• Schrijf alles op

    Schrijf alles op

    De tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver José J. Veiga (1915-1999), speelt in de jaren zeventig en beslaat een periode van zes jaar waarin het rustige stadje Taitara zich ontwikkelt tot een dictatoriaal staatje. Hoe dat zo ontstaan is, vertelt de zeventienjarige jongen Lucas (Lu) die door zijn moeder gezegd is ‘alles op te schrijven’, zelfs dat wat niemand mag weten.

    José Veiga debuteerde op vijfenveertig jarige leeftijd met een verhalenbundel. Met zijn debuutroman De drie plagen van Manirema, dat vorig jaar in vertaling verscheen, brak hij toentertijd door naar een groot publiek. Deze debuutroman gaat over een stadje dat ten prooi valt aan onbegrijpelijke gebeurtenissen. Ook in Onrust boven Taitara dat verscheen in 1972, en onlangs vertaald werd door Harrie Lemmens, blijft in de stad Taitara niets zo als het was.

    Lu is enig kind en elf jaar oud als de broer van zijn moeder, die hij alleen van foto’s kent, op bezoek komt. Oom Baltazar is opnieuw getrouwd met (tante) Dulce, is steenrijk maar van zijn verschijning schrikt Lu nogal. Deze oom klopt niet met het beeld dat hij van hem kent op de foto’s. Hij mist een arm, de linkerarm waarmee hij, op de foto die hij hen stuurde, achter het stuur zittend van een glimmende sportwagen, nonchalant mee over het portier leunde. Die foto was van hand tot hand gegaan, ‘Mam leende hem wel uit, zo aardig en ijdel was ze wel, maar als het wat lang duurde voor ze hem terugkreeg, moest ik hem gaan halen, zo’n belangrijk document mocht niet te lang in ongewijde handen blijven.’, en had enorm succes geoogst bij vrienden en kennissen.

    De fabriek

    Oom Baltazar heeft grootse plannen voor het opzetten van een bedrijf in Taitara. Al snel blijkt dat hij geen idee heeft wat daar zoal bij komt kijken. Wanneer uiteindelijk het bedrijf, Companhia Melhoramentos de Taitara (Maatschappij tot Verbetering van Taitara) een feit is, wordt oom Baltazar in de stad verafgood als grondlegger van de fabriek. Maar niet van lange duur. Op een dag werken de vennoten van de fabriek oom Baltazar eruit en vertrekt hij met zijn vrouw uit Taitara.
    Daarna verschijnen er van de een op de andere dag muren in de straten waardoor vrienden van elkaar gescheiden worden en het somber wordt in de huizen. ‘Door die vermoeiende en ontmoedigende muren overal was er moeilijk achter te komen wat er allemaal gebeurde in de stad, wat de mensen dachten en zeiden. Vroeger had ik mam na school altijd een hoop te vertellen, nu ging ik weg en kwam ik terug in het donker, (…).’ Veel arbeiders worden ontslagen en anderen worden onder voorwaarden in dienst genomen. De vader van Lu wordt, tegen ieders verwachting in, bevorderd tot controleur. Hij krijgt een uniform en ontleent status aan de macht die hij heeft de ander te helpen of tegen te werken.

    Verloren onschuld

    De roman is zo’n zeven jaar na de staatsgreep van 1964 in Brazilië, geschreven. Toen de militairen zich op het hoogtepunt van hun macht bevonden. Duidelijk is dat Veiga de onderdrukking van die tijd beschrijft maar desondanks is het geen zwartgallige roman geworden, eerder een luchthartig aanvaarden van wat op je pad komt. En dat komt doordat hij die onderdrukking gebruikt als decor voor de ontwikkelingen van Lu. De geschiedenis van Taitara is uiteindelijk de geschiedenis van een opgroeiende jongen die zijn onschuld verliest en de wereld om hem heen dramatisch ziet veranderen. Zijn vader wordt om onverklaarbare redenen gevangen genomen, zijn oom sterft en de veel jongere vrouw van zijn oom, (en dat is wat niemand mag weten) Dulce kruipt ’s nachts bij hem in bed in de tijd dat hij bij hen logeert.’Soms wachtte ik op haar terwijl ik deed of ik sliep, andere keren sliep ik echt en werd ik wakker van haar gewoel, maar dan hield ik mijn ogen dicht.’

