• Oogst week 5 – 2025

    Morlands schaduw

    Cherry Duyns vertelt verhalen en doet dat op veel manieren. Hij is film- en theatermaker, is verantwoordelijk voor vele tv-programma’s en schrijver van talloze artikelen over kunst en cultuur. Hij is regisseur, acteur, redacteur. Hij schreef ook tientallen boeken. In zijn nieuwe roman Morlands huis is hoofdpersoon Sebastiaan met pensioen gestuurd. Om daarvan te bekomen vertrekt hij naar een Waddeneiland.

    ‘Ik kijk naar het eiland dat op mij wacht. Ik kom er al zo lang, ik heb er mijn herinneringen, ik weet er de weg, ken ieder schelpenpad. De duinen en de kwelder zullen mij troosten, de vergezichten boven zee zullen mij verzoenen met het bestaan, de stille wolkenluchten zullen me kalm maken.’

    Uitkijkend over zee zoekt hij in de stilte de rust, maar de komst van een brief gooit die rust overhoop. De schrijfster ervan, Sofie, afkomstig uit IJsland, denkt dat hij de halfbroer is naar wie zij al lang op zoek is. Na een ontmoeting met haar gaat Sebastiaan met enige tegenzin met haar mee naar het woeste landschap van IJsland. Want hij is toch nieuwsgierig. Vanaf dan wordt hij gedwongen anders naar zijn verleden te kijken.

     

    Morlands schaduw
    Auteur: Cherry Duyns
    Uitgeverij: Uitg. Atlas Contact (2025)

    Amerigo

    Stefan Zweig (Wenen, 1881-1942) hield van de tijd waarin hij geboren was en noemde die “de gouden eeuw van de zekerheid”. Hij reisde veel, zowel binnen als buiten Europa en zag Europa als een samenhangend cultuurgebied. Totdat het nazisme opkomt. In 1933 verruilt hij Salzburg voor Londen. Hij krijgt de Britse nationaliteit en schrijft zijn autobiografie, De wereld van gisteren over het Europese leven en de literaire, kunstzinnige en politieke kringen. In WOII gaat hij naar de Verenigde Staten en vestigt zich daarna in Brazilië. Daar pleegt hij in 1942 samen met zijn echtgenote zelfmoord uit teleurstelling over het verval van de Europese cultuur. De dag voor zijn dood verscheen Amerigo. Zweig had grote belangstelling voor het verleden en behalve novellen, romans en essays schreef hij psychologisch verantwoorde biografieën over Europese historische en literaire personen, onder wie Erasmus, Marie Antoinette en Freud.

    Columbus ontdekte in 1492 Amerika, hoewel hij zelf dacht dat het Indië was. Maar van de Florentijnse ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci (1454-1512) werd de naam gegeven aan het nieuwe continent. Stefan Zweig vroeg zich af hoe dat kwam. Was Vespucci een misleider? Of was hij een pion in een groter spel van macht en toeval? Over de reizen van Vespucci zelf bestaan twijfels. In Amerigo schrijft Zweig over de grote ontdekkingen van de zestiende eeuw waarin moed en navigatiekunst van groot belang waren. Ambitie, misverstanden en propaganda echter wogen soms zwaarder dan de werkelijkheid.

     

    Amerigo
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: Uitg. IJzer (2025)

    De grote kuur

    Het hoofdpersonage uit De grote kuur van Johannes van der Sluis is psycholoog Paul Bleicher. Hij bezondigt zich aan grensoverschrijdend gedrag, wat het einde van zijn praktijk betekent. Daardoor stort hij in en wordt hij opgenomen in een kliniek. Als hij daar weer uitkomt is zijn huwelijk op de klippen gelopen. Bleicher besluit om naar een kuuroord in het Italiaanse Merano te gaan om er te schrijven. Hij verblijft in een klooster en komt in contact met een streng katholieke Poolse die hij onder zijn hoede neemt, wat hem duur komt te staan. Zijn volgende besluit is het reizen naar München om daar het door hem zelf bedachte ‘Vierde Rijk’ op te richten. Het Vierde Rijk zet verdeling en vernietiging in de plaats van de liefde en de vereniging van het ik en het niet-ik. ‘Ik zal er niet lijdzaam bij staan kijken. De tijd is nabij en de lezer weet dat de tijd inmiddels is gekomen.’
    Bleicher lijdt aan depressie en dwangneuroses, hij beschikt over een zelfdodingspil en plast af en toe in zijn broek. Zijn grootvader was een nazi, een feit dat ook een innerlijke strijd oproept.

