•  Eenzaamheid en aftakeling

     Eenzaamheid en aftakeling

    ‘Het ergste moet nog komen’. Deze veel aangehaalde woorden van Arthur Schopenhauer zijn een aansporing om tijdig de hoop op een happy end te laten varen. Omdat de meeste mensen zich er niets bij voorstellen, leven ze er doorgaans lustig op los totdat de feiten dwingen tot verandering. Het boekje Het leven moe van Detlev van Heest maakt de lezer getuige van een in de versukkeling gerakend bestaan.

    Schrijver Detlev van Heest is bekend als vriend en bewonderaar van J.J. (‘Han’) Voskuil en diens vrouw Lousje Voskuil-Haspers. Al eerder kwam Lousje Voskuil via Van Heest uitgebreid aan het woord in het boek Ik ben ik niet (Van Oorschot, 2014). Sindsdien zijn ruim tien jaren voorbijgegaan: Lousje is 99 jaar oud, enerzijds verward en kwetsbaar, en tegelijk opstandig en boos. Het een heeft ongetwijfeld met het ander te maken.

    Nog steeds is in deze hoogbejaarde dame Nicolien ter herkennen, de vrouw van Maarten Koning, hoofdpersoon van de befaamde 7-delige romancyclus Het bureau, die verscheen in de jaren 1996-2000. Nicolien is obstinaat, tegendraads, dwingend en eigenzinnig en toch tegen wil en dank: steun en toeverlaat van Maarten Koning. Nu Nicolien / Lousje de leeftijd der zeer sterken bereikt (zij is weduwe sinds 2008) laten eenzaamheid en aftakeling zich gelden.

    Konden eerder lezers om de slapstick der huwelijkse perikelen tussen Maarten en Nicolien nog schateren, de ontreddering die de ouderdom onvermijdelijk met zich meebrengt doet een mens het lachen wel vergaan. Uit een negental prozafragmenten – overwegend dialogen – rijst een ontluisterend beeld op dat de lezer met mededogen vervult. Lousje breekt een arm, ze wil geen gips, ze maakt haar mitella zoek. Ze weet niet meer wanneer dingen gebeuren, wat er is afgesproken. De poes die dood is beweegt nog, en begint weer te eten. Lousje beschuldigt de dierenarts van moord en zichzelf van medeplichtigheid. Ze durft de straat niet meer op. Ze is soms dronken en weerloos, en heel vaak heel erg moe. Het relaas zal voor veel mantelzorgers herkenbaar zijn.

    En voor wie de geschreven impressies nog niet overtuigend genoeg zijn, bevestigen bijna veertig foto’s van het interieur het verhaal nog eens indringend en onmiskenbaar: de tijd is in huize Voskuil tot staan gekomen. Niemand hoeft er meer naar op zoek, de details spreken boekdelen.

    Trouwe Bureau-lezers moeten zich dit werkje niet laten ontgaan. En los daarvan is het voor iedereen een relevante oproep: memento mori, gedenk te sterven, eens, ooit. En meer nog misschien voor nu, vóór het te laat is: pluk de dag.

     

    Detlev van Heest / Het leven moe / 88 blz. / uitgeverij Hof van Jan / beeld: Michèle Baudet / prijs € 18,-

     

  • Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Oogst week 13 – 2025

    Het zilveren bot

    Het lot van Oekraïne gaat in het westen velen aan het hart. De populariteit van de schrijver Andrej Koerkov (1961), geboren in Rusland, opgegroeid en woonachtig in Oekraïne, is sinds de oorlog toegenomen. Hij is internationaal een veelgevraagd commentator. Vorig jaar verscheen zijn oorlogsdagboek Onze dagelijkse oorlog (2024), over zaken als wassen als de stroom is uitgevallen, loopgraafkaarsen, het geluid van rijdende tanks op een snelweg, vallende bommen, en de plaats voor kunst, literatuur en muziek in de maar doorgaande oorlog. Eerder verschenen onder meer Grijze bijen (2018) en Dagboek van een invasie (2022).

    Het zilveren bot is deel 1 van The Kyiv Mysteries, drie misdaadromans met een historische achtergrond. In dit eerste deel wordt op klaarlichte dag Samson Kolechko’s vader in zijn bijzijn vermoord. Samson ontsnapt aan de sabel, het kost hem alleen een oor. Het is 1919. In Kiev is het Rode Leger van de Sovjets de baas, het Witte Leger probeert vanuit het westen op te rukken. Overal heerst wantrouwen. Samson is nu als wees alleen in het huis van zijn vader en op een dag wordt dat huis gevorderd door twee soldaten van het Rode Leger. Samson luistert hun plannen af en besluit hen te dwarsbomen, waardoor hij in moorddadige complotten terecht komt. Zijn leven staat geregeld op het spel, maar misschien zal hij een held worden.

    Zoals altijd schrijft Koerkov op een licht ironische toon met oog voor absurditeit. Voor het spannende boek raadpleegde hij de archieven van de misdaadbestrijdingsdienst in Kiev.

     

    Het zilveren bot
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts 2024

    De bodem van het bestaan – Dagboeken 1976-1980 deel 5

    In deel 5 van de Dagboeken van J.J. Voskuil wordt door de schrijver weer veel geworsteld, met zijn werk op het Meertensinstituut, met andere medewerkers, vrienden, met zijn vrouw L.. Voskuil schildert zichzelf daarbij negatief af, is meestal ontevreden over zijn gedrag en opmerkingen. Tegelijkertijd is hij vaak overtuigd van zijn eigen gelijk en doorziet hij behalve zichzelf ook de mensen om zich heen.

    In 1976 is hij verliefd op de jonge medewerkster Mirjam Lucassen, die wordt gearresteerd in verband met een explosief. Zij verdwijnt uit het Bureau en uit Voskuils leven. Hij raakt gedeprimeerd en schrijft eind 1977: ‘En nog altijd het nu al maanden durende gevoel van zinloosheid dat het onmogelijk maakt indrukken op te doen en neer te schrijven. Om iets waar te nemen heb je een vast punt nodig. Er is geen vast punt.’ Ondanks de ruzies en oeverloze discussies met L. schrijft Voskuil herhaaldelijk: ‘Ik ben niets zonder L.’

    In 1978 noteert hij, naast wat plaatsnamen van wandeltochten, slechts: ‘Marietje [hun kat] is vanmiddag doodgegaan. Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’
    Begin 1980 gaat hij verder met zijn dagboek. Over het werk: ‘Het komt erop neer dat ze niet geloven dat het een voorstel is. Ze zien het als een overval. Ik wil hen op die manier met een hoop nieuw werk opzadelen. Dat had ik pas mogen doen als er eerst een principebeslissing was genomen. Enzovoort. Ik ben verbijsterd.’
    Voskuil chargeert en relativeert. Met humor, dat wel.

