• Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Poëzie is haar liefde, ze debuteerde met korte verhalen


    In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?

    Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.

    Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.

    Twee romans

    We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen  aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
    ‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’

    Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.

    Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?

    Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’

    Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
    ‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
    pas echt gaan schrijven.’

    Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?

    Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’

    Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?

    Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
    “Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’

    Waar komt de titel vandaan?

    ‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’

    In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?

    Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende  achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’

    Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’

    Hoe ontstaan je verhalen?

    ‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter  in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’

    Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?

    Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’

    En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?

    Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’

     

    Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: fotoBuffel

     

  • Bovenlicht – José Saramago (roman uit 1953 postuum verschenen)

    Etalage

    José Saramago (1922-2010) debuteerde in 1947 met de roman Land van de zonde. Op zijn dertigste voltooide hij zijn tweede roman die om duistere redenen nooit werd uitgeven. In de twintig jaar die daarop volgden onthield hij zich van de literatuur en schreef alleen nog  journalistieke stukken. Tot hij op zijn drieënvijftigste ervoor koos zijn leven te wijden aan de literatuur. Vanaf die tijd publiceert Saramago een groot aantal romans. Waarvan Het evangelie volgens Jezus Christus, De stad der zienden, De stad der blinden, Het verzuim van de dood, De tocht van de Olifant, Het schijnbestaan en Kaïn, wel de bekendsten zijn. In 1982 brak hij internationaal door met de roman Memoriaal van het klooster.

    Bovenlicht speelt in het Lissabon van de jaren vijftig en verhaalt over de dagelijkse besognes van vijf stadsbewoners die leven onder de dictatoriale druk van Salazar. ‘Een schrijver blikt uit het raam, het lijkt een morgen als alle andere: schoenmaker Silvestre die zijn winkel opent, Adriana die op haar hakken naar kantoor vertrekt, Justina die weer een lange dag vol ruzie met haar agressieve echtgenoot voor de boeg heeft, de maîtresse Lidia, en de nostalgische Spaanse Carmen. De schrijver laat zijn ogen discreet van huis naar huis gaan, van personage naar personage.’
    ‘Saudades’ naar toen het leven nog een belofte in zich droeg alsook de kleine illusies en grote frustraties van deze personages worden nauwgezet beschreven. En net als de dichter Pessoa vraagt de auteur zich af: ‘Moeten wij allen getrouwd, onbeduidend en dienstbaar zijn?’’

    José de Sousa Saramago won in 1998 de Nobelprijs voor de Literatuur. Als de uitgever aan wie hij zijn werk had toevertrouwd, dit toentertijd  geweten had, zou het manuscript niet zo veronachtzaamd behandeld zijn. Maar voor de liefhebbers van Saramago is deze roman natuurlijk een onverwachte toegift op zijn werk alsof hij hiermee over het graf heen een teken van leven geeft. En voor degenen die onbekend zijn met het werk van Saramago is Bovenlicht een verrassende kennismaking met deze grootse Portugese literator. Volgens Saramago’s weduwe Pilar del Rio, is dit zestig jaar oude werk ‘de poort naar al zijn werk’.

    Op de site van Athenaeum Boekhandel staat een voorpublicatie van Bovenlicht.
    De roman is vertaald door Maartje de Kort en is verschenen bij uitgeverij Meulenhoff.


     

  • Maatschappij kritische geluiden

    Maatschappij kritische geluiden

    De wereld is vol van betweterige mensen (meestal wat oudere mannen of vrouwen) die het allemaal zo goed weten. Politici, journalisten en literatuurcritici verkondigen ongebreideld hun mening in boeken, tijdschriften en in televisieprogramma’s. Vaak worden van achter de borreltafel allerlei problemen in de wereld opgelost. Doet José Saramango daar aan mee? Het is weliswaar een oude mopperpot maar hij heeft daar maar al te vaak reden voor en het is zonder meer duidelijk dat het zijn bedoeling of in ieder geval zijn wens is, om aan de door hem gesignaleerde misstanden een einde te maken. In diverse stukken van zijn dagboek laat hij zijn licht schijnen over het conflict dat sinds jaar en dag bestaat tussen Israël en de Palestijnen waarbij bij de lezer de vraag zal rijzen of hij zich wel breed genoeg heeft georiënteerd.

    Ook dit verhaal heeft een andere kant. De kritieken zijn soms heel scherp maar niet zonder humor, Saramago heeft vaak de lachers op zijn hand. Overal waar de rechten van de mens in het geding zijn springt hij in de bres. Rassendiscriminatie is hem een gruwel en hij brengt nog eens in onze herinnering hoe destijds Rosa Parks in een bus in Montgomry, Alabama weigerde haar plaats af te staan aan een blanke medepassagier en hoe Martin Luther King protesteerde tegen haar arrestatie en de daarop volgende gevangenisstraf. Hij schrijft: ‘Zonder Rosa Parks was Barack Obama waarschijnlijk nooit president van de Verenigde Staten geworden’.