    De grote kuur is Van der Sluis’ eerste roman. Eerder publiceerde hij de dichtbundels Een mens moet ook niet alles willen weten (2018, onder de naam Giovanni della Chiusa), Ik ben de verlosser niet (2020), Profane verlichting (2022) en de ‘dichterlijke verdediging’ Mijn vaderland (2024) met persoonlijke gedachten over de nationalistische Nederlandse politieke koers. Van der Sluis is hoofdredacteur van Hollands Maandblad.

     

    De grote kuur
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Uitg. Jurgen Maas (2025)
  • Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Mijn vaderland is de titel van de nieuwe bundel van Johannes van der Sluis, dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Dat vaderland blijkt in de gedichten echter niet Nederland te zijn, zoals je zou verwachten. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als die Bedřich Smetana koos voor zijn cyclus van zes symfonische gedichten, Má Vlast, waarvoor hij tussen 1874 en 1878 de muziek componeerde. Het lijkt erop dat Tsjechië voor Van der Sluis eveneens het land is waar hij zich thuis voelt: zijn ‘Ersatz-Heimat’, noemt hij het zelf. Waar Smetana op zijn muzikale reis van zes gedichten uitgaat, koos Van der Sluis voor vijf afdelingen van gedichten en brieven. 

    De eerste brief is gericht aan zijn vader aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Deze brief is honderd jaar later geschreven dan de brief die Kafka in 1919 aan diens vader richtte, en heeft dezelfde teneur van een jeugd waarin de vader weliswaar aanwezig was, maar op afstand bleef. Gelukkig weet Van der Sluis zich met zijn vader te verzoenen voordat deze in 2023 overlijdt. Ze maken samen een bedevaart naar Praag, ‘omdat we daar vroeger vaak waren geweest’. De dichter reist Kafka achterna en bezoekt de vroegere woningen van ‘al die fantastische/ schrijvers en dichters’. 

    ‘binnen is niemand te zien
     met de lift naar de vijfde verdieping
     de verdieping waarvan hij in de ban was
     Rilkes Malte Laurids Brigge in Parijs
     die van de vijfde verdieping wilde springen
     net als Kafka
     die op de vijfde had gewoond
     Konstantin Biebl
     die daadwerkelijk is gesprongen
     en hij woonde zelf op de vijfde verdieping
     waar we aan toevoegen
     Jan Arends
     de vijfde verdieping
     ook niemand hier’ 

    Buitengewoon droge humor

    De autobiografische elementen van de dichter en zijn ouders worden afgewisseld met veel citaten uit het werk van diezelfde schrijvers en dichters en met zeer gedetailleerde informatie over het verloop van de reis. Die informatie lijkt af en toe behoorlijk langdradig en overbodig, maar wordt dan plotseling doorbroken door de buitengewoon droge humor van Van der Sluis, die de draak lijkt te steken met zijn eigen vertelwijze: ‘we liepen langs de muur van Lennon/ War Is Over!/ stond er geschreven/ je zag het niet/ je bent van de Stones’. 

    De reis met vader en moeder voert verder naar Beieren, naar Neuschwanstein waar koning Ludwig II zich in de Starnberger See verdronken heeft. Het gedicht dat hierover gaat is een fantastische vervlechting van de banale werkelijkheid met de verering voor de sprookjeswereld van koning Ludwig, doorspekt met citaten van Johnny Cash, Joseph Roth en Apollinaire, en alles overgoten met een ironisch sausje. 

