• Een wankelende wereld

    Een wankelende wereld

    Alle tijden zijn onzeker is de nieuwste roman van Joke van Leeuwen. Een grote klimaatramp speelt een rol, er is sprake van polarisatie, wantrouwen in wetenschap, en er worden complottheorieën aangehangen over orgieën met zelfs kinderen en een bad vol kinderbloed. Kinderen worden bij hun ouders weggehaald omdat dat beter voor hen zou zijn, er vindt exorbitante zelfverrijking plaats, er is ‘geen man die deugt’ en ergens op een muur staat ‘Ga trug nar je eige lant’. Van Leeuwen heeft dus een bijzonder actuele roman geschreven zou je denken. Maar schijn bedriegt, want Alle tijden zijn onzeker speelt in het Parijs van enkele jaren voor de Franse Revolutie, in 1783 en 1784. Onzekere tijden zijn blijkbaar van alle tijden.

    De prachtige en verzorgde schrijfstijl van de de 72-jarige schrijfster, is het eerste wat opvalt. ’In de vroege zomer van 1783 vliegen de merels en spreeuwen rusteloos boven de daken van die ene hoofdstad waar de rivier als een kromme ruggengraat doorheen stroomt.’ De geboren Nederlandse die sinds haar dertiende in België woont, schrijft en illustreert al meer dan vijfendertig jaar kinderboeken, romans, non-fictie en poëzie en haar werk is vele malen bekroond. Ook in deze roman is haar poëtische taalgebruik een lust om te lezen. Ze verstaat de kunst van wat ze zelf de ‘nadenkende lichtheid’ noemt, een term van Italo Calvino die staat voor taal waarmee wezenlijke zaken op lichte wijze toegankelijk worden gemaakt.

    Mensen en omstandigheden

    De wezenlijke zaken waar het in dit boek om gaat zijn zaken van gewone mensen in het 18e eeuwse Parijs én die van vorst Lodewijk XVl en zijn Oostenrijkse vrouw Marie-Antoinette. Parijzenaar Gaston D. lijdt na het overlijden van zijn vrouw dertien jaar eerder aan godsdienstwaanzin. Hij verkondigt op straat vanaf een houten kistje de boodschap van de Allerhoogste. De jonge dakloze wees Pierre wordt zijn ‘discipel’, ook al weet hij zelf niet zo goed wat dat is. Pierres vader verliet het gezin al vroeg voor een andere dame en zijn moeder is aan de pokken overleden. Hij is een onzekere zoekende tiener, niet dom maar wel beïnvloedbaar en naïef. Daarnaast is er Vince, de vrolijke, nieuwsgierige en creatieve echtgenoot van kostwinner Marie die in de drukkerij van haar vader werkt. De alwetende verteller laat de personages elkaar tegenkomen zonder dat ze het zelf weten en maakt ook duidelijk dat de verguisde en gedemoniseerde ‘Buitenlandse’ Marie-Antoinette een totaal eigen perspectief heeft en speelbal is van haar eigen en andere omstandigheden, die later tot de bekende bloedige ondergang van de Franse monarchie en henzelf zullen leiden.

    Een zo’n belangrijke omstandigheid is de uitbarsting van de zogeheten spleetvulkaan Laki op IJsland in 1783, de grootste uitbarsting op IJsland ooit die ruim een half jaar duurde. Op het Europese vasteland zijn de (klimaat)gevolgen van deze uitbarsting groot. Parijs en zijn bewoners hebben te lijden onder een verstikkend hete mistige zomer, een ‘herfst in verwarring’ en een ‘stervenskoude winter’. Deze toentertijd onverklaarbare fenomenen maken de onwetenden vatbaar voor allerlei verklaringen zoals het naderende einde der tijden, een komeet die naar de aarde snelt en buitenlandse aanvallen. Er zijn grote tegenstellingen tussen doem- en complotdenkers als Gaston aan de ene kant en een rationele wetenschappelijke zoeker als Vince aan de andere kant, personages die overtuigend en aanstekelijk worden uitgewerkt. Gaston lijdt onder zelfverwijt na het overlijden van zijn vrouw en vindt wetenschap grootheidswaan, Vince doet niets liever dan dingen uitpluizen en uitproberen en is juist van de wetenschappelijke verklaringen. Hij is een uitvreter bij de gratie van zijn vrouw Marie die de kost verdient en kan naar hartenlust experimenteren en zich verdiepen in de raadselen van elektriciteit en magnetisme.

    Zo kleuren mensen en omstandigheden een geschiedenis in. ‘De Buitenlandse’ die in Versailles baadt in exorbitante rijkdom valt in sommige opzichten niet te benijden. Van Leeuwen verstaat de kunst de lezer zelfs in haar en haar goede bedoelingen mee te laten leven. Op veertienjarige leeftijd wordt ze uitgehuwelijkt, in Frankrijk leeft ze letterlijk en figuurlijk in keurslijven. Ze doet haar best zich aan te passen, is begaan met arme kindertjes en houdt oprecht van haar eigen kinderen die ze graag wat meer zelf zou opvoeden. Ze weet dat ze bekritiseerd en bespot wordt, maar dat dat ondergrondse gerommel de opmaat is van een op handen zijnde figuurlijke vulkaanuitbarsting die zelfs de Franse monarchie op z’n grondvesten gaat laten schudden, kan zij natuurlijk niet bevroeden.

    Verzet

    In de drukkerij van haar vader werkt Marie zich een slag in de rondte. Vader is voor wat betreft zijn werk een opportunist. Hij drukt alles wat hem aangeboden wordt, dus ook spotprenten en ander opruiend en belastend materiaal over ‘de Buitenlandse’. Dat zijn enige dochter, een vrouw, de drukkerij draaiende houdt zint hem maar matig, helemaal omdat haar man Vince in zijn ogen een nietsnut is. Ontroerend is de beschrijving van de broze relatie tussen vader en dochter en hun strijd, die een climax bereikt als Marie een grens trekt bij een smadelijk en opruiend stuk over Marie-Antoinette: ‘Dit ga ik niet zetten […] ik heb nu al zoveel moeten zetten waar ik niet achter kan staan. Dit slaat alles.’ De breuk tussen vader en dochter is van korte duur want zij is toch zijn dochter. ‘Hij had haar willen omhelzen, maar zijn armen hadden dat niet goed geleerd.’ Haar man Vince blijft op zijn beurt bij zijn wetenschappelijk-kritische houding en weigert naar schoonvaders pijpen te dansen. De arme Pierre ondertussen, als slachtoffer van allerlei omstandigheden en van eigen misinterpretaties tot ‘eenzame wolf’ geworden, meent dat hij een belangrijke taak heeft uit te voeren. Hij wil niet naamloos sterven en realiseert zich dat het doden van een beroemd iemand door het doorsnijden van de hals hém bekend zal maken.

    Na de extreem strenge winter van 1783 breekt er toch weer een voorjaar aan. ‘Het koninklijke sneeuwpoppenhoofd glijdt langzaam en onontkoombaar van zijn romp en ploft neer op kasseien, en niemand die er de onbedoelde vooruitwijzing in ziet naar wat negen jaar later met het echte hoofd zal gebeuren.’ Zover komt het niet in deze roman die laat zien dat een geschiedenis of gebeurtenis vele perspectieven kent en waarin de lezer tussen de regels door niet om de onmiskenbare paralellen tussen toen en nu heen kan. Joke van Leeuwen heeft op de regels zelf met Alle tijden zijn onzeker een boeiende historische roman geschreven waar de lezer in meerdere opzichten iets van kan leren.

