• Omdraaien

    Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Zomerlezen – Beste dikke boekenlijstje

    Geheime kamers

    Jeroen Brouwers’ Geheime kamers verscheen in 2000 en is in mijn ogen een meesterwerk, een van zijn beste boeken. De compositie van het verhaal, de taal waarin Brouwers het verhaal vertelt, zijn imponerende stijl, de metaforen en verwijzingen die hij gebruikt, de spanning die hij weet op te roepen, maken het lezen van dit boek tot een genotvolle tijdpassering. Het mooie is dat hij van een tamelijk simpel en een in de literatuur veel behandeld thema – de relatie tussen een man en een vrouw, in dit geval twee echtparen – een rijk boek weet te maken.

    In veel boeken van Brouwers komen zijn hoofdpersonen in situaties terecht waarin ze eigenlijk niet willen zijn: een lift die vastzit, een huwelijk dat eigenlijk voorbij is, een vader wiens kind eerder doodgaat dan hijzelf, een grijsaard die tegen zijn zin een cruise maakt over de Middellandse Zee. Ook in dit boek is de hoofdpersoon een deerniswekkend figuur die niets dan ellende ontmoet in zijn leven. Hij vindt zichzelf een non-valeur maar van alle figuren in het boek is hij eigenlijk de enige die deugt. Al doet hij steeds de verkeerde dingen op de verkeerde momenten maar weet toch te overleven.

    Brouwers weet dit verhaal zoveel breedte en diepte te geven, dat het uiteindelijk gaat om de fundamentele existentie van de mens, zijn moraliteit en zijn lust tot al dan niet te willen leven.

     

     

    Geheime kamers
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Olympus

    De lijfarts

    Maria Stahlies De lijfarts verscheen in 2002; het is nog steeds een boek dat het lezen meer dan waard is.

    Het knappe van Maria Stahlie vind ik haar veelzijdigheid als romancier. Ze schrijft prachtig, componeert consciëntieus, met veel oog voor detail (schept er een genoegen in om met getallen te spelen en er een symbolische betekenis aan te geven) en tekent in heldere stijl scherpe psychologische portretten van haar personages, die tot op zekere hoogte worstelen met het leven.

    De lijfarts is een van haar mooiere boeken, vooral omdat het verhaal je in alle opzichten zo weet te boeien dat het je niet meer loslaat. Wanneer je De lijfarts hebt uitgelezen, vind je Egidius vast ook heel mooi.

     

     

    De lijfarts
    Auteur: Maria Stahlie
    Uitgeverij: Prometheus

    Het achtste leven (voor Brilka)

    Nino Haratischwili’s, Het achtste leven (voor Brilka), verscheen in 2014; een familie epos over acht levens uit zes generaties van de familie Jasji, in één ruk uit te lezen, althans als je even de tijd hebt. Het verhaal over deze familie uit Georgië speelt zich af in Rusland en beslaat de hele twintigste eeuw. Het knappe is dat de persoonlijke lotgevallen van deze familie ingebed worden in de politieke en sociale ontwikkelingen in Rusland, met name de jaren waarin Stalin aan het bewind was. Daarmee stijgt het ver uit boven het afzonderlijke leven van de diverse familieleden maar laat het ook zien welke invloeden die ontwikkelingen hebben op hun levens. Mooi geconstrueerd en prachtig beschreven door Brilka, de jongste telg uit het geslacht Jasji. Van haar wordt verwacht dat zij haar leven pas inricht nadat zij kennis heeft genomen van de levens van de voorgaande generaties. Haar tante Nitsa vertelt haar daarover en wij mogen meelezen.

    Een heerlijk boek om je in te verliezen.

     

     

    Het achtste leven (voor Brilka)
    Auteur: Nino Haratischwili
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Goudzand

    Wanneer je deze drie boeken uit hebt, wacht nog een mooi boek: Konstantin Paustovski, Goudzand bevat korte verhalen, dagboeken en brieven van de schrijver die nog niet eerder zijn gepubliceerd. Zijn zesdelige autobiografie De geschiedenis van een leven is één van de mooiste boeken uit de twintigste eeuw. Dan vraag je je af of daaraan nog iets kan worden toegevoegd: ja, dat kan dus! In Goudzand vertelt Paustovski de geschiedenis van Rusland vanaf de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren 60. Deze geschiedschrijving lardeert hij met ontroerende brieven aan zijn vrouw, vrienden en collega-schrijvers. Hij moet ook oppassen met zijn publicaties omdat het Russische regime na de Tweede Wereldoorlog de kritiek van schrijvers op de Russische politiek en maatschappij niet duldde. Paustovski schreef kritische brieven aan Brezjnev en de partijtop wanneer er weer een collega werd gedwarsboomd in zijn werk of gevangen genomen werd.
    Een schitterend boek, prachtig geschreven, intrigerend om te lezen.

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Tussenman

    Tussenman

    Dimitri Verhulst schreef over de verhouding van een eenzame man met een jonge weduwe. Het speelt aan een groot meer. Dat het in Zweden is, hoorde ik in een interview met de schrijver, die ooit voor de liefde daarheen verhuisde. De liefde ging, de schrijver bleef, tot hij  weer naar België verhuisde, naar Gent om precies te zijn. De schrijver wisselt, net als de Mattis in zijn roman even vaak van geliefde als van woonstee. De schrijver en Mattis kruisen elkaars paden in De pruimenpluk, een roman over je terugtrekken uit de wereld. En waarin eenzaamheid het denken over vergankelijkheid aanspoort.

