• Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    De acht bergen

    Vele jaren ging ik op vakantie naar Italië, steeds naar een andere regio, en raakte ik verknocht aan dat land. De klassieke kunsten, de conservering van het culturele erfgoed, de culinaire genotmiddelen, het prachtige landschap, de gastvrijheid van de Italianen: het zijn prachtige kenmerken van een land waar het weliswaar politiek niet lukt om van de huidige samenleving een moderne gemeenschap te maken maar waar het voor mij goed toeven is. Zes jaar geleden ben ik er gaan wonen….
    Van mij dus vier boeken van Italiaanse schrijvers, die ik met ontzettend veel plezier heb gelezen; drie ervan hebben een stad als achtergrond en wanneer je op vakantie gaat naar Italië zijn deze steden zeer de moeite waard om te bezoeken.

    Paolo Gognetti – De acht bergen
    Over dit boek moet niet al teveel gezegd worden. Het gaat over de relatie van een vader met zijn zoon, Pietro, en hun liefde voor het Noord-Italiaanse berglandschap. Ze wonen in Milaan maar trekken vaak de bergen in. We lezen ook over de relatie van Pietro met zijn beste vriend Bruno die opgroeit in de bergen.
    Het mooie is dat het verhaal zich langzaam ontvouwt. De ontwikkeling van beide relaties wordt  beschreven en gaandeweg besef je de invloed van verschillende gebeurtenissen op het leven van de twee vrienden. Dat is heel knap gedaan. Het is ingetogen geschreven, met mooie beschrijvingen van de natuur en het laat je niet meer los. En na lezing sta je voor de keus: ga ik naar de stad  of trek ik de bergen in?

     

     

     

    De acht bergen
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Bekentenissen van Zeno

    Italo Svevo – Bekentenissen van Zeno

    Dit boek heb ik twee keer gelezen; de eerste keer tijdens mijn zoektoch ging naar Italiaanse literatuur; de tweede keer op verzoek van Literair Nederland, toen er in 2015 een nieuwe vertaling verscheen van dit 90 jaar oude boek. Mijn recensie verscheen op 3 december van dat jaar; ik ben nog steeds enthousiast over het boek, het heeft niets van zijn glans verloren.

    Italo Svevo is geboren in Triëste, de stad waar het verhaal zich afspeelt. Die stad is zeker het bezoeken waard. Er staat ook een standbeeld van Svevo, er is een route uitgestippeld langs belangrijke plekken uit zijn leven en er is een museum aan hem gewijd. Maar eerst en vooral het boek lezen!

     

     

     

    Bekentenissen van Zeno
    Auteur: Italo Svevo
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep

    De tuin van de familie Finzi-Contini

    Giorgo Bassani – De tuin van de Finzi-Contini’s

    Dit klassieke meesterwerk uit 1962 gaat over de ondergang van de joodse gemeenschap in Ferrara, de stad waar Bassani is geboren. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voert Italië rassenwetten in, joden hebben dan geen toegang meer tot de plaatselijke tennisclub. De Finzi-Contini’s stellen daarom hun particuliere tennisbaan open.

    Tegen de achtergrond van het opkomend fascisme tekent Bassani op schitterende wijze het leven in en om de villa aan de Corso Ercole 1 d’Este in Ferrara. Dat is een prachtige stad: sinds de 13eeuw bestuurd door het oudste vorstenhuis van Italië, de familie D’Este. Er is nog veel te zien in de stad dat daaraan herinnert, zoals het Palazzo Costabili en het Palazzo Schifanoia. De joodse begraafplaats die in het boek een prominente plaats inneemt en de villa van de familie Finzi-Contini’s zijn er ook nog. Ferrara is het prachtige décor van een prachtig boek.

     

    De tuin van de familie Finzi-Contini
    Auteur: Giorgio Bassani
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2018)

    Bernini

    Franco Mormando – Bernini, his life and his Rome

    Deze biografie over beeldhouwer, architect en schilder Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) laat onder meer zien hoe deze kunstenaar dankzij zijn goede contacten met het Vaticaan, Rome heeft voorzien van prachtige pleinen en beelden. Interessant om te lezen hoe hij die opdrachten in de wacht sleept.

