• Uit de hand gelopen

    Uit de hand gelopen

    Een boek lezen en dan de vergelijking met het eten van koekjes, krokant, zoet, met citroensmaak. Je blijft pakken, happen, de tanden in het krokante, het zoet, waarna het licht zure vrijkomt. En dat telkens opnieuw. Ik lag geïsoleerd in mijn kamertje, het hoofd vrij van dingen, en werkte me gretig de wereld van Joost Zwagerman binnen. De biografie is zo nu en dan een verwarrend geheel, het begint enigszins chronologisch, maar dat lijkt algauw niet te werken voor het leven van Zwagerman. Waarna feiten, en jawel, fictie uit het leven van de schrijver, nogal door elkaar lopen. Maar terwijl ik lees, stijgt mijn bewondering voor de biografe die uit de vele verwarrende levenslijnen van de schrijver een geweldig wervelend literair tijdsbeeld heeft opgetrokken. Ondanks de soms overdoses aan informatie, herhaling van feitelijkheden, overviel me hoe knap dit was en nam ik alles voor lief.

    Dat was zondag. Oh oh oh, appte een vriend die gevraagd had of ik ook naar het interview met Zwagermans biografe, Maria Vlaar ging. Snotterend en proestend appte ik hem dat ik wel wilde maar in de lappenmand lag. Dat nu de klus geklaard was, alles verdragen was (verhuizen is de dingen verdragen) stortte het bouwwerk van voortgaan en ‘alles komt goed’ in elkaar. Ik bleef het best in bed. Met Zwaag,  de omvangrijke, krap anderhalf kilo wegende biografie. En stiekem geloofde ik dat ik die dag om drie uur, wanneer het interview met zijn biografe zou beginnen, er bij zou kunnen zijn. Als ik lees lacht de wereld me toe, word ik overmoedig. Ik was al tot pagina 255 gekomen.

    Kruik aan mijn voeten, gefilterd zonlicht door de gordijnen, het geluid van zoevende auto’s door de laan waar ik nu dus woon, las ik verder over de jaren dat Zwagerman debuteerde met de Houdgreep, leurde met gedichten, korte verhalen en ideeën voor een roman bij verschillende uitgevers. Die daar onderling weer onmin over kregen. Een kort verhaal publiceren in het literair tijdschrift van de ene uitgeverij, een contract voor een boek bij een andere uitgeverij. Ruzie maakte met Roderik Six die een slechte recensie (maar dan zijn we opeens in 2014 beland) over Americana had geschreven voor het tijdschrift Knack. Hoe De schrijver op zulke momenten direct in de pen (computer) klom. Schreef dat Six een ‘luie recensent’ was. En, ‘De man verzint, verdraait en marchandeert uit voorbedachte rade.’

    Maar dat ‘unstoppable’ leven van een man die de wereld naar zijn hand wilde zetten. Bij DWDD wilde hij alleen over kunst komen praten als Matthijs van Nieuwkerk hem niet in de rede zou vallen. Een man die als schrijver begon en de literaire wereld wilde veroveren, werd presentator op radio en tv, BN’er, politiek- en kunstduider. En dan was er steeds die ene roman in wording. Hij verspreidde het nieuws dat hij er mee bezig was, maar waarvan geen letter op papier stond. De vetes met recensenten als Michael Zeeman, Arjan Peters. Ruzies met uitgever Wouter van Oorschot, verbroken vriendschappen. Alles omwille van de literatuur. Ik krijg met hem te doen, begrijp het wel. Als je dingen hoog hebt te houden, is de uitputting steeds nabij.

    ‘De zoon, de schrijver, de lezer, de minnaar, de bewonderaar, de zieke en de boetedoener.’ Al die levens vervulde hij met verve, tot het niet meer ging. ‘Om na te denken heb je overzicht een weidsheid nodig.’ Daar ontbrak het Zwagerman aan. Toch, nu ik het geheel overzie, ben ik begaan met deze schrijver die zo zijn best deed maar steeds een verkeerde afslag nam.

    Dat literatuur om betekenis gaat laat Vlaar bovenal zien. Het schrijverschap van Zwagerman wordt op een meer dan betekenisvolle manier geduid. Hoe zijn gemarchandeer, zijn gewenste zelfbeeld (man uit een stuk)  in zijn romans is terug te vinden. En hoe dat hele uit de hand gelopen leven tot stilstand kwam. Bewondering voor de biografe die deze vaardig geschreven biografie afleverde. Biografie als een intense beleving.

