• Oogst week 16 – 2022

    Een Hollandse jongen aan de Ebro

    In de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) vochten vrijwilligers uit vele landen mee tegen generaal Franco. Een van hen was de 22-jarige Nederlandse metselaar Evert Ruivenkamp, die samen met ongeveer 650 andere Nederlanders naar Spanje vertrok om Franco’s fascisme te bestrijden. Wellicht als enige hield Ruivenkamp een dagboek bij. Uitgeverij Jurgen Maas heeft dit nu uitgegeven met als titel Een Hollandse jongen aan de Ebro.

    Evert, nooit eerder in het buiteland geweest, laaft zich aan het onbekende en heeft oog voor de leuke Spaanse meisjes. Hij voelt zich als op avontuur, zoals in zijn verslagen te lezen is. Die zijn aanvankelijk vrolijk, maar zijn toon verandert als hij de oorlog aan den lijve gaat ondervinden. Hij wordt ingezet aan het front, maakt kennis met de heersende ellende en ziet zijn kameraden sneuvelen. Voor zijn moed en plichtsbesef wordt hij in 1938 toegelaten als lid van de Spaanse Communistische Partij. Uiteindelijk keert hij terug naar Nederland waar hij bij het verzet gaat als Duitsland Nederland binnenvalt. In 1943 wordt hij opgepakt en gefusilleerd.
    Zijn dagboek doorstond de oorlogen op een of andere manier. Een paar jaar geleden werd het teruggevonden in het nachtkastje van zijn dan net overleden oudste zus.

    Yvonne Scholten, eindredacteur van de website Spanjestrijders.nl, schreef een inleiding en nawoord bij Een Hollandse jongen aan de Ebro. De website bevat namen en biografieën van de spanjestrijders en over twee van hen publiceerde Scholten een boek.

    Een Hollandse jongen aan de Ebro
    Auteur: Evert Ruivenkamp
    Uitgeverij: Jurgen Maas 2022

    Aarde eten

    De Argentijnse schrijfster Dolores Reyes (1978) studeerde literatuurwetenschappen en is leraar en feministisch activist, of activistisch feminist. Ze heeft zeven kinderen.

    Aarde eten uit 2019 is haar eerste roman, iets wat recensenten en lezers nauwelijks kunnen geloven omdat het als zo’n volmaakt en beheerst boek wordt gezien. ‘Voor de slachtoffers van femicide, voor hun nabestaanden’ staat er voor in het boek. In Argentinië vinden jaarlijks zo’n driehonderd moorden op vrouwen plaats, om het simpele feit dat ze vrouw zijn.

    De jonge dochter van de vrouw die op de eerste pagina’s van het boek begraven wordt, ontdekt dat ze door het eten van aarde visioenen krijgt van vermoorde en vermiste mensen.
    ‘Ze laten je hier achter, mama, ook al wil ik het niet. Ook al laten mijn handen niet los, jij blijft hier. Ik geloof dat ik weinig kan doen, behalve aarde eten van deze plek, zodat ze niet meer vijandig is, de onbekende aarde van dit kerkhof waar we nooit hebben gelopen, mama of ik. […] Ik doe mijn ogen dicht om met mijn handen op de aarde te steunen die jou nu toedekt, mama, en het wordt nacht in mijn hoofd. Ik knijp mijn vuisten dicht, schep haar op en breng haar naar mijn mond. De kracht van de aarde die jou verzwelgt is duister en smaakt naar boomstronk. Het voelt goed, ze onthult dingen, laat me zien.’

    Door het aarde eten krijgt ze visioenen. Dat wil ze niet bekend laten worden, maar mensen krijgen er toch lucht van en komen haar hulp vragen over verdwenen dierbaren, meestal vrouwen. Ze willen weten wat er met hen is gebeurd. In de sloppenwijk waarin de dochter woont is geweld aan de orde van de dag. Als zij ouder is voelt ze de verantwoordelijkheid tegenover de wanhopige zoekers toenemen. ‘Ik begon te zien dat degenen die naar iemand op zoek zijn iets hebben, een teken bij de ogen, de mond, het vleesgeworden mengsel van pijn, woede, kracht, wachten. Iets gebrokens, waarin degene die niet terugkeert leeft.’ laat Reyes haar aarde-eter vertellen. Als ze in een visioen de moord op haar broer voorziet, wil ze deze proberen te voorkomen, al weet ze niet hoe.
    El Paìs noemt Aarde eten ‘Een van de beste, krachtigste en meest complexe romans van de afgelopen tijd.’

    Aarde eten
    Auteur: Dolores Reyes
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek 2022

    Boekenmendel, De onzichtbare verzameling

    Uitgeverij AFdH geeft in één band twee verhalen van Stefan Zweig uit: Boekenmendel en De onzichtbare verzameling, vertaald door Ton Naaijkens. Met foto’s van Maria Austria.

    De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942) werd geboren in Wenen in een welgesteld joods zakenmilieu en was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een van de meest populaire Duitstalige auteurs, zowel in eigen land als daarbuiten. Hij studeerde filosofie en literatuur en schreef biografieën, poëzie, drama, verhalen en essays met het perspectief veelal op het verleden gericht. Zweig was Europees georiënteerd, bracht mensen en idealen samen. In de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich vrijwillig als verslaggever, waarna hij grote weerzin tegen oorlog ontwikkelde. Na de opkomst van het nationaalsocialisme zwierf hij jarenlang door Europa. Daarna week hij uit naar Brazilië, waar hij in 1942 zelfmoord pleegde, samen met zijn vrouw. ‘Ik pas niet meer in deze tijd. Deze tijd bevalt mij niet meer,’ schrijft hij in zijn afscheidsbrief. Zijn grote psychologische inzicht – mede opgedaan in zijn vriendschap met Freud – komt terug in zijn verhalen.