    Hij heeft in de 17eeeuw een sterk stempel gedrukt op de kunst van Rome. Voor vier pausen schiep hij vele meesterwerken, teveel om op te noemen. Het Sint Pietersplein met zijn zuilenrij is er zo een, evenals het baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek. Ook de vier stromen fontein op het Piazza Navona is een prachtig bouwwerk.
    Mormando schetst een indringend beeld van de kunstenaar, zijn persoonlijkheid en zijn meesterwerken. En Rome is natuurlijk altijd een bezoek waard!

     

     

    Bernini
    Auteur: Franco Mormando
    Uitgeverij: The University of Chicago Press
  • Een onmogelijke, maar beproefde liefde

    Een onmogelijke, maar beproefde liefde

    Gescheiden kamers is een Italiaanse roman uit 1989 van Pier Vittorio Tondelli (1955-1991) die onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen. Het was Tondelli’s laatste roman. Twee jaar na verschijnen overleed hij aan aids.

    De dood laat zich voelen op elke pagina van de compacte roman. Dat komt niet alleen doordat je weet dat de schrijver zo jong aan de ziekte is gestorven. Tondelli vertelt het verhaal van twee mannen die verliefd zijn op elkaar en waarvan de één, de Duitser Thomas, een kort gevecht met aids verliest. Het leest alsof de schrijver beiden is: de vriend die sterft en de vriend die achterblijft. De één verliest zijn leven, de ander zijn levenslust als gevolg van de doodsangst die hem daarna te pakken krijgt.

    Pijnlijk
    Het zijn de jaren tachtig van de vorige eeuw waarin zich de liefdesgeschiedenis ontrolt. Een tijd waarin homoseksualiteit de achterkamertjes is ontstegen, maar nog lang niet kan rekenen op de acceptatie van nu. De afschuwelijke ziekte die vooral in die eerste jaren onbarmhartig toeslaat onder homo’s, doet het proces van acceptatie en emancipatie geen goed. Een van de pijnlijkste scènes is dan ook die waarin Leo afscheid moet nemen van zijn vriend. Ze hebben elkaar meer dan drie jaar hartstochtelijk liefgehad, maar als Thomas’ laatste uur geslagen is, wordt Leo met zachte hand van diens sterfbed verwijderd. ‘Thomas wordt op het slotmoment aan de familie teruggegeven, aan dezelfde mensen die hem ter wereld hebben gebracht en hem nu met een verscheurd gemoed willen helpen sterven. Er is geen plaats meer voor hem in deze ouderlijke setting.’

    Brieven
    De drie jaar durende relatie kende hoogtepunten en diepe dalen. Ze woonden in Parijs en Milaan, reisden samen door Europa, maar leefden ook apart van elkaar. Aan die laatste periode, waaraan ook de titel van de roman is ontleend, is het laatste van de drie delen geheel gewijd. Als Thomas na een periode van studie aan het conservatorium in Parijs besluit bij Leo in Milaan in te trekken, loopt het spaak.  Ze hebben elkaar veertig dagen niet gezien en zijn blijkbaar vreemden geworden voor elkaar. Leo stuurt Thomas weg en dat wordt het begin van een periode waarin hun verhouding misschien wel het meest intens wordt. Ondanks de afstand tussen Leo in Milaan en Thomas in Berlijn. Door middel van dagelijkse brieven houden ze contact en af en toe komt de een bij de ander op bezoek. In de brieven zijn ze eerlijker dan als ze bij elkaar zijn. Brief na brief vormt zich een nieuwe ‘woordencode (…) die bij hun liefde paste’. Tondelli vat die ‘epistolaire verhouding’ heel mooi samen: ‘… door die brieven bleven ze dagelijks de liefde bedrijven; een concreet resultaat neerzetten, weliswaar van woorden en papier, maar daardoor misschien wel duurzamer en stabieler dan hun samen-zijn.’ Een relatie waarin ze elkaar zouden toebehoren, maar niet bezitten. Die Leo in een van zijn brieven als wonen in ‘gescheiden kamers’ omschrijft.

    De bijzondere relatie blijkt echter vooral gefundeerd op wat beide mannen eerder met elkaar hebben gehad, op ‘archeologische vondsten van hun onmogelijke, maar ware, beproefde liefde.’  Op een gegeven moment zijn alle vondsten wel zo’n beetje gedaan. Dat is het moment van verwijdering: twee treinen die tegelijk vertrekken op hetzelfde station, maar na de wissel elk een andere kant opgaan.

