• Ways of Seeing – John Berger Deel 1 (1972)

    https://youtu.be/0pDE4VX_9Kk

  • In memoriam John Berger (1926-2017)

    Een bijzonder mens en controversieel schrijver en kunstcriticus is overleden. John Berger overleed maandag 2 januari op 90 jarige leeftijd. Sinds de jaren zeventig woonde hij teruggetrokken in de Haute-Savoie, aan de voet van de Franse Alpen. Hij hield van het platteland, niet om het uitzicht, maar om er deel vanuit te maken. Berger voelde zich aangetrokken tot het aardse leven en werkte met de boeren mee. Hij was er van overtuigd dat: ‘Als je de boeren kwijt raakt, raak je de kunst tot overleven kwijt.’ De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Parijs.

    Berger werd in 1926 geboren in Hackney Noord-Londen en studeerde kunstwetenschappen, onder andere aan Saint Martins College of Art and Design. Hij werd leraar tekenen en schilderen maar begon zich vanaf de jaren vijftig te onderscheiden als criticus en essayist, niet alleen op het gebied van kunst, maar ook maatschappij-kritisch. Zijn debuut, A Painter of Our Time (1958), verhaalt over een verdwenen kunstenaar die tijdens de Hongaarse revolutie terugkeert naar Boedapest. Dient gelezen te worden als een gepassioneerde verkenning van het artistieke proces maar werd vooral beoordeeld op het politieke karakter erin. Het boek werd toentertijd zelfs uit de handel gehaald.

    In Nederland kreeg hij in de jaren negentig bekendheid met de trilogie De vrucht van hun arbeid (Varken aarde, Ver weg in Europa en Sering en vlag), nadat hij in het literaire tv-programma van Adriaan van Dis te gast was geweest. De trilogie werd vorig jaar door uitgeverij Schokland in de reeks Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven. Het derde deel Sering en Vlag, kwam juist in november 2016 uit. Op de vijfde van die maand werd hij negentig jaar. Vrienden hadden hem gevraagd wat hij met zijn verjaardag wilde doen, hij stelde voor helemaal niets. ‘Wees maar stil’, had hij gezegd. ‘Het moet een dag zijn als alle andere.’

    Volgens zijn Britse redacteur Tom Overton, die ook aan zijn biografie schrijft, leerde Berger ons dat kunst je leven verrijkt. In zijn  tv-programma Ways of Seeing voor de BBC in de jaren zeventig, onderzoekt Berger de impact van fotografie op de waardering van kunst uit het verleden. Hij verkreeg hiermee in Groot-Brittannië grote bekendheid.

    Schrijven is een kwestie van luisteren, vond Berger: ‘Als ik een verhalenverteller ben, dan is dat omdat ik luister. Voor mij is een schrijver een smokkelaar die waar over een grens weet te krijgen.’ Een mooi beeld: Luisteren naar de anderen, het in je opnemen, je eigen maken en het uitschrijven. En dat is de poging het de grens over te krijgen, zien wat ervan geworden is,  het een verhaal laten worden, als je het tenminste de grens over krijgt. ‘Een verhaal is altijd een reddingsoperatie’, zei hij ooit tegen Susan Sontag.

    Wie John Bergers werk wil leren kennen: lees  zijn trilogie De vrucht van hun arbeid en kijk naar Ways of Seeing, de rest komt vanzelf. Het is een ervaring, een ervaring die je anders dan voorheen naar de dingen laat kijken. En laat er vooral nog meer werk van hem vertaald worden. Bijvoorbeeld zijn debuutroman, om met de ogen van nu te kunnen oordelen (en geheel in stijl van Berger) over de discutabele stellingname van de schrijver in deze roman.

    John Berger won in 1972 de Booker Prize voor zijn roman G. De helft van het prijzengeld doneerde hij aan de radicale Afrika-Amerika beweging, the Black Panthers. Hij laat drie kinderen na uit twee huwelijken, twee zoons en een dochter.