     

    De bodem van het bestaan - Dagboeken 1976-1980 deel 5
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Van Oorschot 2025

    Namiddagen

    De Duitse schrijver Ferdinand von Schirach (1964) is strafrechtadvocaat. Hij heeft vele bekende, beroemde en beruchte cliënten. Op zijn 45e publiceerde hij zijn eerste boek, Misdaden (2009), een bundel met verhalen uit zijn advocatenpraktijk die meteen een bestseller werd. Daarna volgden meerdere verhalenbundels, essays, toneelteksten en romans waarna hij al snel tot de beroemdste Duitse schrijvers ging behoren. Zijn boeken worden in meer dan 40 landen verkocht en er worden films en tv-series van gemaakt.

    In de bundel Namiddagen (2025) spelen Von Schirachs verhalen zich af in velerlei steden, zoals Taipei, Berlijn, Oslo, New York, Marrakech, Tokio, om er een paar te noemen. In Japan is Von Schirach erg populair, hij won daar de Honya Taishō boekhandelsprijs in de categorie internationale literatuur. In een van de Namiddagen-verhalen ontmoet de schrijver in een hotelkamer in Tokio een Amerikaanse advocate. Zij is er voor werk, hij ook – voor interviews en lezingen. Door de vliegreis en het tijdsverschil kunnen ze geen van beiden slapen en zij vertelt hem haar verhaal als advocaat van een beroemde muzikant met wie ze, getrouwd en wel, een paar jaar een relatie had. Bij het einde van de relatie krijgt ze van de muzikant een bijzonder horloge, dat ze later op verrassende wijze tegenover haar echtgenoot weet te ‘legaliseren’.

    In een prettig lezende, onopgesierde maar treffende ‘telling’ stijl laat Von Schirach levens van mensen passeren, met verkeerde beslissingen, toevalligheden, de liefde en de vluchtige aard van geluk en niet te vergeten eenzaamheid. Hij haalt daarbij literatuur, film en kunst aan.

     

    Namiddagen
    Auteur: Ferdinand von Schirach
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2025
  • Menselijke contacten

    Menselijke contacten

    Toen zondag de week tot stilstand kwam, was het lente. De tuin trok maar je bleef binnen. Je werd ergens verwacht maar meldde je af. Er dreigde hoofdpijn. Lezen in Martelaarschap, Dagboeken 1965-1974 van J.J. Voskuil was de enige manier om rust te vinden. Niets fijner als lezen hoe anderen dagelijkse verplichtingen trotseren, vriendschappen onderhouden, standhoudt in het huwelijk. Dingen waarin je wel eens verstek laat gaan. Na de hoofdpijn kwam de slaap, waarna alles weer helderder werd. Op 4 september 1971 noteerde Voskuil hoe hij opknapt van een hoofdpijnaanval.‘ ‘s Avonds, als die langzaam wegtrekt, de bekende helderheid die alles doorziet en wijsgerige rust geeft. De eerste voorzichtige slokjes alcohol, die de hoofdpijn verder terugdringen. Een gelukkig man.’ Dan weet je dat de som van migraine geluk is.

    In Martelaarschap staan lange brieven waarin menselijke relaties worden uitgemeten. Brieven die je gretig leest, daarbij jezelf direct (in het uitspinnen van gedachten) op achterstand voelt staan. En dan de momenten van wrijving, ruzie met L.. Het elkaar niet begrijpen, het achteraf uitspreken van wat er verwacht werd (en waar opnieuw ruzie van komt) is fenomenaal. De aanschaf van een nieuwe stofzuiger gaat niet zonder slag of stoot. L. is voor een Siemens, hij een Miele. Op 12 juni bezochten ze de V&D en de Bijenkorf. Op 14 juni 1973 wordt op de Prinsengracht een Miele gekocht. Op 16 juni staat deze nog steeds in zijn verpakking, ‘Aan eigendom moet je langzaam wennen.’ noteert hij fijntjes die dag. Dat maakt het lezen van deze dagboeken zo heerlijk, op zeker moment de zelfreflectie.

    Op zaterdag 30 juni noteert hij dat hij na het eten de rem van L.’s fiets heeft gerepareerd. Zij verwachtte dat hij kwam afdrogen, waarover onenigheid. Hij stelt voor te gaan fietsen. Hij had moeten vragen (van L.) of ze eerst boodschappen moesten doen. Want, ‘Ze heeft al boodschappen gedaan, en ze had willen fietsen, maar het had een verrassing moeten zijn.’ Als ze dan toch fietsen, hij voor zij achter, is ze geërgerd ‘dat we rechtsaf slaan’. Even later roept ze kwaad ‘dat ik aan de verkeerde kant van de verkeerspaal langsrijdt’. Later vraagt hij welke kant ze liever op wil. Zij zegt dat hij geen rekening met haar houdt. Even daarvoor had ze gezegd dat hij geen rekening met haar hoefde te houden. De betekenis van iemand die zegt dat je geen rekening met hem/haar hoeft te houden, is meestal dat je er wel rekening mee moet houden. Dat moge duidelijk zijn.

    De dunne lijn waarop het huwelijk balanceert. Op zijn verjaardag 1 juli, zitten ze bij Américain. ‘L. met een pils en ik met een sorbet, omdat ik het er op mijn verjaardag eens van wilde nemen, wat L. weer wat verdrietig maakte achteraf, omdat ze het niet aardig vond dat zij voor die ene keer niet ook een sorbet had genomen.’ Waarna hij concludeert, ‘Zonder L. zou ik helemaal nergens zijn.’

    Op 11 juli ziet hij bij thuiskomst een onbeschreven girobiljet op zijn bureau liggen. “‘Wat moet dat girobiljet daar”, vroeg ik, geprikkeld en bereid om overal ruzie over te maken.’ God, wat neemt die man zich voor je in, hij zou het liefst de wereld de rug toekeren maar zal dit nooit doen. Alleen al door L., die hem bij de les houdt. Zouden huwelijken met de heftigste ruzies het langst duren?, denk je opeens. Je moet aan Joan Didion denken, die na het overlijden van haar man John Dunne (waar ze zeer trouw aan was gewesst) zei dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’

    Op 7 augustus noteerde Voskuil, ‘Vannacht werd ik zo triest wakker dat het even duurde voor ik wist waar ik was. Ik kwam tot de conclusie dat het kwam door al die geforceerde menselijke contacten die me dag in dag uit worden opgedrongen. Een onnatuurlijke toestand. Ik zou boer moeten zijn.’ Dat de mens maar een bepaalde hoeveelheid menselijke contacten per week, per dag kan hebben. Dat je alles het best uit kunt houden met een boek op de bank. Dat je van beroep het liefst lezer was geworden, of boerin op een klein stukje land.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Oogst week 2 – 2024

    Woo is me

    Als René Van den Bosch, hoofdpersoon in Woo is me van Frans Stüger (1946), zeventien jaar is loopt hij weg uit het pleeggezin waar hij woont. Al sinds hij op achtjarige leeftijd hoorde dat hij is geadopteerd en zijn werkelijke achternaam De Graaf luidt, is hij op zoek naar zichzelf. In Frankrijk en België beleeft hij een gevaarlijk avontuur. Hij komt in komische, absurde en tragische situaties terecht, moet moeite doen om zich staande te houden en wordt flink op de proef gesteld. Sommige gebeurtenissen zijn waar gebeurd, zoals het overlijden van Stügers pleegmoeder, zijn verblijven in verschillende pleeggezinnen en internaten en het vinden van zijn biologische moeder. Wat niet wil zeggen dat alles wat in het boek voorkomt zo is gebeurd.