    Gescheiden kamers is een intiem en, ondanks dat het zo duidelijk in die tachtiger jaren afspeelt, tijdloos verhaal over liefde en dood. Elkaar aantrekken en weer afstoten zijn immers universele kenmerken van de liefde. De roman is geschreven in een serene, niet uitbundige stijl en bevat prachtige passages waarin de taal de inhoud bijna naar de achtergrond verdringt.

     

  • Dichtbij maar onbereikbaar

    Dichtbij maar onbereikbaar

    Francesca Melandri’s nieuwe roman Hoger dan de zee speelt in Italië, in de roerige jaren 70 van de vorige eeuw. Louisa en Paolo kennen elkaar niet, maar ze zijn allebei op weg naar een speciale beveiligde gevangenis. Deze gevangenis ligt op een eiland en is slechts door een smalle engte gescheiden van het vaste land. De echte wereld is te zien, dichtbij maar onbereikbaar. ‘Als je iemand echt gescheiden van de rest van de wereld wilt houden, is er geen muur hoger dan de zee.’ (p. 27) Het naamloze eiland heeft een prachtige natuur, het is paradijs en hel tegelijkertijd.

    Louisa, een moeder van 5 kinderen, gaat haar man bezoeken. Hij sloeg zijn kroegmaat dood en nadat hij een bewaker vermoordde in zijn vorige gevangenis, belandde hij op het eiland. Paolo komt voor zijn zoon, een lid van de Rode Brigades, die veroordeeld is voor executies van politieke tegenstanders, gewapende overvallen en talloze andere vergrijpen.
    Hun trouw aan de gevangenen is opmerkelijk. Wat doet hen steeds terugkomen?

    Louisa is beter af zonder haar man. Ze redt het prima, heeft goed opgevoede kinderen en de boerderij draait. Ze is opgelucht dat haar man er niet is, ze zijn mishandelingen niet langer hoeft te ondergaan en het bed niet meer met hem hoeft te delen. Alleen als ze zelf de tractor moet rijden mist ze een man, en dan niet eens haar man. Maar gelukkig heeft haar zoon zijn rijbewijs nu. Toch legt ze trouw telkens de gevreesde bezoekjes af waar ze zo tegenop ziet.

    Ook Paolo lijkt geen enkele reden te hebben om zijn zoon steeds te bezoeken. Door hem heeft hij zijn baan verloren en zag hij zijn vrouw sterven van verdriet. Maar toch, ook hij blijft komen gedreven door mooie, ongrijpbare herinneringen. Hij begrijpt helemaal niets van zijn zoon en diens daden. ‘…. als Paolo zijn hand uitstrekte voelde hij de warmte van dat zo bekende lijf, dat niettemin daden had verricht die hem onbekend waren…’ (p. 59). Ook zo dichtbij, maar onbereikbaar.
    De gesprekken met zijn zoon zijn bizar en tot zijn stomme verbazing merkt Paolo dat hij voor het eerst blij is dat zijn vrouw Emilia al jaren dood is. Blij zodat ze dit niet hoeft te weten of mee te maken. Zijn zoon de revolutionair zoekt naar het paradijs en daar komt een stuk schuldgevoel om de hoek kijken want  ‘Het was Paolo die hem had geleerd dat paradijs te willen.’ (p. 137)

    In het boek wordt de reis naar de gevangenis beschreven en de opluchting van Paolo en Louisa als het bezoek voorbij is, maar over het bezoek zelf, de gebeurtenis waar alles om draait, wordt met geen woord gerept. Als Louisa en Paolo terug naar het vasteland willen, verergert de heftige storm die woedt. De mistral maakt alles enkel water en beweging.  ‘De mistral had zelfs de lucht tot zee gemaakt, had er ziltheid, smaak, consistentie aangegeven. Als je hem inademde was het net of je algen over je wangen smeerde.’ (115)
    De bezoekers moeten op het eiland overnachten en de gevangenisdirecteur vertrouwt dat niet. Hij beveelt bewaker Nitti hen in de gaten te houden en zo komen de totaal verschillende levens van Paolo, Louisa en bewaker Pierfransesco Nitti plotseling samen. Schuchter ontstaat er contact en Paolo vertelt dat hij zijn zoon bezocht. In al haar eenvoud betuigt boerin Louisa hem haar medeleven. ‘ “Een zoon. Da’s erg.” Meer viel er ook niet over te zeggen.’ (p. 79)

