• Oogst week 6 – 2026

    De vogelgrens oversteken

    In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.

    Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.

    Halfbroer/halfzus/halfbloed

    Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
    gaf onze vrouwen zwart
    gebruikt het vissengif tegen het kind
    in de baarkamer van de backyard

    Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
    zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
    hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
    waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is

    Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
    wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
    schatplichtig is, en ging daarom over  tot het
    verdrinken van het ongewenst

     

     De vogelgrens oversteken
    Auteur: Bernice Vreedzaam
    Uitgeverij: AtlasContact

    Het liegend konijn 2025/2

    Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Het liegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.

    De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen van nu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”.  Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’

    Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van  Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.

    Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:

    Draad

    Zullen we een rollenspel doen, van plaats
    wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
    Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
    worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,

    maar onzin met een zin. Ik wil je terug
    en zolang jij praat is er een draad die ons
    verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
    mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.

     

    Het liegend konijn 2025/2
    Auteur: Jozef Deleu (redactie)
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Ik sta in wilde schoonheid

    Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.

    In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.

    De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.

    Zo ook Vrouwkje Tuinman:

    Vruchtbaar

    Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
    begrijpen ze dat ik echt niet wil.
    Ik zie het niet voor me: zorgen voor
    een kleiner iemand met daarin de helft
    van mij. Bovendien: statistisch ben ik
    gelukkiger wanneer ik deze kans

    voorbij laat gaan. En duurt het langer.
    Van de mensen ouder dan een eeuw
    heeft een derde helemaal geen kinderen.
    De rest kreeg er minder dan gemiddeld
    en maakte ze laat. Het kan nog,
    zeggen de eitjes eens per maand.
    Dan antwoord ik niet, en zwaai
    een kleine groep voor altijd uit.

     

    Ik sta in wilde schoonheid
    Auteur: Susan Smit (samensteller)
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
  • In memoriam Het Liegend Konijn

    In memoriam Het Liegend Konijn

     


    Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937)  het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang  als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.

    Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.

    Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.

    In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.

    Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.

    En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn.
    Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord. 

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • Hoe korter hoe beter, is de leus

    Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Oogst week 23 – 2023

    Kierkegaard – Een biografie

    Zelden is over een biografie van 800 pagina’s gezegd, dat ze soepeltjes wegleest. En helemaal als het gaat om een ‘voorloper van het existentialisme en postmodernisme’. Toch verdient Kierkegaard – Een biografie het predicaat pageturner. In gesprek met Filosofie Magazine zegt biograaf Joakim Garff: ‘Kierkegaard lezen is meer dan Kierkegaard begrijpen. Ik heb het gevoel door hém begrepen te worden!’ De theoloog móést het leven van de filosoof dus wel optekenen. Dit deed hij al in 2000, maar Uitgeverij Ten Have kwam recent met een heruitgave van de Nederlandse vertaling uit 2016.

    Oud zou Kierkegaard niet worden, slechts 42 jaar. In zijn relatief korte leven schreef hij enorm veel, terwijl hij tegelijk middenin de maatschappij stond. Hij nam zelfs dagelijks een mensenbad, zoals Garff dat noemt. In naburige kroegen zette Kierkegaard dan zijn voelsprieten uit om te zien wat er écht leefde onder de Kopenhaagse bevolking. Hij had een hekel aan alles en iedereen die in een ivoren toren zat, de Deense kerk voorop. Garff, als lector werkzaam in het Søren Kierkegaard Research Center, ziet deze biografie als zijn absolute eerbetoon. Hiermee wordt Kierkegaard namelijk net zo tastbaar als hij bij leven was.

     

    Kierkegaard - Een biografie
    Auteur: Joakim Garff
    Uitgeverij: Uitgeverij Ten Have

    Xerox

    Meerdere Nederlandse schrijvers zijn gek op kantoortaferelen. De dames van Toren C probeerden al The Office te kopiëren. Recente papieren voorbeelden zijn Uitrollen is het nieuwe doorpakken van Japke-d. Bouma en De verwarde cavia van Paulien Cornelisse. Hier komt een nieuwe roman bij: Xerox van debutant Fien Veldman (Leeuwarden, 1990). In 2021 won Veldman de Joost Zwagerman Essayprijs met Not really making it. Haar kritische beschouwing over de maatschappelijke ongelijkheid vanaf de basisschool, galmt na in Xerox.