    Fragmenten uit het boek zijn eerder verschenen als korte verhalen in de literaire tijdschriften Tirade, Hollands Maandblad en De Tweede Ronde. De titel Woo is me komt van een spottende, oud Engelse opmerking, die zoiets betekent als ‘Kijk mij nou toch, wat een pech heb ik’.

    Frans Stüger besloot al jong om schrijver te worden. Om geld te verdienen had hij allerlei baantjes, ergens tussendoor studeerde hij een jaar Nederlands. In 1975 verscheen zijn debuut De gedachte. De jaren erna volgden nog talloze romans en korte verhalen. In 1996 richtte hij met anderen De Schrijversvakschool op. Hij schreef enkele schrijfboeken en doceert korteverhalenschrijven aan groepen en particulieren.

    Woo is me
    Auteur: Frans Stüger
    Uitgeverij: Uitgeverij Gopher 2023

    Dag voor dag

    De Duitse Helga Schubert (1940) studeerde psychologie en werkte jarenlang full time als psycholoog. Op een gegeven moment werd dat parttime, want de behoefte om te schrijven was al sinds haar tienertijd aanwezig. Ze publiceerde een serie kinderboeken over het alledaagse leven in Oost-Duitsland en later verhalen en romans voor volwassenen. Zelf woonde ze in Oost-Berlijn. Ze schreef ook toneel- en televisiestukken, hoorspelen en filmscenario’s. Meer dan tien jaar stond ze onder toezicht van het Ministerie van Staatsveiligheid in de DDR. Voor haar boek Altijd weer opstaan – over haar leven in de DDR – ontving ze in 2020 de Ingeborg Bachmann Preis.

    Dag voor dag – Een getijdenboek van de liefde gaat over de liefde tussen twee ouder geworden mensen. In een verhaal van een dag laat Schubert zien hoe de hoofdpersoon haar eigen psychische kracht bewaart terwijl ze de hand van haar zieke echtgenoot vasthoudt. Meer dan vijftig jaar leven ze al samen. Met zijn overlijden in zicht wordt het leven klein en beperkt, nog net niet geïsoleerd. Ondertussen komen verhalen voorbij van hun persoonlijke en hun gezamenlijke geschiedenis met liefde en genade. Schubert beschouwt het ouder worden en alle beproevingen die daar meestal bij komen kijken grondig. Dag voor dag is vooral een verhaal over de liefde tussen twee mensen.

     

    Dag voor dag
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Martelaarschap – Dagboeken 1965-1974

    Martelaarschap is het derde deel van de dagboeken van J.J. Voskuil en beslaat de jaren 1965-1974. Voskuil verkeert in een existentiële crisis. Halverwege 1966 stopt hij met dagboekschrijven. Wel gaat hij verder met Binnen de huid, dat een afrekening met zichzelf moet worden. Als het boek eind 1968 af is, schrijft hij niets meer. Pas in 1972 gaat hij er fanatiek weer mee verder.

    Martelaarschap geeft inzicht in zijn professionele leven als wetenschapper. Zijn werk bij het Meertens Instituut – waarvan de romancyclus Het Bureau de neerslag is – vergt veel van hem. Onverbloemd meldt hij dat hij Dick Blok en Jo Daan (respectievelijk Jaap Balk en Dé Haan in Het Bureau) wel wil doodslaan of -schieten. Hij onthult zijn worstelingen met het leven en de botsingen met Lousje, hun gedachten en meningen. Het zijn soms bizarre verslagen van kleine, alledaagse gebeurtenissen en observaties die samen een genuanceerd en levendig beeld van Voskuils leven en werk vormen. Ironisch en komisch, zoals hem eigen is.

    Hij observeert scherp en gaat gedetailleerd in op de dagelijkse beslommeringen en de complexiteit van menselijke relaties. Martelaarschap draagt bij aan een dieper begrip van J.J. Voskuil als persoon en schrijver en het is, zoals zijn andere (dag)boeken ook een tijdsdocument. Het voegt een dimensie toe aan zijn literaire nalatenschap.

     

    Martelaarschap - Dagboeken 1965-1974
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023
  • Zulke verhalen

    Zulke verhalen

    G.A. van Oorschot vroeg eens aan J.J. Voskuil wat deze vond van zijn verhaal ‘Een tragisch geval’, gepubliceerd in Tirade. Het nieuwe Dagboeken deel van Voskuil opent op ‘vrijdag 1 october,’ 1965 met onder andere een brief aan Van Oorschot waarin hij schrijft het een verhaal van niks te vinden. En: ‘Ik vind dat zulke verhalen niet geschreven zouden moeten worden. (…) Dat stuk over die buren en muziekleraar heeft geen functie. Je zou dat moeten schrappen. Maar dan nog. Ik begrijp niet wat je bezielt als je zo iets opschrijft.’ Hij vindt dat Van Oorschot zijn personages emoties toeschrijft die niet kunnen, omdat ‘jij niet [kunt] weten wat er in die mensen omgaat’. Hij denkt dat Van Oorschot wel de ‘pest in’ zal hebben over zijn kritiek. ‘Je schrijft je vrienden liever dat je enthousiast bent, omdat vrienden nu eenmaal aardige mensen zijn, ook als ze de krankzinnigste dingen in hun hoofd halen.’ Hij besluit met: ‘Houd het daar dan maar op, vriend.’ 

    Er is een verhaal van  Frida Vogels uit 1967 dat onlangs voor het eerst in druk verscheen. Een verhaal dat in de zomer van 1965 zijn oorsprong vond, toen Vogels met haar man in een klein gehucht, Venola, dat op vijfentwintig kilometer van Bologna ligt, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een boerderij waar een paardenstal was omgebouwd tot zitkamer, ‘geriefelijk ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het verhaal van Vincenzo gaat over hun buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘Niet lang voor hij ziek werd en stierf zag ik hem in de schuur naast zijn huis bezig een grote boomstronk doormidden te hakken. Hij sloeg op die stronk met alle kracht die hij bezat, maar slaagde er niet in hem te splijten, en ik schaamde me hem zo bezig te zien en liep weg.’  Dit zou Voskuil ‘mieters’ hebben gevonden. Vogels en Voskuil spraken in termen van ‘mieters’ of ‘schofterig’ met elkaar. 