    Briesende paarden

    Veiga schrijft in een rustige, haast kale stijl. De glimmende sportwagen kent geen merk en tante Dulce is mooi zonder dat haar schoonheid beschreven wordt. Je kunt spreken van flat characters maar daarentegen zijn de overdenkingen van Lu metaforisch voor de sfeer waarin hij leeft. Als hij in een afbraakpand waar zijn vader, die zijn werk als controleur heeft neergelegd, een winkel wil beginnen, enige orde probeert te scheppen, stappen er twee mannen te paard het pand binnen om te schuilen voor de regen. Lu ziet een vergelijking tussen de briesende paarden en het volk in de stad: ‘(…) een opgetuigd paard dat op zijn baas wacht is een treurig beest, het heeft geen eigen wil, mag alleen maar daarheen waar het mee naar toe wordt genomen – net zoals wij op onze wegen tussen muren.’

    Onheil over Taitara is een ‘Coming of Age’ roman pur sang. Door het sobere en luchtige taalgebruik schittert deze roman in eenvoud en heeft Veiga in de stem van de jongen een toon gevonden die waarachtig klinkt, ook al zijn de gebeurtenissen die verteld worden bizar en ongeloofwaardig. Van deze magisch realistische schrijver wil je, na de vertaalde roman De drie plagen van Manirema en deze, beslist meer lezen.

     

     

  • Allegorische fantasie streelt de zintuigen

    José Veiga’s boeken beginnen volgens vertaler Harrie Lemmens steeds in een dorp, waarin het onschuldige, gezapig leventje van buitenaf ruw wordt verstoord. Zo ook in De drie plagen van Manirema (oorspronkelijke titel: A hora dos ruminantes), een fantastisch ofwel magisch realistisch verhaal over een klein stadje dat machteloos moet toezien hoe het ten prooi valt aan onbegrijpelijke, verwoestende gebeurtenissen. Op een avond staan een paar mannen op de brug over de rivier langs Manirema het einde van de dag te verwelkomen. In de schemering zien zij een groep pakezels naderen. Maar de brug blijft leeg en in het donker discussiëren de mannen over de vraag óf ze eigenlijk wel iets hebben gezien. De volgende dag blijkt er bij de vervallen boerderij naast de rivier een kamp opgeslagen te zijn. De mensen in het stadje praten erover en wachten tot de vreemdelingen contact met hen zoeken en zich in hun winkels vertonen. Zelf weigeren zij naar het kamp te gaan om uitleg over de komst van de mannen te vragen. ‘Als zij duur doen, doen wij dat ook. Niks aanbieden.’

    De eerste contacten zijn al meteen onaangenaam. De nieuwkomers zijn bezig met bouwen en verbouwen op het terrein van de boerderij, gedragen zich brutaal en autoritair en accepteren geen nee. De eerste die daarmee te maken krijgt is Geminiano, eigenaar van een kar en een ezel waarmee hij voor de bewoners vracht vervoert. Hij weigert zijn kar aan de kampbewoners af te staan en geeft te kennen dat ze gewoon op hun beurt moeten wachten om iets vervoerd te krijgen. Maar als Geminiano daar eenmaal aan toe is, blijkt de opdracht gaandeweg zo groot dat hij erin gevangen wordt en niet meer aan andere vervoersklussen toekomt. Ook Amâncio, heethoofd en eigenaar van de plaatselijke winkel voor allerhande waren, raakt in de macht van de mannen.