    In Boekenmendel drijft de illegaal in Wenen verblijvende Oekraïense Jood Jacob Mendel, een geniale antiquaar, zijn boekhandel in het koffiehuis Gluck. De ik-verteller noemt hem een ‘voorwereldse boekensauriër van een uitstervend ras’. Mendel kent alle titels en alle prijzen van alle boeken en via de verteller wordt zijn tragische geschiedenis tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog duidelijk.

    Ook het tweede verhaal, De onzichtbare verzameling, handelt over een gepassioneerde bibliofiel en verzamelaar, die te maken krijgt met de inflatie van na de Eerste Wereldoorlog. Zijn vrouw verkoopt goedbedoeld zijn kostbare grafiekcollectie tegen dumpprijzen.
    In beide verhalen zijn Zweigs grote thema’s te herkennen: Europa, dat Zweig zag als een samenhangend cultuurgebied, fanatisme en humanisme, plus zijn melancholie over de wereld van gisteren.

     

    Boekenmendel, De onzichtbare verzameling
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: AFdH 2022 (2e druk)
  • Oogst week 6 – 2022

    Water scheppen met een lepeltje

    Wiebe Brouwer publiceerde verhalen en essays in literaire tijdschriften als De Gids en Hollands Maandblad. Onlangs debuteerde hij bij Van Gennep met Water scheppen met een lepeltje, het verslag van de laatste levensmomenten van zijn demente moeder. Welke keuzes maak je, wat is goed als het erop aan komt keuzes te maken voor iemand die dat zelf niet meer kan? Het is schier onmogelijk, toch moeten het gedaan worden. Met de laatste dagen van zijn vader in gedachten, die met alzheimer op een gesloten afdeling van een verpleeghuis wegkwijnde, wil hij dit zijn moeder niet aandoen. Zij blijft thuis, met een heel team aan thuiszorgers zal zij tot het einde in haar vertrouwde omgeving blijven. Schrijnend is dan te ontdekken dat moeder haar eigen (vertrouwde) omgeving niet meer herkend. Ze heeft het idee dat ze in een pension zit, wil naar huis.

    Tot hoever moet er nog medische zorg verleend worden, antibiotica bij een longontsteking of niet? Het laatste jaar met zijn moeder wordt bijgehouden in een logboek door het team aan verzorgsters, briefwisselingen met de zus, een vriendin van vroeger, afgewisseld met telefoongesprekken tussen moeder en zoon vanuit haar huis gevoerd.

    ‘Ben jij dat? Hoor ik jouw stem? Wat een geluk dat je me trof. Zeg eens, hoe zijn je kinderen? En hoe is je vrouw? Ik kwam hier toevallig voor een bezoek aan je vader. Maar hij is er niet. Waarschijnlijk is hij vertrokken naar een ander adres omdat het hem hier niet beviel. (…) Ik trof hier een aardige mevrouw die gewoonlijk voor hem zorgt en die kookt nu vanavond voor mij.’

    Sterk en aangrijpend proza van een zoon die zijn moeder ziet verdwijnen.

    Water scheppen met een lepeltje
    Auteur: Wiebe Brouwer
    Uitgeverij: Van Gennep

    Wachten

    Wachten is een fotoreportage van vluchtelingen die wachten in azc’s verspreid door Nederland op de behandeling van hun asielaanvraag. Mona van den Berg documenteert al twintig jaar het onrecht dat zich in de azc’s afspeelt. Op haar vraag waarom mensen zolang moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag, werd ze overspoelt met cijfers, percentages en bureaucratie. Dit fotoboek is een reactie daarop. Foto’s van mensen die in de azc’s van Emmen, Schalkhaar, Almere, Harderwijk, Amsterdam, Den Helder, Hardenberg, Utrecht, Delfzijl, Luttelgeest, Sint Annaparochie, Heemserveen, hun leven voorbij zien gaan. De vele steden waar vluchtelingen worden ondergebracht is op zich al schokkend.

    Naast de foto’s in Wachten, zijn er gedichten en treffende passages uit de romans van Rodaan Al Galidi in opgenomen.
    In een nawoord schrijft Van den Berg: ‘Tijdens mijn rit naar azc Harderwijk mijmer ik. Het is onbegrijpelijk voor mensen in azc’s. Velen hebben hun familie al jaren niet gezien. Dit zijn mensen wier dromen en ambities verloren zijn gegaan.’

    Mona van den Berg is freelance fotograaf voor The Guardian, Vrij Nederland en Het Parool en hoofdredacteur van een serie bijlagen voor Trouw en de Volkskrant.

    Wachten
    Auteur: Mona van den Berg
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Oeverloos

    Nisrine Mbarki is dichteres, columnist, Arabisch vertaler en programmamaker voor Winternachten. Poëzie, theaterteksten en korte verhalen, van haar hand verschijnene regelmatig in literair tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tirade en Het Liegend Konijn.

    Onlangs verscheen haar debuutbundel Oeverloos, poëzie die zich afspeelt op de rand van verschillende talen, en de gelaagdheid van het leven aanspreekt. In haar gedichten pelt ze als een archeoloog laagje voor laagje van die gelaagdheid af waardoor het aardse en mystieke, stad en natuur, reizen en stilstaan zichtbaar worden. Het is alsof ze de wereldkaart opnieuw tekent, grenzen verkent van de vrouw in haar rollen van moeder, dochter, echtgenote en schrijfster.