    Jeroen Brouwers is niet ver weg in deze roman. Het allenig leven in het blauwe huis aan het meer, roept de sfeer op van huize Krekelbos te Rijmenan, waar Brouwers in de jaren zeventig zijn schrijverscarrière grondde. De hang naar zelfvernietiging. De lege drankflessen – door Brouwers aan de takken van een boom in het Krekelbos gehangen zodat de wind er klingelende geluiden mee voort zou brengen – verwacht je elk moment rond het huis aan het meer te zullen aantreffen. Maar Mattis drinkt wijn uit kartonnen pakken, leeft van diepvriesmaaltijden en wordt ‘tussenman’ van weduwe Elma.

    Een bijvrouw is een soort bijzaak voor een man, vaak omwille van de voortplanting. Er is het Bijbelverhaal waarin Sara haar man, Abraham de slavin Hagar schenkt als bijvrouw. Omdat Sara onvruchtbaar is en zij haar man een erfgenaam wil bezorgen. Een bijman bestaat niet; onvruchtbaarheid werd toegedicht aan het vrouwelijk falen. Een man die een liefdesrelatie aangaat met een weduwe – die de nagedachtenis van haar overleden man koestert en het graf met deze enige echte zal delen – is een tussenman.
    ‘De eeuwigheid was voor twee gereserveerd. Op een dag zou zij dus bovenop Erik komen te liggen. (…) Wat Elma met mij doorbracht was wachten. Ik was haar tussenman. Haar verstrooiing in de antichambre.’

    Ik zoek naar verbanden. In de liefde is het verlangen de ‘enige’ te willen zijn, dodend. Gelukkig voor ‘altijd’ en ‘eeuwig’. Eeuwig als van nooit meer anders. Wie houdt dat vol. Het liefst zou Mattis op de vlucht slaan voor elke menselijke hang naar gezelligheid. ‘(…) het geluk zat mij nog wat ongemakkelijk. Het vooruitzicht stilletjes weg te teren had me zeker niet over de hele lijn onprettig geleken. Ik zag er best iets in om nog eventjes, niet te lang, schimmig over de aardbol te struinen. Als een hotelgast die niemand nader hoeft te kennen.’

    Het zou de loop van het verhaal goed passen wanneer Mattis opnieuw alleen achterbleef, (hij haalt nogal wat onverkwikkelijke strapatsen uit om zijn nieuwe lief te ontweduwen). Dat Verhulst hem laat kiezen voor een leven waar constant water bij de wijn (uit kartonnen pakken) wordt gedaan, ligt niet in die lijn, en dat prikkelt. Een verdraaid mooi werkje.

     

    De pruimenpluk / 151 p. / Uitgegeven bij Pluim.


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover.

     

     

  • P.C. Hooftprijs voor bescheiden maar ijzersterke oeuvre van Marga Minco

    P.C. Hooftprijs voor bescheiden maar ijzersterke oeuvre van Marga Minco

    De P.C. Hooftprijs 2019 voor verhalend proza is toegekend aan Marga Minco. Het is goed te vernemen dat drie literatoren ernaast zaten en Marga Minco, tegen hun verwachtingen in deze oeuvreprijs zal ontvangen. In de zaterdageditie (8-12-’18) van Trouw werd door drie kenners van de literatuur desgevraagd gespeculeerd welke schrijvers voor deze oeuvreprijs – die jaarlijks  afwisselend wordt toegekend voor proza, essayistiek en poëzie – in aanmerking komen. De namen die vielen waren Jeroen Brouwers, Arnon Grunberg en Koos van Zomeren en op de valreep twee vrouwen: Nelleke Noordervliet en Mensje van Keulen.
    Toen Minco’s naam werd genoemd waren ze het erover eens dat haar werk ‘uitmuntend en bekend’ is, maar haar oeuvre leek hen te klein om in aanmerking te komen en bovendien stond ze niet ‘midden in het literaire debat’. Op social media wisten ze beter, daar werd geopperd (zo meldde het stuk) dat Marga Minco de P.C. Hooft-prijs ‘nodig eens moest winnen’.

    En dat gebeurde, dankzij de juryleden: Mathijs Sanders (voorzitter), Gustaaf Peek, Daniëlle Serdijn, Vamba Sherif en Franca Treur, die oordeelden dat Minco’s oeuvre dan wel bescheiden is ‘in toon en omvang, maar dat met iedere generatie blijft winnen aan zeggingskracht’. Waarmee deze jury laat zien dat wat van waarde is in het Nederlandse literaire landschap, niet uit het oog verloren mag worden.

    Oorlogsjaren

    Marga Minco (geb. Sara Menco, Ginneken, 1920) groeide op in een orthodox-joods gezin. Op 18 jarige leeftijd begint ze als film- en toneelcriticus bij de Bredasche Courant en schrijft daar ook haar eerste literaire stukjes. Ze wordt in 1940 ontslagen omdat ze joods is. Haar ouders worden verplicht naar de Amsterdamse Jodenbuurt te verhuizen, waar zij bij hen intrekt. Wanneer op een dag mannen de woning van de familie binnendringen, vraagt vader Minco of zijn dochter even de jassen wil halen. Deze kans benut zij om via een poortje in de tuin te ontsnappen. Een scene die in haar debuut, Het bittere kruid staat beschreven. Ze ziet haar ouders, broer en zus nooit meer terug. Minco gaat van onderduik naar onderduikadres. Haar ervaringen gedurende de bezettingsjaren zetten de toon voor haar latere schrijverschap. In haar oeuvre zijn al haar herinneringen en oorlogservaringen verwerkt.

    Marga Minco trouwde na de oorlog met de dichter en vertaler Bert Voeten (1918-1992) die zij in 1938 leerde kennen bij de krant. Ze kregen twee dochters, Betty en de publiciste Jessica Voeten.