     

     

  • Oogst week 43 – 2024

    De Zieners

    Hannah, een dakloze Eritrese vluchtelinge moet in London zien te overleven. Eerst woont ze op een opvangadres in Kilburn, maar al snel slaapt ze onder een boom in een parkje in Bloomsbury. Van haar leven in Eritrea is niets anders over dan het dagboek van haar moeder, die jong gestorven is. Het verhaal dat erin staat, over de levensgeschiedenis van haar ouders, is niet makkelijk te verteren. In De zieners, een roman die uit een enkele alinea bestaat, belicht Sulaiman Addonia wat het betekent om een vluchteling te zijn in een stad als Londen, waarbij hij de hoogstpersoonlijke aspecten van het psychologische en seksuele leven van Hannah niet schuwt.

    Sulaiman Addonia (1974) woont in London. Eerder verschenen al twee romans van zijn hand, Als gevolg van de liefde, waarin een twintigjarige vluchteling verliefd wordt op een jonge vrouw die een burqa draagt, en Silence Is My Mother Tongue, een boek over een broer en zus die zich staande proberen te houden in de chaos van een vluchtelingenkamp. Addonia werd geboren in Eritrea en vluchtte in 1976 met zijn familie naar Soedan, waar hij zag hoe zijn vader vermoord werd. Samen met zijn moeder en jonger broertje leefde hij in Jedda tot hij in 1990 asiel aanvroeg en kreeg in Groot-Britannië. Meerdere van zijn boeken zijn genomineerd voor prijzen, waaronder de Lambda Literary Award for Bisexual Fiction en de Orwell Prize voor politieke fictie.

    De Zieners
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Na de zon

    Het is niet makkelijk te zeggen waar Na de zon van Jonas Eika over gaat. Het boek omvat vier korte verhalen, waarvan er een in twee delen is gesplitst. Ogenschijnlijk zijn de verhalen heel verschillend. In Cancún verlenen jonge jongens hun diensten aan rijke strandbezoekers. Een IT-consultant in Kopenhagen komt, na het missen van een werkafspraak, terecht in wereld die hij niet kent: de handel in derivaten. Een drietal dat als een gezin probeert te leven gaat gebukt onder verslaving, geldgebrek en de stress van de verwachte komst van een baby. En wat is er aan de hand met de rouwende oude man die geobsedeerd raakt met een vreemd voorwerp dat hij in de woestijn vindt? De vraag moet misschien niet zozeer zijn waar het boek over gaat, maar waar het óm gaat. Wat wil Eika ons vertellen met deze set verhalen?

    Jonas Eika (1991) is een Deense schrijver. Met hun fictie sleepte hen al een aantal prijzen in de wacht. Zo ontving hen de Bodil & Jørgen Munch-Christensen Prijs voor hun debuut, Lageret Huset Marie. En ook Na de zon werd bekroond, met de Michael Strunge Prijs en de Blixenprijs. Een van de verhalen eruit werd voorgepubliceerd in The New Yorker.

    Na de zon
    Auteur: Jonas Eika
    Uitgeverij: Koppernik

    Alle tijden zijn onzeker

    Het is 1783 en wetenschappelijke vernieuwingen en technologische ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Een luchtballon stijgt op, met mensen aan boord, de verschillen tussen arm en rijk zijn gigantisch en dat er ineens vaccinaties bestaan ziet niet iedereen als een zegen. Wie is er voor vernieuwing, wie is ertegen en hoe ziet dat eruit? In Alle tijden zijn onzeker brengt Joke van Leeuwen dat in beeld. Ze volgt Marie, een nuchter type en Vince, die veel speelser is, die hun eerste schreden zetten als stel. En dan is er nog Pierre, die zich verliest in zijn strijd tegen wat hij als het kwaad ziet. De paralellen met vandaag zijn niet toevallig.

    Joke van Leeuwen (1952) schrijft boeken voor kinderen en volwassenen. Ook is ze dichter en illustrator, maakt ze theaterprogramma’s en treedt ze op als performer. Eerder ontving ze onder andere de Theo Thijssenprijs voor haar kinderboeken, de C. Buddingh’-prijs voor haar dichtbundel Laatste lezers en de AKO Literatuurprijs voor het boek Feest van het begin.

    Alle tijden zijn onzeker
    Auteur: Joke van Leeuwen
    Uitgeverij: Querido
  • Met weinig woorden veel effect

    Met weinig woorden veel effect

    De naamloze ik-verteller in Ik dacht dat jij van Joke van Leeuwen is kunstschilder, zijn vrouw Zigi is violiste. Vanaf pagina één leren we hem kennen als iemand die tegen veel dingen niet bestand is. Hij kon niet tegen het huilen van zijn babydochter Lotta (die hij kreeg met zijn eerste vrouw), hij kan niet tegen buren, niet tegen het viool oefenen van Zigi en kan er ook niet tegen als Zigi ‘zo’ naar hem kijkt. Hij kan er überhaupt niet tegen als iets niet strookt met zijn wensen en verwachtingen. ‘Voor haar’, repareert hij het lek in de badkamerkraan ‘want zoiets kon ze dus niet.’ De tafel in de woonkamer is ‘mijn tafel’. Lotta at als peuter ’tergend langzaam’ en hij dacht dat ze ‘het expres deed, om te treiteren’. Na zijn scheiding geeft hij een tijdje les waarbij een van de leerlingen huilend wegloopt omdat ‘ze beter een trui kon gaan breien als ze dat tenminste wel kon. (…) Ik zei het misschien te dicht bij haar gezicht, maar zo erg is dat niet.’

    Als kind had hij ‘een vader die mij vertelde wat ik moest denken over de wereld. Hij had een stuk of zes in een mal gegoten meningen’, en zijn moeder stuurde hem op zijn zevende naar een psycholoog omdat hij zijn eten uitkotste boven zijn bord als hij het niet lustte. Toen al kleurde verongelijktheid en zelfovertuiging de ik-figuurs blik op de wereld. Met Zigi zit hij in bad en wil eruit ‘en ze antwoordde in van die slijmjurkentaal dat ik best wat meer in het nu kon zijn.’
    Dan zijn we pas op pagina tien. De neiging om een etiket te plakken op ’s mans gedrag is nauwelijks nog te onderdrukken.

    Psychisch landschap

    De roman Ik dacht dat jij is de elfde van creatieve duizendpoot Joke van Leeuwen. Al decennialang onderhevig aan wat zij haar scheppingsdrang noemt, publiceert ze tientallen kinderboeken, illustraties, romans, dichtbundels en vier non-fictieboeken, en staat ze geregeld op het podium met voorstellingen voor kinderen en volwassenen. Haar stijl is ‘pregnant’, zoals ze die zelf bestempelt op dbnl.org. ‘Als je je in drie zinnen precies kunt uitdrukken, waarom dan een hele pagina gebruiken? Ik voel me goed bij een pregnante manier van uitdrukken, in heldere taal.’ Die heldere taal voelt ook voor de lezer goed. Met haar rake zinnen en puntige humor roept Van Leeuwen hele werelden op, zoals die van de Franse revolutie in Feest van het begin (2012) en van Nederlandse emigranten uit 1847 in een tropisch land in De onervarenen (2015). Met Ik dacht dat jij blijven we dichter bij huis maar krijgen we wel een interessant psychisch landschap voorgeschoteld.