     

    Bron: The Guardian

  • Lichte kunst

    Lichte kunst

    Alhoewel iedere zomervakantie zich bij uitstek leent om je eens goed te verdiepen in kunst is er vaak een gewichtige reden die je ervan weerhoudt. En dat bedoel ik letterlijk, want veel kunstboeken lijken geschikter voor de koffietafel dan voor de koffer. Zo weegt mijn favoriete naslagwerk Gardner’s Art through the Ages van Fred Kleiner e.a. ruim 4 kg. Niet echt een lekker boekje om mee op het strand te liggen dus. Maar er zijn goede alternatieven. Ik zet mijn persoonlijke top 10 graag op een rij. Een top 10 die je ook kan lezen als een persoonlijk portret. Immers, om met Oscar Wilde te spreken, ‘it is the spectator, and not life, that art really mirrors‘. En dat geldt dus ook voor lijstjes favoriete boeken.

     

    Nummer 10. Hugh Honour en John Flemings, Algemene kunstgeschiedenis. Qua naslagwaarde nog zo’n topper, maar met zijn 3649 gram hier misschien eigenlijk helemaal niet op zijn plaats.

     

    Nummer 9. Ernst Gombrich, Eeuwige schoonheid. Weegt ‘slechts’ 1625 gram en biedt toch een onovertroffen overzicht door de eeuwen heen. Zou in de lijst meest toegankelijke kunstoverzichten de onbetwistbare nummer 1 zijn.

     

    Nummer 8. Heinrich Wölfflin, Classic art. An introduction to the Italian Renaissance. Omdat de gehele kunstgeschiedenis eigenlijk te omvangrijk is voor een hanteerbaar boekje dalen we af naar afzonderlijke periodes. In dit klassieke boek van Wöllflin (928 gram) gaat het vooral om hoe kunst er uitziet en minder om wat het allemaal zou betekenen. Heerlijk relaxt dus.

     

    Nummer 7. Hans den Hartog Jager, Dit is Nederland in tachtig meesterwerken (892 gram). Ideale zomerlectuur voor wie in Nederland blijft of heimwee heeft. Den Hartog Jager laat Nederland in tachtig kunstwerken op onnavolgbare wijze uit de verf komen.

     

    Nummer 6. Erwin Panofsky, Renaissance and Renascences in Western art. Ondanks zijn bescheiden 620 gram een theoretisch zwaargewicht. Maar hét boek om alles te weten te komen over de wedergeboortes van de oudheid. Waarin je zult ontdekken dat die befaamde renaissance niet op zich staat en eigenlijk in de Middeleeuwen al broertjes en zusjes had.

     

    Nummer 5. Rudolf Wittkower, Sculpture. Nipt op 5, met slechts 618 gram, maar verplichte literatuur voor de ware liefhebber van beeldhouwkunst. Er is geen betere introductie voorhanden over dit deel van de kunstgeschiedenis. Wittkower beschrijft het allemaal, van de klassieken tot de twintigste eeuw. Toegankelijker als dit krijg je het niet, zonder overigens concessies te doen aan kwaliteit. En steeds weer interessant. Een boekje dat je op elke vakantie wel twee of drie keer lezen kunt.

     

    Nummer 4. Michael Baxandall, Schilderkunst en leefwereld in het quattrocento. We duiken nu ruim onder het pond. In 366 gram schetst Baxandall de strenge context waarin de kunstenaars van de vijftiende eeuw hun meesterwerken maakten. Zodat we ons blijven realiseren dat die mythe van de vrije kunstenaar echt niet van alle tijden is, En we een nog grotere bewondering krijgen voor kunstenaars die vernieuwden en ten aanzien van bijvoorbeeld compositie of kleurgebruik de toenmalige grenzen tartten.

     

    Nummer 3. John Berger, Ways of seeing (202 gram). In het Nederlands ook verschenen als Anders zien. Een bundeling van essays over het kijken naar kunst, gebaseerd op de gelijknamige, populaire BBC serie over kunst. Waarbij overigens slechts vier van de essays naast beelden ook woorden gebruiken. De andere drie bestaan uit louter beelden. Boeiende lectuur.

     

    Nummer 2. Hélène Nolthenius, Duecento. Zwerftocht door Italië’s late middeleeuwen. Over hoe landschap en geschiedenis een cultuur bepalen. Met een hoofdrol voor de muziek en poëzie, van het Zonnelied van Franciscus tot de Goddelijke Komedie van Dante.