     

    Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman /  Maria Vlaar / 768 blz. / Arbeiderspers


    Inge Meijer schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

     

  • Voortrazende realiteit

    Voortrazende realiteit

    In de verontrustende en duistere tijden waarin we leven is de blik van de dichter van grote waarde. Niet door het opgeheven vingertje, maar door een confronterende verbeelding die de actualiteit scheef trekt als de rechte lijn van de werkelijkheid niet meer voldoet. Zo ook in de bundel Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen van Pieter Boskma. De kloeke uitgave bevat 153 pagina’s met een indringende serie verzen over onze ‘condition humaine’. Verzen die in een nauwelijks bij te houden tempo aan ons voorbijtrekken:

    ‘Al lijken de dagen van het bloedvergieten ver,
    achter elke boom wordt een vlindermes geslepen.
    Het zwarte boek van oorlog wordt maar zelden
    dichtgeslagen, altijd steekt wel een vinger

    tussen de pagina’s van een vaderlandse nederlaag
    die gewroken moet. Wellust en wanenstrijd, bepaald
    geen feestje voor de kalmte, waar bleef de reddende engel
    in zijn boerenbont, genderneutraal profeetgewaad?’

    Barokke kwatrijnen

    Boskma is een verhalende dichter die de uitbundigheid en overdrijving niet schuwt. In zijn regels is duidelijk de ziel van de – mede door hem opgerichte – dichtersgroep Maximalen te herkennen. Deze club zette zich eind jaren tachtig af tegen het minimalisme in de dichtkunst; het ‘figuurzagen van fletse stillevens’ werd door hen de grond in geboord door een luidruchtige en overdadige poëzie, waarin de werkelijkheid in vele vormen en associaties de wereld in werd geslingerd.

    Dat is Boskma niet verleerd. In zijn barokke kwatrijnen ligt het absurdisme, vermengd met een bijtende ironie, overal op de loer. De zogenaamde verteller bevindt zich in de vrije natuur en al wandelend door het bos leegt hij zijn hoofd in een onafgebroken gedachtestroom. Alles komt voorbij in de meest uitzinnige samenstellingen: pornotheken, eigennestbevuilers, MeToo’tjes, deepfake, kadaverknagers, mengbloedkroost, broeikasmolochs, voetvolkgejodel. Met zijn ratelende zinnen neemt de dichter de samenleving op de korrel. Zwartgallig en lichtvoetig tegelijk, de voorgehouden spiegel is confronterend, maar de ingebakken humor maakt deze gedichten meer dan draaglijk.

    Cynische oaseberichten

    De kwatrijnenreeksen staan onder de titel ‘Oaseberichten’ door de bundel verspreid. Dat is cynisch bedoeld, helemaal in de stijl van Boskma’s dichtwerk. Deze verzen benoemen als boodschappen uit onze gemeenschappelijke oase, ons collectieve toevluchtsoord waar rust en regelmaat zouden moeten heersen, is een contrast dat de lezer in eerste instantie op een verkeerd been deze bundel in trekt:

    ‘Schaarser de lichtbrengers, dazer de zwartkijkers
    en de azijnpissers over de kinderbloed drinkende,
    elk wezen met een opening verkrachtende elite
    in de kronkelkrochten van de algoritmefuik.

    Ja, lieve kinderen, zo was het ooit in de wereld,
    schrik maar niet te hard want die tijden hebben we gehad.
    Heden lepelen dichtersvorsten dikke ballen uit de soep,
    van vleesvervangers hoor, de carnivoor is uitgestorven –’

    Dode schrijversvrienden

    Het voortrazende tempo waarmee de dichter zijn licht op de realiteit laat schijnen, wordt op een aantal plekken onderbroken door een gedicht onder de verzamelnaam ‘Intermezzo van de dood’. Hier worden de schrijversvrienden van Boskma geëerd die in de afgelopen jaren zijn overleden. De bijzondere in memoriams vormen een subliem rustpunt in de hectische wereld die in de Oaseberichten wordt beschreven. Het is een constructie die de samenstelling van deze bundel tot een hoogtepunt maakt.

    In het vierdelige vers voor Joost Zwagerman is de verontwaardiging over diens zelfmoord voelbaar: ‘Je verdiepte je hardnekkig in de zelfgezochte dood,/ dat houdt niemand vol. Het einde gaat dan wenken/ als een wit verlichte vriend die je de stilte in zal leiden./ Wie te vaak denkt aan eigen hand gaat door eigen hand.’