    Haar taal werkt even verstikkend als bevrijdend. Een debuut waarin oude verhalen van generaties terug en nieuwe verhalen samenkomen. Poëzie met een autonoom geluid.

    Oeverloos
    Auteur: Nisrine Mbarki
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Hier past slechts stille bewondering

    Hier past slechts stille bewondering

    Elke dag verstoort een vliegtuigje de training van het Nederlands elftal. Met name de bondscoach wordt geïnstrueerd door zijn zeventien miljoen collega’s: ‘Frank, speel geen 5-3-2, maar 4-3-3!’ Deze cijfercombinatie mag voor Nederland een obsessie zijn, in de muziekwereld zorgde ze eveneens voor opschudding. De compositie 4’33 van John Cage is niets meer en niets minder dan stilte. Toch houdt het stuk meer in dan vier-en-een-halve minuut de piano niet aanraken; de onbedoelde omgevingsgeluiden vormen hun eigen symfonie, elk hart bonst op zijn eigen cadans en ieder kuchje vliegt als een kogel door de concertzaal. Dat verdient een literaire geestverwant!

    In Stilte is mijn moedertaal vertelt schrijver Sulaiman Addonia het verhaal van het Eritrees-Ethiopische meisje Saba en haar stille broer Hagos. Door een terreurgroep uit hun vaderland verdreven, zitten zij met hun moeder in een vluchtelingenkamp. Het is een prachtig boek, waarin Addonia de balans weet te bewaren tussen tranentrekkerij en behaaglijk optimisme. Bovendien krijgt de – immer goedbedoelde – bemoeienis vanuit het Westen jegens ontwikkelingslanden een kritische beschouwing, evenals de islamitische cultuur jegens vrouwen. Ten derde behandelt de schrijver liefde zoals zij zelden in de literatuur wordt omschreven – omzichtig, subtiel en stil. ‘Het was door deze stilte dat er liefde kon ontstaan op deze plek, in de harten van mensen kon wortelen alsof hun borst een vruchtbare akker was.’

    Stilte is: geen huilende violen of schallende trompetten

    Bij verhalen over vluchtelingen ligt het voor de hand om hartverscheurende levens onbarmhartig in beeld te brengen. Denk aan de foto van het aangespoelde Syrische jongetje voor de kust van Turkije, of de film Wit Licht, waarin Marco Borsato zich in de huid van een reddingswerker wurmde. Addonia laat dit effectbejag achterwege en doet kaal verslag van de nooddruft in een vluchtelingenkamp. Het is er kurkdroog en heet, er is alleen melkpoeder en suiker voorhanden en de bewoners poepen in het achterveld. Voorlopig is er geen hoop op verbetering, want de Engelse hulporganisatie smijt weliswaar met enorme zakken droge rijst, maar het naburige water is te vervuild om er eten mee te bereiden. Ook de door de Britten beloofde school komt er maar niet, al dringt Saba voortdurend aan. ‘Eerst eten, gezond zijn, daarna komt de school,’ aldus de hulpcoördinator. 

    Hoewel Saba zich ontpopt als buitengewoon krachtige dame, zit alles tegen: het barst van de oversekste mannen in het kamp en haar moeder en vroedvrouw gunnen haar geen millimeter ruimte of zelfbeschikking. De enige uitweg naar een beter leven is een pas aangelegde weg naar de Soedanese hoofdstad, die ze alleen via de nomade Hajj Ali kan afleggen: een getrouwde man die eerst met haar én haar broer Hagos naar bed wil, alvorens haar te vervoeren. Ze zit, kortom, muurvast in een leven dat net genoeg biedt om niet dood te gaan. Of zoals Jamal, bioscoophouder in het kamp, zegt: ‘Alles in ons kamp wordt gerecycled, zowel geluk als wanhoop.’

    Stilte is: luisteren naar de onderdrukte

    Addonia reserveert veel spreektijd voor de vrouwen in deze roman, waar elke man, behalve homoseksuelen, er verbaal van langs krijgt. Zo reageert een oude wijze dame op de opmerking van een grijsaard dat vrouwen godinnen zijn, als volgt: ‘Behandel ons gewoon als mensen, dat zou alle problemen in de wereld oplossen.’ Saba ergert zich aan de dubbele seksuele standaard. Bij een strafexecutie op het centrale plein in het kamp wordt een meisje gestraft dat aan zelfbevrediging deed. De islamitische rechter, overigens een groot voorstander van vrouwenbesnijdenis en maagdelijkheidstesten, preekt over dolende meisjes die…, waarna Saba in zichzelf zegt: ‘die ontdekten hoe ze hetzelfde genot als jongens konden beleven zonder hun huwelijkskansen te verpesten.’ Op steun van haar thuisfront hoeft ze niet te rekenen, vooral niet als ze te veel haar eigen gang gaat: ‘Saba vroeg zich af hoe vaak ze in de ogen van haar moeder en de vroedvrouw was doodgegaan op exact hetzelfde moment dat zijzelf voelde dat ze leefde.’

    Dit boek laat zien hoe volstrekt logisch feminisme als emancipatiebeweging is. Stilte is mijn moedertaal snijdt hiertoe andere tijdloze, universele motieven aan: de onderlinge ideeënstrijd tussen generaties, de worsteling met een religieuze achtergrond en de seksuele ontwikkeling van individuen. Addonia maakt van feminisme, zonder het woord ook maar één keer op te voeren, niet slechts een vrouwen-, maar een mensenkwestie. De band tussen Saba en haar broer illustreert dit nog het mooist.