    Het schuchtere aftasten van elkaar door Paolo, Louisa, Nitti en zijn vrouw is treffend beschreven. Voor alle personages is hun samenkomst verrassend en met verstrekkende gevolgen voor hun levens. Het verhaal komt wat traag op gang, met zinnen die vaak onnodig ingewikkeld zijn. Dat zou je natuurlijk literair kunnen noemen, maar voelt vooral omslachtig. Dan wordt de taal soberder en treffender. Het laatste deel van het boek is prachtig. Het is ontroerend om te lezen hoe Paolo, Louisa en Nitti zich geleidelijk voor elkaar openstellen, zich steeds iets meer bloot geven en elkaar durven te steunen. Hoger dan de zee is een verstild verhaal, zonder actie, maar vol inzichten en gedachten over eenzaamheid en liefde.

    Het is jammer dat dit mooie, contemplatieve verhaal afgesloten wordt met een epiloog. Het laten zien hoe het 30 jaar later met de hoofdpersonen gaat, zwakt de kracht en het naklinken van het verhaal enorm af. Dat is jammer.

    Hoger dan de zee is genomineerd voor de Premio Campiello. Francesca Melandri kreeg voor haar debuutroman Eva slaapt diverse literaire prijzen. Hoger dan de zee is haar tweede roman.

     

    Hoger dan de zee

    Auteur: Francesca Melandri
    Vertaler: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s 176
    Prijs: 18,90

  • Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

    Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

     

    Onlangs heeft dichter/vertaler Jan van der Haar een nieuwe titel van Curzio Malaparte (1898-1957), de Italiaanse schrijver die met de oorlogsboeken Kaputt en De huid een ware cultstatus verwierf, voor het Nederlandse taalgebied ontsloten. Het gaat om de verhalenbundel Bloed (‘Sangue’) uit 1937.

    Bloed bevat een dertiental verhalen, aangevuld met twee voorwoorden van Malaparte zelf uit 1937 en 1954. Daarin lezen we hoezeer Malapartes eigen leven door bloed gekleurd was: ‘Mijn jeugdherinneringen zijn rood van het bloed.’  Weldra volgt een quasi cultureel filosofische uiteenzetting van de Italiaanse horigheid aan de wetten van het bloed. Gespeend van een zeker pathos blijft het niet en de lezer moet enige gedateerde zinnen voor lief nemen.

    Aangezien Italianen alles ondergeschikt hebben gemaakt aan het heilige ontzag voor het menselijk leven, komt hun morele besef alleen bij het vloeien van bloed naar voren. Het Italiaanse volk is nooit slaaf geweest van ideeën of geld, maar des te meer van hun hartstochten. En tot die typisch Italiaanse hartstochten rekent Malaparte jaloezie, eerzucht, liefde voor de moeder, de familie, het land. Uitsluitend een warmbloedig gepleegde moord is voor de Italiaan daarom vergeeflijk. Maar die welke gepleegd uit berekening, ambitie of hebzucht, zal nooit op vergeving kunnen rekenen. En net wanneer je als lezer denkt ‘het zal wel’ komt de schrijver met een welgemikte vuistslag: ‘Zelfs de grootste zielenpoten, kansarmen, blinden, bij wie het morele besef als het ware dood en begraven is, zijn nooit slaaf van honger of hebzucht, maar wel van hun bloed, en dat is de enige slavernij die ze vrij aanvaarden, alsof het een natuurlijke staat of een genadestaat is. In deze warme, strenge heerschappij brengen ze hun bestaan door, ze veroordelen zich tot de hel, maken zich op voor het paradijs. Hun wet ligt in hun aderen. Buiten die wet is er niets wat vat op hun lotsbestemming heeft: de rede, angst noch enigerlei hoop. (…) Vandaar dat aandoenlijke begrip voor andermans lichamelijk lijden. Om moreel leed malen ze niet zo, ja, soms lijken ze er bijna van te genieten, vooral bij anderen: en dan niet uit rancune, afgunst of een ander minderwaardig sentiment, maar uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid, uit ervaring met de slechtheid en kleinheid van de mens. Omdat ze weten dat mensen allerlei vernedering, schande en wanhoop verdienen’. Kijk, dat maakt duidelijk waarom de als Kurt Erich Suckert geboren auteur juist Malaparte (‘hij die aan de slechte kant staat’) als pseudoniem koos, de antipode van Bonaparte. Als lezer ben je meteen wakker geschud. Want dat is de kracht van Malaparte: zo nu en dan strooien met rake, schurende zinnen, beelden die zich op je netvlies zetten en niet meer willen wijken. Dergelijke messteken maken het lezen van deze auteur de moeite waard.