    De brief aan Van Oorschot zoals hierboven weergegeven, heeft Voskuil niet verstuurd. Het verhaal van Vincenzo werd niet gepubliceerd. Tot deze herfst, toen verscheen het bij Hof van Jan een collectief van margedrukkers. Het boekje telt zeseneenhalve pagina tekst, met de kenmerkende illustraties van Paul van der Steen. Vincenzo was stationschef in Marzabotto en woonde met zijn gezin op de bovenverdieping van het station. Op een dag vond hij een broodmager zwerfhondje. Het was een lief hondje, maar had een vreemde gewoonte: ‘het deed niets liever dan over de treinrails lopen’. Vincenzo kreeg daar de zenuwen van. Hij wilde het de hond in een keer afleren. ‘Hij pakte het hondje beet, bond het op een biels tussen de rails stevig vast en waarschuwde de machinist van de eerstvolgende trein. Bij aankomst in Marzabotto reed die trein over het hondje heen. Toen de trein weer weg was, maakte Vincenzo zijn hondje los. Het rende hevig jankend weg en waagde zich nooit meer in de buurt van de rails.’ Vogels schrijft zonder een oordeel te geven (dat zijn de beste schrijvers). De opbrengst van deze uitgave, 17 euro, komt geheel ten goede –zo belooft het drukkerscollectief – aan de vierennegentigjarige schrijfster. En dat is mooi.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

     

  • Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Maarten en Nicolien, wie kent ze niet? Deze hoofdpersonages uit de zevendelige roman Het Bureau van J.J. Voskuil, leven voort in Wim Huijsers roman Het Genootschap. De roman bestaat uit 119 korte hoofdstukjes met scenes uit hun leven en dat van bestuursleden en bijeenkomsten van het J.J. Voskuil Genootschap. Bijzonder is dat Huijser van Maarten en Nicolien reële autonome wezens heeft gemaakt, die los van hun schepper Voskuil voortbestaan.

    Het boek is een nieuwe ‘loot aan de Voskuilboom’, zoals Huijser het zelf eens formuleerde. Na Voskuils dood zijn er in diens voetspoor verschillende romans verschenen waarin zijn stijl en thema’s herkenbaar zijn, onder meer die van Detlev van Heest en Minke Douwesz. Huijser zelf heeft in de afgelopen twee jaar ook ijverig meegewerkt aan het uitlopen van deze stam. Hij volgde Voskuil niet alleen in stijl en thema’s, maar gebruikte ook zijn personages. Eerst publiceerde hij twee boeken met wandelingen van het echtpaar Maarten en Nicolien: Aan de wandel, waarin zij kriskras door Nederland wandelen en Op Pieterpad, waar ze het bekende ‘Lange Afstands Wandelpad’ lopen. En nu dan Het Genootschap.

    Feest der herkenning

    In deze roman wordt Maarten per brief gevraagd om erelid te worden van het J.J. Voskuil Genootschap. Het is het begin van een grappige roman die vooral voor Voskuillezers een feest der herkenning is. Maarten en Nicolien kissebissen evenzeer als de romanfiguren van Voskuil over van alles, om te beginnen over de vraag of Maarten aan het verzoek van het Genootschap gehoor moet geven. Nicolien is daarop tegen. Maarten gaat echter op de uitnodiging in en is zelfs bereid mee te werken aan een ledenvergadering, door ‘De Knat’ voor te lezen, het verhaal dat Maarten ooit in een van Voskuils boeken ook heeft voorgelezen.

    Het J.J. Voskuil Genootschap bestaat uit een excentriek stel mensen bij elkaar. De bestuursleden gaan door het leven onder Bordewijkiaanse namen als Jacques Strategier (secretaris), Herman Draatzoeker (voorzitter) en Sylvie de Vragende (penningmeester). In een later stadium komt daar Coosje van Well als jeugdig nieuw bestuurslid bij. Die bestuursleden komen afzonderlijk of gezamenlijk voor in aparte hoofdstukjes en vergaderen telefonisch en op locaties heel wat af. Daardoor krijgt de roman dezelfde afwisseling als Het Bureau, een afwisseling die in de wandelboeken van Huijser met Maarten en Nicolien ontbreekt. Er ontstaat een dynamiek tussen de belevenissen van het echtpaar in de huiselijke sfeer en die van het Genootschap, waarin Maarten soms participeert. Deze dynamiek maakt Het Genootschap tot een ware Voskuilpastiche.

    Spel met alter ego’s

    Het wordt helemaal interessant als Maarten en Nicolien kritiek gaan leveren op hun schepper Voskuil. Kritiek, met name op de dagboeken van Voskuil, die in de verhaaltijd van deze roman (september 2022-april 2023) verschijnen. Ze vinden vooral het eerste deel van het dagboek, dat de periode tot 1955 bestrijkt, niet veel. ‘Die (Voskuil) deed in de Tweede Wereldoorlog niets anders dan bandenplakken’ merkt Maarten venijnig op en hij noemt het dagboek een ‘in zichzelf gekeerde worsteling.’ Maarten en Nicolien willen als eigenstandige personen beslist niet vereenzelvigd worden met hun schepper. 

    De roman is dus een spel met alter ego’s, aliassen en identiteiten. Eindeloos hebben de critici in het verleden gediscussieerd over de relatie tussen Voskuil en zijn alter ego Maarten Koning. In deze roman beweert Maarten dat Voskuil in Het Bureau een ideaaltype van zichzelf heeft geschapen, dat in geen enkel opzicht met de schrijver verward mag worden. Nog ingewikkelder wordt het als het echtpaar reageert op de verschijning van Aan de wandel dat Wim Huijser schreef met hen als hoofdpersonen. Voskuil is de creator van Maarten en Nicolien, door Huijser in Het Genootschap als echte personen opgevoerd die reageren op een door Huijser gecreëerd wandelboekje. Nicolien is in Het Genootschap erg boos over de verschijning ervan: ‘Dat hoeven wij toch zeker niet te pikken!’ reageert ze, ‘Het zou verboden moeten worden’. Op deze wijze spot Wim Huijser ook met zijn eigen creatie. Maarten heeft er minder moeite mee en gaat zelfs naar de presentatie van dit wandelboek.

    Levensduur van romanpersonages

    Het plezier in het schrijven spat van iedere bladzijde van dit boek af. Huijser geeft Maarten en Nicolien een nieuwe levenstijd. De 119 hoofdstukjes zijn kort en afwisselend waardoor je het boek niet snel weglegt: ‘Nog eentje dan!’ De Voskuilervaring wordt er weer helemaal door opgefrist en in de tijd gebracht. Vooral Maarten, maar ook Nicolien, zijn in deze roman met hun tijd meegegaan. Maarten heeft thuis een ‘spinningbike’ en loopt op ‘sneakers’, hij downloadt teksten en gebruikt een mobieltje en een laptop. Interessant is dat Huijser in dit boek de oudste vriend van Voskuil, Loe van Ooijen, veel aandacht geeft, die als het personage Klaas de Ruiter in Het Bureau figureert. Van Ooijen heeft zich namelijk ooit garant gesteld voor het verschijnen van Voskuils roman Bij nader inzien (1963), iets waar Voskuil zelf nooit ruchtbaarheid aan heeft gegeven. Deze van Ooijen is weer de oud-leraar Nederlands van Wim Huijser en zo speelt Huijsers eigen leven ook een rol in de roman. Ook het publiciteitsbureau, dat het J.J. Voskuil Genootschap gratis van een imago wil voorzien, is ontsproten aan Huijsers eigen ervaringen.