    Stilte is: koesteren

    Saba heeft weliswaar niet de bovenmenselijke spierkracht van Pippi Langkous, al kan ze wel met haar stomme broer via oogcontact communiceren. Beter gezegd, ze ontcijfert zijn subtielste gelaatsuitdrukkingen en leert hem wat hij op school nooit zou leren: schrijven. Hagos, die het huishouden moest doen, zodat Saba een schoolloopbaan kon volgen, gunt zijn zus het best denkbare leven. Hij wil zich voor haar opofferen bij de nomade Hajj Ali, opdat zij kan floreren. Saba verbiedt het hem, waarop Hagos schrijft: ‘maar saba zeg jij niet altijd wij zelfde zijn dat onze lichamen zelfde zijn voel jouw pijn als voel ik pijn wij een zijn een wij zijn.’ In die symbiose bevrijdt Hagos Saba van haar plicht om een traditionele vrouw te zijn, en ontneemt Saba haar broer het juk van mannelijkheid. 

    Er zijn meer personages die als underdog de show stelen in deze vertelling. Zo herbergt de prostituee Nasnet zo’n beetje de meest ontwikkelde geest in heel het vluchtelingenkamp. Over de hypocriete veroordeling van hoererij zegt zij: ‘De maatschappij heeft het zo bepaald, en vervolgens proberen ze je te verdrijven en te verbannen vanwege het taboe dat ze er zelf van hebben gemaakt en jou hebben opgelegd.’ Daarnaast wast ze Saba’s voeten met haar tranen: een verwijzing naar Christus die de voeten van zijn discipelen waste, om hen te dienen. 

    Een veilige Drie-eenheid

    Ook de lieve, zachtaardige zakenman Eyob, die als de Bijbelse Job al zijn vermogen is kwijtgeraakt door het schrikbewind, heeft zowel Saba als Hagos lief. Hij neemt beiden in huis door met Saba te trouwen en heft de bemoeienis van de gemeenschap als bij toverslag op. Saba treft de belangrijkste mannen in haar leven samen in bed aan, en ze is niet verbaasd: ‘Hagos lag naast Eyob te slapen. (…) Alsof hun liefde alleen kon bestaan in de tijd dat de vroedvrouw, de rechter, de moeder, het comité van raadslieden sliepen, in de tijd dat de traditie haar ogen sloot en het verlangen vrij en ongehinderd zijn gang kon gaan. (…) Eyob was de oase waarin zowel zij als haar broer bescherming vond tijdens hun lange reis.’ In Stilte is mijn moedertaal zet Sulmaiman Addonia treffend het bestaan van vluchtelingen neer. Hij geeft hun een gezicht dat allesbehalve kreukvrij, en daardoor zeer menselijk is. Hier past slechts stille bewondering.

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Oogst week 47 – 2020

    Oogst week 47 – 2020

    De partij dat ben ik

    Onlangs verscheen De partij dat ben ik van politicoloog Chris Aalberts bij Uitgeverij Jurgen Maas. Het is het relaas van vijf jaar Forum voor Democratie, van de oprichting van de denktank in 2015 tot de partij die FVD nu is. De ophef en controversie rondom Thierry Baudet spelen een prominente rol: zo benoemt Aalberts de steeds extremere denkbeelden van de partijleider, zijn afnemende populariteit na het conflict met voormalig partijlid Henk Otten (die volgens Aalberts de stille kracht op de achtergrond was), en de huidige problematiek binnen de gelederen. Case in point: eerder dit jaar publiceerde HP/De Tijd screenshots van controversiële WhatsApp-gesprekken tussen JFVD-leden. Gisteren, op 17 november, berichtten de Volkskrant en NRC Handelsblad dat de vermeende klokkenluiders inmiddels zijn geroyeerd.

    De partij dat ben ik is het tweede boek over Thierry Baudet in korte tijd. In oktober verscheen Mijn meningen zijn feiten, geschreven door journalisten Harm Ede Botje en Mischa Cohen. In een dubbelrecensie in de Volkskrant werden de boeken bestempeld als ‘weinig vrolijk stemmende kronieken’, die desondanks de ‘snelle opkomst van Thierry Baudet’ van context voorzien. Zolang er sprake blijft van ophef is het laatste woord nog niet over hem geschreven.

    De partij dat ben ik
    Auteur: Chris Aalberts
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn lieve gunsteling

    Marieke Lucas Rijneveld en vertaler Michele Hutchison ontvingen (Rijneveld als de eerste Nederlandse schrijver in de geschiedenis van de prijs) dit jaar de International Booker Prize voor de Engelse vertaling van De avond is ongemakThe Discomfort of Evening.

    Mijn lieve gunsteling kan als het vervolg worden gelezen: de veearts die in De avond is ongemak wordt geïntroduceerd zou zomaar de verteller van Mijn lieve gunsteling kunnen zijn. Hij tekent, tegen de achtergrond van een beklemmend religieus boerenmilieu, zijn verboden liefde voor een jong meisje op.

    Mijn lieve gunsteling
    Auteur: Marieke Lucas Rijneveld
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het glanzend zwart van mosselen

    ‘Dieper doordringen in gebeurtenissen, kunstwerken en ideeën – dat is de belangrijkste reden waarom ik het schrijven van essays altijd interessant heb gevonden. Door te schrijven ontstaat er een nieuw inzicht, een inzicht dat je pratend of alleen maar denkend niet kunt bereiken. Al schrijvend daal je dieper af,’ stelt Oek de Jong in zijn essaybundel Het glanzend zwart van mosselen, die verscheen bij Atlas Contact.
    Het boek bevat niet eerder gebundelde cultuurkritische stukken van zijn hand, en De Jong legt deels de autobiografische dimensie bloot van zijn veelgeprezen romans.