    In het verhaal Een stad als ik, waarin de auteur een portret van zichzelf als stad schetst, laat hij zijn gedachten gaan over haar bewoners en die ziet hij het liefst als: ‘Liefhebbers van fatsoenlijk vermaak, die eerder uit zijn op vrede dan op rijkdom. Maar ik zou wel graag een geheime onrust in die hoofden willen, want mensen die zo tevreden, zo zeker van zichzelf en anderen zijn, blijken niet tot grootse dingen in staat. Ik zou ze onrustig en onzeker voor de toekomst maken, zonder spijt of weemoed naar het verleden’. Volmaakt in de klassieke zin zou die stad niet moeten zijn, want ‘wat er echt nodig zou zijn, en waar men niet zonder kan, is een donkere smet op de keien van een steeg (..) Een druppel bloed, niemand zou weten hoe die er kwam, wie er gestorven is, en waarom. (…) Mocht hij als een smet op het geweten van de stad rusten: een reden van berouw en angst moet er immers zijn in een stad, als je wilt dat die volmaakt is.’ Weer bloed dus.

    Er valt van alles over deze bundel te beweren, maar niet dat de titel de lading niet zou dekken. Alle dertien verhalen staan in het teken van het ontzag voor bloed. Daarover kon na het voorwoord al geen twijfel meer bestaan. En hoewel de schrijver daarin beweert bloed te verafschuwen, stelt hij zich tot taak zijn ‘eerste inzichten, ontdekkingen en onthullingen van de mysterieuze wetten van het bloed en bewustzijn’ te beschrijven. Als sommige passages wreed zouden lijken, komt dat echter niet doordat de auteur ze ‘gebundeld [heeft] uit een morbide genoegen in wrede beelden, maar om te tonen hoe men door de pijnlijkste ervaringen een ultiem, vrij bewustzijn van zichzelf en zijn volk en zijn tijd kan bereiken.’

    Toch kan, wie de soms surrealistische oorlogstaferelen uit Kaputt en De huid in het geheugen gegrift staan, alleen maar constateren dat het met die wreedheid in Bloed nog wel meevalt. Ze ligt voortdurend op de loer, maar de verhalen waarin de wreedheid botgevierd wordt, zijn in de minderheid. Hier is de auteur aanzienlijk ingetogener, poëtischer te werk gegaan, is de sfeer minder bizar. De verhalen dateren nog van vóór de Tweede Wereldoorlog. En hoewel Malaparte als adolescent in de Eerste Wereldoorlog vocht, klinkt het krijgsgewoel daarvan nauwelijks door. De toon in de verhalen is beduidend bescheidener dan die van het voorwoord. Veel verhalen hebben een onbestemde, poëtische waas over zich. Er gebeurt vaak te weinig om van een plot te kunnen spreken, maar de sfeer is geladen. De meeste gaan over de als somber en beklemmend beleefde kindertijd en over het gevoel overal buiten te staan: geen binding te hebben met de mens, met de wereld om hem heen. ‘Als kind was ik triest, diep ongelukkig’ is een zin die wat betreft de gemoedstoestand van het jonge kind veel samenvat. Alle zintuigen staan open, want de buitenwereld is vol dreiging. Dat levert uitdagende, expressieve beeldspraak op als ‘er hing een reusachtige kwetsbare rust in de lucht’ en ‘onder het raam hijgde de zee als een koe voor de gesloten staldeur’. Wanneer de schrijver het vertelperspectief even overneemt, worden zulke zinnen even makkelijk ingewisseld voor wat meer reflectieve: ‘Ik ken mijn geheimen, mijn kracht, de duistere en lichte kanten van mijn geest, wat er al dood is in mij, wat nog levend. Ik weet hoe ik mezelf moet teleurstellen’.

    Langzaamaan zien we de het kind tot jongeling opgroeien. In het verhaal Jongenskwelling gaat de ik-figuur gebukt onder de last van twijfel en onzekerheden. Wanneer hij eindelijk een jongen in vertrouwen heeft genomen om hem zijn kwellende gevoelens op te biechten, lezen we: ‘ik voelde dat ik hem ongewild met mijn woorden de zekerheid had gegeven dat voor hem nu alles verloren was, dat niets hem meer zou kunnen verlossen van die angst, die vrees voor de dood waarvan mijn biecht me voorgoed had bevrijd.’

