittert?

    Is het Berlijn waar het allemaal gebeurt? Rond de jaren twintig van de vorige eeuw gebeurde er in cultureel opzicht veel in de Duitse hoofdstad. Tussen de beide wereldoorlogen, toen een brood door hyperinflatie miljoenen mark kostte, was Berlijn een stad waar iets gebeurde. DaDa kwam er samen, Paul van Ostayen ging erheen en Fritz Lang, Otto Dix en George Grosz woonden er.

    Ook in deze tijd heeft Berlijn de naam een interessante stad voor kunstenaars te zijn. Dat komt onder meer door het recente verleden dat de naam heeft historisch te zijn. De val van de muur en de hereniging van Oost en West is geschiedenis die nog kan worden nagevoeld en herinnerd. Deel uitmaken van de geschiedenis is een romantisch idee dat in Berlijn nog levend is.
    Jurriaan Benschop woont er. Tussen de anderen, zoals dat heet in de titel van zijn boek over ‘de kunststad Berlijn’. De titel verwijst naar de indringende film Das Leben der Anderen uit 2006, waarin een kunstenaar in Oost Berlijn door de Stasi in de gaten gehouden wordt. Het DDR verleden van elkaar bespieden, aangeven en in het openbaar je mond houden, leeft op één of andere manier nog voort in de levens van veel Berlijners.

    Benschop begint zijn boek met dit thema. De film komt aan bod, gevolgd door het verwerken van het verleden en het samengaan van twee, eens gescheiden werelden. Het is wat mij betreft, een wat moeizame start. Benschop opent nogal eens een open deur. ‘Wat vandaag nog onaanzienlijk en saai is, kan morgen hip zijn. Waar vandaag de ouderen wonen, kunnen morgen de jonge tweeverdieners komen om een huis te bekijken. Voorlopig is het nog niet zover.’ Tja, dat geldt natuurlijk voor veel steden.
    Na deze moeizame start volgen reportages uit het hedendaagse Berlijn waarin moderne kunst centraal staat. Soms levert dat wat informatie op over een hedendaagse kunstenaar, dan weer over de Berlijnse locaties waar moderne kunst te zien is. Er volgen gesprekken met kunstenaars, bezoeken aan tentoonstellingen, en wat meer beschouwende hoofdstukken over de twintiger jaren van de twintigste eeuw en herinneren in Duitsland.

    Benschop is tentoonstellingsmaker en goed bekend met de moderne kunst. Die kennis vormt ook de meerwaarde van dit boek. De lezer maakt o.a. kennis met kunstenaars als Mark Lammert, Jeff Wall, Bern Trasberger. Ook ontmoet Benschop Tjebbe Beekman, de in Berlijn woonachtige Nederlander wiens werk overigens momenteel te zien is in het Gemeentemuseum in Den Haag. Hij vertelt over een gezamenlijke bezoek aan een grote supermarkt. Later blijkt Beekman zijn werk Mall IV gemaakt te hebben naar aanleiding van dat bezoek. Dat is leuke informatie.
    Beekman woont in Berlijn, net zoals bijvoorbeeld Mark Lammert, maar betekent dat nu ook dat Berlijn echt zo belangrijk is voor de hedendaagse kunst? Is het een stad waar je als kunstenaar heen moet? Is het een plek die meer leeft dan Parijs, New York, London of Amsterdam? Na het lezen van Benschop’s boek denk ik toch van niet. (Al is Amsterdam met zijn al jaren gesloten musea een uitzondering.) Benschop doet geen poging om een mythe in stand te houden. Hij is enthousiast over de stad en de kunstbeweging daar. Hij vraagt bijvoorbeeld gretig aan Lammert wat Berlijn voor hem betekent. Maar de kunstenaar haalt zijn schouders op en na aandringen wil hij nog wel kwijt dat het zijn geboortestad is.