    Het boek is vernoemd naar een bedrijf dat echt bestaat. Nu is het afwachten of de onderneming ook blij is met deze gratis reclame… Dat Veldman eveneens een korteverhalenwedstrijd won voor De Correspondent, is te merken in Xerox. Ze introduceert zelfs een geheel eigen stijloefening in haar roman: de monologue printérieure. De hoofdpersoon steekt ellenlange preken af tegen een kopieerapparaat. Afgaande op de eerste geluiden over dit boek, kan gelukkig gesteld worden dat Xerox in geen geval Japke d. Bouma of Paulien Cornelisse kopieert.

    Xerox
    Auteur: Fien Veldman
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het paard van mijn vader: miniaturen

    Jozef Deleu mag minder bekend zijn dan Hugo Claus, hij is minstens van hetzelfde kaliber. Deleu, in 1937 geboren te Roeselare, heeft zo’n beetje alle onderscheidingen van België bemachtigd die er te behalen zijn, zowel literair als maatschappelijk. Ook maakte hij zich hard voor een culturele uitwisseling en erfgoedbehoud van Vlaamse en Nederlandse taalschatten met onder meer Stichting Erfdeel. Talloze poëziebundels bulkten al van betrokkenheid, bondigheid en liefde voor de taal. Nu is daar Het paard van mijn vader: miniaturen. Deleu maakt beeldschone miniatuurversjes.

    Op alfabetische volgorde schrijft Deleu gedichten die slechts zeven regels bevatten. De fragmentarische verzen, waarin soms één woord slechts een regel beslaat, doen denken aan het vitalisme van Marsman. Vitaal is Deleu op 86-jarige leeftijd in elk geval nog altijd. De kleur van de kaft is bruin. Is dat omdat Het paard van mijn vader in de herfst van Deleus leven is geschreven? Waarschijnlijk niet. Gevoel voor melancholie en weemoed? Mogelijk. Toch is Deleu een te goede observator om de lezer te vermurwen met een vage zweem van romantiek. Sober, maar niet stil, aldus De Standaard.

    Het paard van mijn vader: miniaturen
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Poëziecentrum VZW
  • Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat  Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK  meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.

    Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.

    ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo  nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.

    Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen

    Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met  de smaak van poëzie in elke regel.
    ‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier)

    ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert).
    ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez)
    ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman)
    ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink)
    ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal)
    ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)

    Het kortste gedicht is van K. Michel:

    Op de Dam

    (klimaatmars 6-11-21)

    als het zonlicht doorbreekt
    en valt op twee flaporen voor mij in de menigte
    zie ik twee dieprode vlinders

    Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.

    ‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd.
     Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk
     de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader
     in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
     Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis.
     (…)’
     Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
    Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ 

     (…)

    Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt

    Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.

    ‘Hoe krijg ik je samen heel
     stil mag je zijn hier breekman
     schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe
     dagwater in, schreeuwend om losgelaten
     vastgehouden te zijn

     Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me
     hartman hoe snij je je
     klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper

     begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne
     elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’

    Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.

     

     

  • Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Oogst week 5 – 2021

    600 gedichten over leven, liefde en dood

    Een mooie aankondiging op de laatste dag van de Poeziëweek is zonder meer de nieuwe en herziene uitgave van het Nieuw Groot Verzenboek, een bloemlezing uit het Nederlandstalig gebied ‘over leven, liefde en dood’. De redactie voor deze imposante dichtbijbel is zoals alle voorgaande uitgaven in handen van dichter, prozaïst en bloemlezer Jozef Deleu. De eerste editie van het Nieuw Groot Verzenboek verscheen in 1976 met 500 gedichten. In 2009 kwam de veertiende editie – een drastisch herziene uitgave met 555 gedichten – waarin recente poëzie van toen werd opgenomen. In de 18de editie uit 2015 werden 600 gedichten opgenomen met nog meer gedichten van nieuwe en jonge dichters.

    Deze 19de editie is opnieuw geactualiseerd met werk van de jongste generatie dichters, maar zoals in alle voorgaande edities blijft er ruimschoots  plaats voor het werk van oudere dichters. Sinds het verschijnen van de eerste editie in 1976 is de maatschappij sterk veranderd, ontwikkelingen en veranderingen die hun weerslag hebben op het sociale leven en de poëzie. ‘Hoop en onzekerheid, liefde en vertedering, vereenzaming en wanhoop vormen ook voor de jongere dichters de grondstof voor hun poëzie.’

    Niet zonder trots mag vermeld worden dat deze nieuwe uitgave gesierd wordt met een citaat uit een recensie van de voorgaande editie Nieuw Groot Verzenboek (2015) die op Literair Nederland verscheen en ook nu als aanbeveling geldt voor deze 19e editie:

    ‘Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer.’