    Liefde blijft onbereikbaar

    Het reisverslag dat ook een dagboek is, wordt onderbroken door een brief aan zijn moeder en het afscheid van zijn stervende vader.

    ‘heeft papa me niet op wat zijn sterfbed leek
     opgedragen om mijn eigen weg te gaan?
     of gold dat alleen voor mijn poëzie?’

    De derde afdeling brengt de dichter buiten de grenzen van Europa: hij is verliefd geworden op een grillige Marokkaanse jongedame van twintig jaar, die niet al te toeschietelijk is en met wie hij in het Italiaans moet communiceren. Ze neemt een chaperonne mee naar de afspraakjes en haar familie maakt bezwaar tegen de relatie. Pas als de dichter zich bekeerd heeft tot de islam mag hij hoop koesteren, maar tot een bruiloft komt het niet. Vanuit Catania schrijft hij ook brieven aan zijn geliefde, maar die bezorgen hem niet het gewenste resultaat.

    ‘maar gisterochtend schreef ik
     ik kon het niet laten
     dat ze nu rustig kon slapen
     ik ben dood
     je hebt me vermoord
     met de Arabische vertaling erbij
     in die hoop dat zo’n vertaalprogramma het niet
     vertaalt met
     ik heb in het zwembad geplast’

    Grote namen en een ontgoocheld man

    Ondertussen vallen er grote namen als van Kierkegaard, Simenon, Pirandello, Czesław Miłosz, Robert Walser en vele, vele anderen. Van der Sluis citeert volop om zijn betoog kracht bij te zetten, daardoor wordt het wel eens vermoeiend om zijn verhaal te blijven volgen.
    De prozagedichten zijn in twee kolommen op de pagina’s gezet en wijken wat inhoud betreft niet veel af van de inhoud van de brieven, alleen de vorm is anders. Er wordt geen gebruik gemaakt van leestekens, op het vraagteken na, en alleen eigennamen en het eerste woord van een titel krijgen hoofdletters. Hij springt van de hak op de tak, verwijst terug naar elementen uit eerdere gedichten, maar het is allemaal veel van hetzelfde: een gezapig voortkabbelen van een verslag van persoonlijke teleurstellingen. Zelfs zijn droge humor kan niet voorkomen dat de aandacht verslapt.

    De dichter zet zichzelf neer als een ontgoocheld man, een verdrietige Pierrot, een ridder van de droevige figuur die net als Don Quichot zich vergeefs te weer stelt tegen de slagen van het noodlot en troost vindt in levens en werken van beroemde schrijvers. In zijn minutieus bijgehouden dagboek waarin hij zich ook tot anderen richt, probeert hij grip te krijgen op de omstandigheden, maar het blijft vechten tegen de bierkaai. 

    ‘zoals Duitsland papa’s moederland is
     is liefde mijn moederland
     een bloedige geschiedenis
     maar ik zing graag
     vooral op papier
     laat mijn lied voor jou
     alle woningen wijden

     Liefs,
     Johannes’

    Het vaderland, waarvan sprake is in de titel, is niet aan te wijzen op de wereldkaart. Het is de wereldliteratuur waarin de dichter zich thuis voelt.

     

     

  • De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Oogst week 42 – 2023

    De groenvoorziening

    Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Lebowski de bundel Profane verlichting waarover Hettie Marzak op Literair Nederland schreef: ‘Van der Sluis neemt de lezers in zijn bundel mee door zijn leven van alledag aan de hand van wat nog het meest een dagboek lijkt te zijn. Achter de gedichten, die op het eerste gezicht komisch lijken, schuilt een Weltschmerz en een gelatenheid, die de gedichten indringend maken en van een dubbele bodem voorzien. Een gelaagdheid die eerst doet lachen en dan doet huilen. Van der Sluis maakt van de lezer eenzelfde droeve clown die hij in zijn gedichten uithangt.’

    In Profane verlichting komen zijn therapiesessies bij de psycholoog aan de orde die gaan over ‘de onzekerheid van de dichter, zijn verlangen naar acceptatie en de angst om afgewezen te worden.’