    Ter nagedachtenis aan de in 2021 overleden dichter Hafid Bouazza volstaat een uitgebreid kroeggesprek waarin vooral het geheugen van de beide dichters het laat afweten. De conversatie is hoorbaar gedrenkt in alcohol en vol wederzijdse misvattingen.

    Het sluitstuk van de bundel is een in memoriam voor Remco Campert onder de noemer ‘Epiloog van de dood’. Boskma vermengt een aantal bijzondere kenmerken van de overleden dichter met frasen uit diens poëzie. Het resultaat is een wonderschoon en intiem naschrift dat recht doet aan Campert en tegelijkertijd deze bundel op een monumentale manier afsluit:

    ‘Dichter

    Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
    ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
    leunt op zijn wandelstok voorover,

    ziet de wilde manen van verschoten kameraden
    recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
    een volmaakt bevrijde dinsdagmiddag in april,

    en voelt de tijger in hem altijd nog de klauwen uitslaan
    naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld
    vliegen kan, en man en muis de profetie beamen:

    “Dichter? Dichter gaat niet dood.”

    Misschien omdat hij al die jaren nauwelijks verouderd is
    en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen,
    misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet,

    opdat altijd weer langs het lange smalle water,
    altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
    altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,

    en dat die altijd maar, oh
    dat die voor altijd… En hij richt zich
    langzaam op en loopt vlug weer door.’

     

     

  • Onzekerheid

    Onzekerheid

    Het weer zit nog steeds niet mee, de donkergrijze luchten, de somberte en die kletterende buien. Ik kom nergens; oefening in quarantaine voor als het coronavirus komt. Ik las God en de sociale dienst van Mizee, een strijd met de sociale dienst, en haar God: scenariodocent op de schrijversvakschool. In bed lees ik Blauwe nachten van Joan Didion. Over de dood van haar dochter Quintana, de bloemen in de lange haren van haar kind, handen die elkaar raken, wang tegen wang.
    En ’s ochtends de krant. In de Trouw van donderdag een foto op de voorpagina van Arielle Veerman, ex-vrouw van Joost Zwagerman. Het trok mijn aandacht. Ik ben niet heel bekend met het prozawerk van Zwagerman. Wel met zijn columns, essays en als gedreven kunstkenner. Het interview gaat over een boek dat Arielle Veerman geschreven heeft, over de periode dat zij zich gedemoniseerd voelde, dat het nu tijd is voor haar kant van het verhaal. En ja, ik was ook wel benieuwd naar haar verhaal.

    Ik herinner me een filmpje waarin Zwagerman op een houten bank op een winderige dijk in Tuitjenhorn zit. Na de scheiding had hij zich daar teruggetrokken in hun vakantiehuisje. Hij zei zoiets als, ‘Tja, daar zit je dan,’ verweesde blik in de ogen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar dat het aan zijn ex lag, begreep de kijker wel. Hij had het in ieder geval niet zien aankomen. De dingen keerden zich, hij begon een jarenlange hetze tegen haar in ellenlange nachtelijke mails.
    In Blauwe nachten schrijft Joan Didion: ‘Kan het zijn dat we pogingen doen om verlating te vermijden? Kan het zijn dat dergelijke pogingen worden bestempeld als “krampachtig”? Moeten we ons de vraag stellen wat daarna gebeurt? Moeten we ons de vraag stellen welke woorden vervolgens opkomen? Is een van die woorden niet “angst”? Is een ander woord niet “onzekerheid”?’

    Er zijn boeken die geschreven moeten worden, Arielle Veerman moest De langste adem schrijven, de andere kant van een leven zichtbaar maken. De rafelige randen en de onvolkomenheden die de ontoereikende mens in dit alles laat zien. Denk aan de achterkant van een stad gezien vanuit de trein. De verveloze kozijnen, vergeten wasgoed en vuilcontainers, gammele schuurtjes, grauw beton, incompleet meubilair. Dingen die verborgen blijven, maar om een beeld compleet te maken gezien moeten worden. Een momentum in een leven, er moet gesproken worden en van de doden niets dan goed. ‘Mijn drijfveer was:’ zegt Arielle Veerman, ‘begrijpen wat er is gebeurd. Ik heb niets weggegumd, ik spaar mezelf niet. Ik heb mijn eigen achtergrond, met gescheiden ouders en mijn jeugddepressie; ook die maakt dat ons gezamenlijk leven zich zo heeft ontwikkeld.’ Een openhartig interview, het boek moet nog gelezen worden, daarover later meer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV of blijft binnen alwaar ze schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Verdoving

    Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.