    Dat iemand zich ten koste van een ander van zijn juk bevrijdt, zien we terug in het langste verhaal Een gelukkige dag, waarmee de bundel besluit. Hierin volgen we een ambtenaar van het Kadaster die zomaar besluit een dag niet naar zijn werk te gaan, maar de buitenwijken van Rome in te trekken, alwaar hij de sfeer van het zuivere Italië meent te beleven en zich verwelkomd voelt door de militairen en zwarthemden. Wanneer hij in een café, in kennelijke staat verkerend, aan de aanwezige arbeiders een rondje geeft, raakt hij met hen in gesprek. Voortdrinkend komt de ambtenaar tot het besef dat zijn kantoorbaan, zijn leventje één grote gevangenis is en dat hij zich al die jaren door angst heeft laten regeren. Hij betreurt het uit ander hout te zijn gesneden dan de arbeider. Een dreigende sfeer ontstaat wanneer een handgemeen volgt met de waard die vindt dat er inmiddels genoeg alcohol is geschonken. Maar die bui trekt vooralsnog over. Van echte toenadering wil het evenwel niet meer komen, en enigszins ontnuchterd druipt de ambtenaar af. Thuisgekomen komt die sfeer van dreiging weer vervaarlijk terug en in een vlaag van blinde woede reageert hij zich mededogenloos af op zijn huiskat. Met stip de gruwelijkste scène van het boek. Het brengt de dader wel in een staat van bevrijding. ‘Een glimlach van overwinning, maar dan schuchter en zacht, die van een kind dat eindelijk genezen is van een heimelijk verdriet en zich overgeeft aan een vrije, blije droom’, luiden de laatste woorden. En aldus lijkt de open wond van de kindertijd definitief geheeld en is de volwassen man verschoond van zijn angsten.

    De vertaling leest goed. Slechts bij een heel enkel zinnetje was er even twijfel: ‘hm, wat zou hier in het origineel hebben gestaan?’ Een omissie is echter wel dat nergens in het boek (niet eens achterop!) enige informatie te lezen valt over de auteur. Terwijl de achterflap bij uitstek gelegenheid biedt een auteur als Malaparte met goed in de markt liggende termen als ‘controversieel’ en ‘cultstatus’ te etaleren. Enige gegevens omtrent de man die in zijn politieke wisselvalligheid dikwijls aan de verkeerde kant van de geschiedenis belandde, had geen kwaad gekund. De potentiële lezer die nog onbekend is met de naam Malaparte, en die het boek in een boekwinkel, afgaande op de niet oninteressant luidende titel, van de stapel plukt en enig houvast zoekt in de vorm van auteursinfo, wordt nu niet op zijn wenken bediend. De toegankelijkheid en het niveau van de verhalen maken het boek echter zeer geschikt ter introductie van Malapartes werk. Voor de lezer die zich al gewonnen had gegeven na lezing van Kaputt of De huid, en het zonder flaptekst kan stellen, is deze bundel natuurlijk sowieso een aanrader.

     

     

  • Helden van de traktaatroman

    Helden van de traktaatroman

    Wie het werk van Rita Monaldi en Francesco Sorti gelezen heeft, weet wat in elke roman te verwachten valt: een duizelingwekkende hoeveelheid historische feiten en weetjes die – voor wie eventjes niet goed oplet – de onderliggende rode draad eerder versluieren dan ontsluieren; een ander vast ingrediënt is de Historische Onthulling. Ook in Mysterium gaat weer het broze glas van een van de vele vensters op de geschiedenis aan gruzelementen.

    Het bespreken van een roman waarin een Historische Onthulling gedaan wordt, is extra precair. Het weergeven van de hoofdlijnen van een verhaal dat zo veel taalkundige, historische en filosofische kennis overdraagt, vereist een omzichtig verwoorde recensie.

    Toch zou een bijna 800 pagina’s dikke roman beslist tekortgedaan worden indien de recensent er slechts een kort stuk aan zou wijden — een kort stuk waarin, omwille van de wens om de onthulling niet prijs te geven, het vele fraais dat de roman te bieden heeft versluierd werd.