    Zijn volgende bundel zou een vervolg kunnen zijn, want op het omslag valt te lezen:
    ‘Wanneer een volgende psychische instorting zich voorlopig niet lijkt aan te dienen, besluit Johannes zijn schrijftafel en canapé te verlaten. Hij meldt zich bij de lokale plantsoenendienst in Rotterdam-IJsselmonde en met de schoffel in zijn handen probeert hij weer grip op het leven te krijgen. Al snel wordt hij onderdeel van de groep bijzondere mensen die zich ontfermen over het stedelijke groen.’

    Johannes van der Sluis (1981) is dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Hij debuteerde, onder het pseudoniem Giovanni della Chiusa met Een mens moet ook niet alles willen weten (2018). Het daaropvolgende Ik ben de Verlosser niet en Profane verlichting verschenen onder zijn eigen naam.

    De groenvoorziening
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski

    Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet

    Op de pagina bezoekmaastricht.nl wordt over het Jekerkwartier gesproken als ‘dé local ervaring van Maastricht’ en ‘immer levendig’. ‘In deze wijk laat historisch Maastricht zich van z’n beste kant zien. Je komt er projecten van jonge ondernemers tegen en je kunt er een hele dag op het terras blijven zitten. Weinig wandelingen zijn zo divers als een wandeling door deze wijk.’

    Dat was vroeger wel anders. In Crapuul. Kroniek van een krottenwijk uit 2022 schetst Frank Bokern een onthutsend beeld van de mensonwaardige leefomstandigheden in deze wijk tussen 1840 -1973. Het Jekerkwartier was oorspronkelijk een wijk met mooie grote panden die bewoond werden door de gegoede Maastrichtenaren. Na de afscheiding vertrokken deze bewoners naar België en begonnen huisjesmelkers de losse kamers te verhuren aan de arbeiders die Maastricht aantrok als gevolg van de industrialisatie.

    Het duurde eindeloos, maar uiteindelijk ontwikkelde het Jekerkwartier zich na de Tweede Wereldoorlog tot een broedplaats van vrolijk verzet. De kunstenaars en krotbewoners en later de nozems, provo’s, hippies en krakers komen ieder op hun eigen manier in opstand tegen de burgerlijkheid van die tijd.
    Daarover schrijft Frank Bokern in zijn tweede boek over deze wijk, Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet. Het is het lokale verhaal van de jaren zestig, de individualisering en de ontzuiling.

    Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet
    Auteur: Frank Bokern
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2023)

    Alles raak

    En tot slot in deze Oogst, het bericht over een nieuwe titel uit de serie Gedundrukt van Van Oorschot: Alles raak van verhalenverteller Mensje van Keulen.

    Zowel de serie als de auteur behoeven weinig toelichting. Van Keulen maakte zelf een selectie uit haar verhalen, gedichten en dagboeken. ‘In goed overleg met de uitgeverij’, zoals zij zelf toelichtte in De Taalstaat, het wekelijkse radioprogramma op NPO1 waar het allemaal om taal draait, is de definitieve selectie tot stand gekomen.

    Alles raak
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2023)
  • Oogst week 3 -2022

    Het woord voor rood

    Het woord voor rood van Jon McGregor is misschien wel het best te typeren als een roman over communicatie op allerlei niveaus. De roman, bestaand uit drie delen, begint met een expeditie op Antartica die mislukt. De groep van drie leden raakt elkaar kwijt tijdens een storm. Ze hebben geen contact meer. De expeditieleider Robert Wright (‘Doc’) weet het verblijf met de zendinstallatie terug te vinden, maar raakt buiten bewustzijn. Hij blijkt daarna door een beroerte  zijn spraakvermogen kwijt te zijn. Daardoor kan hij – in het tweede deel – eenmaal thuis ook met zijn vrouw Anna niet meer communiceren.

    Het derde deel beschrijft Roberts therapie die er toe moet leiden voldoende taal te hervinden om zijn verhaal te kunnen doen. Wat is er aan communicatie mogelijk als iemand afasie heeft?