     

    600 gedichten over leven, liefde en dood
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Lannoo | Meulenhoff

    Dit Amerika

    De Amerikaanse historica Jill Lepole (1966) schreef zo’n tiental boeken over Amerikaanse geschiedenis, politiek en cultuur. Ze wordt gezien als de enige hedendaagse historicus die een geschiedenis van Amerika durfde te schrijven. In haar voorgaande, zeer lijvige boek, Deze waarheden, schreef ze over de geschiedenis van de Amerikaanse politiek, hoe die al bijna tweeënhalve eeuw worstelt met de waarheid en met gelijke rechten. In haar essay In Amerika pleit Lepore voor de waarden waarop Amerika gebouwd is. Daarbij verwerpt ze het nationalisme, dat gevaarlijke vormen aanneemt, door zijn lange geschiedenis uit te leggen, en de geschiedenis van het idee van ‘de natie’ zelf. Ze roept op tot een ‘nieuw Amerikanisme’, tot een genereus patriottisme dat om een eerlijke afrekening met het verleden van de Verenigde Staten vraagt.

    In de pers wordt Lepores lezing van de Amerikaanse geschiedenis als verhelderend gezien en haar pleidooi voor liberaal nationalisme ‘eloquent en overtuigend’.

    Dit Amerika
    Auteur: Jill Lepore
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Mooie vrienden

    Interviewer en tv redacteur (Man bijt hond, Pauw, Op1) Martijn Jas (1966) studeerde aan de School voor Journalistiek in Utrecht en debuteert binnenkort met de roman Mooie vrienden bij uitgeverij Kapstok, een nieuwe uitgeverij waar hij vooralsnog de enige schrijver in stock is.

    Mooie vrienden opent met een soort proloog waarin de aankondiging van het overlijden van de 28-jarige Wolf, vriend van de ik-verteller Tobias Buut. Wolf heeft zich verhangen. ‘Het had me tijd en kracht gekost om met de perforator een extra gaatje te krijgen in de zwarte spijkerriem van Wolf. Vijf kilo was hij afgevallen nadat hij gestopt was met het eten van vlaaien en andere zoetigheid.’ Aldus opent het boek; het is dezelfde riem waarmee Wolf vier maanden later een einde aan zijn leven maakt.

    Na deze aankondiging volgt er een terugblik op de jaren waarin Tobias Buut journalistiek studeert, vrienden maakt. We leren hem kennen als een jongeman die niet uit de kast wil komen, moeite met de homoscene heeft, een hekel aan de Gay Parades en darkrooms haat. In de volgende hoofdstukken ontvouwt zich een zoektocht naar zichzelf, betekenis van vrienden en waarin hij de liefde wanneer die zich voordoet, niet herkent.

     

    Mooie vrienden
    Auteur: Martijn Jas
    Uitgeverij: Uitgeverij Kapstok (verschijnt 9 februari)
  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

    Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • Oogst week 46 – 2020

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie verschijnt twee keer per jaar onder redactie van Jozef Deleu. Elk nummer brengt steeds weer een gevarieerd beeld van poëzie van onze huidige tijd. Dat is zeker de kracht van dit boekwerk, dat het iets overbrengt van de tijd waarin we leven, fris, met verse inkt geschreven. Zoals ‘Take a seat please’, van Anne Provoost waarin nieuwe omgangsvormen, eisen van deze tijd een plek vinden: ‘Hij leerde zittend plassen / Een nieuwe houding, die hem hielp / nadenken over / hoe de weg die hij was gegaan /(…) // Ik leerde staand met hem praten / altijd klaar voor vertrek / richting bij hem vandaan / omdat ergens op een facebookpagina / was gezegd dat je dood kon gaan / als je teveel zat’

    Wanneer je Het Liegend Konijn in handen hebt, kun je niet meer ophouden erin te bladeren, het verleidt je door poëtische gangen te gaan met ondoordringbare, openhartige, schokkende en opgewekte poëzie.

    Aan deze editie werkten zevenendertig dichters mee, samen goed voor meer dan tweehonderd gedichten, met onder meer Charles Ducal, Anne Broeksma, Mark Boog, Abdelkader Benali en Mieke van Zonneveld.

     

     

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis

    Het lichtje in de verte

    Antonio Moresco (1947) wordt gezien als een van de grondleggers van een nieuwe richting in de Italiaanse literatuur die verder gaat dan de postmoderniteit. Hij wordt wel vergeleken met Don DeLillo en Thomas Pynchon. Het lichtje in de verte (La lucina) verscheen in 2013 en werd in 2018 verfilmd, met Moresco zelf in de hoofdrol. Dit jaar werd het boek bij uitgeverij Oevers uitgegeven.