    Zwarte schuur, zijn meest recent verschenen roman, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2020 en op 12 november van dit jaar bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs.

    Het glanzend zwart van mosselen
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Het leven als docent is veelvuldig op schrift gesteld en verfilmd. Om op te vallen binnen het genre moeten onderwijsverhalen dus origineel zijn. Theo Thijssen bezingt op lichtvoetige wijze een welwillende groep en schuwt daarbij het zoetsappig sentiment niet: De gelukkige klas. Ferdinand Bordewijk doet droog en kaal verslag van een fascistoïde regime, uitgeoefend door een bullebak van een rector en zijn knokploeg uit de bovenbouw: Bint. Meester Bart compileerde in het soundbite-achtige ik hoef niet op te letten ik weet alles al grappige opmerkingen van zijn pubers uit de Bijlmer. Een leuk project, maar vergeleken met Said El Haji’s nieuwe boek ietwat karikaturaal. 

    In Gemeente zegt ik Nederlands leren volgen we schrijver en NT2-docent Said El Haji, die nieuwkomers doceert in door de gemeente gesubsidieerde taallessen. Het is een eerlijk, kwetsbaar boek dat fijntjes balanceert op de grens tussen teleurstelling en verwachting. Daarnaast werpt het een nieuw licht op respect, dat een cliché dreigt te worden. Incidentele uitglijders doen nauwelijks afbreuk aan de charme van zijn docentschap: hij begint voortvarend, faalt, baalt en behaalt succesjes. Een ontwikkeling waar je ‘u’ tegen zegt. 

    Bedompte lokalen 

    Leraar zijn is niet zoals in Dead Poets Society. Tranentrekkende taferelen waar leerlingen ineens op een tafel gaan staan en ‘Captain, oh my captain’ salueren, bedwelmd door het ‘Carpe diem!’ van een bevlogen literatuurdocent, zijn zelfs een utopie te rooskleurig. Dit begrijpt Said El Haji: ‘Lesgeven is opvoeden, je probeert van alles en je ziet wel wat ervan komt.’ De cursisten móéten Saids lessen bijwonen, want anders worden ze op hun uitkering gekort; een hardvochtige erfenis van Klaas Dijkhoff en consorten. Bovendien geeft hij geen les op een Angelsaksische jongensschool voor gegoede kringen. Een rijke verzameling immigranten uit allerlei windstreken leert Nederlands in bedompte lokalen met een systeemplafond. 

    Hoewel de schrijver zijn kwaliteiten als docent schromelijk onderschat, ‘Ik ben een onbekwame NT2-docent’, laat hij verrassend veel pedagogisch en didactisch inzicht zien. Met het engelengeduld van een ervaren rot ondersteunt hij Malika, een analfabete die de letter ‘k’ als ‘w’ opschrijft. Wat te denken van Casimir uit Slowakije, aan wie de auteur maar niet uitgelegd krijgt dat een veertigjarige geen opa kan hebben van drieënveertig jaar. De oprechte verbazing die op zo’n ogenblik Said in bezit neemt, zal menig docent herkennen. De doelen die hij zichzelf en zijn cursisten stelt, zijn realistisch. En als ze in uitzonderlijke gevallen onhaalbaar blijken, stelt hij die bij, waardoor hij teleurstelling en verbittering – vaak spelbedervers voor beginnende docenten – afwendt. 

    Hollandse humor en botheid

    Droogkomische passages, gecombineerd met een ongepolijste, enigszins verbeten schrijfstijl, plaatsen El Haji in een traditie van Hollandse humor. Het fragment met de hierboven genoemde Casimir sluit hij af met een opmerking die bij De luizenmoeder niet zou misstaan: ‘Misschien is hij zwakbegaafd. Maar wat doet het ertoe? Zwakbegaafden moeten ook Nederlands leren.’ Zelfs Jiskefet komt bovendrijven, ten eerste wanneer een man die weinig praat, voor de luttele woorden die hij wél spreekt, enorm veel volume produceert: ‘Het stomme geval wil dat ik, zonder dat ik dat van mezelf door heb, heel hard terugpraat. (…) , dat ik het pas merk als het al te laat is en ik mijn stem zo goed als kwijt ben.’ Ten tweede doet de auteur het cultlied van de Lullo’s, Er zit een haar in mijn glas, dunnetjes over. Over een drukke, explosieve leerling uit Iran merkt hij op: ‘Er zit een vulkaan in mijn klas.’

    Niet iedere grap of beschimping is even geslaagd. Said trekt fel van leer tegen de Turkse Nermin, die weliswaar lijdt aan een depressie, maar er daarom nog niet als een zombie – het staat er echt – bij hoeft te lopen. Hier en daar lijkt de schrijver zijn lezers te onderschatten, bijvoorbeeld wanneer hij de weldaad van het lesgeven verwoordt: ‘Week word ik ervan. En ik hoef de cursist niet eens aan te raken of in de ogen te kijken om door zo’n weldadig gevoel overmand te worden. En ik haast me erbij te zeggen dat het geen seksuele of erotische sensatie is.’ Nogal wiedes, hoop ik? Totdat hij zich even later laat ontvallen: ‘…de cursist moet lekker ruiken. Als een cursist niet lekker ruikt, werkt dat averechts. Zo iemand mijd ik tegen wil en dank.’ Bij de komst van één nieuweling blijkt dat zijn ontzenuwing van zo-even inderdaad betekenisloos is: ‘Nu ben ik weer in de ban van een cursist uit Burundi. Een aantrekkelijke vrouw.’ Het zal menigeen vrijpostig in de oren klinken. Professioneel is het hoe dan ook niet.