    Wat heeft Berlijn dan dat andere steden niet of in mindere mate hebben? Is het politiek activisime dat de kunst beïnvloedt? Hoe staat het met het linkse klimaat in Berlijn? De stad heeft immers nog een actieve krakersbeweging en op 1 mei gaan traditioneel nog elk jaar de stoeptegels door de lucht. Je zou verwachten dat net als in Amsterdam in de jaren tachtig, er een relatie is tussen links activisme en de kunstbeweging. Maar Benschop vertelt dat de jaarlijkse 1 mei-rel een tamelijk geïsoleerd incident is en dat links en kunst elkaar uit het oog hebben verloren. De kunstelite komt dan wel uit linkse kringen voort maar behoort nu tot het establishment. Kunst is voor een groot deel life style geworden en van een tegenbeweging of protestcultuur is eigenlijk geen sprake meer. Kunst kijken is nu een vorm van consumeren geworden en daarbij maakt de herkomst ook niet zoveel meer uit. Zoals je dezelfde hamburger in Berlijn, Amsterdam, Madrid en New York kunt kopen, zo wordt ook de kunst eenvormiger, of meer inwisselbaar.

    Zo boud stelt Benschop het niet. Helaas niet, zou ik zeggen. Want ik mis soms pit in het boek. Zijn hoofdstukken zijn geen essays maar reportages en de meest uitgesproken meningen komen van zijn gesprekspartners zoals Marius Babias en Christoph Tannert. Benschop nuanceert regelmatig ? nee, te vaak. Desondanks heb ik na het lezen van zijn boek het idee dat Berlijn niet echt een bruisende kunststad is, maar een grote metropool waar kunst vanzelfsprekend een grote rol speelt. Maar van een creatieve antibeweging, een avant garde is niet echt sprake. Natuurlijk, er is veel kunst te zien in Berlijn, en er is veel te beleven, maar goed beschouwd verschilt het klimaat niet aantoonbaar met dat van andere grote Europese steden. Het lijkt niet een conclusie te zijn die Benschop expliciet wil maken maar wel een beeld dat uit zijn reportages naar boven komt.
    In de jaren twintig was dat anders. Of toch niet? Benschop wijdt er een paar hoofdstukken aan, en ook hier blijkt het romantisch idee van een bloeiende kunstbeweging aan nuancering toe. De kunst uit die tijd is wat duister, deprimerend en bovendien vaak politiek geöriënteerd. Het heeft mooie dingen opgeleverd, maar was die tijd nu werkelijk zo romantisch beladen als we nu denken? Het was kleinschaliger dan we nu geneigd zijn te denken. Misschien dat we wat al te rooskleurig terugkijken.

    Wonen tussen de anderen is een aardige verzameling kunstreportages vanuit Berlijn. Het boek mist een kaart maar is ook niet bedoeld als reisgids. Desondanks worden er genoeg plaatsen in genoemd die een bezoek meer dan waard zijn, en soms zou je toch gewoon met een kaart in de hand de stad beter willen leren kennen. Illustraties in kleur van enkele kunstwerken zijn in het midden van het boek opgenomen, maar helaas zonder verwijzing.
    De beschrijvingen van kunstwerken gaat Benschop moeizaam af. Zinnen knipt hij opeens in stukken, alsof hij zo indruk wil maken of poëtisch denkt te zijn. Bijvoorbeeld op bladzij 44: ‘Hoe een natie zich tegen haar eigen intellectuelen en kunstenaars heeft gericht. Zichzelf ook heeft omgebracht. Talent bestrijdend. Verstand vergassend. Niks geen kunststad maar hoofdstad van de vernietiging.’ Dat staccato irriteert en is naar mijn idee ook overbodig. Soms maakt Benschop het nog iets erger door diepzinnig te willen zijn. Het resultaat is spreekwoordelijk vaag of onbegrijpelijk. Bijvoorbeeld: ‘Het bracht urgentie in de tentoonstelling, en dat maakte die tot een belevenis.’ Of: ‘De mens die ondanks zijn “nee” tegen de natuur toch ook deel uitmaakt van de cyclus der seizoenen.’
    Dergelijke zinnen irriteren, maar het woord irriteren, zo heb ik van Benschop geleerd, heeft in Duitsland een andere betekenis. Een kunstenaar die (op z’n Duits) irriteert, verontrust en dat is een veel positievere kwalificatie dan de Nederlandse. Laat ik het daarbij houden.