    De roman kreeg in eigen land zeer lovende kritieken en Nederlandse lezers kunnen de auteur kennen van Zelfs de honden (2021) en Reservoir 13 (2018).

     

     

    Het woord voor rood
    Auteur: Jon McGregor
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Het huis aan het einde

    Naar koude streken, bovendien naar het noorden trok Irwan Droog vorig jaar met zijn vriendin Kim en hond Zorro. Hij verhuisde naar Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel, terwijl in Nederland de eerste vaccinaties tegen covid-19 werden uitgedeeld: ‘ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen’.

    Selvær is zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen: ‘Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo opgesloten als in mijn woonkamer thuis?’
    Het verblijf levert bijzondere ontmoetingen op waarvan Droog verslag doet in Het huis aan het einde, zijn debuut.

     

    Het huis aan het einde
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Profane verlichting

    Wat opvalt aan het omslag van Profane verlichting van Johannes van der Sluis is de kleurstelling. Die doet meteen denken aan zijn vorige bundel gedichten Ik ben de Verlosser niet uit 2020. Daarin vroeg de dichter zich via zijn woonbuurt in Rotterdam, een kuuroord in Italië en een psychiatrische kliniek in Poortugaal af wat hij nog te zoeken had in een leven zonder baan en liefde.
    Profane verlichting is in zekere zin een vervolg. De liefde komt weer om de hoek kijken. Ze heet M. is de titel van het tweede gedicht, dat begint met de regels:

    Afgelopen keer
    in café De S.
    maanden geleden
    was het barmeisje
    met een lamp
    op weg naar het terras
    ik ging naar huis
    en zei tegen haar
    dat ik haar zou volgen
    ja volg mij
    ik verlicht het pad
    zei ze lachend
    (…)


    Profane verlichting
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Lebowski
  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Geen verband gevonden

    Geen verband gevonden

    De verhalenbundel Viva L’Italia waarmee Van der Sluis debuteert is een merkwaardig boekje. Het bevat 20 korte verhalen die zich ieder afspelen in één van de 20 regio’s van Italië en die bijna allemaal eindigen met een misdaad.

    Van der Sluis is verbonden aan het literaire weblog TZUM waar hij de inleiding op zijn boek heeft gepubliceerd (en niet in de bundel zelf). Daar lezen we wat zijn bedoeling met deze bundel is. Hij schetst onder meer de verschillen tussen het romantische beeld dat vooral buitenlanders van Italië hebben –zon, cultuur, lekker eten, goede wijn, hartelijkheid, e.d. kortom la dolce vita- en het andere beeld van Italië: corruptie, de maffia, de bureaucratie, de schaamteloze lelijkheid van de stedelijke periferie, e.d. Dat gezegd hebbende, wil Van der Sluis in elk verhaal ‘het eigene van de verschillende regio’s tot uiting laten komen, ‘het onbekende, het perifere en soms duistere.’ En omdat de passie en warmbloedigheid toeneemt naarmate je zuidelijker komt, zijn misdaad en de dood dichtbij.’ Om die reden eindigt elk verhaal met een misdaad.
    Dat nu is merkwaardig wanneer je het eigene van een regio wilt benadrukken, alsof iedere regio zijn eigen misdaad kent. Bijna alle moorden spelen zich af in de relationele sfeer en staan min of meer los van de plaats delict.