    Respect: behagen of uitdagen?

    Om zijn leerlingen optimaal te laten renderen houdt Said rekening met hun gevoelens – ook met die van de Iraanse wervelwind Nassim. Helaas is zijn taalniveau erbarmelijk. Hier legt hij zich niet bij neer. Elke kritiek beantwoordt hij met een woede-uitbarsting: ‘Bij zo’n overweldigende, instinctieve kracht kun je niet anders dan buigen en ja en amen roepen. (…) Toevallig een werkwoord correct vervoegd? Een verdwaald leesteken per ongeluk op de juiste plaats gezet? Ik aai hem over zijn rug,(…), ik noem hem kampioen. De vulkaan moet bezworen worden.’ Met name de mannelijke cursisten zijn faalangstig. Ze willen gezichtsverlies voorkomen. Hun trots maakt hen gevoelig voor schaamte, wat het leerproces dwarsboomt. Over de Somalische Hamdi schrijft El Haji: ‘Wat als nou blijkt dat hij, de enige man in de klas, (…) de enige is die het persoonlijk voornaamwoord niet snapt?’ 

    Nu eens gaat El Haji er met gestrekt been in en confronteert hij de heren met hun passiviteit, dan weer ontziet hij hen. Het begrip ‘respect’, dat tegenwoordig weinig inhoud heeft, is van belang in Gemeente zegt ik Nederlands leren. Is respect hebben leven en laten leven, elkaar ontzien? Of is het juist tegen elkaar in durven gaan? Welke vorm van respect stuwt ons voort, welke vorm brengt ons juist tot stilstand? Het is een uiterst relevante kwestie in een tijd waarin bepaalde lieden zich bij het minste tegengas persoonlijk aangevallen voelen. Said El Haji toont aan dat dat niet nodig is: ‘Niet alleen mijn (…) cursisten moeten leren hun eigen kwetsbaarheid te verdragen, zelf moet ik ook aan de slag.’

    Onderwijzen is verbinden

    Omdat El Haji elke anderstalige cursist een stem geeft, blijft zijn werk voortdurend boeien. Hartverwarmende gesprekken en onderonsjes vergroten de menselijkheid die de schrijver tot lesgeven inspireert: ‘Interactie is het toverwoord. (…) wie de verspreiding van het Nederlands een koud hart toedraagt, moet lekker blijven hameren op die schitterende grammatica. Dat is net zoiets als gemakkelijk de weg weten in het programmeren en hacken van computers, maar niet eens open durven doen als de bel gaat.’ Gelukkig weerstaat El Haji de verleiding om zijn boek suikerzoet te maken. Lesgeven behoeft namelijk geen romantisering: het is gewoon een verrukkelijk beroep.

     

     

  • Iedereen op hol geslagen

    Iedereen op hol geslagen

    Wranger kun je het je haast niet voorstellen. De Koeridsch-Iraanse dichter en journalist Behrouz Boochani vluchtte in 2013 naar Australië. Op zee werd hij door de Australische kustwacht opgepakt en op Manus vijf jaar lang in de Fox-gevangenis opgesloten, tot deze eind 2017 werd gesloten. Hij schreef zijn boek stukje bij beetje als WhatsApps op een oude, binnengesmokkelde gsm. De appjes stuurde hij naar zijn vriend Omid Tofighian, die ze in het Engels vertaalde. Met dit boek won Boochani onder meer uitgerekend de Australian Book Industry Award, wat net zo dubbel is als de hoop die Richard Flanagan in het voorwoord van dit boek uitspreekt. De hoop om Behrouz Boochani eens als ‘een grote Australische schrijver’ te mogen begroeten. In Nederland werd het indrukwekkende boek besproken door het boekenpanel bij De Wereld Draait Door.

    De natuur en de dood

    Het eerste beeld is herkenbaar: twee vrachtwagens die ‘hun bange, rusteloze passagiers door een slingerend, rotsachtig doolhof’ rijden. Dit landschap kan net als in de romans van Philippe Claudel overal zijn, maar op de tweede pagina wordt duidelijk waar het zich afspeelt: in Indonesië, op weg naar de oceaan. Het is niet de natuur die de angst verwoordt met donder en bliksem, maar het gebrul van een schreeuwende uitlaat. De vluchtelingen hebben bijnamen waar veel mensen mee aangesproken zouden kunnen worden, zoals: Jongen met de Blauwe Ogen, Tandeloze Dwaas en Pinguïn.
    En toch: de broer van De Jongen is verdronken, zijn lichaam kwam pas boven doordat het geluid van de dhol (een traditionele trommel) hem ertoe had aangezet. ‘Een muzikale relatie tussen de dood en de natuur’. Dat klinkt poëtisch, maar toch laat je het als lezer wel uit je hoofd om de veertig dagen waarin de ik-figuur ‘bijna verhongerde in de kelder van een piepklein hotel in Kendari’ symbolisch te duiden als de periode van een Bijbelse overgang ten goede.