    In de relatie tussen de ik en Zigi lijkt Zigi de op- en aanmerkingen, het wantrouwen en de onterechte beschuldigingen, plus de ‘liefde’ van haar man lijdzaam te ondergaan. Ze is nog niet los van de charme die hij ook tentoon kan spreiden, heeft begrip voor zijn lichtgeraaktheid, doet suggesties hoe in contact te komen met dochter Lotta die hij al negen jaar niet meer ziet en vraagt hem mee te gaan naar concerten als ze moet spelen.

    Wie er aan zichzelf denkt

    Andersom is het anders. Reflecteren is de ik vreemd. Hij roept Zigi om naar een schilderij te komen kijken dat hij net voltooid heeft, maar zij zit in bad. Als ze later komt kijken staat het schilderij met de achterkant naar voren. Hij laat het niet zien. ‘Ze snapte niet dat ze zeurde en dat ze meteen had moeten komen, ze was duidelijk niet geïnteresseerd, ze dacht alleen maar aan zichzelf, Zigi.’ Hij levert schilderijen aan een nieuw te openen restaurant en al snel volgt er onenigheid met de twee eigenaren over de financiële afhandeling. Begrip van zijn kant is totaal afwezig, kwaad gooit hij het bijltje erbij neer, haalt zijn schilderijen terug.

    Voortdurend beweert hij dat hij van Zigi houdt. Hij koopt een blouse voor haar, verfraait de wand van haar oefenkamertje als zij een week weg is met het orkest, legt er dik tapijt neer en koopt een kastje voor haar muziek, doet er een lief briefje bij. Hij mist haar, het huis en bed zijn koud. Eten laat hij komen. In de prullenbak vindt hij een doorgescheurde ansichtkaart en ‘wist opeens zeker dat het een kaart van Lotta was, dat Lotta wèl kaarten terugstuurde en dat Zigi die onderschepte omdat ze er niet tegen kon dat ik een kind had en zij niet (…).’ De snippers aan elkaar gelegd ziet hij dat het een kaart van Zigi aan een vriendin was die ze niet verstuurd heeft, en hij concludeert: ‘Het was dus geen kaart van Lotta, maar wie zei me dat Zigi geen andere kaarten had kapotgescheurd als ze zo goed kon scheuren?’ Tegen die tijd vraag je je al lang af waarom Zigi nog in dat huis woont met die man.

    Geen time-out

    Van Leeuwen heeft aan weinig woorden genoeg om de tragedie op te roepen. Niets wordt uitgesponnen, de vertelde feiten spreken voor zich. Misschien juist daardoor dendert het boek binnen. Met twee zinnen duidt de auteur het stuklopen van het eerste huwelijk van de ik en in niet meer dan drie zinnen in het boek schemert de dreiging. Waarom de ik geen contact meer heeft met zijn dochter wordt tegen het einde van de roman duidelijk, als hij een plaats en een school in Oostenrijk heeft weten te achterhalen waar hij denkt Lotta te kunnen zien. Hij heeft er met Zigi een huisje gehuurd. Zij is met het orkest in Wenen en de ik reist er eerder heen zonder dat tegen Zigi te zeggen om Lotta te zoeken, wat op een debacle uitloopt. De ik is geschokt en verontwaardigd. Tegen Zigi zwijgt hij of liegt erover. Al eerder zijn ze op aandringen van Zigi naar een psycholoog geweest. Na dat bezoek zegt de ik dat ze niet time-out tegen hem moet roepen, dat zal ‘een verkeerd effect op me hebben, doe dat niet’. Zelfinzicht en empathie zijn geheel afwezig.

    De kracht van Van Leeuwens beschrijving is dat die laat zien hoe hulpeloos en eenzaam iemand met zo’n persoonlijkheidsstoornis eigenlijk is, naast het onmogelijke gedrag van de egocentrist die al geërgerd is als hij bij een benzinestation ‘alles zelf moet doen’. Hoe leeg zijn gevoelsleven ook. Iets van genegenheid voor zijn ouders en Lotta en Zigi bestaat slechts in een verre uithoek van zijn gemoed. Hij kan niet zonder Zigi. Als ze er niet is, is hij rusteloos en hij heeft haar, liever gezegd iemand, nodig om voor hem te zorgen en zich tegen af te zetten. Ondertussen vlucht hij voor iedere vraag, voor iedere confrontatie, in wijn en zijn schilderijen.

    De afloop is niet echt verrassend, wel verrassend is de manier waarop Van Leeuwen die vertelt: in haar heldere stijl, onomwonden, zonder een woord teveel. Dat is niet de enige reden waarom de lezer toch nog onvoorzien kan glimlachen.

     

     

  • Joke van Leeuwen tijdens de 39e Nacht van de Poëzie 2022

     

    Joke van Leeuwen (1952) is kinderboeken- en romanschrijver, dichter, illustrator en cabaretier. In vele genres is ze thuis en combineert ze onder andere in theatervoorstellingen, jeugdliteratuur en poëziebundels. Voor haar gehele oeuvre ontving ze de Gouden Ganzenveer en de Constantijn Huygens-prijs en van 2008 – 2010 stadsdichter van Antwerpen, en van 2015 – 2016 Dichter der Nederlanden. Ze draagt voor uit haar bundel ‘Aan tafels’, verschenen bij uitgeverij Querido (okt. 2022).

  • De 39e Nacht van de Poëzie, een magisch taalfeest

     

    Literair Nederland moest onverhoopt verstek laten gaan bij de Nacht van de Poëzie, maar Sophie Mulder & Edo Storm, twee studenten uit Utrecht waren bereid deze Nacht voor ons te verslaan.


     

    ‘Ik twijfel niet / aan wie ik ben / maar wie zijn al die anderen?’, zo prijken de dichtregels van Andy Fierens in de dichtbundel van de 39ste Nacht van de Poëzie. Dit poëziefestival is voor velen niet enkel een zeven uur durende lof op de hedendaagse gesteldheid van de Nederlandstalige poëzie, maar ook een feest van herkenning, zowel van de namen op het podium, als van de gezichten in de wandelgangen.

    De 39e Nacht van de Poezië was voor ons respectievelijk de eerste en de vierde Nacht die we bijwoonden. Overdag kwamen we al bekende gezichten tegen in de stad, die voor dit evenement naar Utrecht waren afgereisd. Toen de nacht dan eindelijk viel, sloegen we met enige verwondering gade hoe de hele literatuurwereld bijeen was gekomen in de grote zaal van het Utrechtse Tivoli Vredenburg. De gangen bruisten en in de zaal hing een gezonde spanning. We twijfelden of dit marathon evenement ons wederom consistent zou weten te boeien, maar de eerste drie dichters vlogen al snel aan ons voorbij. Joke van Leeuwen sprong eruit als veteraan, die zich de kunst van het voordragen duidelijk op de meest originele manier eigen heeft gemaakt. Ze maakte ons bekend met de praktijk van dolfijnen die zonder schaamte en zonder taboes elkaars clitorissen stimuleren.