    Na lezing van de bundel moet je concluderen dat Van der Sluis zijn ambitie niet waarmaakt. Noch het eigene van de diverse regio’s komt uit de verf, noch lezen de verhalen als misdaadverhalen. Sterker: de misdaad, meestal een moord, blijkt vaak als een verrassing aan het slot van het verhaal gepleegd en is niet altijd in verband te brengen met wat er aan vooraf ging. Er zitten ook verhalen bij waarvan de afloop niet direct duidelijk is, zoals ‘Ongehoorzaamheid in Veneto’. Dat verhaal speelt zich af in een klooster in Venetië waar de zusters krampachtig proberen de boze buitenwereld buiten de kloostermuren te houden. Maar dan moeten ze een groepje doofstomme jongeren, uit een instituut bij Verona, dat zich aan losbandigheid heeft overgegeven, op het rechte pad brengen. Uiteindelijk wordt dit kwaad, op verzoek van de pater van het instituut, opgelost in de lagune van Venetië…
    Het verhaal over ‘Le Marche’ gaat over twee IKEA medewerkers waarvan er een wordt ontslagen. Uit frustratie stelen ze een auto waarbij de eigenaar door de een wordt vermoord en zijn vrouw, ‘nadat ze genoeg van haar hadden’, door de ander wordt vermoord. Dit verhaal is niet specifiek voor Le Marche behalve dan misschien dat het Joegoslaven (bestaan die dan nog?) zijn en er een veerbootverbinding vanuit Ancona naar Kroatië bestaat. Van der Sluis legt evenmin een verband tussen deze autodieven en het eigene van de streek. Eigenlijk geldt dat voor alle verhalen in deze bundel.

    Hoewel Van der Sluis een goede pen heeft en een vlotte stijl, doet deze bundel nogal gekunsteld aan.

     

     

  • Oogst week 23

    Wat kwam er binnen op de redactie van Literair Nederland? In de Oogst elke week een kort overzicht.

    Door Carolien Lohmeijer

    Els Launspach geeft les aan de Theaterschool in Amsterdam. Tekstanalyse, dramatische structuur, opbouw van de personages, dieptewerking en historische achtergronden. Ook schrijft zij (jeugd)romans en essays. Jonker gaat over de succesvolle architect Jonker Duivendal die plots merkt dat belangrijke opdrachtgevers zijn eigenzinnige aanpak niet langer waarderen en zijn familie hem laat vallen. Gealarmeerd gaat hij op onderzoek uit. Hij begint brieven te lezen die zijn moeder Beth heeft bewaard, in de hoop iets te vinden waardoor hij de situatie gaat begrijpen. Langzaam wordt hem duidelijk dat het familieconflict een gevolg is van de politionele acties in Indonesië. Hij kan die ontdekking echter niet met zichzelf verbinden.
    Jonker, Els Launspach, Uitgeverij In de Knipscheer, 336 pagina’s, € 19,50

     

    Viva l'ItaliaIn zijn inleiding van Viva l’Italia schrijft Italiëliefhebber Johannes van der Sluis over de grote aantrekkingskracht van Italië op toeristen. Maar: ‘Dat de realiteit soms de fantasie logenstraft, wordt vooral door buitenlanders voor lief genomen of genegeerd, het is immers Italië. De corruptie, de georganiseerde misdaad – geromantiseerd in films –, de xenofobie, de vervuiling, de kitsch van de Italiaanse televisieprogramma’s, de schaamteloze lelijkheid en letterlijke en figuurlijke duisternis van de stedelijke periferie; de charme wint het van de schaduwzijden.’

    Verderop vertelt hij: ‘In korte misdaadverhalen in Viva l’Italia, waarbij ‘misdaad’ ruim moet worden opgevat, en die zich afspelen in de twintig regio’s van het land, komen bekende facetten van Italië voorbij, maar het is vooral een onderzoek naar het eigene van de verschillende regio’s, het onbekende, het perifere en soms duistere. De schaduw in plaats van de zon dus.’
    Viva l’Italia, Johannes van der Sluis, Uitgeverij Kleine Uil, € 15,-

     

    Een volstrekt nutteloos mensOok in de verhalenbundel van Jori Stam zijn ogenschijnlijk onschuldige situaties niet altijd wat ze lijken: van absurde taferelen in polderdorpen tot misantropie en waanzin in de stad.

    Jori Stam (1987) schreef met Een volstrekt nutteloos mens zijn debuut. Eerder publiceerde hij verhalen in verschillende literaire tijdschriften. Hij groeide op in de polder en studeerde Nederlandse taal en cultuur in Amsterdam. Zijn verhalen verschenen in verschillende literaire tijdschriften.
    Een volstrekt nutteloos mens, Jori Stam, Uitgeverij Atlas Contact, €19,99