    Het bittere kruid

    Minco is vooral bekend om haar debuut, Het bittere kruid (1957) waarvoor ze de Vijverbergprijs, (voorloper F. Bordewijkprijs) ontving. Vele jongeren, zo niet alle scholieren lazen deze kleine kroniek voor de leeslijst – Waarmee ‘Lezen voor de lijst’ dan toch zijn dienst bewijst. In 1985 werd het boek verfilmd. Daar was ze allerminst gelukkig mee omdat de film teveel afweek van haar boek. In de titelrol werd opgenomen dat Minco zich distantieerde van de film die dezelfde titel draagt als haar boek. Haar hele oeuvre bestaat  uit zo’n zestien kleine romans, verhalenbundels en drie kinderboeken.

     

    Andere bekende werken van Marga Minco zijn:  Een leeg huis (1966), De val (1983), De glazen brug (Boekenweekgeschenk 1986), Nagelaten dagen (1997) en Storing (2004).
    In 2015 verscheen in de reeks Gedundrukt van Van Oorschot, een twintigtal van haar beste verhalen en de met de tijd steeds indrukwekkender geworden roman Een leeg huis, onder de titel Na de sterren. Met de door haar zelf aangedragen titel van deze dundrukuitgave, speelt ze met haar bescheidenheid: zij komt, met een ‘dundruk’ na de schrijvers, ‘de sterren’ A. M.G. Schmidt en Carmiggelt.

    Bescheidenheid

    De 98-jarige schrijfster geeft sinds 2010 geen interviews meer, gelezen wordt ze nog steeds. Onlangs verscheen de 57ste druk van de kroniek Het bittere kruid. In 2015, rond de dundrukuitgave, stemde ze nog toe in een ‘papieren interview’ met Arjan Peters: ‘Dingen die ik noteren moet’: Acht vragen aan Marga Minco.’ (VK 2-10- ‘15).

    In het radioprogramma ‘Nieuws en Co’,  werd dochter Jessica Voeten gevraagd naar de reactie van haar moeder op de prijs. Marga Minco reageerde verrast en verheugd maar ook: ‘Hoe kan dat nou. Ik heb al zo lang niets meer geschreven.’
    ‘Maar het is voor je hele oeuvre’, sprak haar dochter. ‘Maar dat is niet zo groot,’ besloot de bescheiden schrijfster.

    Uitreiking

    Gezien de leeftijd en gezondheid van de laureaat zal de prijs van 60 duizend euro niet, zoals gebruikelijk, in mei worden uitgereikt in het Haagse Literatuurmuseum, maar in januari bij de schrijfster thuis.

    In 1999 werd haar oeuvre bekroond met de Annie Romeinprijs en in 2005 met de Constantijn Huygensprijs.

     

     

  • Oogst week 41 (2018)

    Laatste plicht

    In 1996 verscheen de eerste aflevering van Feuilletons, het tijdschrift dat Jeroen Brouwers reserveerde voor alleen maar eigen bijdragen, die vele vormen aannamen: verhalen, herinneringen, dagboekaantekeningen, schrijversportretten, polemieken, brieven, essays en overpeinzingen. Feuilletons is niet alleen qua inhoud, maar ook qua toon een staalkaart van Brouwers’ kunnen en kijk op de literaire wereld.

    Deze week verscheen de tiende en tevens laatste aflevering: Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest. Hans Roest (1917 – 2006) was chef van de lectuurredactie van een uitgeverij van familiebladen toen Jeroen Brouwers hem in 1962 leerde kennen. Hij had al gauw in de gaten dat Brouwers zich beter op zijn eigen werk kon richten dan in opdracht van ‘de Geepee’ – de Geillustreerde Pers – jeugdidolen en andere BN’ers te interviewen. Dankzij zijn connecties bezorgde hij Brouwers niet alleen een uitgever, maar ook een baantje als dat hem in staat stelde te schrijven, waardoor hij ‘niet meer naar Ria Valk, Rob de Nijs, Mieke Telkamp of een andere coryfee uit door spotlights beschenen werelden’ hoefde om ze te ondervragen.

    Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest is een eerbetoon, al plaatst Jeroen Brouwers ook kritische kanttekeningen, aan de man die zijn chef en mentor, en in zekere zin ook zijn mecenas was. ‘Ik heb veel aan hem te danken, veel van hem geleerd’, schrijft Jeroen Brouwers in Laatste plicht.
    Roest die zelf ook wel eens dichtte, onderhield contacten en correspondeerde met schrijvers van naam, collectioneerde hun werk en hengelde handtekeningen en opdrachten binnen.

    Zoals Hans Roest aan het eind van zijn leven grote schoonmaak hield en alleen de hem dierbaarste schrijvers onderdak bleef bieden (waaronder heel veel Jeroen Brouwers), zo ruimt Brouwers met zijn herinneringen aan Meneer Roest in zekere zin ook op. Laatste plicht moest hij nog schrijven. Zoals hij het ook ooit zijn plicht vond om de biografie van Hélène Swarth te schrijven, die Hans Roest ondanks al zijn goede voornemens – en de toezegging aan de dichteres – niet in op papier bleek te krijgen.

    Roest gaf zelf tijdens zijn leven nauwelijks iets over zichzelf prijs, Brouwers schreef een liefdevol portret waarin hij zonder zichzelf op de voorgrond te dringen ook een belangrijke plaats voor zichzelf heeft ingeruimd.

    Een dag voor Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest verscheen Feuilletons: een selectie waarin een dwarsdoorsnede staat van wat Jeroen Brouwers sinds 1996 in zijn eigen tijdschrift schreef. Waarbij aangetekend moet worden dat stukken die al eerder in boekvorm werden herdrukt ontbreken.