    Een odyssee

    Niet dat er geen poëtische, cursief gedrukte gedeelten in het boek zitten die, achter elkaar gezet, een lang Homerus-achtig gedicht vormen. Niet voor niets heeft Behrouz Boochani het ook over zichzelf ‘in een odyssee storten’. Het doet denken aan de Koerdische verteltraditie die als inlassen aan recente opvoeringen van klassieke toneelstukken werden toegevoegd. Een voorbeeld uit het boek:

    ‘Ik ben een adelaar en vlieg boven de toppen
    Een rivier onder me volgt mij als ik voortga
    Vleugels van verlangen dragen me
    Ze stijgen hoger en hoger, nemen me mee de hemel in’

    Dan verschijnt een groot schip aan de horizon: ‘De Australische vlag wappert op het hoogste punt van het schip, waait vrij in de wind, in volle glorie’. Wat echter volgt, is gevangenneming en verbanning naar Manus, een eilandje in het midden van de oceaan, ‘uitgerekend vier dagen na het invoeren van een genadeloze wet’, die de Operation Sovereign Borders tot gevolg had, een door land- en zeemacht uitgevoerde grensbewaking vanuit een zero tolerance-beleid: geen enkele vluchteling mag meer het land in. Fotografen storten zich op de tientallen mensen. Volgens Behrouz Boochani omdat ‘ze volledig in de ban van een smerige politiek spel van hun overheid zijn en het spel meespelen. Het idee is dat we als waarschuwing gaan dienen, om mensen die bescherming willen zoeken in Australië te ontmoedigen’, of, zouden die foto’s er ook toe kunnen dienen om de publieke opinie te beïnvloeden? Zoals destijds de mensonterende foto’s van de gedetineerde Ali Shallal al-Qaisi in de Abu Ghraib gevangenis in Irak (2003), waardoor het beleid van George W. Bush nog meer onder kritiek kwam te staan.

    Ongerepte jungle

    Dwars door deze ellende heen steken de schitterende beschrijving van de zee en de natuur op Manus, gezien vanuit het vliegtuig, nog schriller af: ‘een bonte kleurenpracht, een waanzinnig kleurenspectrum. De oceaan ligt achter ons en we zien voor ons een prachtige ongerepte jungle’, maar daar wacht hen ‘een gevangenis van vuil en hitte (…) als een stad waar een plaag heerst en iedereen op hol geslagen is (…), als een dierentuin vol dieren met verschillende kleuren en geuren’. En dan, zonder ‘als’, maar met ‘is’: ‘Het is een jungle vol mensen’. Een krachtige manier om aan te geven hoe erg het is en het wordt  nog  erger. De enige manier om te ontsnappen aan alle ellende – die wordt omschreven als een kyriarchisch systeem (onderdrukking, overheersing, onderwerping) – vindt Behrouz Boochani in introspectie, in zich afzonderen, met ‘een innerlijke odyssee’ tot gevolg.

    Doormalende gedachten

    De uitkomst van Boochani’s introspectie zijn de meer essayistische passages. Bijvoorbeeld naar aanleiding van ‘dansvoorstellingen’ op en naast een tafel en een stuk over schaamte en uit balans raken. Het zijn deze gedeelten die het moeilijk maken door te lezen over alle narigheid die vluchtelingen moeten ondergaan. Schokkende details worden herhaald en nogmaals herhaald, als gedachten die blijven doormalen, de loop der dingen die zich herhaalt, als om de lezer ervan te doordringen dat er actie moet worden ondernomen. Zoals Amnesty International in mei vorig jaar na een zelfmoordgolf onder de gevangenen de Australische regering opriep om ‘te laten zien dat ze nog een greintje medemenselijkheid hebben door een einde te maken aan het mishandelen van vluchtelingen op Manus en ze naar Australië over te brengen’. De gevangenis werd gesloten en de vluchtelingen zullen worden opgenomen door onder meer de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland. 

    Tegenover deze herhalingen staan condensaties van verschillende gebeurtenissen tot een samenvallende ervaring: ‘Ik hoor gekreun. Ik hoor een kat. Ik hoor iemand “Moeder, moeder” prevelen’. Het zijn momenten waarop de sfeer verandert en nog grimmiger wordt, zo dat al kan: ‘De jungle lijkt somberder, donkerder dan ooit’
    Het kan twee kanten op gaan: onderwerping of opstand en ontsnapping. Het werd beide: eerst het laatste, gevolgd door een terugtocht naar de gevangenis. Onderdanig en gehoorzaam, vermorzeld en kapot. 

    Dit meesterlijke boek wordt afgesloten met een nawoord en een essay van Omid Tofighian, de al eerder genoemde bezorger van de Engelstalige editie. Rest een compliment aan de Nederlandse vertaler Irwan Droog, die de vele culturele, historische en politieke verwijzingen, poëzie en proza op een soepele manier tot een geheel wist samen te smeden.
    De auteur van dit adembenemende boek, dat je door de heftigheid ervan slechts mondjesmaat tot je kan nemen, is momenteel visiting professor aan de Birbeck University of London. Hij behoort tot één van de twaalfhonderdvijftig vluchtelingen die asiel zal worden verleend in de Verenigde Staten.

     

  • Pijn! Pijn! Pijn!

    Pijn! Pijn! Pijn!

    ‘Als je me een minuut voor je overlijden had gebeld en had gezegd dat je me miste, dat je van me hield, was ik naar je toe gevlogen, papa. We hebben elkaar een leven lang niet gezien, míjn leven lang.’
    In deze hartenkreet ligt de kern van het boek Al mijn vaders besloten. De hoofdpersoon, Myra Ionescu, heeft haar jeugd doorgebracht in een Roemeens dorpje ten tijde van de communistische dictator Ceaucesku. Het intellectueel begaafde meisje, soms geplaagd door aanvallen van epilepsie, begraaft zich in de boeken.