    Jong en oud

    Wat ons opviel, terwijl we het publiek in ons opnamen, was de curieuze verhouding tussen oud en jong. Dit werd vooral zichtbaar tijdens het optreden van de band Broken Brass. Terwijl in de ‘pit’ de zogenaamde jeugd op uitbundige wijze danste, kabbelde dit als een golf uit naar de bovenste hoeken van de zaal, waar het oudere publiek hier en daar werd aangestoken tot een bescheiden dansje. Bewonderenswaardig, aangezien de stoelen van de grote zaal in Tivoli niet bepaald uitnodigend zijn voor enige beweging. Tijdens de avond zagen we dan ook enkele mensen die zich een weg probeerden te banen door de doolhofachtige zaal onderuit gaan. 

    Na de eerste entr’acte begaven we ons even buiten de zaal. De doeleinden van het jonge en respectievelijk oudere publiek leken lijnrecht tegenover elkaar te staan. Middelbare scholieren en studenten bewezen door hun aanwezigheid hun volwassen en verfijnde culturele smaak, terwijl de ouderen zich schijnbaar te trots voelden om zich onder de jeugd te begeven, bij dit evenement dat tot diep in de nacht duurde. In de wandelgangen werd druk genetwerkt, door beide generaties en de algehele sfeer was levendig. Ivo de Wijs, die de tweede ronde van dichter afsloot, viel op door zijn humor en speelsheid, die alle elitaire pretenties een moment deed verdwijnen. Jong en oud genoten van zijn lofzang op de nare jeugd van tegenwoordig.
    Rond elf uur was eindelijk het moment daar, waar iedereen, ook al zullen ze het misschien niet toegeven, op had gewacht: Hans Klok. We kwamen er deze zaterdag zelf pas achter dat deze opvallende naam op de website prijkte. Dit soort unieke entr’actes maken de Nacht van de Poëzie tot wat het is.


    Betovering en begoocheling

    Terwijl eerst Charlotte van den Broek ons betoverde en begoochelde met haar woorden en innemende podium présence, stond daar plots deze blonde adonis als een teken van vergane glorie als nieuwe verwondering in deze ongebruikelijke context. In korte tijd trok hij verschillende kaartspellen uit zijn mouw, wist hij meerdere vrouwen op te sluiten in kleine kooitjes, ze in de fik te steken en door te spiesen met zwaarden om ze daarna weer heelhuids tevoorschijn te halen. Een show die voor veel gejuich en applaus zorgde, maar in de wandelgangen ook voor afkeer, zo hoorden we na afloop een dame aan haar vriendin vragen of ze ‘die verschrikkelijke Hans Klok’ had overleefd. 


    Levendige poëzie en Verbroederende saamhorigheid

    Het was juist tijdens het optreden van Klok dat de scheiding tussen jong en oud enigszins vervaagde. Naar onze mening was het Klok die het publiek weer even voorzag van wat broodnodige energie en verwondering om de mooie, maar soms uitputtende avond te ‘overleven’. Bovendien vinden we het prachtig dat de organisatie door de inclusie van Hans Klok in het programma, de harde lijn tussen ‘hoge’ cultuur, waar poëzie toch nog steeds onder valt, en de ‘lage’ variant, trachtte te overschrijden. Een doelstelling die überhaupt het hart lijkt te vormen van de Nacht waarin poëzie op levendige wijze toegankelijk wordt gemaakt.

    Klok’s energie werd voortgezet door een eveneens blonde (poëzie) magiër, Marieke Lucas Rijneveld. Hij nam de tijd en brak met zijn zorgvuldig geselecteerde strofes de Nacht doormidden. Enkel met ingetogen woorden, zonder hulp van vuur en schaars geklede vrouwen, wist hij het publiek tot een oorverdovende applaus te beroeren. ‘Betoverend’ is misschien wel de beste beschrijving van de staat, die deze poëtische marathon opwekt. Na enige tijd kom je als publiek terecht in een soort trance die de overgang tussen act en entr’acte, zaal en wandelgang en jawel, jong en oud doet vervagen. Wederom, slaagde de Nacht van de Poëzie erin om door middel van woord en cultuur een verbroederende en saamhorige sfeer te creëren die weinig andere evenementen weten te evenaren. 

     


    Zangeres Maria Farantouri neemt het publiek mee naar niet bestaande Griekse landschappen.

     

     


    Foto 1:  Michael Kooren
    Foto 2: Edo Storm

  • Mensenzielen spreken vanuit het hiernamaals

    Mensenzielen spreken vanuit het hiernamaals

    Zoals Ian McEwan in zijn boek Notendop beschrijft hoe Hamlet al in de baarmoeder aan het filosoferen slaat, zo belicht Joke van Leeuwen in haar nieuwste boek haar kijk op de wereld vanuit het gezichtspunt van een foetus. Met name vanuit het hiernamaals  waar de achttienjarige Dinka het verhaal vertelt. Het is daarboven zoals in de Bijbel wordt beschreven: ‘een poort van smaragd en een stad met gouden straten’. Niemand maakt zich druk over vragen of je in de eeuwigheid nog nagels en haren hebt, zoals de middeleeuwse scholastici deden. De laatsten zijn er de eersten, en duizend jaar is er als één dag. Een contingent maagden is er niet, maar wel Dinka’s doodgeboren zusje.

    Het gezin

    We gaan terug in de tijd, toen Dinka, de ik-figuur in de baarmoeder nog ‘aan het worden’ is. Samen met haar Siamese tweelingzusje Dinska, de jij in het boek. Dinska sterft in de baarmoeder als ze bijna zijn volgroeid en wordt na de geboorte van Dinka gescheiden. Hun vader is procesmanager binnen het bank- en verzekeringswezen, hun moeder suppoost in het plaatselijke museum voor moderne kunst. Deze twee werelden worden geïroniseerd, zoals in respectievelijke films als The Lawyer en The Square. Er wordt door de auteur niet gezocht naar betekenissen van bijvoorbeeld kunstwerken, want misschien zijn die er wel niet. Omdat de kunstwereld de moeder begint te vervelen, start ze een adempraktijk aan huis en na hun verhuizing naar een villa met een grote tuin switcht ze weer naar Intuïtief Schilderen. 

    Op school wordt Dinka geplaagd (Dinka Stinka) en belandt ze vaak in de hoek. Daar valt het haar op, dat beide wanden van de hoek allebei geel zijn geverfd, maar ook dat ze door de lichtval toch anders lijken, waardoor ze ‘nooit kan weten of ik echt zie wat ik denk dat ik zie, want hetzelfde kan verschillend zijn’. Als een Siamese tweeling, en ook eenzelfde soort beeld als waarmee het boek begint: ‘een harde tegelvloer die een optische illusie vormt van kubussen’. Dinka zag de vloer van dichtbij, ze viel er languit op en overleed uiteindelijk aan die val.
    Het beeld van de hoek waarin Dinka op school moet staan en waarvan beide wanden geel zijn geverfd, de lichtval die ze anders doet lijken, doet sterk denken aan een van de late schilderijen van Edward Hopper: Zonlicht in lege kamer. En die harde tegelvloer met de optische illusie refereert natuurlijk aan schilderijen van Vermeer en tijdgenoten. Détails die benadrukken hoe beeldend Joke van Leeuwen te werk gaat. Zij is immers ook een gevierd, soms wat absurdistische tekenaar en mede-auteur van kinderboeken als Het Grote Rembrandt voorleesboek en Het grote Rijksmuseum voorleesboek. 