     

    Nummer 1. Walter Paatz, De kunst der Renaissance in Italië. Het toppunt van lichtheid. Dit paperbackje op broekzakformaat weegt nog slechts 145 gram maar bevat toch een enorme rijkdom en wetenswaardigheden over Renaissancekunst. De perfecte metgezel voor elke Toscaanse stedenreis.

  • Zelfportretten van overlevers

    Zelfportretten van overlevers

    Het zijn sterke openingszinnen: ‘Soms moet je om één enkele zin te weerleggen het verhaal van een heel leven vertellen’. Of: ‘Als aan elke gebeurtenis die zich voordeed een naam kon worden gegeven, waren er geen verhalen nodig’. Het zijn de eerste woorden van twee verhalen uit Ver weg in Europa van John Berger. De zinnen trekken je niet alleen onmiddellijk de verhalen in, maar ademen ook de beschouwende toon waarvan ze doordrenkt zijn.

    Het titelverhaal uit Ver weg in Europa is daarvan het mooiste voorbeeld. Na een mooie beschrijving van het open bloeien van de klaproos door een kracht van binnenuit, is hier de opening: ‘De eerste geluiden die ik me herinner zijn die van de fabriekssirene en de rivier. De sirene ging maar zelden en daarom herinner ik me haar waarschijnlijk ook: ze loeide alleen bij een ongeluk.’

    Een onheilspellende aankondiging, die bovendien het verlies van het landschap en een intieme cultuur, overwoekerd door de industrialisatie, in een paar woorden samenbalt. Een paar pagina’s verder wordt dit opnieuw fraai verbeeld als Odile, de vertelster in het verhaal, zich herinnert hoe een man van het bedrijf elk jaar de kinderen op school kwam vertellen waarom de fabriek was gebouwd, over de rivier heen: ‘De fabriek zit over de rivier gehurkt als een plassende vrouw. Dat zei hij niet.’

    Plassende vrouw
    John Berger raakt dingen slechts aan of noemt voorvallen die als open eindjes blijven liggen. Hij vertelt meer de herinnering aan gebeurtenissen dan de exacte feiten. Die spelen slechts een rol voor zover ze de bewoners, die door de pen van Berger de eigenlijke vertellers zijn, houvast geven. We vernemen als lezer vaak maanden en jaren, leeftijden en karaktertrekken – ze zijn voor de verteller het houvast voor zijn herinneringen – maar geen verklaringen of motieven. Daardoor blijf je als lezer af en toe met raadsels zitten of ben je pas in de loop van het verhaal in te staat te reconstrueren wat er eigenlijk aan de hand is. Zo wordt pas geleidelijk duidelijk hoe Odile aan het beeld van de plassende vrouw komt en tegen wie ze haar relaas doet: ze overziet het landschap (en dus ook de fabriek die over de rivier is gebouwd) vanuit een deltavlieger die bestuurd wordt door haar zoon Christian. Maar ze overziet niet alleen het dorp waar ze is opgegroeid en waarvan nauwelijks nog wat over is, maar ook haar eigen leven. Een triest leven waar ze lang onder heeft geleden. Aan het slot blijkt de betekenis van de deltavlucht met haar zoon voor haar proces van aanvaarding als we lezen dat ze zelf heeft gevraagd mee te mogen, waarop Christian had geantwoord: ‘Dus je bent zover?’.

    Het verhaal Ver weg in Europa is daarenboven een ontroerende liefdesgeschiedenis. Odile heeft twee grote liefdes gekend, Michel en Stepan, collega’s van elkaar in de fabriek. Voor beiden hebben de sirenes een keer geloeid. Met de Rus Stepan heeft ze Christian gekregen. Hij is verwekt in één van de barakken waar het personeel was gehuisvest en die waren gemerkt met de letters I, N, E, U, R, O, P en A. Stepan woonde in barak A, de laatste dus van de reeks IN EUROPA.

    Ook de laatste zin van het verhaal is er weer een om na te proeven: ‘Zeg tegen ze, Christian, zeg tegen ze als we landen op aarde dat er verder niets te weten valt.’ Een zin die doet denken aan het beroemde: ‘Waarover je niet kan spreken, daarover moet je zwijgen’ van Wittgenstein.