    Laatste plicht
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    De rechtvaardigen

    ‘Ik kon geen Baltische ziel van hem maken’, zei Jan Brokken tijdens de presentatie van zijn boek De rechtvaardigen: hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde. Honorair consul Jan Zwartendijk – zijn geld verdiende hij bij Philips – woonde maar drie jaar in Litouwen, niet lang genoeg om het opnemen van zijn verhaal in Baltische zielen te rechtvaardigen.
    En dat is achteraf maar goed ook want het verhaal over Zwartendijk en de andere rechtvaardigen die samen een groot aantal – hoeveel precies is niet duidelijk – joden via een ‘Curaçaovisum’ Litouwen uit wisten de loodsen zou niet in dat boek gepast hebben.

    Jan Brokken reconstrueert minutieus hoe het idee voor het ‘Curaçaovisum’ ontstond, wie er bij betrokken waren en wat hun beweegredenen waren. Daarnaast ging hij op zoek naar mensen die hun leven te danken hebben aan deze ontsnappingsclausule. Hun verhalen en ervaringen bedt hij in in het verhaal van de Tweede Wereldoorlog, dat in grote lijnen als bekend verondersteld mag worden, maar door het inzoomen op de details opnieuw zeggingskracht krijgt.

    Jan Zwartendijk – ‘de engel van Curaçao’ – stierf in 1976 zonder te weten of hij de duizenden joden ook werkelijk een dienst bewezen had (hij vreesde dat zij hun dood tegemoet vluchtten). Onderzoek naar het effect van zijn daden bleef lang uit, hoewel zijn familie daar bij diverse instanties op aandrong. Uiteindelijk bleek dat 95 procent van de mensen die hij van een visum voorzag de oorlog overleefde. In plaats van een onderscheiding kreeg Jan Zwartendijk een reprimande: hij had zich niet aan de consulaire regels gehouden (inmiddels zijn daar Kamervragen over gesteld).

    Jan Brokken vertrouwde niet blind op bestaand onderzoek, maar spitte verder. Met hulp van velen, waaronder de zoon en dochter van Jan Zwartendijk. Rangschikte de feiten en componeerde vervolgens een complex verhaal, dat recht doet aan alle betrokkenen. De rechtvaardigen is een eerbetoon, zoals ook het monument in Kaunas voor Jan Zwartendijk en elk steentje op het familiegraf in Hillegersberg een eerbetoon is.

    En het boek gaat niet alleen over Jan Zwartendijk.

    De rechtvaardigen
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    80 jaar oorlog

    Al direct na de eerste aflevering oogstte de televisieserie 80 jaar oorlog veel lof. De makers hebben er alles aan gedaan om de Tachtigjarige Oorlog tot de verbeelding te laten spreken. Feiten worden in verhalen gegoten en er wordt ingezoomd op getuigenissen van mensen van vlees en bloed.
    Ook in het bijbehorende boek met dezelfde titel wordt dat concept in rood, wit en blauw gevolgd. Historicus Gijs van der Ham die verantwoordelijk is voor de tentoonstelling in het Rijksmuseum beschrijft het verloop van de oorlog (het rode katern). Tekstschrijver Marchien den Hertog – historicus van opleiding – en  tekent ‘kleine’ verhalen op die duidelijk maken hoe groot de invloed op het dagelijks leven van degenen die de oorlog voerden en ondergingen was (wit), en Judith Pollman, Peter Vandermeersch en Stephanie Archangel laten zien dat de oorlog die van 1568 tot 1648 duurde sporen heeft nagelaten in het hedendaagse Nederland (blauw).

    80 jaar oorlog is een rijk geïllustreerd – documenten, schilderijen, voorwerpen en stills uit de serie – boek, dat geen concessies doet. Het is een grondige reconstructie van een oorlog die de meeste Nederlanders alleen nog van naam kennen. Er worden heikele kwesties in aangesneden die nu net zo in het geding zijn als toen, zoals tolerantie, godsdienstvrijheid en identiteit.

    Als in het Rijksmuseum de tentoonstelling 80 jaar oorlog: de geboorte van een land na 20 januari 2019 plaatsgemaakt heeft voor een volgende en de televisieserie alleen nog via Uitzending Gemist bekeken kan worden, kan het boek heel goed zonder die referentiekaders geraadpleegd en/of gelezen worden.

    80 jaar oorlog
    Auteur: Gijs van der Ham ; Judith Pollmann ; Peter Vandermeersch
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)
  • Het korte leven van een vroegvoltooide

    Het korte leven van een vroegvoltooide

    Ook als je de achtergronden niet kent, denk je bij het lezen van Hoe heette de hoedenmaker? van Loekie Zvonik toch al: wat een wonderlijk mooi verhaal is dit. Over Hermine, een Belgisch meisje van Tjechische komaf en Didier, een Belgische jongen. Ze zijn kort verliefd op elkaar in hun studententijd aan de universiteit van Gent en vijftien jaar later – na elkaar lang niet gezien te hebben – reizen ze samen in 1970 per auto naar een filologencongres in Wenen en hervinden onderweg hun liefde.