    Tweemaal viel de term ‘versluieren’. Dat is niet toevallig. In het geval van Mysterium is er iets bijzonders aan de hand: de roman gaat vergezeld van een literaire pendant, ofwel een parallelle vertelling in de vorm van de miniroman Versluiering, waarin letterlijk ‘de andere kant van het verhaal’ belicht wordt: vanuit een ander perspectief, maar wel door dezelfde verteller. Monaldi & Sorti spreken in dit verband wel van ‘De ring van Möbius’, en leggen zo een verband tussen dit lemniscaat-achtige fenomeen en hun nu al indrukwekkende oeuvre.

    Bovengenoemde zaken klinken de niet-ingewijde lezer wellicht cryptisch in de oren. Om het overzicht te behouden, volgt eerst een korte synopsis van het verhaal, vervolgens enkele subthema’s die daarin aan de orde komen, daarna het Möbius-concept van Monaldi & Sorti, om ten slotte – uiteraard zonder de Historische Onthulling te verklappen – een afrondend oordeel te geven van Mysterium.

    Synopsis
    De zevendelige polyptiek die in 2002 met Imprimatur het levenslicht zag, draait in elk deel om dezelfde hoofdpersoon: Atto Melani (1626 – 1714), voormalig castraatzanger, abt, in zijn latere jaren vooral spion van de Zonnekoning en diplomaat (of beter nog: politiek manipulator) aan enkele gezagwekkende Franse en Italiaanse hoven. In de voorgaande delen Imprimatur, Secretum en Veritas kreeg de lezer inzicht in Melani’s volwassen leven en in het laatstgenoemde deel speelde de verhaallijn zich zelfs deels af na zijn dood; in Mysterium nemen de auteurs een sprong terug in de tijd en wordt ons een blik vergund op de periode waarin de jonge Atto Melani reeds een succesvolle castraatzanger is, maar eveneens nog een onschuldige jongeling wiens karakter op de drempel van de volwassenheid in razendsnel tempo verandert en de sluwe, berekenende kenmerken ontwikkelt waar hij in zijn verdere leven om bekend zal staan.

    Het verhaal wordt verteld door een naamloze secretaris, wiens taak het is over Atto’s gezondheid en welzijn te waken. Plaats van handeling is een schip dat Atto en een klein reisgezelschap van wetenschappers en artiesten vanuit Italië naar Frankrijk moet brengen, alwaar zij in opdracht van kardinaal Mazarin aan het koninklijk hof in Parijs in een met raadselen omgeven opera zullen schitteren. Maar de tussenkomst van Barbarijse piraten dwarsboomt deze plannen. Vervolgens lijdt het gezelschap schipbreuk, waardoor de leden gedwongen zijn tot een geïsoleerd verblijf op het eiland Gorgona in de Toscaanse Zee. Op dit eiland speurt het groepje, inmiddels aangevuld met twee van de piraten die hen gevangen hebben gehouden, naar een schat die daar zou zijn verstopt: een aantal verloren gewaande literaire meesterwerken uit de Oudheid.

    Hermetisch
    Binnen dit raamwerk ontvouwt zich een complex verhaal waarin tal van historische feiten uit de doeken worden gedaan en een tiental personages met veelal zeer verschillende achtergronden en karakters een tijdlang tot elkaars gezelschap veroordeeld is. Dit is typerend voor het zevenluik waarvan Mysterium deel uitmaakt: Monaldi & Sorti plaatsen hun personages opvallend vaak in een hermetische situatie, waaruit ze niet of pas na een tijd kunnen ontsnappen. In Imprimatur is herberg De Schildknaap, waar de gasten wegens quarantaine verplicht binnen moeten blijven, daarvan een fraai voorbeeld, evenals de duolocaties Villa Spada en Villa het Schip in Secretum, en het Klooster Zonder Naam en de Plaats Zonder Naam in Veritas. Dit narratieve middel van de locatiedwang billijkt lange conversaties, want de personages kunnen nergens anders heen en hebben nauwelijks iets anders omhanden: ze converseren als het ware om de tijd door te komen.

    In Mysterium is die hermetische plek in eerste instantie een schip, en later vooral het eiland waarop ze schipbreuk lijden. Op microniveau gebeurt iets soortgelijks: bepaalde personages, al dan niet tegelijk, bevinden zich gezamenlijk op een bepaalde locatie – een bospad, de Oude Toren, een huis, een grot – en voeren onderwijl soms ellenlange gesprekken, of luisteren elkaars gesprekken juist af. Die gesprekken vormen het vehikel waarop de historische thema’s naar de lezer worden getransporteerd. Een vehikel dat diep doorbuigt onder zijn bagage, die gevormd wordt door zaken van wetenschappelijke, letterkundige, filosofische en religieuze aard.