  • Nieuwe essayprijs en lezing vernoemd naar Joost Zwagerman (1963-2015)

    Uitgeverij De Arbeiderspers en de erven hebben een nieuwe lezing en prijs in het leven geroepen die de naam van Joost Zwagerman gaat dragen, zou vandaag 54 jaar zijn geworden.

    Volgend jaar (18 november 2018) zal op de 55ste geboortedag van Joost Zwagerman in Alkmaar de eerste Joost Zwagerman Lezing worden gehouden. Het betreft een jaarlijkse lezing van een vooraanstaande schrijver, journalist of beeldend kunstenaar van internationale betekenis waarbij er gereflecteerd wordt op het belang van beeldende kunst, literatuur en de relatie tussen die twee. Met deze jaarlijkse lezing wil de stad Alkmaar, waar Zwagerman geboren is, ‘zijn literaire zoon eren en zijn gedachtegoed op stimulerende wijze levend en actueel houden’.

    Essayprijs
    In de geest van Joost Zwagerman willen De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de Van Bijlevelt Stichting essayistisch talent stimuleren. Zij namen het initiatief tot de Joost Zwagerman Essayprijs, een jaarlijkse literaire onderscheiding voor beginnende essayisten die nog niet in boekvorm hebben gepubliceerd. De inzending is vrij. De prijs bedraagt 7500 euro en zal voor de eerste keer worden uitgereikt tijdens de bijeenkomst van de Joost Zwagerman Lezing op 18 november 2018 in Alkmaar.

    De Joost Zwagerman Lezing is een initiatief van Stedelijk Museum Alkmaar, Bibliotheek Kennemerwaard en TAQA Theater De Vest/ De Grote Kerk Alkmaar en wordt mede mogelijk gemaakt door de Gemeente Alkmaar.

     

    Foto: Keke Keukelaar

     

  • Rik Zaal bezocht in 1993 schrijver Joost Zwagerman 1963 – 2015

    Deze maand is het twee jaar geleden dat Joost Zwagerman overleed. In 1993 bezocht Rik Zaal, de toen 30-jarige Zwagerman in zijn woon- en werkhuis in Amsterdam. Ze praten over zijn roman Gimmick, over zijn schrijfritme en over uitermate slecht slapen, over het feit dat hij niet is veroordeeld tot een werkkring, want de schrijver schrijft alleen. Waar dat slechte slapen dan ook weer een gevolg van was. En over onzichtbaar leven op zijn twintigste, wat in Amsterdam mogelijk was.

    In memoriam Joost Zwagerman

    Met dank aan AT5.

     

  • Alomvattend schrijverschap

    Ongeveer een maand geleden kocht ik de boeken van Joost Zwagerman. Op een zaterdag heb ik van elf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds een busje volgeladen met zijn boeken. Kast voor kast, plank voor plank zag ik waarmee Zwagerman zijn schrijversleven stutte – Amerika, kunst, popmuziek, cultuurgeschiedenis, literatuur – om een paar van zijn thema’s te noemen. Psychiater Bram Bakker schreef in een van zijn boeken een opdracht aan Zwagerman: ‘Voor de man die alles al weet.’ De schrijvende en sprekende alweter die op enthousiaste en soms zelfs evangeliserende toon sprak over zijn passies.

    Wat me opviel tijdens de vele uren sjouwen met zijn boeken, was een wat meer frikkerig thema dat we minder goed van hem kennen: de hoeveelheid boeken over ‘het vreemde vermaak dat lezen heet’ (S. Dresden). De schrijver was natuurlijk ook een lezer. Een lezer van romans, van essays, van studies, van kunstcatalogi, over filosofie, spiritualiteit, psychische stoornisssen  en ga zo maar door. Zwagerman was ook een lezer over het fenomeen dat lezen zelf is. En dat, wat hij las, uiteraard ook weer gebruikte in zijn eigen werk. Zo lijkt de titel, de inhoud en het omslag van zijn essaybundel Pornotheek Arcadië (2000) best veel op Pornocopia van Laurence O’Toole (1998) dat in zijn boekenkast stond. Veelzeggend is de opening van Zwagermans essaybundel waarin hij het heeft over het writer’s block van Otto Vallei. Vallei was het hoofdpersonage in zijn daarvoor gepubliceerde roman Chaos en rumoer. Ik denk dat het een mechanisme van Zwagerman was om te schrijven over dat wat hem flink bezig hield of zelfs angstig bekroop. Van porno tot zelfmoord, het fascineerde en domineerde hem.