    Gavotte
    Behalve het titelverhaal bevat Ver weg in Europa nog vier andere vertellingen (en twee gedichten). Ook in die andere spelen het verlies van oude zekerheden en de cultuur van een agrarisch bergdorp een grote rol. Ze worden uitgehold door winstbejag van ondernemers van buiten en het wegtrekken van de bevolking. De tragiek wordt des te voelbaarder in de, veelal slecht aflopende liefdesgeschiedenissen die de structuur vormen van Bergers verhalen.

    In het eerste, De accordeonist, gaat het om de boerenzoon Félix Berthier, die na de dood van zijn moeder, is achtergebleven met de koeien, zijn hond Mick (‘een clown zonder circus’) en zijn accordeon, die hij Caroline noemt. De grootste zorg van zijn moeder was tot aan haar dood hoe Felix aan de vrouw kon worden gebracht. Wat zou hij anders moeten na haar dood? De dorpelingen weten hoe hij in eenzaamheid op zijn accordeon een gavotte speelt voor de koeien, ‘wat van gavot komt, wat bergbewoner betekent, wat krop betekent, wat keel betekent, wat noodkreet betekent’. Maar als hij niet voor ze speelt zijn die dubbele betekenissen er ook in zijn opgekropte kwaadheid die hij afreageert op het vee en zijn hond. Het verhaal begint en eindigt met het verzoek van Philippe de kaasmaker om zijn bruiloft op te luisteren met zijn instrument. En ook hier de tragiek als de bruiloftsgasten zijn uitgedanst: ‘Kom, Caroline, kom, bromde Félix toen hij alleen op de deur af ging. Tijd om te gaan.’

    Schreeuwen tegen de bergen
    Het tweede verhaal Boris koopt paarden gaat opnieuw over een tragische liefde. Boris is een schapenboer die door het ongeluk wordt achtervolgd (de helft van zijn kudde wordt door de bliksem getroffen), maar zich vastklampt aan zijn verliefdheid op een blondine, de vrouw van een getrouwd stel dat op het platteland komt wonen. Hij overlaadt haar met cadeaus, maar als het erop aankomt voelt hij zich door haar diep vernederd. Op een open plek in het bos wacht hij vergeefs op haar komst: ‘In de loop van de laatste dagen van het jaar werd de open plek in het bosje steeds groter. Er was nu ruimte en licht rond elke boom. Hoe heviger hij leed onder de pijnen van zijn lichaam, des te zekerder wist hij dat het moment van haar komst naderde. Op de avond van de tweede januari ging hij het bosje binnen.’

    In de nacht erna horen de buren Boris’ drie honden janken. De deur van zijn huis is op slot. Door het raam zien ze Boris liggen, terwijl de honden ‘woest het leven bejammerden dat was geëindigd.’

    De tijd van de kosmonauten, het derde verhaal, bezorgt je kippenvel. Ook hier weer een liefde met tedere scènes tussen de oude herder Marius en de jonge Danielle. Tenslotte ook in dit verhaal het onvervulbare, vervat in het beklemmende beeld van Marius die eenzaam tegen de bergen schreeuwt. ‘Waarom zou een oude man op een dergelijke manier tegen de bergen praten?’, vraagt Danielle aan een vriend. ‘Danielle, zei Pasquale, heel langzaam pratend en ieder woord afwegend, het waren niet de bergen waar die oude man tegen stond te schreeuwen, het waren niet de bergen waar hij zich van top tot teen aan overleverde, het was aan jou dat hij dat deed.’ Een verhaal dat niet alleen gaat over een onbereikbaarheid in de liefde, maar ook over de afstand die er altijd zal zijn tussen iemand die opgegroeid is in de boerentraditie van het platteland en de stedeling.

    Trilogie
    De bundel Ver weg in Europa is het tweede deel van een trilogie met de titel De vrucht van de arbeid.

    Alle drie de delen bevatten verhalen en gedichten over het verdwijnende boerenleven in een bergdorp in de Haut-Savoie in het oosten van Frankrijk. Sinds het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw woonde de schrijver er zelf in het minuscule plaatsje Quincy. Hij hoorde er de verhalen van de boeren en gaf ze vorm in korte geschiedenissen waarin, naar Bergers eigen zeggen, de mensen zelf aan het woord zijn. Hij heeft daarbij diep in de zielen van de dorpelingen gekeken en hun woorden vervat in meesterlijke taal en beelden met een diepe gelaagdheid die ze tot een monument voor de uitstervende agrarische cultuur maken.