    Dinka en Mier

    Ook Mier (Miranda), een interessant personage met meerdere kanten en een paar klassen hoger zit, staat ook vaak in de hoek. Dinka kan echter ‘niet naar haar toe om te vertellen dat ze op het licht moet letten, omdat niets is wat het lijkt, door dat licht’. Mier zit in een kindertehuis, waar de meisjes ook naar de vloer kijken, ‘waar het zonlicht dat door een boom achter het raam scheen dansende vlekjes op toverde’.
    Dinska in de hemel is jaloers op haar zusje, dat meer bezig lijkt te zijn met Mier dan met haar nagedachtenis. Uiteindelijk worden Dinka en Mier geliefden en streelt Mier vaak en graag het litteken waar Dinska aan Dinka vastzat.
    Gaandeweg komen we te weten, dat de moeder van Dinska en Dinka de dochter van vluchtelingen is. Een gegeven dat verder niet of nauwelijks een rol speelt, zoals dat in bijvoorbeeld Van Leeuwens boek De onervarenen wel het geval is. 

    Rake karakteristieken

    De bedachtzame Dinka en vooral Mier worden, net als de moeder, raak gekarakteriseerd. Wat de moeder betreft inclusief een tijdsbeeld met windgongen, die ze aan het balkon had bevestigd, en uitspraken over nieuwetijdskinderen.  Joke van Leeuwen wisselt deze rake details af met ironische beschrijvingen over de wereld van de ouders, quasi-poëtisch en met humor beschreven. Leuk is een typische Van-Leeuwen-taalvondst als ‘Boven de hoofden klinkt zachte muziek waar haar oren over uitglijden’. Een enkele keer schemert door, dat de schrijfster in Vlaanderen woont (‘binnen te raken’). Al met al een mooie, nieuwe van Van Leeuwen.

     

     

  • Een ode aan de cyclus van het leven

    Een ode aan de cyclus van het leven

    Sinds het verschijnen van haar debuut De Appelmoesstraat is anders (1978) heeft de in Antwerpen wonende schrijfster Joke van Leeuwen een niet aflatende stroom van boeken geschreven, zesenvijftig in totaal. Haar nieuwste bundel Levenslust is in feite één lang gedicht, bestaande uit tachtig strofen van tien versregels. Vooraan in het boek staan vijf tekeningen van de auteur, terwijl als een rode draad een getekend lint door de bladzijden getrokken wordt om de afdelingen te markeren, met af en toe een knoop erin. Van Leeuwen is een veelzijdig auteur die zich op allerlei terreinen begeeft: schreef ze in het begin alleen voor kinderen, al gauw begonnen de leeftijdsgrenzen voor haar boeken te vervagen en nu schrijft  ze verhalen die door zowel kinderen als volwassenen zeer gewaardeerd worden. De illustraties verzorgt ze ook zelf.

    Haar werk is veelvuldig vertaald en bekroond in binnen- en buitenland. Ook legt ze zich toe op toneel, romans en dichtbundels, waarvan Levenslust haar achtste voor volwassenen is. Bovendien werd ze in 2015 uitgeroepen tot Dichter der Nederlanden. De functie, die bestaat naast die van Dichter des Vaderlands, is door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) in het leven geroepen om de verbondenheid tussen Nederland en Vlaanderen te stimuleren.

    Herinneringen en observaties

    De titel zegt genoeg: dit gedicht is een ode aan het leven. Joke van Leeuwen neemt de lezer mee vanaf het allereerste begin: de verwekking en de groei van een kind in de baarmoeder, de geboorte en de babytijd. De observaties zijn onpersoonlijk en van toepassing op iedereen; pas later worden ze gekleurd door persoonlijke herinneringen en ook dat is zoals het in het echte leven gaat: het geheugen van een kind komt pas later op gang. Maar zelfs dan worden de herinneringen algemeen gemaakt door het gebruik van de voornaamwoorden ‘men’, ‘wij’ als pluralis modestiae en een onpersoonlijk ‘je’:

    ‘je eerste bal toen je gekostumeerd
    komen moest kwam je als schemerlamp’

    De herinneringen die Van Leeuwen oproept, zullen herkenbaar zijn voor mensen van haar generatie. Wat volgt is een kolkende rondleiding door de cyclus van het leven: opgroeien, werken, verliefd worden en zelf weer nieuw leven scheppen, tot de dood erop volgt. Dit gebeurt niet chronologisch, maar willekeurig via invallen, gedachten, gebeurtenissen en associaties. Daarin is ook plaats voor ingrijpende en serieuze onderwerpen als oorlog, kindersterfte, natuurrampen. Ook God krijgt een stem en geeft zijn mening over het leven dat hij zelf geschapen heeft, overwegend of hij opnieuw zal beginnen.

    Van enkeling tot mensheid

    Naast het leven van een enkeling breidt Van Leeuwen haar beschrijving uit naar dat van de gehele mensheid en stipt ze de ontstaansgeschiedenis van de mensheid aan, beginnend in de oertijd en eindigend in de toekomst.
    Maar bij alle fragmenten staat het optimisme centraal, het aanvaarden van ervaringen en vooral verder gaan en opnieuw beginnen. Niet voor niets eindigt het gedicht met:

    ‘(…) – blijf nog
    blijf blijf, heb geduld als het wit
    van erkannogvanallespapier’

    Kenmerkend in het werk van Van Leeuwen is de humor en het jongleren met taal, wat soepele en originele vondsten oplevert:

    ‘(…) – napoleon, hem
    heeft die ingres zo weten te schilderen dat
    het verdwijnpunt het roodhermelijnpunt
    het zowilikzijnpunt precies is
    te vinden op keizermans pik’

    Levenslust is één lang gedicht, zonder hoofdletters of punten, slechts een enkele komma of een gedachtestreepje en af en toe een uitroepteken. Ook ontbreekt eindrijm, maar het consequent aangehouden metrum van de dactylus is zo ritmisch en zo melodieus, dat dit nauwelijks gemist wordt. De strofen zouden hardop gelezen moeten worden om ze volledig tot hun recht te laten komen:

    ‘(…) de dieren die gillend
    van slachtangst niet snappen met
    wat voor verlangen de vachtloze
    wezens met sierlijke klauwen hen
    rauw aan een haak willen hangen’

    Niets is toevallig

    Het gedicht is zeer doordacht geschreven, niets wordt aan het toeval overgelaten. De compositie is ingenieus, met lange zinnen die vaak doorlopen over meerdere strofen en met veel enjambementen. Dat werkt overrompelend, de stroom van woorden is overweldigend en maakt dat je (soms) naar adem moet happen. Er zijn weinig rustpunten in het gedicht: met behulp van de komma’s en de cadans moet de lezer die zelf aanbrengen. Bovendien gaat het om één lang gedicht en zou je alle strofen achter elkaar moeten lezen om te kunnen bepalen waar het over gaat.