    Een van de thema’s is dat romanpersonages bestaan zolang ze gelezen worden. Huijsers roman verlengt niet alleen fictief hun leven, maar wij ook door deze roman en het werk van Voskuil te blijven lezen. Het boek eindigt met een bijeenkomst van leden van het J.J. Voskuil Genootschap in Den Haag, waar ze een wandeling maken langs de begraafplaats van Voskuil en langs de huizen waar hij gewoond heeft. Bij deze bijeenkomst zijn verrassend veel jongeren aanwezig. Coosje van Well, het jongste bestuurslid, heeft door haar charmante en deskundige presentatie over het genootschap op tv de belangstelling voor de schrijver en voor het genootschap vergroot. Misschien schreef Huijser het boek wel omdat hij anderen, jongeren, ook het plezier in Voskuils boeken gunt. Het boek zal in ieder geval de lezers van Voskuil een groot genoegen schenken, omdat deze roman dezelfde geestige en ironische blik op de mensheid werpt als Voskuil dat in zijn werk deed. Voskuil leeft niet meer, maar zijn creaties leven voort.

     

     

  • Geschreven in de emotie van het moment

    Geschreven in de emotie van het moment

    Het leven wordt vooraf geleefd, maar achteraf begrepen. Als deze uitspraak van Kierkegaard op iemand van toepassing is dan is het wel op J.J. (Han) Voskuil (1926-2008), de schrijver van onder meer de roman Bij nader inzien (1963) en de zevendelige romancyclus Het Bureau (1996-2000). Aan zijn behoefte het dagelijks leven op schrift vast te leggen, danken we zijn dagboeken. In 126 schriften schreef hij op wat hij meemaakte, bedacht en ervaren had, met het doel zichzelf en de mensen om hem heen te begrijpen en zo meer in evenwicht te raken. Hij had er moeite mee in het moment te leven, had een secundair karakter en verwerkte in zijn dagboeken wat hij niet echt doorleefd had. De vraag is nu: in hoeverre verschillen de dagboeken van de romans? 

    Voskuil schreef zijn dagboeken niet om ze te publiceren, niettemin tikte hij ze na zijn pensioen integraal uit. Hij liet ze daarna aan zijn vrouw Lousje lezen met de opmerking dat zij na zijn dood mocht bepalen wat er met de dagboeken zou gebeuren. Zij vond zijn dagboeken te persoonlijk en knipte er ongeveer 5% uit. Na zijn dood besloot zij om de dagboeken toch in zijn geheel te publiceren, inclusief de door haar verwijderde stukken. Maar toen had ze een probleem, want haar man had de schriften tot 1955 laten vernietigen. Er zijn nu twee kloeke delen in een reeks van zeven verschenen. Deel I Bijna een man beslaat de periode 1939-1955 zonder de door Lousje uitgeknipte delen. In Deel II Capitulatie (1956-1965) zijn de door haar verwijderde passages met gebruikmaking van de schriften weer toegevoegd. 

    In deel I volgen we Han Voskuil in zijn groei naar volwassenheid, de oorlogstijd in Den Haag en zijn studententijd daarna in Amsterdam. Opvallend is dat hij weinig woorden wijdt aan zijn vriendin en latere vrouw Lousje. Ook zijn relaties met andere vrouwen blijven onderbelicht. Waarschijnlijk zijn dat de passages die zijn vrouw verwijderd heeft. Han schrijft over zijn vader en in mindere mater over zijn moeder. Verder over zijn broers die naar zijn idee meer in de lijn van zijn vader lopen, over de boeken die hij leest, de vrienden en vriendinnen die hij ontmoet. Han is niet alleen streng voor zichzelf maar ook voor anderen. Hij sabelt hen in zijn dagboek genadeloos neer. 

    Een verscheurd en onzekere man

    Op 30 maart 1950, schrijft hij een passage die veelzeggend is over de persoon Han Voskuil. Hoe hij zich in de eerste klas van de lagere school bij zijn moeder beklaagde dat niemand met hem wilde spelen. Toen ze heimelijk ging kijken stond hij inderdaad alleen midden op de speelplaats. Hij herinnerde zich niet dat hij ooit moeite heeft gedaan, ook niet in andere situaties, om daar verandering in te brengen. Hij stond vaak alleen, passief, onmachtig tot het aangaan van contact. Ook later op feestjes had hij moeite om spontaan met anderen om te gaan.

    In de dagboeken volgen we het leven van deze passieve, geïsoleerde, soms arrogante jongen en later van de ogenschijnlijk zelfverzekerde maar innerlijk verscheurde en onzekere man. Een kritische en meestal niet gelukkige man. Voskuil verklaart dit door zijn opvoeding waarin hij volgens hem verkeerd is geprogrammeerd. Met name zijn vader, Klaas Voskuil, die hoofredacteur van het Vrije Volk was en fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, is de gebeten hond. Zijn vader was een gedisciplineerd en maatschappelijk betrokken man die de gevoelige zoon enorm onder druk zette door van hem veel te verwachten en te hameren op het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voskuil zocht, zoals alle adolescenten, richting en was daarbij erg kritisch op zichzelf, alsof zijn vader bij alles over zijn rug meekeek.

    Tegenover zijn vader voelde hij zich laf en inferieur. Hij heeft daardoor voortdurend ‘mishagen’ aan zichzelf om het maar eens ouderwets te zeggen. Hij beklaagt zichzelf voortdurend in zelfanalyses: ‘Ik ben me zo overbewust van wat ik zeg en doe, dat ik mezelf in de weg zit. Mijn leven lijkt me waardeloos en zinloos. (…) dat gevoel dringt zich vooral op als een gevoel van eenzaamheid.’ Slechts af en toe bereikt hij een geluksgevoel, bijvoorbeeld als hij alleen in de natuur is, zonder verplichtingen. Zijn natuurbeschrijvingen zijn beeldend en zonder oordeel. Ook als hij een tijdje zonder werk zit, is hij gelukkig, omdat hij de hele dag doet wat hij leuk vindt:Geen geld en geen baan. Alleen gehinderd door mijn vader die me telkens komt opdrijven en door bezoekers waaraan ik geen behoefte heb.’

    Voorwerk voor Het Bureau

    Deel II speelt voornamelijk in de tijd dat hij werkte op het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, het latere P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. Hij speculeert in het dagboek al over het schrijven van een roman over dit langdurige werkverband. ‘Een verhaal over het Bureau, gezien als een gesticht of een gevangenis, maar zo overtuigend dat de lezer ziet dat er geen verschil is.’ Hij schreef Het Bureau in de jaren na zijn pensioen, het is een verwerking van zijn werkzame leven op het bureau tot autofictie. Het is interessant na te gaan waarin de dagboeken verschillen van de romans die hij later schreef.

    In Het Bureau neemt hij in alle opzichten meer afstand dan in zijn dagboek. In zijn dagboeken schrijft hij naturel, zonder er een verhaal van te maken. Hij beseft dat dit niet ‘werkt’ voor een lezer, dat zegt hij zelf met zoveel woorden op 24 maart 1964: ‘Ik realiseerde me dat de kracht… zit in de afstand.’ In de roman neemt hij afstand in de tijd en meer afstand van zijn eigen persoon en van andere personen met wie hij werkte en omging. In de roman draait het om een persoon in zijn werkomgeving en is veel uit het dagboek weggelaten, terwijl hij uit zijn geheugen een en ander heeft toegevoegd. In het dagboek komt alles serieus, klagerig en gelijkhebberig over, het is geschreven in de emotie van het moment. Niemand deugt, weinig boeken zijn de moeite waard, liefde en vriendschap zijn een illusie. Hij zet zich vaak alleen tegenover de wereld en aarzelt niet zijn nare trekjes breed uit te meten. De figuur van Maarten Koning in Het Bureau heeft die trekjes ook wel, maar doordat hij deel uitmaakt van een werkgemeenschap van mensen op een bureau, lijkt het allemaal wat minder zwaar. Han Voskuil wekt irritatie op, Maarten Koning lachlust. 