    Het lichtje in de verte gaat over een man die in eenzaamheid in een verlaten bergdorp leeft. Elke nacht ziet hij een lichtje aan de andere kant van de vallei, hij vraagt zich af wat het is, waar het vandaan komt. Als hij op onderzoek uitgaat, vindt hij een jongen in een huis midden in het bos, ook alleen. Hij vraagt zich af wie dit kind is. Het antwoord is zowel geheimzinnig als ontroerend, volgens de uitgever. En meer nog, ‘het is een verhaal over wezens die het bos bevolken, luchtwortels, bomen, vuurvliegjes en over  over leven en dood, maar ook over wat mensen en dieren met elkaar verbindt’.

    In de Franse pers werd het boek aldus geprezen: ‘Betoverende tekst die de lezer onmiddellijk meeneemt op een wonderlijke literaire reis.’

     

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: Oevers

    Opwindende tijden

    De Ierse schrijver Naoise Dolan debuteerde met de roman Opwindende tijden, die zeer goed ontvangen werd. Ze komt uit Dublin, woonde in Hong Kong, Italië, Singapore en Engeland. Afgelopen zaterdag, 7 november was ze onderdeel van het online programma The Cronicles van Crossing Border

    Opwindende tijden is een liefdesroman over geld en de gevoelswereld van de drie jongeren Ava, Julian en Edith.

    De Dublinse Ava is in Hongkong komen wonen en vult haar dagen met Engelse les geven aan rijke kinderen. Julian is een bankier die graag geld uitgeeft aan Ava, met haar naar bed gaat maar waarvan ze niet zeker weet of hij van haar houdt.

    Als Julian voor maanden weg is, komt Edith in haar leven, zij neemt Ava mee naar het theater en koopt bloemen voor haar. Ava  is betoverd door Edith zijn, ze wil de hare zijn. Als Julian terugkomt naar Hongkong, staat Ava voor een probleem. Moet ze haar leventje met Julian weer oppakken, of liezen voor Edith?

    Hilary Mantel die de roman las, noemde het, ‘Kostelijk, scherpzinnig en onbevreesd. Een innemend debuut.’

     

    Opwindende tijden
    Auteur: Naoise Dolan
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Jozef Deleu (1937) is bij veel poëzielezers misschien wel het meest bekend vanwege zijn functie als stichter en hoofdredacteur van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat tweejaarlijks verschijnt en gedichten onder de aandacht brengt die nog niet elders gepubliceerd werden. Ook heeft hij diverse bloemlezingen samengesteld, waaronder een van het werk van Guido Gezelle en het Groot Verzenboek, een dwarsdoorsnede van de beste Nederlandse gedichten van de 20e eeuw. Dat Deleu zelf ook dicht, is waarschijnlijk veel minder bekend. Toch heeft hij sinds zijn debuut in 1963 zeven dichtbundels gepubliceerd, deze zijn nu integraal opgenomen in de verzamelbundel Ondoorgrond, gedichten 1963-2019, tezamen met twee bundels lyrisch proza en de laatste, niet eerder verschenen dichtbundel Tussentijd. Voor zijn dichtwerk ontving Deleu in 1965 de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen en in 1995 de Prijs voor Poëzie van West-Vlaanderen.

    Monumentale verzameling

    Het is zoals te verwachten een monumentale verzameling geworden. De gedichten daarentegen zijn niet zo omvangrijk en nemen slechts een klein gedeelte van de bladzijde in. Deleu is geen man van een grote omhaal van woorden. Elk woord in zijn gedichten lijkt zorgvuldig gewikt, gewogen en gekozen:

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad.

    (Uit: Overboord, 2012)

    Het hoogst noodzakelijke

    Deleu houdt zichzelf strak in de hand, de gedichten doen stoïcijns aan, beheerst en teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Dat dit een kunst is die pas na vele jaren geperfectioneerd is, valt goed waar te nemen als de vroege bundels vergeleken worden met het latere werk. De dichter lijkt steeds minder te hoeven uitleggen terwijl de zeggingskracht van de gedichten juist groter wordt. De eerste bundels tonen nog overmoed en grote gevoelens, die uit de latere bundels zijn ingetogener, verstild. 