    De kritiek op het Vaticaan is ongezouten. De Rooms Katholieke kerk wordt vergeleken met de Titanic, ze zinkt langzaam maar onverbiddelijk. ‘Het bezoek aan religieuze rituelen is sterk aan het afnemen.’  ‘Kardinalen, bisschoppen en ook de paus parasiteren op de zak van de burgermaatschappij.’ Dit soort uitspraken zorgen natuurlijk voor nogal wat opschudding maar de Nobelprijswinnaar Saramago schijnt het zich te kunnen veroorloven, zijn atheïstische overtuiging is onwrikbaar.

    Veel aandacht wordt er besteed aan de ontmoetingen met literaire- en politieke vrienden, sommigen daarvan vallen onder beide categorieën. Enige bekendheid met de Portugese literatuur is een vereiste om alle dagboekfragmenten op juiste waarde te kunnen schatten. Ook het politieke bedrijf en de maatschappelijke toestanden in Portugal worden hier en daar belicht. Allerlei  crisissen worden beschreven maar vooral, de morele crisis. José Saramago is vaak cynisch, toch is hij een mens. die alles op waarde weet te schatten.

     

  • Saramago lezen tegen de tijdgeest

    Saramago lezen tegen de tijdgeest

    De Nederlandse musea bevinden zich in een identiteitscrisis. Ze lijken niet te weten waar hun eigenlijke taak ligt: bij kunst of bij entertainment.’ schreef Janneke Wesseling in het NRC-Handelsblad van zaterdag 30 oktober. Verscheidene musea kiezen niet meer voor tentoonstellingen die gewijd zijn aan een kunstenaar, maar laten zich door een kunstmarketingbureau adviseren overzichtstentoonstellingen te maken met titels als Bloemen van verlangen, vier eeuwen bloemen in de kunst. En dan komen de mensen.

    Het is een droeve knieval voor de commercie die niet slechts de musea maken. De uitgevers raken moeilijke boeken aan de straatstenen niet kwijt. Toen José Saramago de Nobelprijs voor de Literatuur ontving in 1998, had Meulenhoff net alles van de schrijver verramsjt. Net zoals het Querido verging toen onlangs Elfriede Jelinek de eer te beurt viel, zij hebben nog geprobeerd de lading terug te halen. Saramago verzet zich ostentatief tegen ‘leesbaarheid’; hij biedt de lezer geen houvast buiten de inhoud om. Er zijn geen tussenkoppen, de hoofdstukken zijn lang, interpunctie is anders dan de lezer gewend is. Saramago’s zinnen waaieren breed uit, dialoog kent geen speciale opmaak. Voor Saramago geen Bloemen van verlangen.

    Plato’s Grot

    Saramago heeft een hekel aan gemak, en aan snelle lezers. Het boek Het schijnbestaan verscheen in 2000 in Portugal en een jaar later bij Meulenhoff. Het boek draait om een oude pottenbakker, zijn dochter en haar man. En ‘het Centrum’. De schoonzoon is bewaker bij het Centrum, een ultramodern koop- en wooncomplex in de stad. Gemak voor de consument, alles in dienst van de bewoners en het winkelend publiek. Het Centrum heeft een poosje vaatwerk van de pottenbakker afgenomen, totdat het hem meedeelt dat er in de moderne tijd niet langer vraag is naar zijn materiaal. De schoonzoon staat promotie te wachten, binnenkort zal hij ‘inwonend’ bewaker zijn, en krijgt hij een flat in het Centrum. Zijn vrouw wil haar vader meenemen, maar de pottenbakker ziet dat vooralsnog niet erg zitten, hij hangt aan het oude leven, het ambacht. De dochter van de pottenbakker verzint nieuwe nering: ze ontwerpen 6 beeldjes en verven deze en bieden ze aan. Tot hun geluk ziet het Centrum ze zitten en bestelt er twaalfhonderd. Vader en dochter verdiepen zich in nieuwe pottenbakkerstechnieken, ontwerpen mallen, zoeken de juiste samenstelling van het klei, hoop ontvlamt dat het oude leven het niet voorgoed tegen het nieuwe zal moeten afleggen. Nog twee personages spelen een belangrijke rol in hun leven: de aangelopen hond met de naam Gevonden en een weduwe in wie de vader een door hemzelf moedig ontkende interesse heeft.

    Een wonderlijk geheim

    De eerste proeflichting van de beeldjes wordt uiteindelijk niet voldoende geacht, de vader verhuist mee naar het Centrum, omdat alleen achterblijven op de pottenbakkerij geen optie is. In het Centrum blijkt op zekere dag een wonderlijk geheim te zijn ontdekt, de vader waagt zich in de spelonken van het enorme gebouw en ontdekt wat de leiding angstvallig tracht te verhelen: zes lijken, vastgeklonken, kijkend naar een muur, ergens achter hun rug de resten van een vuur. Meteen is duidelijk: de Grot van Plato, deze mensen zagen alleen hun schaduwen. Vader , dochter en schoonzoon keren spoorslags terug naar de pottenbakkerij, het oude leven, de weduwe en de vader consumeren hun liefde. Een nieuwe toekomst. Punt.