    Van dagboek tot roman

    In de roman gebruikt hij allerlei stilistische trucjes waardoor het verhaal een eenheid wordt. Eén daarvan is de herhaling. Doordat hij de personages telkens op dezelfde wijze met tussenzinnen introduceert en hun stereotype gedragingen en vaste gebaren meegeeft wordt Het Bureau een soap, een herkenbare wereld van eindeloze herhalingen, die de lach opwekt. Hij beschrijft de ander weliswaar stereotype, maar ook bijna liefdevol en herkenbaar. Daardoor wordt de lezer toeschouwer van een wereld rondom Maarten Koning en leeft hij mee met de hoofdpersoon. Koning wordt met zelfspot beschreven door Voskuil. In het dagboek klaagt hij zichzelf aan.
    Het Bureau is een eenheid, waarin Voskuil achteraf verantwoording over zijn leven aflegt. Het dagboek is een ratjetoe van meningen en emoties, afkeuren en voorkeuren, afwijzing en omarming, zodanig veel en heftig dat je af en toe zegt: ‘‘t Is wel goed zo’. De ervaringen stapelen zich op, terwijl hij geen verbinding met zichzelf krijgt. Zoveel inkt en papier gebruikt en toch niet in evenwicht gekomen. Het is schrijnend allemaal.  

    Toch biedt het dagboek veel mooie dingen. Door Voskuil te volgen krijg de lezer een persoonlijk beeld van de oorlogstijd en van de jaren vijftig en zestig. De discussies met vrienden over de maatschappelijke en literaire ontwikkelingen zijn soms interessant en verplaatsen je naar een andere, door het existentialisme gekenmerkte tijd. En niet te vergeten: de fraaie reis- en natuurbeschrijvingen. Voskuil kon als jongen al goed schrijven; hij ziet veel en registreert details. Hij kent als stadsmens de natuur, de verschillende planten en vogels op Ameland bijvoorbeeld als hij daar verblijft. Af en toe heeft hij schitterende observaties. Als jongen van 21 jaar oud schrijft hij op 16 januari 1945 naar aanleiding van de gedragingen tijdens de hongerwinter: ‘Er wordt alleen aan eten gedacht, alleen over eten gepraat, en over het weer nu de brandstof op is en de vorst niet wil wijken. Wie kon vermoeden dat dit dier zo weinig mens en zoveel dier is?’ 

    De dagboeken dienden als grondstof voor het schrijven van Het Bureau waarmee Voskuil zich onsterfelijk heeft gemaakt voor zijn lezers. Zonder de dagboeken was de roman er nooit geweest. Uit de dagboeken komt een treuriger beeld van Voskuil naar voren dan dat van zijn alter ego Maarten Koning in de romans. Door het schrijven van deze roman maakte hij van zijn leven een eenheid. Van enige afstand ontdekte Voskuil wat er misging in zijn leven.

     

  • Verheugen

    Verheugen

    Teleurgesteld raken in een oude liefde, ik was er recent getuige van. Samen met R. bezocht ik op de drempel van de herfst de Dagboekenavond van J.J. Voskuil in Spui25, hartje Amsterdam. Balorige jongen in de garderobe. Bij het standje van Boekhandel Athenaeum kochten we meteen het pas verschenen dagboekdeel, en bij de levensgrote banner van het omslag fotografeerden we elkaar. Het is fijn ongegeneerd fan te zijn. We vermeden de drukte en namen de trap naar boven, waar je, hangend over de balustrade, een goed overzicht van de zaal had. De gemiddelde leeftijd lag hoog. Wie van al die aanwezigen zal in goede gezondheid de verschijning van het laatste deel in 2025 nog meemaken? Komt Spui25 dan weer vol?

    Ik ben nu net zo balorig als de garderobejongen. Dat komt omdat ik me vanaf de zomer zo ontzettend had verheugd op deze avond. Maar dat heb je met verheugen, de teleurstelling achterhaalt hem wel. Dat de oude weduwe er niet was, kon ik meevoelen, maar waarom was er geen spreektijd ingeruimd voor de bezorgers van het dagboek? Wilden ze niet komen? Nu werd het publiek vooral getrakteerd op een afrekening. Zowel Elsbeth Etty als Hanneke Groenteman hadden zich in Voskuils gloriejaren door zijn charmes laten inpakken en ze waren nu, jaren later, tot de conclusie gekomen dat hij naast een fantastische schrijver (niet al zijn werk, wel Het Bureau – wat op zo’n avond ook een vileine constatering is), in de kern een hele nare man was geweest. Ik parafraseer een uitspraak: Van buiten een heerlijke bonbon, maar met de vulling van puur vergif. Met terugwerkende kracht voelden ze zich door hem bedrogen. Och, die charmante, oude Voskuil, die is vast aardiger en oprechter dan zijn personage Maarten Koning? Hij mag zich evenzeer in het leven bedreigd voelen, maar kijk eens hoe dankbaar hij zich toont bij elk compliment en bij alle aandacht die hij krijgt? Kom hier! Zowel Groenteman als Etty hadden hun armen voor hem geopend. 

    Eerlijk gezegd, ik geloof het allemaal wel. Wie Het Bureau leest, ontmoet veel boosaardigheid en vijandschap – niemand kon zich veilig wanen in Voskuils nabijheid. Maar ik geloof ook dat hij dankbaar was voor alle erkenning die hij op latere leeftijd en op zo’n grote schaal kreeg. Was  hij – toch een angstige man –  bang die erkenning weer kwijt te raken? Strooide hij daarom met complimenten om mensen die invloedrijk waren aan zich te binden? Zelf ben ik nooit zo voor zijn charmes gevallen. Fan, ja. Hem ontmoeten? Nooit. Twintig jaar geleden verzamelden R. en ik fragmenten uit zijn werk over homoseksualiteit. Die verzameling stemde zo treurig dat van het beoogd schrijven van een artikel niets kwam. Toch overvielen de woorden van Etty en Groenteman mij. Op zijn eigen postume feestje werd Voskuil als mens, niet als schrijver, gewogen en te licht bevonden. En ik, naïef hopend op een avond gezelligheid in plaats van een terechtstelling, vertrok vervolgens chagrijnig naar huis. Zelfs de balorige jongen van de jassen was minder balorig geworden. Het dagboek ligt nu in ons speciale Voskuil- en Frida Vogelskastje te wachten om gelezen te worden. Maar ik heb nog steeds geen zin.