    De drie delen van de trilogie verschenen voor het eerst in Nederlandse vertaling bij de Arbeiderspers, Het varken aarde in 1979, Ver weg in Europa in 1987 en Sering en vlag in 1991. Uitgeverij Schokland geeft ze dit jaar opnieuw uit in de reeks Kritische Klassieken. Het hiervoor besproken Ver weg in Europa kwam recent uit en Sering en vlag staat op stapel.

    Het varken aardeHet varken aarde verscheen al eerder dit jaar. In dit eerste deel zijn, naast de verhalen en gedichten, twee essayistische stukken van Berger opgenomen, waarin hij verklaart waarom de verhalen belangrijk zijn en een beschouwing geeft over de waarde van de (overgebleven) kleine boerendorpen, zoals die in Quincy.


    Roddel
    De verhalen die in een dergelijke kleine samenleving de ronde doen zijn, volgens Berger, een zelfportret van die gemeenschap. Ze zijn een dorpsroddel maar, anders dan je je bij een roddel voorstelt, zijn ze geen idealiseringen of lasterpraat. Ze getuigen eerder van de verbazing over wat er allemaal gebeuren kan. Daarom zijn ze altijd mysterieus, hoewel ze over alledaagse onderwerpen gaan. Berger formuleert het zo: ‘De functie van deze roddel – directe, dagelijkse mondelinge geschiedbeoefening in feite – is het hele dorp in staat te stellen zijn plaats te bepalen (…) Elk verhaal, en elk commentaar op het verhaal, dat bewijst dat het niet onopgemerkt is gebleven, draagt bij tot het portret en bevestigt het bestaan van het dorp.’ Waarna Berger zijn eigen rol in dit vertellen beschrijft: hij is een vreemdeling in het dorp en zal dat altijd blijven, maar zolang zijn belangen niet botsen met die van de buurman en als hij de betekenis van de roddels erkent, kan hij een bijdrage leveren aan het portret van het dorp. Dat beoogt John Berger te doen in zijn trilogie.

    Het motief om over het boerenbestaan te schrijven legt hij uit in Historisch nawoord, het tweede essay in Het varken aarde. Wat hem boeit is de kracht om te overleven. Als geen ander begrijpen de boeren dat de mens vanaf het begin uit was op bevrediging van zijn primaire levensbehoeften. Het liefste willen ze daarnaar terug. Maar dat is geen paradijsdroom in de zin zoals wij die plegen te verstaan, waarin we zoveel mogelijk vrije tijd hebben en liefst zelfs helemaal niet meer hoeven te werken. In de droom van de boer wordt nog wel degelijk gewerkt: ‘het burgerlijke en het marxistische gelijkheidsideaal veronderstellen beide een wereld van weelde; ze eisen gelijke rechten voor allen ten aanzien van een hoorn des overvloeds (…) Het gelijkheidsideaal van de boeren – overlevenden van de strijd om het bestaan – onderkent een wereld van schaarste en belooft broederlijke onderlinge hulp bij het gevecht tegen die schaarste en een rechtvaardige verdeling van wat de arbeid oplevert.’ Het gaat Berger aan het hart dat deze cultuur door het kapitalisme, de economische vooruitgang en het consumentisme dreigt te worden vernietigd. In zijn verhalen in de drie bundels wil hij zich bezinnen op de betekenis en de consequentie van die dreigende historische eliminatie.

    Hanenei
    Het varken aarde telt meer gedichten dan het tweede deel en een groter aantal verhalen, die meestal ook korter zijn. Opvallend is dat ze tevens een ander karakter hebben. De eerste gaan meer over de omgang van de boeren met de dieren dan over hen zelf. Pas later in Het varken aarde staan de mensen centraal. Het meest indrukwekkend is dat het geval in de drie levens van Lucie Cabrol (dat later voor toneel werd bewerkt: zie https://vimeo.com/33841944).

    Deze langste vertelling valt uiteen in drie delen.