    Het is een unieke en veelomvattende boekencollectie waarin ik al een maand bijna dagelijks verdwaal. Het is echt heel veel. Zijn roman Zes sterren heb ik voorlopig maar van mijn nachtkastje gehaald en in de boekenkast gezet. De nadrukkelijke afwezigheid en de indirecte aanwezigheid van Zwagerman is overdag al zo’n overweldigende en krachtige invulling van mijn werkzame uren, dat ik hem in de avonduren even laat liggen. Ik voelde me wel schuldig want in Zes sterren schreef hij dat zelfmoord betekent dat de mensen er van wegvluchten, ook al zal dat voor zijn naasten, helaas, onmogelijk zijn. Maar ja, het lezen gaat door en ik pakte op weg naar bed een boek van Gerrit Komrij en las over en lachte om zijn bespiegelingen over stront: ‘We zeulen, al kijken we op de eenzaamste kaap naar de indrukwekkendste zonsondergang, onze drol met ons mee.’ Blijkt de volgende dag, dat als ik toch weer in een Zwagerman blader (Het vijfde seizoen), hij het ook heeft gelezen en er, natuurlijk, over schreef. Alomvattend schrijverschap.

     

    Joot.nl

     

  • De laatste keer

    Net voor ik gisteren vroeg in de ochtend naar Londen vertrok om een aantal jaren vijftig vintage prints te kopen, wierp ik snel een blik op de voorpagina van de Volkskrant. Ik ben verbijsterd bij het zien van de grote zwart-wit foto van Joost Zwagerman. Hij heeft zich het leven benomen. Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Hij leed aan het leven,  teveel om aan te kunnen.

    Afgelopen voorjaar was het de laatste keer dat ik bij hem boeken ging kopen. Hij was vergeten dat ik zou komen. Bezig met z’n laatste boek, zoals nu blijkt. Over licht in de kunst, De stilte van het licht. Ik kon een aantal boekendozen bekijken en meenemen. De grote bups zou later komen. Met een van zijn zoons zou hij de kunstboeken gaan rangschikken en zou ik weer langs mogen komen in zijn Haarlemse huis.

    Joost noemde mij Joost. Waarschijnlijk niet omdat hij zo heette, maar vanwege de gelijkenis met JOOT. Naar de naam Joost luister ik overigens ook als ik op inkoop ben bij de oud-museumdirecteur. Die noemt mij ook af en toe zo.

    Zwagerman was een aimabele kerel. Hij vertelde dat hij mogelijk weer zou verhuizen naar Amsterdam. Een paar jaar geleden las ik over zijn scheiding en dat hij  ergens in een vakantiehuisje woonde en dat hij een slechte periode doormaakte. Ik voelde verwantschap. Dat klinkt misschien pathetisch, maar het voelde wel zo. Ik was ook net gescheiden en woonde op een zolderetage. Hij voelde dat het langzaam weer beter ging, maar de foto bij dat krantenartikel was treffend. Donker van kleur en sfeer: een man alleen, in een huisje, een lichtplek en verder niks, de donkerte om hem heen, zoekend naar eigenwaarde. Zo zwart als hij het leven toen zag, heb ik het gelukkig nooit ervaren.

    Dat hij zo enthousiast en gedocumenteerd over kunst sprak en schreef, was mooi om naar te luisteren en te lezen. Het heeft hem mogelijk getroost, dat dacht ik althans. Tot ik in een Engelse trein vandaag het volgende las van Stefan Hertmans, in zijn bundel Steden. Schrijvend over Hölderlin:  ’Een vergelijkbaar effect had het licht van de Provence op Van Gogh; de melancholicus wil begrijpen wat de oorsprong is van dit overweldigende effect van het zichtbare en kiest fataal verkeerd, dat wil zeggen: niet voor het gedachteloos ondergaan, maar voor de altijd pijnlijke vraag naar de wijkende ervaring van dit bevreemdende gevoel zodra je het wilt vatten – een vergissing die voortkomt uit het feit dat mensen met aanleg voor neuroses niet kunnen aanvaarden dat de aangename bijwerkingen van landschap en klimaat geen hogere betekenis hebben.’

     

  • In memoriam Joost Zwagerman 1963 – 2015

    Gisteravond werd bekend dat schrijver, columnist, essayist en kunstcriticus Joost Zwagerman een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Hij zou in november 52 jaar zijn geworden.