    Een verdere vergelijking van de verschillende bundels laat zien dat ze ook iets gemeenschappelijk hebben, het thema van leven en dood, tijd en vergankelijkheid. Er is vrijwel geen gedicht in zijn gehele werk te vinden dat niet het woord ‘dood’ in zich draagt. Deleu lijkt geobsedeerd door de dood, maar aanvaardt het feit dat er een einde is met hetzelfde stoïcisme dat zijn gedichten kenmerkt. Zo luidt de titel van de bundel uit 2005 Gras dat verder groeit, als een verwijzing naar de Bijbelse woorden ‘Alle vlees is als gras’ uit Jesaja 40:6. 

    Toch doet de titel van het verzamelde werk, Ondoorgrond, vermoeden dat ondanks de preoccupatie van de dichter met de dood, dit niet geleid heeft tot weten wat dood en leven inhouden. Maar Deleu streeft ook niet naar die kennis; hij laat het geheim intact.

    Over de dood

    Over de dood
    moet je schrijven
    als over het leven.

    Een doordeweekse dag
    valt de regen niet meer
    laat de zon zich niet meer zien.

    De dieren gaan schuilen
    voor de grauwe as, de dag
    is even zwart als de nacht.

    De postbode komt
    met een brief die je
    niet meer verwacht.

    Zo eenvoudig het leven
    zo eenvoudig de dood
    alles even.

    (Uit: De jager heeft een zoon, 1995.)

    Dichten voor kinderen en vrouw

    Omdat de dood geaccepteerd wordt als een vaststaand feit, kan de dichter zich ten volle richten op het leven voor de dood. Juist het besef dat alles tijdelijk is, verhevigt het genot van schoonheid en het carpe diem. Veel gedichten gaan over de volheid van de natuur in het algemeen, over bloemen, dieren en kleine kinderen. Ook over de eigen kinderen schrijft Deleu met liefde en aandacht voor kleine details; deze gedichten behoren tot de mooisten. En in elke bundel staat wel een gedicht dat opgedragen is aan zijn vrouw Anne-Marie. Ook hieruit spreekt de intense aandacht voor het leven en de liefde. 

    De taal is voor Deleu het middel bij uitstek om een brug te slaan tussen het leven en de dood. Zijn woorden en gedichten moeten de vluchtigheid van het leven vangen en bestendigen. Deleu schrijft om niet te vergeten, om de tijd te laten voortbestaan. Via de taal wordt elk gedicht als een stolp over een moment in de tijd gezet en wordt daardoor bewaard. 

    Binnen dit verzameld werk staan de bundels met lyrisch proza als uitzondering op de regel. Gezangen uit het achterland (1981) bestaat uit een Voorzang, zes ‘Bewegingen’ en een slotzang. Deze lange prozagedichten vertellen hoe een vrouw, Cecilia, aan haar man Felix terugdenkt, die in de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en gestorven is in een inrichting, het ‘Gesticht’. Ze herleest zijn brieven – waarvan Deleu de spelling met opzet verouderd heeft – en herdenkt hem met liefde, maar probeert ook een manier te vinden om verder te gaan met haar leven in de wetenschap dat ‘alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.’

    Ook in deze gedichten die zo duidelijk anders zijn, blijft Deleu trouw aan zijn thema’s: de dood moet aanvaard, de tijd onderworpen en beheerst worden.

    Klassiek in zijn thematiek

    Het is opmerkelijk dat de redacteur van een tijdschrift dat plaats biedt aan nieuwe dichters zelf zo klassiek is in thematiek en versvorm. Deleu experimenteert niet, met vorm noch inhoud. Zijn poëzie is niet maatschappelijk geëngageerd noch modern of vernieuwend. Deze traditionele gedichten zijn tijdloos, niet onderhevig aan mode of trend, juist door hun onveranderde consistentie. Ze maken indruk doordat ze ontdaan zijn van elke afleiding van het wezenlijke, de kern. Zo geconcentreerd teruggebracht naar het allernoodzakelijkste tonen ze door de hele bundel heen de constante kwaliteit van een groot dichter.

    Nu Deleu drieëntachtig jaar is geworden, is deze verzameling van zijn complete werk als een eerbetoon aan zijn lange dichterschap. Het laatste gedicht uit het verzameld werk is zeer toepasselijk getiteld Nalatenschap:

    […]
    wat wij deden
    of nalieten te doen
    wat wij opbouwden
    of bestreden
    was openbaar

    van verlies was geen sprake
    op winst werd
    nooit gehoopt –
    niets ging verloren

    De dichter lijkt hier de balans op te maken van zijn hele leven en zijn poëtisch oeuvre en kan tevreden constateren dat ‘niets verloren ging’. Of met deze nalatenschap tevens zijn loopbaan als dichter wordt afgesloten, is nog de vraag. Misschien verrast Deleu zijn lezers nog.