    Lucie is de enige dochter uit het boerengezin Cabrol, dat naast de ouders nog drie zonen telt. Lucie heeft een groeistoornis en vertoont eigenzinnig gedrag, maar ze is niettemin fysiek erg sterk. Het levert haar als kind al de bijnaam Cocadrille op (een cocadrille komt uit het ei van een haan dat op een mestvaalt is uitgebroed). De kenmerken van de cocadrille passen wonderwel bij Lucie’s gedrag (of beter: het gedrag dat haar wordt toegeschreven): ze trekt zich op de gekste plaatsen terug en kan mensen via haar blik doden. Veel inwoners zijn dan ook bang voor haar. Haar broers verstoten Lucie, en als het gerucht gaat dat ze steelt en brand sticht, neemt de burgemeester van het gehucht een maatregel. Hij plaatst haar uit huis en laat haar hoger in de bergen wonen in een wegwerkershuisje, niet meer dan een sobere berghut.

    Daar begint haar tweede leven waarin ze zichzelf onderhoudt door te handelen in zelf geplukt bosfruit en sigaretten te smokkelen. Behalve de curé van het dorp komt er vrijwel niemand langs, behalve, min of meer bij toeval, de verteller van haar geschiedenis, Jean. Ze verleidt hem, maar hij vlucht benauwd weg als ze hem vraagt bij haar te komen wonen. Dertig jaar later ontmoet Jean haar weer. Hij heeft in Zuid-Argentinië een heel ander leven achter de rug. Lucie vraagt hem opnieuw met haar te trouwen, maar vóór hij op die vraag kan reageren (hij vraagt bedenktijd), vindt een postbode haar lijk. Ze is neergeslagen met een bijl.

    Geblaf
    In het derde leven van Lucie verschuift het perspectief naar de verteller Jean zelf, die zijn eigen leven overziet en de betekenis die Lucie daarin heeft gehad. En gehad zou kunnen hebben, als hij wel met haar getrouwd zou zijn. In dit verhaal vinden we een gedachte van Jean terug die naadloos zou hebben gepast in Historisch nawoord van de essayist Berger: ‘In de bergen ligt het verleden nooit achter je, het blijft in de buurt. Je komt in de schemering terug uit een bos, en ergens in een dorpje blaft een hond. Een eeuw geleden begon op diezelfde plek op hetzelfde tijdstip van de dag een hond die een man omlaag hoorde komen uit het bos te blaffen, en de tijdspanne tussen die eerste en de tweede keer is niet meer dan een interval in het geblaf.’

    Als toerist komen we heel soms nog in zo’n dorp. ‘Alsof de tijd er heeft stilgestaan’, zeggen we dan. En we plaatsen het bij in onze verzameling museale herinneringen die we ook weer snel loslaten. Wie John Berger heeft gelezen, leert er met liefde en bewondering naar kijken als een rijkdom en kracht waarvan wij vervreemd zijn.

    Wat een zegen dat Uitgeverij Schokland dit jaar de drie delen van De vrucht van hun arbeid opnieuw onder onze neus duwt.

     

    Van de trilogie De vrucht van hun arbeid door John Berger verschenen tot nu toe: deel 1: Het varken aarde en deel 2: Ver weg in Europa. Deel 3: Sering en vlag verschijnt later dit jaar, ook bij Schokland.

  • They are the Last – John Berger

    Prachtig gedicht van John Berger.

  • Oogst week 20

    Ver weg in Europa

    Uitgeverij Schokland heeft een goed oog voor klassiekers die het verdienen opnieuw onder de aandacht te worden gebracht. Het werk van de Britse essayist en schrijver John Berger (1926) werd nooit wijd verbreid bekend, wellicht dat de heruitgave van zijn trilogie daar verandering in brengt. Zijn werk is namelijk een literair staaltje van de sociologische verbeelding waarin hij maatschappelijke ontwikkelingen verbind aan persoonlijk verhalen. De trilogie De vrucht van hun arbeid, gaat over de verdwijning van het boerenleven op het Franse platteland. Hij leefde zelf aan de voet van de Franse Alpen ten tijde dat hij de trilogie schreef. Het is dan ook een verslag van de menselijke strijd tegen de verdwijning van geldende waarden, waar hij middenin leefde. Het eerste boek Varken aarde is onlangs verschenen. Het tweede boek,Ver weg in Europa verscheen deze maand. Berger is een meesterverteller die de lezer met zijn verhalen naar het wezen van de dingen weet te brengen. Lezen!, zou ik zeggen.