    Het bericht werd bekend nadat hij dinsdagavond niet verscheen in het radioprogramma Opium op 4 waar hij zou praten over zijn nieuwe essaybundel over kunst, Stilte voor het licht. Volgens Carel Peeters in Vrij Nederland van vorige week staat in dit boek ‘alles in het teken van niets of weinig: Het gaat over stilte, over het niets, over het wit, over de leegte, het ontbrekende en het verdwijnen.’ Voor het radioprogramma had hij zijn muziekkeuze al bekend gemaakt. Deze muziek werd gedraaid nadat het bericht binnen kwam dat Zwagerman niet meer zou komen. In de media werd geschokt gereageerd op zijn dood.

    Hoewel Zwagermans last had van depressies, kwam zijn dood voor iedereen als een donderslag bij heldere hemel. Hij had nog veel plannen en ideeën voor nieuw werk. Dit voorjaar was hij van de Arbeiderspers overgestapt naar Hollands Diep, de nieuwe uitgeverij van Robbert Ammerlaan. In 2017 zou daar zijn nieuwe roman verschijnen. Samen met Connie Palmen en Arnon Grunberg behoorde Joost Zwagerman tot de meest gelezen schrijvers van zijn tijd. Zijn werk werd in twaalf landen vertaald waaronder Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Tsjechië en Japan. In 2008 ontving hij de Gouden Ganzenveer voor zijn gehele oeuvre.

    Zwagerman heeft ruim 46 titels op zijn naam staan. Nadat hij in 1986 debuteerde met De houdgreep verscheen in 1989 Gimmick! waarmee hij een breder publiek bereikte. Het boek geeft een beeld van de uitgaanscultuur en kunstenaarswereld van Amsterdam. Vals licht, (1991) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en in 1993 verfilmd door Theo van Gogh. Ook De buitenvrouw (1994) bereikte de longlist van de AKO Prijs. Verder verschenen nog:  Tomaatsj, novelle (1996), Chaos en rumoer, roman (1997 ), Het jongensmeisje, verhalen (1998 ),  Zes sterren, roman (2002 ) en in 2010 schreef hij het Boekenweekgeschenk, Duel. Ook schreef hij een zevental poëziebundels waarvan de laatste Voor alles in 2014 verscheen. Voor de NRC en de Volkskrant schreef hij columns  en kunstkritieken.

    Negen toonaangevende, oudere auteurs, onder wie Gerrit Komrij, Harry Mulisch, Adriaan van Dis en Marga Minco, publiceerden in 2000 een schrijversestafette getiteld De schrijver. De negen schrijvers kozen Zwagerman als schrijver van de jongere generatie om het feuilleton af te ronden. Dit resulteerde in het boek De Schrijver (Bezige Bij).

    Begin dit jaar maakte hij zijn privé-archief, van bijna tien strekkende meter, openbaar. Hij schonk foto’s, dagboekfragmenten, contracten, persoonlijke correspondentie en handgeschreven versies van romans als Gimmick! en Vals licht aan het Letterkundig Museum in Den Haag.

     

     

  • Het verlangen naar hevigheid

    Het verlangen naar hevigheid

    Wie Pieter Boskma zegt, zegt Maximalen en wie Maximalen zegt, zegt Joost Zwagerman. Het is dan ook niet toevallig dat Zwagerman een bundel met gedichten van Boskma samenstelt en in een aanvullend essay als enthousiast pleitbezorger van diens poëzie optreedt. Boskma, dichter van lyriek uit het hart, van de vitale poëzie, wordt geïntroduceerd door Zwagerman als een dichter die de lezer de poëzie wil laten beleven. De keuze van Zwagerman is gedaan uit het arsenaal aan bundels dat Boskma inmiddels uitgegeven heeft; van de bundel Quest uit 1987 tot en met Puur uit 2006. De titel Altijd weer dit leven is afkomstig uit de bundel Simpel heelal waarin het voorkomt als titel van een uitgebreide cyclus van drie gedichten. Het motto bij deze cyclus is van Dylan Thomas:

    ‘Oh as I was young and easy in the mercy of his means,
    Time held me green and dying
    Though I sang in my chains like the sea.’