    Zvoniks proza heeft een serene, kalme wiekslag en is secuur maar liefdevol beschrijvend. Het gaat over grauwe sombere plaatsen in Gent en de straat waar hun professor Herman woont:
    In zijn werkkamer met de bibliotheekkasten achter de werktafel en de rieten fauteuil bij de haard ruikt het naar inderhaast geleegde asbakken en oude boeken van de Sint-Jacobsmarkt, het plein aan de andere kant van de stad, in de richting Dampoort, waar op vaste dagen de leurders en de handelaars in tweedehandse goederen hun schragen opslaan tussen de fladderende duiven (…)

    Secuur, maar liefdevol beschrijvend proza
    Als ze naar Wenen rijden en in Salzburg stoppen gaat het over de Judengasse en de verlaten Joodse huizen en een hoedenmaker die daar ooit woonde:
    Salzburg hing al vol met smeedwerk toen we in de Judengasse kwamen. Die was heel smal en grijs. We konden er met moeite ademhalen, omdat er geen zon en geen lucht was, alsof Jehova er met zijn volle gewicht bovenop zat. (…)
    We kwamen op een binnenplaatsje en keken omhoog en op een vensterbank stonden twee hoeden op staanders.(…) Het huis heeft overal gewelven in kruisvorm en door vuile gangraampjes zijn stoffige ateliers zichtbaar waar zeker Joden hebben gewoond of andere volkeren die er op de een of andere manier niet gewenst waren. Want alles is  nu verlaten, zo op stel en sprong verlaten dat hier zeker in de Tweede Wereldoorlog een hetze is geweest, zo verschrikkelijk dat nooit nog iemand de ateliers heeft durven betreden.
    A
    ls ze vertrekken uit Salzburg en na een lange rit op hun bestemming aankomen gaat het natuurlijk over de grote, grote stad die Wenen heet.‘Ik ken geen stad in Europa die is zoals Wenen, de oude, de lieflijke grond van vergane glorie, van oud geworden smart, van nostalgie en traagheid, moeheid, Lässigheit, zachtmoedigheid en overgave van de jonge helden aan de krachten van het noodlot.

    Schrijvers en de dood
    Maar Hoe heette de hoedenmaker? van Loekie Zvonik gaat vooral over schrijvers als Franz Kafka, en Georg Trakl en Rainer Maria Rilke en Cesare Pavese natuurlijk, en over wat zij schreven voordat zij zichzelf het leven benamen of jong aan een ziekte stierven. En over die dood. Het zelfgekozen eindpunt waar Didier steeds aan denkt, de jonge man in het verhaal die lijdt aan somberheid en doodsdrang. Iemand op wie de door hun professor Herman gebruikte term ‘Vroegvoltooide’ van toepassing zou kunnen zijn: mensen die twintig of dertig jaar leven en daaraan genoeg schijnen te hebben.
    Maar zover is het nog niet als ze naar Wenen rijden.
    Wat Hermine en Didier beleven is een idylle, een late idylle die niet meer dan dat kan zijn omdat beiden getrouwd zijn en hun geliefden X en Y willen blijven beminnen. Maar tijdens een wandeling in de bergen spreken ze af:
    Als het met één van ons beiden slecht gaat en hij heeft de andere dringend nodig dan zal hij opbellen of een expressebrief sturen of telegraferen en alleen het codewoord ‘koeienbellen’ gebruiken. Dan weet de ander dat het noodtijd is en dat hij onmiddellijk komen moet om hulp te bieden, om te zeggen dat het de moeite waard is tien dagen te lijden voor tien minuten geluk.

    Eenmaal terug in België houden ze telefonisch en soms lichamelijk contact, maar Hermine haakt af als Didiers doodswens steeds sterker wordt en hij haar vraagt hem te redden.
    En de afloop is dan voorspelbaar. Wat een treurigmakend maar mooi en goed geschreven verhaal, denkt de lezer, die de achtergrond nog niet kent.

    Didier is Dirk de Witte
    Maar dan volgt in deze heruitgave (de eerste druk verscheen in 1975) een uitvoerig essay van Jeroen Brouwers  getiteld De vroegvoltooiden over de achtergrond van Hoe heette de hoedenmaker? Hij prijst de kwaliteit van Zvoniks boek en geeft aan dat het in feite een sleutelroman is. Didier was in werkelijkheid de Vlaamse schrijver Dirk de Witte, wiens zelfmoord in december 1970 hem al een grote plaats gaf in Brouwers boek over suïcidale schrijvers: De laatste deur. (in 2017 verscheen een herziene en uitgebreide herdruk).
    Brouwers heeft hem goed gekend in zijn laatste jaren, ze woonden een kwartier van elkaar en Dirks vrouw Anneke was zijn secretaresse toen hij als redacteur werkte bij uitgeverij Manteau waar de boeken van Dirk de Witte verschenen. Alhoewel hij Dirk de Witte een behulpzame en vriendelijke man noemt heeft hij geen hoge pet op van Dirks schrijverschap. Diens oer-serieuze zelfmoord-fixatie en zijn overgave aan de teksten van zelfmoordenaar Pavese ergeren hem: Al ging het over een aan de deur gekocht lotje voor de buurttombola, Dirk de Witte wist het binnen een paar seconden om te plooien tot een discours over Het Lot, Het Noodlot, Das Schicksal en kwam Pavese tevoorschijn (…)