    Zij voldoet volstrekt niet aan de verwachtingen van haar ouders, die hoopten op een tweede Nadia Comãneci, de atlete die vijf gouden medailles had gehaald op de Olympische Spelen van 1976 en symbool van nationale trots. Ten einde raad consulteren zij een Armeense psychiater in de verwachting dat deze zal verklaren dat Myra ‘ziek in haar hoofd’ is en zij haar dus kunnen opsluiten in een psychiatrische inrichting. Als de psychiater hier echter niet in blijkt mee te gaan en verklaart dat zij niets mankeert, maar daarentegen een buitengewoon begaafd meisje is en dat hij wilde dat hij zelf zo’n dochter had, besluiten haar ouders haar te dumpen op een internaat. Eenzaam en onbegrepen, vervuld van een diep verlangen naar liefde en aandacht geeft zij zich over aan de literatuur: ‘Literatuur is menselijker dan de mensen. […] De literatuur opent haar deuren en laat me Anna Karenina zien. Ze zit gewoon op bed en glimlacht, ze maakt het naar omstandigheden goed. […] ‘

    Dante

    Kwetsbaar in haar verlangens, is zij een gemakkelijke prooi voor beschermheren die zich opwerpen als begripvolle ‘vaders’, die een schouder bieden om op uit te huilen, maar toch vooral uit zijn op bevrediging van hun eigen, vaak seksuele behoeften. Tijdens de vreselijke jaren op het internaat, waar zij heeft leren vechten om haar eigen plaatsje in een vijandige wereld veilig te stellen, heeft zij zich nooit begrepen, laat staan gesteund gevoeld door haar ouders. Haar enige echte vriend in die jaren was de Armeense psychiater. Hij begreep haar en leerde haar opnieuw de waarde kennen van de literatuur, vooral van het werk van de Argentijnse schrijver Borges. Na zijn overlijden resteerde er niemand meer om op terug te vallen. ‘Ik stelde mij regelmatig voor dat er voor mij een auto zou stoppen, waarvan de chauffeur de dood was.’ Ontroostbaar verdriet leidt bij Myra tot heftige gevoelens van obstinaatheid en wraak. Vooral in het werk van de middeleeuwse, Florentijnse schrijver Dante vindt zij vertroosting. In zijn werk gaat zij zich specialiseren. Dante maakt in zijn boek Divina Commedia tijdens een rondwandeling door de hel korte metten met al het schoelje uit de geschiedenis dat hij op zijn wandeling tegenkomt. Zo wil Myra Ionescu ook schrijven. Dat probeert Mira Feticu in dit boek dan ook door haar boek te structureren volgens van het model van de Divina Commedia, een rondleiding door de negen kringen van de hel.

    De grote Myra en de kleine Myra

    Na haar studietijd verlaat Myra het land van haar ouders en vestigt zich in Nederland waar zij een baan krijgt aangeboden als medewerker aan de UvA. Daar hoopt zij een nieuw leven te kunnen beginnen. ‘Maar hoe raak je een verleden kwijt? Hoe kun je leven in een heden zonder verleden?’ Het leven in het Westen blijkt niet datgene te bieden wat zij zich ervan voorstelde in haar dromen in Roemenië. Met haar ouders heeft Myra gebroken. Van haar moeder zegt zij niets te hebben geleerd, maar haar vader blijft zij zoeken al weet zij dat het tevergeefs is. ‘Ik wacht mijn hele leven op jou, papa, want een meisje heeft, ook al is zij getrouwd, een vader nodig’.

    Naast het lezen wordt het schrijven haar leven. Geschreven pijn doet minder pijn. Met het dorp van haar kinderjaren heeft zij niet gebroken. Maar wie is geïnteresseerd in die verhalen? In Nederland wordt zij geconfronteerd met alle vooroordelen over Oost-Europa en meer speciaal over Oost-Europese vrouwen, die williger in bed zouden zijn. Zij stuit op botte arrogantie als zij tijdens een college een hoogleraar hoort verkondigen dat er in Europa al zeventig jaar vrede heerst. Zij springt op uit haar bankje en roept: ‘Ik ben Europa. Ik ben Joegoslavië, Bosnië, Oekraïne, de Krim. Ben ik onzichtbaar voor u, West-Europa?’ Teleurgesteld keert zij steeds meer terug naar de gewoontes uit haar land van herkomst. Zij voelt zich het gelukkigst in de schuur waarin zij schrijft, waar een schamel bed staat en een tafel, net zoals in haar dorp. Eigenlijk is zij volkomen ontworteld. Zij schrijft: ‘Roemeens zijn. Een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Wat zou dat precies betekenen? Ergens op een weg zijn die nergens heen leidt.’ Tenslotte besluit de grote Myra een brief te schrijven aan zichzelf, aan de kleine Myra, waarin plaats is voor haar verleden in het dorp. Heel ontroerend.

    Autobiografisch

    Al mijn vaders is sterk autobiografisch. De thematiek sluit nauw aan bij haar eerdere werk. Het blijft verbazingwekkend dat zij zich de Nederlandse taal in zo korte tijd en zo diepgaand heeft eigengemaakt. Zij heeft ontegenzeggelijk een eigen stijl ontwikkeld, die uitblinkt in heldere beschrijvingen, een kort en bondig taalgebruik en een mooi gevoel voor beelden. Hoewel het een prachtig, ontroerend boek is, heeft het ook iets onevenwichtigs. Het autobiografische karakter laat geen ruimte voor andere, goed ingekleurde karakters. Zij lijkt te schrijven om te verwerken, terwijl grote literatuur pas ontstaat na verwerking. De kracht van het boek schuilt in de grote literaire kwaliteit waarmee Mira Feticu de benauwende pijn van Myra’s ontwortelde bestaan in taal boetseert. In die zin is het boek een echte aanrader.