    In de titel klinkt de verzuchting door die we ook lezen in het gedicht ‘Fern Hill’ van Thomas, een gedicht over pril geluk, over het verlies van de kinderlijke onschuld en de bewustwording van de eigen sterfelijkheid. In de gebruikte strofe, de laatste in het gedicht, wordt deze onschuld gerelativeerd. Het zingen in ketens, als de zee: altijd weer dit leven. Het geeft tegelijkertijd iets weer over het verlangen naar hevigheid, het ‘ontketenen’ om het maar zo te zeggen. Hier dichtte Boskma al over in het vroege bundeltje Virus, virus, dat hij samenstelde met bevriend dichter Paul van der Steen:

    ‘Soms na een werkdag voor het huis
    verbeten naast elkaar gezeten
    wordt een schedel wel gespleten
    en verkoold in het fornuis:
    één verdomt het eeuwig amen.
    Maar het wordt steeds weer dag en blijft bij beramen.’

    En hier komt de laatste regel weer terug als de relativering zoals we die ook bij Thomas lazen. ‘Maar het wordt steeds weer dag…’ ofwel: altijd weer dit leven.

    Deze tegenstelling is typerend voor Boskma werk. De contrasten zijn groot, hij schrijft opzwepende, muzikale verzen in alledaagse taal over mythische zaken in een ordinaire wereld. Antropologische expedities brengen hem en zijn poëzie naar alle uithoeken van de wereld, maar de tegenstelling blijft, zoals tussen thee in Japan en Holland, tussen cafés in Granada en Lapland. Boskma’s poëzie is onvoorspelbaar, soms platvloers, origineel, verheven of alledaags maar… altijd onvoorspelbaar. Sommige gedichten lezen als een dagboek door het vele ik-gebruik, andere als een poëtica. Maatschappelijk geëngageerd willen ze niet zijn, maar herkenbaar en treffend wel. Desalniettemin overtuigt de poëzie niet altijd, bijvoorbeeld wanneer Boskma aanleunt tegen Herman Gorters poëzie, waar hij op z’n zachts gezegd door beïnvloed is.

    Je bent zo stil en zacht dat ik
    zo stil dat ik zo zacht en dat
    je bent zoals ik soms opeens
    en dan van kleuren heel de nacht
    en dat er stil een zachter ik
    dan jij opeens gesloten lacht

    Het bekende ‘Ik vin je zoo lief en zoo licht’ druipt van de woorden. Of het mooi is, jazeker, maar té herkenbaar, wellicht te gemakkelijk. Boskma speelt niet alleen met de stijl van Gorter, hij kopieert hem bijkans. In het aanvullende essay ziet Zwagerman dat anders, van hem mag het allemaal. Een heel duidelijk argument geeft hij er niet voor. Zwagerman: “de sensitieve verzen van Gorter worden in ere gehouden maar tegelijkertijd onherroepelijk vermengd met het overbewustzijn dat de dichter van de eenentwintigste eeuw aankleeft.” En jawel, hij geeft toe dat Gorter soms opzettelijk wordt verbasterd, maar zet dat aan de kant als een ‘plagerij’. Dat Boskma een goed imitator is, zo leert Zwagerman ons, bleek wel toen er plotseling twee gedichten van Achterberg in het blad Awater opdoken. Uiteindelijk werd duidelijk dat redactielid Boskma ze geschreven had; ze waren echter zo misleidend dat er door verschillende critici hevig enthousiast op werd gereageerd. Later mokte onder andere Marjoleine de Vos in de NRC over deze lichtzinnige grap; ze vond dat de redactie van Awater de poëzie tot kermisattractie maakte.

    Uitsluitend Maximaal is Boskma niet. Hij is authentiek en eigenzinnig. Hij neemt risico’s in zijn zoektocht naar hevigheid. Maar ook grijpt hij terug op voorgangers, op Nijhoff, Achterberg, Marsman en soms op Lucebert. De poëzie is expliciet, knarsend hard of teder zacht. Naast Maximaal is hij misschien vooral een romanticus. Maar ook dat gaat weer niet volledig op, want het mytische ‘Meisje’ stapt heel aards in de tram, engelen masturberen of hij hoort het geluid van de buurman:

    ‘De tijgers achter het behang
    trekken hun nagels al in.
    Gebrul? Welnee. Buurman. Wc.’

    Hij maakt wilde bewegingen, laat zich niet in keurslijf vangen maar schrijft gedichten, bundels die bestaan uit contrasten alsof zij steeds uit hun voegen wil breken. We lazen daarnet de woorden van Boskma in de stijl van Gorter. Het gedicht slaat na de zojuist geciteerde strofe om, even onvoorspelbaar als al zijn gedichten:

    ‘Je bent zo kil en hard dat ik
    zo kil en ook zo hard en dat
    je bent zoals ik ook opeens
    niet langer meer wil zijn.’