    Eigenlijk was Dirk een poseur die met zijn eigen voorgenomen, zelfs ophanden zijnde zelfmoord koketteerde vanwege de gedachte dat die hem zogenaamd  ‘eeuwige’ roem zou bezorgen, zoals al die belangrijke schrijvers-zelfmoordenaars over wie hij niet uitgepraat raakte.
    Dirk de Witte is als schrijver volstrekt vergeten. Terecht volgens Brouwers. Toen Zvonik hem – ze kenden elkaar – het manuscript van haar boek stuurde kon hij niet nalaten chagrijnige kantlijn-opmerkingen te maken over Didiers zum Tode betrübte uitlatingen. Maar Hermine/Loekie Zvonik liet zich haar liefde voor Didier/Dirk en zijn liefde voor haar niet afpakken. Aan het slot van zijn essay schrijft Brouwers over een foto die hij nam van het – inmiddels geruimde – graf van Dirk de Witte.
    Nadat die was ontwikkeld zag ik wat ik niet gezien had toen ik voor de zerkplaat stond. In het bestofte zwarte marmer had een vinger geschreven: KOEIENBELLEN.
    Dirk de Witte heeft zelf geen sporen achtergelaten in de Nederlandse literatuur. Maar als Didier wel, dankzij het schrijverschap van Zvonik, die hem beminde. Toen het boek in 1975 uitkwam genoot het grote waardering en de herdruk nu is een goede keus geweest van uitgeverij Cossee. Zvonik (1935-2000) schreef na Hoe heette de hoedenmaker? (een titel die ook Brouwers niet kon duiden) nog twee romans die eveneens geprezen werden. Maar daar liet ze het bij. Ook een schrijverschap kan vroegvoltooid zijn.

  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Klaploper

    Klaploper

    Als iemand tegen me aan staat te praten zonder een weerwoord te verwachten, kan ik het niet laten een citaat te parafraseren of uit andermans werk te putten. Zo verbleef ik eens op een feestje in Londen waar oudste Zoon me mee naar toe had genomen. Langs drie smalle trappen kwamen we  op de bovenverdieping van een bouwvallig huis. In de kleine woonkamer werd gedanst. In het wat rustiger portaal tussen badkamer en woonkamer raakte ik in gesprek met een Griekse, naar overgewicht neigende jongeman die op het punt stond zijn relatie te verbreken.

    Zijn vriendin was een schoonheid. ‘Everything will all past’, was iets waarmee hij, blijkbaar nogal melancholisch aangelegd, zijn meningen lardeerde. Heimwee had hij. Naar de blauwe zee, zijn moeder, naar de manier van leven die zo eenvoudig was ‘You know’. Al was hij vijf jaar geleden om diezelfde dingen naar Londen, ‘The place to be’, gekomen.
    Met benevelde woorden, die verhalen een filosofische diepgang geven die door de toehoorder uiterst serieus genomen dient te worden, probeerde hij zijn levensverhaal in een mythe te gieten. Waarop ik, sprakeloos, mijn favoriete citaat van Jeroen Brouwers in nogal knullig Engels voor hem parafraseerde; ‘Everything has to do with everything’. Door de muziek konden we elkaar niet helemaal verstaan maar er was wel degelijk sprake van a positive vibe tussen ons.

    In de woonkamer zette Phil Collins jengelend en schurend ‘I can feel it coming in the air tonight’, in toen  de Griekse jongeman me ernstig aankeek en zei, ‘You are such a good listener’. Hij schonk zich nog een whisky in en ik knikte. En knikte nog eens. Aangemoedigd nam ook ik een whisky, vergetend dat ik dat nooit drink. Het werkte bevrijdend en ik zei, ‘You know, there was a little boy’ die voor het eerst naar de kapper ging.

    Het was een Chinese kapper die zijn hoofd met zachte, doch dwingende hand beroerde. Het jongetje voelde de haarlokken langs zijn hals en nek naar beneden vallen, hoorde het knipknip van de schaar. Van waar hij zat had hij hij uitzicht op de zee. Toen de Chinese kapper na het knippen het tere nekje van het jongetje schoonblies met zijn zachte adem en hem een spiegel voorhield, wist het jongetje niet wie hij zag. Wel zag hij dat de kapper zijn krullen bijeen veegde en ze in een luikje in de vloer liet vallen waar een stroom water het mee naar zee nam. ‘Ergens in de zee zakt mijn haar naar de bodem’, dacht het jongetje. At the bottom of the sea, vertelde ik, ligt een tapijt van haren van miljarden mensen, waarin, als je erover zou lopen ‘your footprint’ achterblijft.
    De Griekse jongeman knikte, knikte nog eens en zei, ‘Man is the measure of all things’ wat een eeuwenoud Grieks gezegde is. En ik voelde me een klaploper van de literatuur, al bedoelde ik het goed.

     

    De Chinese kapper en het jongetje is ontleend aan De zondvloed / Jeroen Brouwers.
    Het laatste citaat is van de Griekse filosoof Protagoras (c. 490 – c. 420 v. Chr.).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Echtheid

    Echtheid

    Ik vind het mooi hoor, vrouwen en hoofddoeken. Een vrouw met een hoofddoek heeft iets zorgvuldigs. Al kan het ook wat onbenaderbaars hebben, maar dat is niet erg. We mogen elkaar best  wat minder benaderen; afstand neigt tot respect. En knoopten onze moeders niet ooit ook een hoofddoek om hun hoofden alvorens zij de deur uitgingen? Er wordt gezegd dat het niet betrouwbaar is een hoofddoek. Dat daarmee iets wordt uitgedragen waar anderen zich door afgewezen, bedreigd kunnen voelen. Tijdens het uitvoeren van een functie kun je dus beter geen hoofddoek dragen. Of dat ook echt zo is moet misschien eens geturfd worden om zodoende de werkelijkheid aan vermoedens te kunnen staven.

    Er was ook een tijd van wandelstokken, waar de mannen mee naar buiten gingen op zondag. En vrouwen dan die hoofddoek, of een hoedje. Het stond ergens voor, je wist waar iemand vandaan kwam al had religie er niet altijd mee te maken.