     

    Wil je het (terug)zien? De dagboekenavond van J J Voskuil: Het beste voor het laatst bewaard – YouTube


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Nicolien

    Nicolien

    De vrouw van de boekhandelaar leest voor de derde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Ze zit aan de eettafel in de gemeenschappelijke woonkamer van het verpleeghuis. Uitzicht op kantoren en een doorgaande weg. Naast haar placemat, het vierde deel uit de reeks, Het A.P. Beerta-instituut, meer dan negenhonderd pagina’s dik. Samen met enkele andere bewoners doodt zij zwijgend de tijd in afwachting van de lunch die over anderhalf uur komt.
    ‘Kent u het?’ vraagt ze?
    ‘Natuurlijk!’ antwoord ik.
    Ik haakte laat aan bij de hype, kocht meteen de eerste vier delen. Toentertijd werkte ik bij een educatieve uitgeverij en mocht boeken met boekhandelskorting – doorgaans 40% –  aanschaffen. De pakketten met bestelde boeken kwamen binnen op het bureau van een collega tegenover mij. Geregeld vond ik haar te traag met uitpakken. Zij vond dat ik te vaak boeken bestelde: ‘Voor mij is dat telkens extra werk.’ 

    Zo verwierf ik relatief goedkoop de complete Voskuil, maar ook de complete Paustovskij uit Privé-Domein. Boeken waarop ik zuinig was, maar die beide slachtoffer werden van wat de tijd met boeken kan doen: verbleken door zonlicht (Voskuil) en beschadigd raken door de vraatzucht van zilvervisjes (Paustovskij).
    ‘Ik vind de ruzies tussen Maarten en Nicolien erg vermakelijk,’ zegt de vrouw
    We nemen de lift naar beneden.
    ‘Ik heb een zwak voor Nicolien,’ antwoord ik.

    De dynamiek van geliefdes. In gesprekken met andere Bureauliefhebbers had je mensen die haar gedrag verfoeiden of loofden – een tussenweg was er niet. Ik hoorde tot de laatste categorie. Mocht ik met een vrouw het leven delen, dan moest ze het karakter van een Nicolien hebben. Compromisloos, gevoelig voor onrecht, principieel en confronterend. Neem nu deze passage uit het vierde deel. Een telefoongesprek tussen Maarten, vanuit het A.P. Beerta-instituut, en Nicolien, gewoon thuis,  over collega Ad en zijn vrouw Heidi die niet meer op de poes willen passen. Nicolien neemt de zaak direct persoonlijk op:
    ‘Je bedoelt dat het mijn schuld is!’
    ‘Nee, dat bedoel ik niet.’
    ‘Het leek anders wel zo!’
    ‘Jij bent op Heidi afgegaan, dus jij kon het niet voorzien.’
    ‘Nee, dat zou ik ook zeggen!’
    Meteen weer vermakelijk. Vanzelf lees ik door, want dat is de kracht van Het Bureau, een dikke pil die gemakkelijk wegleest. 

    Ach ja, Nicolien. Ze werkt niet, blijft thuis bij de katten, en houdt ondertussen Maarten – en de lezer – een spiegel voor. Scherp ziet ze de zotheid van mensen in instituties. Ik kreeg er last van in mijn dagelijks werk. Werd er met bombarie een nieuwe missie gelanceerd met staafdiagrammen en ronkende woorden, dan keek ik om me heen of ik de enige was die er cabaret in zag. Meestal wel. Het Bureau ondermijnde mijn werklust, ik voerde steeds minder uit. Overal bleef ik de Ads, de Wigbolds, de Balks, de Beerta’s, de Elshouts, de Dé Haans en zo veel andere personages zien en horen. In tegenstelling tot Maarten vertrok ik wel, ternauwernood.
    De liftdeur gaat open, we stappen de hal in. De beperkende coronamaatregelen zijn voorbij, bewoners en familie zitten in de binnentuin, uit de kapsalon komt de warme geur van droogkappen. ‘Het is een feest om Het Bureau te herlezen,’ zeg ik, en denk: doe het alleen niet te vaak.   

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Uitgeverij Van Oorschot brengt een nieuwe reeks uit, getiteld Terloops, die bestaat uit kleine wandelboekjes waarin schrijvers hun favoriete wandeling optekenen. De eerste twee zijn Bergje van Bregje Hofstede en Je keek te ver van Marjoleine de Vos. De serienaam Terloops is wellicht ontleend aan het eerste van de drie wandeldagboeken van J.J. Voskuil, eveneens auteur bij Van Oorschot. Hofstede en De Vos gebruiken beiden het woord terloops ergens in hun tekst. Dat kan geen toeval zijn. Zij verbinden de buitenruimte met particuliere ervaringen en gebeurtenissen uit verleden, heden en de toekomst die beide auteurs voor de natuur donker inzien.

    De wandelingen vormen de basis voor een vertelling over persoonlijke belevenissen en gevoelens, al zijn de bespiegelingen van De Vos filosofischer van aard. Hofstede’s titel Bergje spruit voort uit de fantasie in haar kindertijd, toen ze met haar ouders en zus jaarlijks in de Dolomieten ging skiën en ze geobsedeerd raakte door de berg Sass Songher. Ze verbond haar voornaam met het woord berg. Bergje begint met haar treinreis in juli naar de vroegere vakantieplek, waar ze zes weken eerder met haar relatie, consequent aangeduid als ‘de jongen’ ook een week doorbracht. Ze wil ‘per se dat hij de plek waar mijn kindertijd woont in zijn hart zal sluiten.’

    Symboliek

    Van de vermelde jeugdvakanties maakt Hofstede gebruik om de geschiedenis van onder meer Zuid-Tirol en de Ladijnen uit de doeken te doen en de bergen in de omgeving te benoemen. Als de volwassene van nu ziet ze de monumentale berg elke dag ‘uit net een andere hoek […] Maar altijd heeft hij dezelfde kenmerkende, afgeplatte kop, daaronder de schuin aflopende kraag en de wijd uiteenvallende mantel, die onderaan is afgezet met een bies van witte steengruis.’

    De wandelvakantie met de jongen lijkt een test. De ik suggereert subtiel dat de relatie niet blijvend is, dat de jongen zich misschien van haar zal afkeren. Ze vreest dat zij niet tot hem kan doordringen. ‘Alles wat ik zeg moet zich een weg door zijn gehoorgang vechten, tegengewerkt door inwendig rumoer.’ schrijft ze poëtisch. De wandelingen lijken symbool te staan voor de relatie. Samen lukte het niet de top van de Sass Songher te bereiken, in juli slaagt de ik er in haar eentje wel in. De woorden depressie en somberte zijn dan al gevallen. Over hoe dat allemaal zit en hoe het afloopt met de jongen doet Hofstede er het zwijgen toe.