     

    Ver weg in Europa
    Auteur: John Berger
    Uitgeverij: Schokland

    De lanterfanter

    Wordt in de trilogie van John Berger de teloorgang van het plattelandsleven verbeeld, in  De lanterfanter (1959) pleegt de hoofdpersoon verzet tegen de moderne maatschappij. Yusuf Atılgan (1921-1989) liet drie romans en een wat korte verhalen na, maar geldt als een van de pioniers van de moderne Turkse literatuur. Hij groeide op, op het platteland en studeerde later Turkse letterkunde in Istanbul. Zijn debuut, De lanterfanter, is een moderne klassieker, over het leven van C., die zich verzet tegen de dagelijkse verplichtingen in het Europa van de jaren vijftig. Hij leeft van een erfenis, verlummelt zijn dagen in de kroeg en hangt rond in trams en de straten van Istanbul. Dit alles met het doel de ware liefde te vinden, het enige dat volgens hem zin aan zijn leven kan geven. Kortstondige romantiek of de kunst geven hem geen voldoening. Hij zoekt die ene onvindbare vrouw. Mensen verafschuwt hij grotendeels. C. vult zijn dagen als nietsnut, ‘het allermoeilijkste dat er is’. Het boek is vandaag verschenen.

    De lanterfanter
    Auteur: Yusuf Atilgan
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Aantekeningen van een hulpweigeraar

    Een bejaard echtpaar woont op een bovenwoning in de Amsterdamse Pijp. De vrouw is ziek en de man voert eendagskuikens aan talloze zwerfkatten in de achtertuin en op de daken. Aangeboden hulp voor zijn zieke vrouw weigert hij pertinent in een poging de harmonie en autonomie over zijn leven te kunnen bewaren. De man praat met zijn vrouw, maar als zij niet meer terugpraat gaat hij tobben over het verleden en wordt hij meer en meer gekweld door schuldgevoelens. Het leidt, terwijl de stad door krakersrellen in een toestand van oorlog verkeert, tot een onvermijdelijke apotheose.

    “Ik bedacht dat het theewater al lang aan de kook moest zijn en haastte me naar beneden. Hanni was opgestaan. Ze stond iets voorovergebogen bij het aanrecht en liet de kraan lopen. ‘Fijn, Hanni, het gaat weer een stuk beter, hè?’ zei ik, en ik haalde de ketel van het vuur. Er zat nog maar weinig water in. Ze keek me met matte ogen aan en hield haar buik vast. Er lag een grimas op haar gezicht. Ze kan er zo schil­derachtig uitzien. Ook op dat moment. Haar lange grijze ha­ren lagen uitgespreid over haar schouders – in het tegenlicht van het raam zag je de kale plekken niet. Ze droeg een oude katoenen nachtjapon. De scheuren deerden haar niet. ‘Je bent slank als een den,’ zei ik. ‘Net als vroeger.’ Ze bracht de middag door in bed. Tegen de avond kwam ze eruit en aten we brood. Zij een half sneetje, maar dat leek me ook voldoende op zo’n dag waarop je niet veel doet.”

    Aantekeningen van een hulpweigeraar
    Auteur: Rogier Vogelenzang
    Uitgeverij: Atlas/Contact

    Journalist te koop, Hoe corrupt zijn onze media?

    Arnold Karskens is nog een van de weinige Nederlandse oorlogsjournalisten en onderzoeksjournalist. Hij schreef verschillende boeken over verslaggeving vanaf het front waarvan de laatste in 2014: Reisgids voor de frontlijn. Hét overlevingshandboek voor de avontuurlijke reiziger, hulpverlener, oorlogsjournalist, zakenman & pensionado met lef. In datzelfde jaar verscheen van hem ook De zaak-Zorreguieta, over de medeplichtigheid van de vader van koningin Máxima aan misdrijven tegen de menselijkheid.

    In Journalist te koop komen ‘linkse’ en ‘rechtse’ journalisten aan het woord die volgens Karskens een gezamenlijke zorg delen, namelijk dat de onafhankelijke journalistiek in deze tijd zwaar onder druk staat. ‘Oorzaken zijn onder meer de oprukkende commercie, bezuinigingen op de redactiebudgetten, bemoeizuchtige voorlichters, valse inlichtingendiensten, indoctrinerende denktanks, redactionele lafheid en serieuze terreurdreigingen.’ Grote vraag is dan ook: welke journalist is nog te vertrouwen en ‘ hoe goed of slecht is de nieuwsvoorziening in de vaderlandse kranten en op televisie eigenlijk?’