    Deze week spraken Mijn Lief en ik weer eens af (mijn idee) om een week geen wijn te drinken. We zouden onze relatie ermee oppoetsen (dacht ik). We houden er wat geld aan over (zei ik). En dat we dan niet meer elke avond onderuitgezakt op de bank zouden eindigen en na afloop van een of andere serie – waarvan we steeds net een aflevering teveel kijken – verveeld naar bed gaan (hoopte ik). De derde avond van de week moest ik weg. Toen ik thuis kwam stond er een fles aangebroken wijn in de keuken. Ik zei: ‘Hee, heb je gedronken?’ en vond dat waardeloos van hem.  Hij had er zin in gehad, zei ie. En ik zei. ‘Ja maar.’ En we hadden woorden met elkaar, Mijn Lief en ik.

    Later bedacht ik dat een verbod niet werkt. Dat de keuze, iets te doen of te laten uit jezelf moet komen. Dat alles wat wordt opgelegd niet echt is en geen waarde heeft. Nou ja, ik vond het knap vervelend maar begreep Mijn Lief (maar zei niets).

    Ik dacht; als het nu verboden wordt lipstick te dragen omdat zekere lieden daar onzeker van kunnen worden. Dat rode lippen agressief overkomen, te zelfverzekerd. Dat er een verbod komt tijdens het werk lippenstift  te dragen. Wat zou ik doen? Ik zou aan mijn lippen gaan pulken, velletjes lostrekken, op mijn lippen gaan bijten. Ik zou het erop aan laten komen maar uiteindelijk zou ik mij niets laten verbieden.

    Deze week stonden er twee prachtige interviews van Jeroen Brouwers – naar aanleiding van de verschijning van De laatste deur –  in Trouw en Volkskrant. Een schrijver waarvoor schrijven, schrijven met de hand betekent. Na enkele herseninfarcten die zijn schrijfhand verlamde, ging hij door. Hij liet zich niets verbieden. Hij bleef oefenen en schreef Het hout. Met een luchtpijpprothese in zijn hals rookt hij er lustig op los en twijfelt niet over de kwaliteit en juistheid van zijn werk. Eigenzinnig moet je willen zijn. En na een gesprek over zelfmoord zeggen: ‘Maak je het niet te zwaar (…)?’

     

     

  • Gewoon door

    Gewoon door

    Ik heb bewondering – die grenst aan adoratie – voor mensen die in stilte hun werk doen, gewoon omdat ze er goed in zijn. Zoals schoenlappers in Coimbra die achter een open venster in de muur zitten te kloppen en tikken op lederen vormen en daarmee een degelijk product weten neer te zetten. Of de tuinman die de leibomen onder handen neemt, hoog op zijn ladder staand, snoeit waar gesnoeid moet worden. Het is de aandacht voor de klus die ze onder handen hebben, wat me bekoort. De trefzekerheid waarmee ze het doen, secuur en kundig. De schoenmaker met de spijkertjes die in de zool geslagen moeten worden tussen zijn lippen, er telkens een uitnemend, op de juiste plaats aanbrengend, erin tikken met de hamer en zo door.

    Schrijvers die van niets anders willen weten dan schrijven, liefst met potlood in schriftjes waarin met regelmatig handschrift zinnen worden opgeschreven die gevormd werden door gedachten en beelden die voor het geestesoog van de schrijver verschenen. Die  scheppende interactie tussen geest en papier, waar alles voor wijken moet. Daar is waar mijn adoratie ontstaat; dat alles er voor moet wijken. Dat je alleen nog maar kunt leven in je boeken zoals Slauerhoff schreef ‘In mijn gedichten wil ik wonen’. Dat is het hoogste wat je als schrijver kunt bereiken. Leven als schrijver is schrijven in alles.

    Dat zou ik ook wel willen, me op zolder of in een schuurtje terugtrekken met alleen een stoel en een ruwhouten tafel. Mijn lief en kinderen laat ik achter in het huis, daar vermaken zij zich wel. Af en toe steek ik mijn neus om de hoek voor een verschoning of een boterham. Geen andere uitstapjes dan naar boekhandels en kringloopwinkels voor leesvoer en schrijfgerei.

    En dan zeggen: ‘Ik deugde nergens voor, toen ben ik maar gaan schrijven.’ Bij veel schrijvers die dit zo stellen, klopt het; zij zijn voor het schrijverschap bedoeld. Ze zetten er alles voor in, een goed huwelijk past daar niet bij. Niet bij de schrijvers die ik voor ogen heb. Jeroen Brouwers dus, die ook ergens in een interview zei dat hij nergens geschikt voor was en toen maar is gaan schrijven. Van Brouwers geloof ik het meer nog dan van enig andere schrijver.

    In de jaren tachtig was mijn adoratie voor deze schrijver zo nijpend dat ik naar de boekpresentatie van De zondvloed moest. Ik hield niet van boekpresentaties. Ik meed ze als zijnde gênante vertoningen waarbij de schrijver wordt ingezet als USP (unique selling point) wat beneden hun waardigheid is. Er was een podiumpje op het trottoir waarop Brouwers wat ongelukkig van zich afkeek. Later vormde zich een rij voor de signeersessie. Met verkrampte glimlach en het zweet op zijn voorhoofd keek hij steeds opnieuw op en signeerde zijn boek. Beter was het dat de schrijver – gelijk een koning – na gedane arbeid gewoon thuis bleef en een wandelingetje maakte in zijn tuin of omliggende landerijen en zich daarna voor de haard een goed glas wijn liet serveren. En dan gewoon door.

     

     

  • Leesclub 3

    Leesclub 3

    Hoe eenvoudiger de uitstraling, hoe doordachter het vaak in elkaar steekt. Denk aan een fietswiel waarvan elk onderdeel precies op de juiste plaats zit maar de lengte van elke spaak wiskundig berekend is. Je staat er gewoon niet bij stil als je een fiets alleen maar gebruikt om je te verplaatsen. Zo zijn ook boeken middelen om je te verplaatsen in tijd, ruimte en persoon.