    Het is niet wenselijk zomaar ergens te beginnen met lezen, dan is de samenhang tussen de strofen verdwenen en wordt het onmogelijk om te weten wat het onderwerp is van het betreffende fragment. De strofen zijn met elkaar verbonden als kralen aan een ketting, als je er eentje tussenuit haalt is de verbinding weg.

    Joke van Leeuwen heeft op een speelse manier een aantal serieuze zaken vorm weten te geven. Als een uitbundige gids voert ze de lezer mee langs niet alleen de toeristische trekpleisters van het leven, maar ook langs kleine, alledaagse en herkenbare gebeurtenissen die een mensenleven kenmerken en zonder meer belangrijk zijn.

  • Joke van Leeuwen over de zin en onzin van het sluiten van grenzen

    Joke van Leeuwen over de zin en onzin van het sluiten van grenzen

    In haar recent verschenen fabel Hier beschrijft Joke van Leeuwen met verve een fictief, tamelijk arm en dictatoriaal geleid land dat zich afsluit (of afgesloten wordt) van een rijker en vrijer buurland door een harde, onverschillige grens: een muur. Waar kennen we die van? Gevoel voor de actualiteit én historisch besef kan Joke van Leeuwen in elk geval niet worden ontzegd. Van Leeuwen beent deze gebeurtenis uit tot een prachtig verhaal over een steeds meer gesloten grens. Het verfrissende aan het boek is dat het geen humanistisch pleidooi is voor open grenzen en dat het niet gaat over asielmigratie maar juist om reguliere arbeidsmigratie. Van Leeuwen lijkt daarmee juist te suggereren dat grenzen helemaal zo erg niet hoeven te zijn.

    Hoofdpersoon Bardo woont met zijn vader in het grenswachterhuisje bij de grens tussen het arme en het rijke land. Het controleren van de grenzen is de lust en het leven van zijn vader, die er duidelijk genoegen in schept de smokkelwaar uit het rijkere buurland te onderscheppen. Vrouwen die boter smokkelen zet hij resoluut bij de verwarming waardoor ze tegen de lamp lopen en de smokkelwaar bovendien meteen is vernietigd. Ergens ontzettend pietluttig en stom, maar kennelijk zijn er regels die de smokkel van boter niet toelaten. Andere regels laten kennelijk wél toe dat de grens open is, arbeidsmigranten kunnen onbekommerd naar het buurland fietsen om het werk te doen dat de mensen daar niet willen doen. Ook al is het rijkere land vrijer en rijker, toch keren ze terug naar huis.

    Hoewel die migratie over en weer voor wrevel zorgt -de arbeidsmigranten zouden het volk ‘verdunnen’ en de rijkelui zouden parasiteren op de armoede- varen beide landen er wel bij. In het rijke land wordt het vuile werk opgeknapt en in het arme land wordt geld binnengebracht dat men anders niet gehad zou hebben. Toch verrijst op enig moment de muur op de grens. De grens kent geen controle, want niemand kan er überhaupt nog doorheen.

    Niemand weet wie het initiatief heeft genomen: waren het de rijke kapitalisten of was het het Staatshoofd van het arme land? Misschien waren het ‘die van het buurland, waar ze zeiden dat hun arbeidsplaatsen werden ingepikt’ en dat vreemdelingen niet kwamen om te werken ‘maar ook om te trouwen en kinderen te krijgen (…) zodat hun eigenheid verdund zou raken’. Of ontstond het idee aan de arme kant ‘omdat het afgelopen moest zijn met de dominante vreemdelingen die dachten te kunnen bepalen wat er gebeurde en hen goedkoop lieten werken en de opbrengsten en eigen hoge inkomsten naar het buurland versluisden zodat ze er veel beter van werden dan zijzelf.’ Wie het ook waren, de muur komt voort uit de angst voor de invloed van de ander en van een ander land.

    Het intrigerende aan dit verhaal is vooral dat het laat zien dat het beleid met betrekking tot migratie niet per definitie rationeel is. De reflex ten aanzien van de ‘gevaren’ van migratie is steevast dat de grenzen dicht moeten. Hoe moeilijker het echter wordt om binnen te komen, hoe minder graag mensen ook weg gaan. Dat zie je ook aan een dienstmakker van Bardo (het arme land kent een draconische vorm van dienstplicht) die erin slaagt de grens over te steken, op zoek naar een beter leven in het rijke land. Hij zal niet meer terug gaan. Vóór de invoering van de grenzen, zo lijkt de logische conclusie van Van Leeuwen, had hij dat niet gedaan omdat hij dat betere leven deels in het buurland kon halen maar in zijn eigen land kon blijven wonen.

    Van Leeuwen zegt hiermee niet dat volledig open grenzen zaligmakend zijn. Het pietluttige baantje van Bardo’s vader zorgde er juist voor dat er weliswaar controle was maar geen volslagen gesloten grens die alleen nog illegaal kon worden overgestoken. De gereguleerde migratie zorgde dus voor relatieve rust en was bovendien in het belang van beide landen, dankzij het feit dat het mogelijk was heen en weer te reizen – zij het gereguleerd.

    Door bijna alle context weg te halen destilleert Van Leeuwen dit verhaal tot een mooie fabel over migratie, grenzen en angst voor het vreemde, waarbij ze subtiel een pleidooi houdt voor een vorm van gereguleerde migratie.

     

     

     

  • Oogst week 15

    De uitreis

    Ruim een jaar na het verschijnen van de vertaling van De jaren van Virginia Woolf, verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands de vertaling van The Voyage Out met als titel De uitreis. De uitreis was het eerste boek van Virginia Woolf, het verscheen in 1915. Het gaat over Rachel Vinrace die op reis gaat naar Zuid-Amerika, ‘een reis vol ontdekkingen (over zichzelf, anderen en het leven) die tragisch ten einde komt.’

    Opvallend duidelijk is op het omslag vermeld dat het boek is vertaald door Barbara de Lange. Waarom gebeurt dat niet vaker? De naam van de vertaler op de voorkant van een boek?

    Literair Nederland sprak eerder met Barbara de Lange over haar vertaling van De jaren: ‘bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden.’ 

    Zie ook: Kleine biografische exercitie.

    De uitreis
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    De hondenschool

    Het gezin, een huwelijk, eenzame ouders en kinderen; het zijn allemaal elementen en hoofdrolspelers in de korte verhalen van Edina Szvoren. Szvoren speelt graag met het aburde, haar hoofdpersonen en antihelden zitten vast in hun dagelijks bestaan, maar toch zijn haar verhalen humorvol.

    Edina Szvoren (Boedapest, 1974) is muzikant, zij studeerde af aan het Béla Bartók-conservatorium en geeft daar nu zelf les. Drie dagen geeft ze les, de overige vier dagen schrijft ze. Met De hondenschool won ze in 2015 de EU-Literatuurprijs. Deze prijs betekende haar internationale doorbraak. Aan ten minste 10 Europese uitgeverijen zijn de vertaalrechten verkocht. Frans van Nes tekende voor de Nederlandse vertaling.