    Wereldproblemen als hinderlijke last

    Marjoleine de Vos is dromeriger, geeft zich over aan beschouwingen over de wereld en de plaats van de worstelende mens daarin. Ze woont in Noord-Groningen en wandelt vanuit Zeerijp langs Eenum, Wirdum, Loppersum. De Vos beseft dat de mens historisch wil leven, het verleden wil kennen en vasthouden, het heden vastleggen. Maar ‘… de sfeer van het moment, die wil je behouden, alles van het buitenzijn op een mooie morgen, in je eentje lopen, even niet verlangen naar iets van vroeger of van straks, hier in de stilte, het licht, de weidsheid.’ Wandelen in de natuur maakt een mens los van zichzelf en van de wereldproblemen, ervaart ze. En inderdaad, als De Vos die wereldproblemen in een paar zinnen bij name noemt ervaart ook de lezer een hinderlijke last en wil hij direct terug naar de stille leegte van het platteland, weg van alles.

    Zinloosheid

    Vaak is er ‘het bange hoofd’ en de drukke gedachten daarin die de wandelaar afleiden van de omgeving. ‘Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier,’ constateert De Vos. Ze peinst over de betekenis van het leven op aarde, het tijdbesef. Ze haalt Proust aan, Coetzee, Oidipous, het Gilgamesj-epos, een operette en nog veel meer, wat soms een beetje te veel is maar wat er ook niet toe doet omdat al die menselijke opschudding toch ondergeschikt is aan het wandelen. Maandenlang is De Vos ‘naar’ geweest van de film Melancholia van Lars von Trier, waarin de aarde ‘opgeslokt wordt door een veel grotere planeet […] niet uit angst voor de verwerkelijking van zo’n gebeurtenis, maar uit angst, paniek bijna, voor de zinloosheid van alles.’ Ondertussen loopt ze. ‘En toch dat verlangen om te gaan wandelen.’

    Geluk groeit aan de bomen

    Beide auteurs zijn pleitbezorger van de natuur, vrezen voor haar toekomst, Hofstede via de overweldigende bergen, De Vos via de tere schoonheid van grassprieten, een omgeploegd veld en vergezichten. Wandelen is in het nu zijn. ‘Kijken moet je leren’, meldt De Vos als kennissen uit Amsterdam de omgeving prijzen en dan snel terug willen naar de stedelijke dynamiek. Nederland als één grote stad is haar een gruwel, mensen die ‘rekenen’ zien de waarde van de ruimte niet, zeggen de natuurliefhebbers, ‘die denken zeker dat het geld aan de bomen groeit. Nee.’ schrijft De Vos ‘Maar het geluk wel. […] witte bloesems tegen een knalblauwe lucht, narcissen onder fruitbomen […] ver kunnen kijken.’

     Wandelen is mens-zijn

    Voskuil in Terloops is neutraler. Dagelijks noteert hij droog wat hij waarneemt. ‘Er zijn veel vogels. Dichtbij slaat een kwartel. Er komt een grijze slang langs. Het rommelt. Drukkend weer.’ Uiteraard afgewisseld met langere zinnen laat hij de lezer meewandelen op de ‘voettochten’ die hij en zijn vrouw van dorp tot dorp maken in het Frankrijk van de jaren 1957-1973 waar toeristen nog niet en masse het land overstromen. Nauwgezet beschrijft hij de contreien, het weer, de route, de tegenslagen en strubbelingen, de dorpshotels waar ze verblijven. De weinige mensen die ze zien, veelal in de hotels, kunnen eveneens rekenen op Voskuils scherpe blik.

    Eén ding leren deze drie wandelboeken ons: wandelen is mens-zijn, in het nu zijn, de menselijke nietigheid beseffen, de natuur inademen, erkennen en waarderen. ‘Omdat wandelen je, uiteindelijk, bevrijdt van jezelf,’ stelt De Vos. Wat een rijkdom.

     

     

  • De V van Voskuil

    De V van Voskuil

    De dagen zetten zich steeds meer naar mijn hand. Voor mij mag het nog wel even zo blijven, dat thuisblijven. Dit weekend nam ik me voor de boeken op alfabet te zetten. De eerste boekenkast begint bij de P, van Marja Pruis, de tweede kast met de A van Pearl Abraham, Afstand van Amerika, op de voet gevolgd door Frits Abrahams, in de kasten daarna rommelt het wat aan. Hoe dat zo gekomen is, is niet meer terug te halen. Elk boek heeft iets te zeggen, moet gelezen worden, die komen op een aparte stapel. Die stapel wordt hoger en hoger, ik vrees dat ik ze later niet meer tussen de andere boeken krijg. Ruimte vrijlaten in een boekenkast is lastig. Ik schrijf de titels, bedoeld voor de stapel, op een papiertje. Dat werkt lekker door, van A t/m E hup, in de eerste kast en verder. Tot ik bij de V, Voskuil tegenkom. Vorige week kwamen de hoorspelen van Het bureau op podcasts al voorbij.

    J.J. Voskuil is veruit een van de meest fascinerende schrijvers. Zijn boeken zijn een minutieus verslag van het leven van een fijngevoelig man die al schrijvende greep op het leven probeert te krijgen. Elke voetstap geteld, elke opmerking beoordeeld, elk voorbijkomend geluid opgetekend. Lezen van Bij nader inzien is gewoon een 3D beleving op literair niveau. Maar Voskuil schreef niet voor ‘de litteratuur’, liet hij uitgever Geert van Oorschot in een gesprek weten. ‘Je schrijft zo’n boek om orde op zaken te stellen. Niet om een bijdrage te leveren aan de litteratuur.’ Nu was Van Oorschot al een tijdje erg happig op een vervolg van het 1200 pagina’s tellende Bij nader inzien dat hij had uitgegeven. Hij had een geweldige schrijver in huis gehaald, er moest meer komen. Maar Voskuil liet zich niet dwingen. Hij zou schrijven aan Binnen de huid, daarna zou hij wel zien of hij het wilde uitgeven.

    Waarop Van Oorschot de verzamelde gedichten van Van Nijlen uit de kast pakte en daar, naar ik aanneem lichtelijk geïrriteerd, met rode viltstift op het schutblad schreef, ‘Goed, dan maar geèn roman, geèn proza, maar een màn, compleet, oprecht, zonder zelfbedrog, zonder zelfbeklag, een man die geen litteratuur bedrijft. 28-11-1964.’ Waarmee hij de spijker op zijn kop sloeg.
    D
    it las ik in het boek Onder andere, Portretten en herinneringen van Voskuil, over het contact met Geert van Oorschot, begin en afloop van een vriendschap.

    Ach, en dat veelvuldig gebruikte borreltje in Voskuils boeken. ‘Wil je een borrel’, direct als er iemand binnenkomt. Of, ‘We zaten net aan de borrel’. En inzake Geert van Oorschot, ‘Schenk nog eens bij.’ Of ‘Schenk Geert eens een borrel in’. En voor er verder verteld werd, ‘Eerst nog een borrel.’ Daarvan krijg je verdomde trek in een borrel. Nu zitten we elke middag klokslag vijf aan de wijn, luisteren naar de podcast Het bureau. Er zijn honderden afleveringen, we hebben de tijd.

     

    Vrijdag 1 mei was de twaalfde sterfdag van J.J. Voskuil. Programmamaker Maarten Slagboom zette een uitzending uit 1999 van De Plantage online. Schrijver J.J. Voskuil was er te gast, wat een bijzonderheid was, de schrijver kwam niet graag in beeld, maar wat een mooie aflevering.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.