    We hadden met acht vrouwen Het hout van Jeroen Brouwers gelezen. We maakten een rondje. Wat vonden we ervan: ‘Afschuwelijk verhaal. Zo bedompt dat leven in een klooster, en dan die zware, schurende kleding! Ik kreeg het er benauwd van.’ Nou, nee, zei de volgende, Ik vond het prima hoor, (alsof ze voor hetere vuren had gestaan). Nee hoor, ik had er geen moeite mee’, waarbij ze haar hoofd schudde. ‘Ik wist niet dat het er zo aan toe ging. Dat zal toch niet overal zo zijn geweest’ zei iemand lichtelijk geschokt, waarop we allen zeiden: ‘Nee hoor, er zullen heus wel katholieke gemeenschappen zijn geweest waar dit niet voorkwam.’ ‘Ik vond het nogal een eenvoudig verhaal, klonk het opeens gevat, alsof er een bedrieger ontmaskerd werd. ‘Ik dacht dat dit een groot literair schrijver was, maar ik vind het een verhaaltje van niks.’ Waarna verontschuldigend, ‘Nou ja, ik ken hem verder niet hoor.’

    De verbijstering woekerde voort. Niet te geloven hoe die Eldert – docent Duits en verteller in Het hout – onder de plak was komen te zitten van het kloosterleven onder leiding van een reusachtig man, die ook nog eens dik, overal behaard, met knijpoogjes en omhoogstaande neusgaten waar je zo in keek, beschreven werd. Deze man moest als een varken gezien worden, en dan ook nog Duits, werd er geroepen. ‘Jaja, zei ik, overdrijving is een goed schrijver niet vreemd en heeft zijn noodzaak.’ En Eldert mocht dan wel aardig voor die jongens zijn maar hij deed er niks aan, was de mening. Hij was medeplichtig aan de terreur waaronder de jongens van die katholieke kostschool leden. Onverdraaglijk dat hij niet ingrijpt of er vandoor gaat (het maakte zo’n indruk dat er in tegenwoordige tijd werd gesproken). Was het niet in elke onderdrukte samenleving zo dat er altijd waren die de regels en protocollen stipt naleefden en er waren – om degenen die leden onder die regels – te ondersteunen en bemoedigen?

    En die vrouw, die Patricia uit het dorp, is dat niet raar dat zij, in het Limburg van de jaren vijftig in lange broek gekleed ging? Dat was toen toch niet zo. En dat hij het regime binnen die school met de Nazi’s vergelijkt, vindt ik wel erg ver gaan hoor.’ Tot, na de zoveelste opmerking hoe overdreven dit alles was, de genialiteit van de schrijver doordrong. Zagen we opeens hoe wiskundig berekenend Brouwers de verhaallijntjes, als de spaken in een wiel, in elkaar had gezet. De nazi’s als equivalent om te laten zien hoe de mens vernederd wordt. Hoe er soms groot ingezet moet worden om klein leed te begrijpen.

     

     

     

  • Jeroen Brouwers wint ECI Literatuurprijs 2015

    Jeroen Brouwers wint ECI Literatuurprijs 2015

    De voormalige AKO Literatuurprijs en nu de ECI Literatuurprijs is gewonnen door Jeroen Brouwers voor zijn roman Het hout. Dat werd donderdagavond bekend gemaakt op het Crossing Border Festival in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag.

    Het hout van Jeroen Brouwers (1940) werd gekozen om zijn meesterschap, stilistische brille en om zijn beklemming en verlossing, zo sprak juryvoorzitter Andrée van Es. Wegens gezondheidsproblemen was de auteur zelf niet aanwezig maar een televisieploeg was naar zijn huis in het Belgische Zutendaal getogen voor een korte reactie van een groots schrijver. Wat de prijs, waar hij niet op gerekend had, voor hem betekende: ‘Vreugde, sprak Brouwers die wars is van grootse gebaren. ‘Het geldbedrag, (heb je dat trouwens bij je, voegde hij er schalks tussen) komt mij zeer van pas.’

     

    51cf8a9e0f42f1.49079502Voor zich op tafel een stapel ritselende papieren: ‘Folklore van het schrijverschap’, noemt de schrijver dit. Brouwers durft, zoals hij zelf zegt, niet op maagdelijk blanco papier te schrijven. Hij gebruikte voor zijn manuscript van Het hout oud papier zoals bakkerszakken, de achterzijde van kalenderbladen en wikkels van tijdschriften. Waarna zijn echtgenote het over tikt op de computer. Op de vraag wie hij verwacht had dat zou winnen noemde Brouwers, P.F. Thomése. Hij had gedacht dat het tussen hem en Thomése zou gaan. Een schrale troost van de winnaar voor dan toch een van de verliezers.

    De overige kandidaten op de shortlist waren Inge Schilperoord met Muidhond, Annelies Verbeke  met Dertig dagen, Stephan Enter met Compassie, Mark Schaevers met Orgelman en P.F. Thomése met De onderwaterzwemmer. 

    De jury bestond naast de juryvoorzitter uit Nederlandse en Vlaamse recensenten onder wie Daniëlle Serdijn van de Volkskrant en programmamaker Wim Brands.

    De ECI Literatuurprijs heette vorig jaar nog AKO Literatuurprijs en werd toen gewonnen door de Vlaamse auteur Stefan Hertmans voor zijn boek Oorlog en terpentijn. De prijs bestaat uit een sculptuur en 50.000 euro. De bekendmaking was rechtstreeks te zien in het actualiteitenprogramma Nieuwsuur op NPO 2.

    Hier vindt u de recensie die Vic Veldheer schreef over Het hout voor onze site.