    De hondenschool
    Auteur: Edina Szvoren
    Uitgeverij: De Geus

    Hier

    Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) presenteert zich op haar eigen website als auteur, illustrator en performer. Met zowel haar kinderboeken als die voor volwassenen is zij veelvuldig in de prijzen gevallen, ook als illustrator.

    Haar nieuwste roman Hier gaat over Stamvader.

    […] ‘Tegen de veertig is Stamvader, en hij staat nog op zijn benen als hij wordt tewerkgesteld als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat en naar een omgeving moet verhuizen waarmee hij geen enkele band heeft, want te veel bekenden in de buurt zal er volgens zijn meerderen toe kunnen leiden dat hij weleens een oogje dichtknijpt, al heeft hij zelf niet de minste behoefte om dat te doen, integendeel, maar het zijn nu eenmaal de regels.’ […]

    Wanneer hij hulpbehoevend wordt, volgt zijn zoon Bardo hem op en zorgt diens vrouw Mara voor haar eigenwijze schoonvader, terwijl ze op betere tijden blijft hopen. Licht en warmte komen van Kleine, hun dochtertje, dat de barrières leert kennen, maar speels en onbevooroordeeld tussen iedereen door vlindert.

     

    Hier
    Auteur: Joke van Leeuwen
    Uitgeverij: Querido
  • Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    De gelukkigen die op de deze week bekend gemaakte shortlist staan zijn de debutant, Inge Schilperoord met Muidhond die ook al genomineerd werd voor de AKO-Literatuurprijs, evenals De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Alex Boogers werd verkozen voor de shortlist met zijn achtste boek  Alleen met de goden, Joke van Leeuwen met De onervarenen en Connie Palmen met Jij zegt het. En ‘last but not least‘ Thomas Verbogt met Als de winter voorbij is.

    De jury zegt dat ze zich zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk lezend wilde laten verrassen: Daarin schuilt een grote aantrekkelijkheid van literatuur: dat je nu juist als lezer niet krijgt wat je verwacht. Dat een schrijver zijn stijl inzet om je omver te blazen. Dat je wordt meegevoerd in andermans hoofd of een onbekende wereld en wordt geraakt, getroffen, overtuigd en overrompeld. Dat er na lezing wezenlijks iets in je is veranderd.


    Literair Nederland
    recenseerde vijf van de genomineerden:

    De onervarenenAnky Mulder over De onervarenen van Joke van Leeuwen:

    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. En dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.

     

     

    Alleen met de godenAdri Altink noemt Alleen met de goden een rauw maar ook hoopvol stemmend boek:

    Boogers schrijft  boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn.

     

    Thomas van Lier over Muidhond van Inge Schilperoord: muidhond

    Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

     

     

    Als de winter voorbij isOlivier Rieter noemt Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt een subtiel en ingetogen geschreven boek waarvan de thematiek interessant is en: de sfeer je doet verlangen naar meer van dergelijke geschriften.


     

     

     

    De onderwaterzwemmerCarlijn Brouwer over De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése:

    De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

     

    De jury die naast Dick Benschop (oud staatssecretaris) bestaat uit Onno Blom, Sebastiaan Kort, Hanca Leppink en Margot Vanderstraeten, gaat zich de komende tijd buigen over de vraag welke van de zes romans als beste boek van het afgelopen jaar gekenmerkt gaat worden. De bekendmaking op 9 mei is tijdens het traditionele galadiner voor genodigden in het Amstel Hotel te Amsterdam. Vorig jaar ging de prijs naar Ik kom terug van Adriaan van Dis.

    Aan een nominatie voor de shortlist is een bedrag van 2.500 euro verbonden. De bekroonde laureaat ontvangt 50.000 euro.

     

     

  • De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    Bij het lezen van deze laatste roman van Joke van Leeuwen dringt zich de vergelijking met de hedendaagse migrantencrisis al gauw op. Behalve vluchtelingen op de loop voor oorlogsgeweld zijn er andere buitenlanders die in Europese landen waar meer vrijheid en welvaart heersen dan in hun eigen land, een beter bestaan komen zoeken. Nog niet zo heel lang geleden waren het Nederlanders die met hetzelfde doel hun vertrouwde omgeving inruilden voor het onbekende.

    In De onervarenen gaat een groep kansarmen uit het Nederland van 1847 in op het aanbod van de Maatschappij voor Overzeese Volksplanting om elders een nieuw leven te beginnen – een historisch gegeven. Onder hen zijn Odile en Koben, een jong stel dat na een mislukte oogst hun boerderij moet verlaten. Odile is de verteller van het verhaal.
    Een van de andere emigranten is haar geletterde moeder. Aan het begin van het boek wordt deze sterke, eigenzinnige vrouw onterecht in een krankzinnigengesticht opgesloten, waar ze door haar intelligentie, observatievermogen en rechtvaardigheidsgevoel weer uit weet te komen. Op het schip begint zij de taal van het vreemde land alvast te leren.

    Vasthouden aan het bekende
    Odile heeft behalve haar moeders intelligentie ook haar kracht om zich aan de omstandigheden aan te passen geërfd. Hoewel zij zich zonder protest voegt naar de starre levensopvattingen van haar man, voelt de analfabete Koben zich haar mindere.
    Op de nieuwe plek krijgt de groep een stuk grond om te bebouwen toegewezen, maar de toegezegde ondersteuning blijft uit. Koben weigert de nieuwe taal te leren en houdt bazig vast aan het bekende uit het moederland. Door de leiding te nemen, aanvankelijk samen met de pragmatische Jacob, creëert hij zijn eigen houvast. De meeste Nederlanders  volgen hem omdat ze ook niet weten hoe het anders moet.

    Angst en oude waarden
    Het is de angst voor het onbekende en vooral de angst om in de nieuwe situatie ten onder te gaan, die mensen krampachtig laat teruggrijpen op oude waarden. Dat zien we overal ter wereld, ook in het huidige Europa bij zowel autochtonen als bij de nieuwkomers, waarbij de laatsten er het meest mee worstelen. In Van Leeuwens boek blijft Koben rotsvast geloven in de Enige. Hij weet zijn getrouwen te bewegen met hem te bidden tot zijn God, in wie zij al lang niet meer geloven. Zolang het maar lijkt alsof zijn waarden algemeen geldig zijn, kan Koben zich handhaven.

    Odile vertelt: ‘Vaak dacht ik dat alles beter was geweest als zij (haar moeder, AM) het in ons dorp voor het zeggen had gehad, zij luisterde naar de mensen die al hun hele leven in dit land woonden, terwijl Koben ons verplichtte alleen onze eigen taal te spreken en om een boom te dansen, omdat we dat thuis één keer per jaar deden als de kou voorbij was. Hier was het nooit koud, wat zouden we dan om een boom dansen, alsof we al niet genoeg zweet verloren met ons werk, maar het moest nog steeds van Koben, ook de paar kinderen die nog in leven waren moesten het, ze zongen er een liedje bij over de dooi, wat moesten die kinderen met een liedje over de dooi, dat hele woord dooi hadden ze nooit meer nodig.’