    Onvoorspelbaar dus, worstelend tussen schijn en werkelijkheid. Een bijzondere bundel, over het verlangen naar hevigheid. Omdat er zoveel is, maar altijd weer dit leven. Of: “Though I sang in my chains like the sea.”

     

  • Pfeijffer meets Van Wissen

    Pfeijffer meets Van Wissen

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Een van de leukste gebeurtenissen van de afgelopen weken was de verkiezing van de Dichter des Vaderlands. Driek van Wissen, hij woont bij mij om de hoek en fietst regelmatig langs, vriendelijk zwaaiend, gaf de hele moderne dichterskliek het nakijken. Van Wissen is immers niet hot, hij is niet de grote taalvernieuwer: Van Wissen schrijft ambachtelijke verzen en het volk waardeert dat. De andere deelnemers keken beteuterd bij de bekendmaking van de nieuwe Dichter des Vaderlands, alsof een ietwat onwelriekende, niet welkome oom opeens opduikt bij het familiediner. Wacht eerst maar af wat Van Wissen gaat doen.

    Een van de grootste criticasters van Van Wissen was Joost Zwagerman. Zijn nieuwe bundel (met cd, ingesproken door Hans Teeuwen) Roeshoofd hemelt zag onlangs het licht. De bundel is eigenlijk een lang verhaal in versvorm over de hoofdpersoon Roeshoofd, die zijn naam zegt het wel heel erg duidelijk verward raakt in een enorme supermarkt, de T-markt. In de T-markt kun je alles kopen, van producten tot gevoelens: alles is er. Roeshoofd raakt verward, draait door komt in een gesticht terecht, draait verder door, komt voor de rechter en sterft uiteindelijk.

    Een mooi uitgangspunt voor een groot episch vers. Met een citaat uit De Aleph van Borges zet Zwagerman dan ook hoog in. In de vorm weet hij uiteindelijk niet te kiezen (dat blijft ook in het prozawerk zijn constante makke). Groots uitwaaierende verzen als het de T-markt betreft, Lucebert geklutst met Pfeijffer en strakke kwartijnen en zelfs sonnetten als hij de wereld in de inrichting beschrijft. Chaos tegenover orde, zowel in het brein van Roeshoofd als in de vorm van het gedicht. Of:

    …sluipend, dieselend, in vertraagde ganzenpas,
    bloem in knoops, niet-voor-één-gat-te-vangenslangachtig,
    ogen hemelwaarts (van alle ciderhemels de meest linkse,
    die in de schaduw van humhumliedjes populieren van thuis)
    en gedragen door ouders vrienden onderwijzers monkelaars,
    etc. etc.

    tegenover

    halfbange gezichten tijdens bezoek
    vragen me roeshoofd wat mis je het meest
    is het soort lulvraag dat ik vervloek
    als antwoord doek ik mij op in mijn geest

    Beide vormen overtuigen niet. Het spel dat Pfeijffer nu en Lucebert vroeger speelt met taal, levert poëzie op die danst en zingt, ook al snap je er af en toe geen jota van. Bij Zwagerman proef je dat hij het kunstje nadoet, maar je komt als lezer niet onder de indruk van de taal. Zwagerman gebruikt veel moeilijke woorden, veel nieuwe woorden, hij verwijst naar de hele Nederlandse poëziewereld (‘Boeldaghallen annex schedelveld plus koeler maan./ Erg grote uitsterfdieren. Melkwegstelsels van appels die graag blozen.’ ‘alleen in mijn verkalking kan ik wonen’), maar zijn regels blijven starre bedenksels.

    Dat blijkt misschien het meest uit de gedichten die een vaste vorm hebben. Je mag dan kritiek hebben op Van Wissen die alleen maar gebruik maakt van eindrijm, als je het zelf als vorm inzet moet je toch iets originelers neerzetten. Dat gebeurt niet, kijk maar naar de volgende reeks rijmwoorden uit twee gedichten: aan-kleuren-aan-gebeuren-trillen-erbij-gillen-slagzij-bed-afgepakt-gezet-verzet-verzwakt-sonnet (blz. 29) kont-kwijl-opwond-geil-spoot-verlaten-dood-praten-bevond-macht-rond-dromen-verkracht-fantomen (blz. 97). Ik denk niet dat Driek van Wissen afgunstig zal zijn.