     

    Ook recente ontwikkelingen als de aanslagen in Brussel en de Panama Papers, komen in het boek aan de orde waarmee het een mooi tijdsbeeld geeft van het functioneren van de hedendaagse journalistiek.

    Met medewerking van Gertjan van Beijnum, Hassnae Bouazza, Jan Dijkgraaf, Derk Jan Eppink, H.J.A. Hofland, Theodor Holman, Stan van Houcke, Joris Luyendijk, Rudie van Meurs, Alexander Münninghoff, Annabel Nanninga, Joost Niemöller, Max Pam, Jan Roos, Xandra Schutte, Eric Smit, Martin Sommer, Udo Ulfkotte, Ebru Umar, Martin Visser en Brenno de Winter.

    Journalist te koop, Hoe corrupt zijn onze media?
    Auteur: Arnold Karskens
    Uitgeverij: Querido
  • Geluk in een draagdoek

    Geluk in een draagdoek

    Ik was een paar weken in Londen om de tweeling van mijn oudste Zoon en zijn Liefste te bewonderen. Op zondagmiddag gingen we naar het park in London Fields. De baby’s in een draagdoek liepen we door de straten van Hackney. Ruziënde stemmen van een man en een vrouw, vlogen als vuurballen door een open raam de straat over. Het deerde ons niet. We hadden het over schuimende melk en hoe je daarmee figuren op koffie maakt. Alsof we al zo vaak op zondagmiddag met baby’s uit wandelden gingen.

    In het park trokken de draagdoeken de blikken van jonge vrouwen. Verlangen naar een kind lijkt op een zonnige zondagmiddag in een park vreselijk urgent. Een kind maken of een alternatief bedenken. Zoals: maak een schap in de keuken voor de koffiemolens die je in de loop der jaren hebt verzameld. En als dat klaar is, zoek naar wat anders tot blijk dat  het verlangen niet meer te ontwijken is. Grote kans dat je dan ook op een zonnige zondagmiddag bebuideld door een park loopt.
    Op de terugweg naar hun huis begon ik van louter geluk de namen van de straten te mompelen: Shrubland Road, Brownlow Road, Marlborough Road.

    Thuis legden we de slapende baby’s tussen ons in op de bank. Oogbollen schoten achter transparante oogleden heen en weer op zoek naar een opening om de wereld te zien. Piep en prut geluiden. Mondjes verstreken tot een intense treurigheid om dan ineens tot een perfect gevormde 0 te komen die overging in een gelukzalig glimlachen. Waarna een diepe frons, zoals alleen een baby fronsen kan, alles wegvaagde en je zegt: ‘Och, wat is er dan?’ En je noemt ze bij hun naam om ze te helpen dit leven in te komen. Je stelt je voor dat als je nog niets bent van jezelf, je wel een muts op wilt om te weten waar je hoofd is en sokken aan je voeten zodat je weet waar je begint en waar je ophoudt. Om niet af te zeilen naar het oneindige waar het huilen je nader.

    Zoon moest voor zijn werk een week op pad. Zijn Liefste en ik zouden het klaren. De kleintjes dronken gretig moedermelk, we voerden ze bij met flesjes, poedelden ze, zongen liedjes, vouwden steeds opnieuw de was en noemden ze bij hun naam. Dag en nacht. Wanneer ze ontroostbaar waren droegen we ze uren in onze armen of in een draagdoek. Onze taal beperkte zich tot een ‘Ochetoch’ en zongen rijmpjes als: ‘Hee hee / ga je mee / samen naar de zee.’ Waar we natuurlijk niet naar toegingen omdat we geen energie over hadden om waar dan ook nog naar toe te gaan. We waren moe en verwisselden de namen van de meisjes, maar dat vonden ze niet erg. Ze bleven stralen en fronsen en drinken en hun luiers volmaken en zich koesteren in onze omarmingen.

    John Berger schreef in zijn boek Ways of Seeing, ‘Seeing comes before words. The child looks and recognizes before it can speak’. En zo is het.