    Van subtiele zinsneden als deze moet de lezer het hebben. Daarin komt even het drama onverbloemd naar buiten, daarin proef je de wanhoop die er moet hebben geheerst. Want door de veelgebruikte indirecte rede (zij zei dat…, haar moeder vond…, toen Koben zag dat…) kijk je vooral tegen de buitenkant van de gebeurtenissen aan en blijven ook de personages aan de oppervlakte.

    Distantie
    Deze gedistantieerde benadering wordt nog versterkt door de haast terloopse manier waarop Van Leeuwen de geschiedenis weergeeft. Alles komt aan bod: armoede, vuil, slechte voeding, ziekte en dood, de woonplek, het onderlinge wantrouwen, terwijl woorden als herberg, meelzak en secreet de negentiende eeuw oproepen. Toch zou een diepgaandere beschrijving van zowel gebeurtenissen als personages en omgeving meer gevoel in het verhaal brengen. Nu komt de ellende slechts en passant voorbij. Net als in Feest van het begin – waarvoor Van Leeuwen de AKO literatuurprijs kreeg – is het compacte verhaal ondergeschikt aan de stijl. En al is die nog zo smaakvol, geen lezer zal hartzeer zal krijgen van het wedervaren van onze vroegere landgenoten overzee. Misschien is dat de reden dat De onervarenen behalve dat het je aandacht vasthoudt, ook ergernis teweegbrengt.

    Taal om het leven te bevatten
    Interessant is dat Van Leeuwen ook de taal tot onderwerp heeft gemaakt (‘woorden’ en ‘taal’ komen veelvuldig voor). De boodschap die zij meegeeft is dat het beheersen van een  taal onontbeerlijk is om het leven te bevatten. Hoe kom je er anders achter wat de regels en gewoonten in een samenleving zijn, wat er wordt bedoeld in officiële brieven, bij wie je met problemen terecht kunt en wat er van jou als nieuwkomer wordt verwacht? Dat geldt nu, dat gold toen. Mensen die openstaan voor de nieuwe omgeving verwerven grip op de omstandigheden, zijn niet zo ontredderd als degenen die de gang van zaken niet begrijpen of zich ertegen verzetten.

    Beloning voor de lezer
    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. Daarbij wordt ook duidelijk dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden. Koben delft het onderspit, Odile, haar moeder, Jacob en een paar anderen die zich weten aan te passen komen er het meest ongeschonden vanaf. De andere overgebleven Nederlanders sudderen door in de misère. Maar op het einde neemt het verhaal opeens nog een min of meer positieve wending. Omdat Van Leeuwen op de laatste pagina’s nog voor een verrassing zorgt, wordt met dit bescheiden happy end ook de lezer beloond.

     

     

  •  Ontmoeting in foto en gedicht

     Ontmoeting in foto en gedicht

     In het herfstnummer van poëzietijdschrift Awater merkt Jeroen Kan (voormalig presentator van VPRO’s De Avonden ) op dat het in een interview met een dichter steeds meer gaat over het leven van de dichter, dan over zijn werk. Dat de dichter, die liever over zijn werk praat dan over zijn veranderde leven sinds de kinderen de deur uit zijn, alleen nog terecht kan bij Brands met Boeken. Een dichter, dood of levend, verdient volgens hem meer aandacht bezijden de waarheid van elke dag.
    De stadsdichter is, zoals we die kennen sinds de tijd dat er een Dichter des Vaderlands werd benoemd, bij uitstek een dichter die niet over zijn eigen sores of geluk dicht.

    In Ik voel me verf  gaat het om de gedichten en de foto van de dichter, verder niets. Portretfotograaf Joost Bataille vond vijftig (voormalige) stadsdichters die hij portretteerde voor zijn project. Eerst benaderde hij Sylvia Hubers, (ex) stadsdichter (Haarlem) met de vraag of ze voor hem wilde poseren en daar dan een gedicht over wilde schrijven. Ze antwoordde: ‘Gefotografeerd worden roept altijd iets op, ik zou dat kunnen proberen.’ De foto van Hubers is genomen tegen een water achtergrond, een meer of plas. Zij heeft de handen diep in de zakken van haar donkere winterjas, haar hoofd iets scheef opzij geneigd, om de mond een glimlach die het net niet redt. Zij kijkt de fotograaf recht aan: (…) Klik maar / er staat niet wie er staat / (…) Laat zien dat je je camera opbergt. / Je tas open – tas dicht // en zie hoe de waarheid zich / langzaam laagje voor laagje op een gezicht terugzet’.

    Eke Mannink, stadsdichter van Zutphen, voelde zich verf, (de titel is aan haar gedicht ontleend). ‘verf’ ik ben een levend schilderij / dat door jouw oog ontstaat / je duwt en trekt je schildert mij / ter plekke hier op straat (…).
    De gedichten getuigen hoe zeer men zich bekeken voelt. In het beeld hebben ze allen iets van betrapt zijn in een moment dat ze zelf niet geschikt achtten om gezien te worden. Maar de fotograaf wist wanneer hij af moest drukken. Ester Naomi Perquin voelde zich er ongemakkelijk bij: ‘Dag Joost’ / (…) Toen keek ik naar de foto’s en / ik zag die ogen van mij, dat achterdochtige. Het is onnatuurlijk om jezelf / aan te kijken. Ik dacht bovendien: ‘Je bent niet alleen snotverkouden, je bent nog lelijk ook.’ (..) die ik mooi vind is de laatste zwartwitte, / waarop ik je direct aankijk, dwars door die malle lens heen. (…) Er gaat een soort vanzelfsprekende intimiteit vanuit, die helemaal niet vanzelfsprekend was.

    Van de geportretteerde dichters doet geen enkele zijn best er op zijn best uit te zien. In hun blik licht iets ongemakkelijks, van geobserveerd worden.  Het levert stuk voor stuk mooie gedichten op. De één afstandelijker dan de ander, maar allen zijn zich bewust van de interactie tussen fotograaf en zichzelf. Joke van Leeuwen dicht het los van zichzelf door, terwijl ze poseerde, haar omgeving te observeren: (…) Een moeder met een kind blijft staan. Het kind wil / kijken naar hoe iemand kijkt als die naar iemand / kijkt die naar hem kijken moet, hoe iemand knielt / zoals de juf doet om een jas los te knopen. 

    Waarnemingen met pen en lens, die gelezen kunnen worden als ‘buitenkant die binnenkant’ bloot geeft. Duidelijk is dat we onszelf nooit zien zoals de ander (fotograaf) ons ziet. En dat wrikt dan een beetje. In de gedichten wel te verstaan. Ik voel me verf is een mooi vormgegeven boek waarvan de cover warmer goudgeel van kleur is dan de hierbij weergegeven afbeelding. Op de linkerbladspiegel staan de gedichten, op de rechter de portretfoto. Zo naast -, of beter gezegd tegenover elkaar is het niet net alsof, maar zíjn ze met elkaar in gesprek: de fotograaf en de dichter. Het is een prachtboek geworden, met  ontmoetingen die er niet om liegen. Zoals Marieke van Leeuwen (stadsdichter Dordrecht) dicht: (…) hij spiegelt mij. Vijftig dichters, bekende en minder bekende, oudere en jonge maar allen opmerkelijk.



    Voor meer informatie kijk op Zuurkool met worst.