    José Saramago schetst in deze allegorische vertelling de verwording van de moderne mens: de nieuwe wereld waarin alles op consumptie gericht is, de verzorging van de wieg tot het graf krijgt gestalte in het Centrum: ‘Dit is de gelegenheid om te verklaren dat de wegen van het Centrum ondoorgrondelijk zijn, wat het aan de ene kant wegneemt, geeft het er aan de andere kant bij, Als ik me niet vergis wordt dat van die ondoorgrondelijke wegen gezegd van God, merkte Cipriano Algor op, Dat komt vandaag de dag praktisch op hetzelfde neer, ik overdrijf niet als ik zeg dat het Centrum, als de perfecte distributeur van materieel en geestelijk goed die het is, uit zichzelf en in zichzelf, uit pure noodzaak, iets heeft voortgebracht dat, hoewel bepaalde, gevoeliger vormen van orthodoxie hier aanstoot aan kunnen nemen, van goddelijke aard is, […]

    De gevangenis als evenbeeld van het gewone denken

    Dit monstrum van efficiëntie staat eigenlijk heel schematisch tegenover het huishouden van de pottenbakker en zijn dochter, een liefde op afstand en een aangelopen hond. Saramago verhult in zijn parabel niets, hij is de alwetende verteller die de lezer meldt wat de hond voor gedachten heeft bij de bezigheden van zijn baas, de schrijver spreekt de lezer aan en gooit er wat beschouwingen doorheen die van geen van de personages komen. De Nobelprijs winnaar heeft niet de minste uit de kast gehaald om de doodsheid van de nieuwe wereld aan de kaak te stellen: Plato en zijn Grot. En van de schrijver hoef je het heus niet op te gaan zoeken, in het motto laat hij weten wat de bedoeling is: ‘Een vreemd tafereel beschrijf je daar, en vreemde gevangenen, Ze lijken op ons. Plato, Politeia, Boek VII’ (voor meer: home.student.utwente.nl/j.w.dijkshoorn/grotefilosofen/plato/grot.html )De uitgever doet er een schepje bovenop: de Portugese titel A Caverna komt op het omslag als Het schijnbestaan.

    De moderne wereld ontneemt de mens het echte leven en leert hem genoegen te nemen met een suggestie. Deze wereld is ingesteld op het bevredigen van wat deze moderne mens denkt dat zijn verlangens zijn. In het Centrum gaan bezoekers naar een ruimte waar ze een illusie van het weer kunnen krijgen: ‘Toen keerden we om en meteen begon het te sneeuwen, eerst hier en daar wat vlokken als katoenpluizen, daarna steeds dikkere, ze vielen voor ons neer als een dicht gordijn waardoor we elkaar nauwelijks meer zagen […] uiteindelijk kwamen we bij de kleedruimte en daar scheen een stralende zon. […]’

    Nu is Saramago een communist, dat kan nog in Portugal, en dit boek vormt samen met De stad der blinden en Alle namen een drieluik waarin de schrijver zich kritisch over het tijdsgewricht uitlaat. En een communist is de krachtigste beschimper van consumptie in de kunst. Saramago is de Bertold Brecht van vandaag, hij weigert de lezer vermaak, heeft een boodschap en wil kunst niet aanbieden aan mensen met popcorn in de hand. Vervreemding heeft het volk nodig, ze moeten weten wat er gebeurt, niet in slaap gesust worden door machten met andere belangen. ‘WE ZOUDEN U ALLES VERKOPEN WAT U NODIG HEBT, ALS WE NIET LIEVER HADDEN DAT U NODIG HEEFT WAT WIJ U TE VERKOPEN HEBBEN’ zoals de schrijver zijn analyse van de tijdgeest bondig samenvat in een slogan van het Centrum. We denken vrij te zijn.

    Ontketening

    Alles in Cipriano Algor, de vader, verzet zich tegen het nieuwe leven, hij verkiest op het bankje naast zijn oven te zitten en vreest niets meer dan een ruimte zonder ramen die open kunnen, maar die verder geheel op gemak is ingesteld. In Alle namen gaat een ondergeschikte van een enorm burgerlijke standarchief ondanks alle voorschriften op zoek naar een persoon achter een fiche, gaat ook weer heel allegorisch op zoek naar de mens achter het nummer. Een kritische houding ten aanzien van de maatschappij komt in dit oeuvre niet bedillerig of zeurderig over, daarvoor is zijn taal te groots, daarvoor zijn Saramago’s literaire middelen te overtuigend. Houd op u door het Centrum van boeken te laten voorzien die u eigenlijk niet wilt lezen. Lees eens iets dat langere tijd bij je blijft, geen overzichtstentoonstelling over bloemen door de eeuwen heen, maar het weerbarstige werk van een kunstenaar.