    De tweede plaag bestaat uit ontelbare honden die de straten binnenstromen. Ze blaffen, vertrappen planten, woelen moestuinen om, springen over muurtjes, stoten hekken om en bijten kippen dood. ‘Soms drong er een hond een huis binnen, onduidelijk hoe, en dan raakten de bewoners in paniek. De hond keek hen een voor een aan en koos vervolgens iemand uit waar hij kwispelstaartend naartoe liep. Die kromp ineen, beschermde handen en benen en kon geen woord uitbrengen om het beest weg te jagen.’

    Als de hondenplaag voorbij is kunnen de mensen zich weer even bezighouden met hun eigen perikelen – waaronder een kleine liefdesgeschiedenis en een verhoor, verweven met de nog steeds aanwezige mannen in het kamp. Maar al gauw komen de ossen. Ze bezetten straten en huizen, loeien luid en trappen alles kapot, ‘de koppen omhoog om geen last te hebben van hun hoorns, zonder ruimte om zelfs maar hun staart op te heffen als ze moesten schijten, zodat de drek langs hun poten omlaag liep en verwerd tot één grote derrie. […] Een os die zijn evenwicht verloor en […] door de knieën ging kwam niet meer overeind, de andere trapten op hem tot hij dood was, en dat bood wat verlichting – heel even maar …’ De ossen zijn overal, vanaf de straten waar ze opeengepakt staan steken hun hoorns door de ramen naar binnen. Niemand kan zijn huis meer uit, honger, stank, wanhoop en ziekte slaan toe en de mensen ‘piekerden over wat ze hadden misdaan om deze straf te verdienen’.

    Al is dit een klein boek van slechts 104 pagina’s, José Veiga beschrijft op zijn gemak in zintuigelijke taal de op handen lijkende ondergang van Manirema. Als lezer sta je er middenin, je hoort de mensen praten, de honden blaffen, ziet de opeengepakte massa ossen, ruikt de drek en voelt het chaotische gedrang waarin de meutes, mensen en dieren, zijn terechtgekomen. Want ook de honden en ossen lijken willoze slachtoffers van een onzichtbare hand, van een vijand zonder mededogen met hun onmacht.

    Zoals het bij fantastisch realisme gaat laat Veiga het ook hier aan de eigen fantasie van de lezer over om betekenis aan het verhaal te geven. Achterop het boek staat te lezen: ‘In 1964 pleegt het Braziliaanse leger een staatsgreep en vestigt een nationalistische dictatuur. Er daalt een duistere nacht van vrijheidsberoving, censuur en geweld neer over het land die twintig jaar zal aanhouden. De drie plagen van Manirema is in 1966 het allegorische antwoord van José J. Veiga op die nacht.’

    Vertaler Harrie Lemmens meldt echter in zijn nawoord dat Veiga zijn manuscript al voor de staatsgreep bij zijn uitgever had ingeleverd. Deze zag volgens Lemmens de vervreemding, het wantrouwen, de dreiging en de verbrokkeling als de grote kracht van de roman en vond het raadzaam met uitgeven te wachten tot helder werd welke kant het met de dictatuur opging.

    Of het boek nu ontsnapt is aan de aandacht van de generaals of dat die het als een onschuldige fantasie beschouwden, het gold volgens Lemmens voortaan als hét verzetsboek in Brazilië. Veiga zelf vond het best dat de lezers zijn boek als metafoor van en aanklacht tegen de dictatuur interpreteerden, want was het leger niet ook een plaag? Mogelijk heeft Veiga bij het schrijven eerdere staatsgrepen en dictaturen in Zuid-Amerika voor ogen gehad. Zo niet, dan is voor de lezer die zijn zintuigen wil laten strelen deze fantastische geschiedenis toch een feest.


    De drie plagen van Manirema

    Auteur: José J. Veiga
    Vertaald door: Harrie Lemmens
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 14,99