    ‘De lezer moet leren’
    Zo luidde de kop van een artikel in het Haarlems Dagblad van 1 juni 2011, de dag waarop Versluiering verscheen als geschenkboek in het kader van De Maand van het Spannende Boek. Francesco Sorti lichtte die kop als volgt toe: ‘Wat we leren, leren we van het verleden. De reden dat we geen hedendaagse romans schrijven, is dat, om daar goed over te kunnen schrijven, je afstand moet nemen. Die afstand is echt noodzakelijk als je echt iets van een tijdsgewricht wilt leren. In onze romans willen we het ook hebben over verwachtingen, mysteries, ontdekkingen.’

    Leren van het verleden dus. En er vált in Mysterium een hoop te leren, niet alleen zware kost, maar ook luchtige weetjes en feitjes. Zo is de stad Amaurotum overgenomen uit Utopia van Thomas More en bevat de beschrijving ervan elementen van Lycurgus’ oude Sparta, bijvoorbeeld het feit dat goud en zilver worden veracht en het financieel stelsel wordt gebaseerd op ijzeren munten. Ook het van overheidswege strenge ingrijpen in de vrijheden van de burgers is aan de Spartaanse wetgever Lycurgus ontleend. In genoemde zaken vindt de uitdrukking ‘een Spartaanse opvoeding’ zijn herkomst.

    Meer utopische namen passeren overigens de revue, zoals Nusquama, wat eveneens uit Thomas More’s bekendste werk stamt en in de vorm van het Latijnse woord nusquam de betekenis ‘nergens’, ‘in geen geval’ heeft. Nog zo’n voorbeeld is Taprobana, een verwijzing naar De Zonnestad van Tommaso Campanella. Thomas More’s Utopia, Lycurgus met zijn Spartaanse wetten, Campanella en ook Hippodamus van Milete, de stedenbouwkundige die letterlijk lijn bracht in de wanordelijke oudgriekse planologie: alle verwijzen ze naar de denkbeeldige staat, de ideale staat, de onmogelijke staat.

    Nóg een weetje, ten slotte: de etymologie van het woord ‘laconiek’ blijkt zijn oorsprong te hebben in de landstreek Laconië in het oude Griekenland, waar eerdergenoemde Lycurgus de jongeren opdroeg te leren spreken met weinig, maar doeltreffende woorden, het zogenaamde ‘laconieke spreken’.

    Traktaatroman
    Monaldi & Sorti gaan in hun historische waarheden en feitenverzamelingen zo ver dat er, niet in het minst door de vertelvorm van Mysterium – een aan een scheepsjournaal of dagboek gelijkende reeks ‘Vertogen, Redeneringen en Berichten’, waarbij het puntsgewijs opsommen van stellingen en commentaar daarop niet geschuwd wordt – gesproken kan worden van een subgenre binnen de historische roman: de traktaatroman, waarbij Monaldi & Sorti voortborduren op het oeuvre van landgenoot Umberto Eco, maar tevens de grenzen van de leesbaarheid een fiks eind oprekken en een behoorlijke dosis doorzettingsvermogen en concentratie van hun lezers vergen.

    Islam
    Ook voor Monaldi & Sorti is de toenemende islamisering in westerse landen een onverminderd actueel thema. Sinds de middeleeuwse kruistochten is Europa niet meer losgekomen van de strijd tegen of de angst voor de volgelingen van Mohammed. Waren het in Veritas met name de Turken uit Constantinopel die een politieke en religieuze dreiging vormden, in Mysterium komt de overheersing vanuit een andere hoek: piraten uit Barbarije (ruwweg het gebied dat nu bekendstaat als Algerije en Tunesië) maken de Middellandse Zee onveilig en enteren het schip waarop Atto en zijn vrienden zich bevinden.

    Zo brengen Monaldi & Sorti een paar obscure mohammedaanse kaperbiografieën uit de zeventiende eeuw voor het voetlicht en laten ze niet na kritiek uit te oefenen op de eenzijdige westerse kijk met betrekking tot de huidige problematiek rondom extremistische terreuracties:
    ‘(…) werp een blik op de scheepswerven van Tripoli, Algiers, Tunis, en praat met de gilden. Je zult zien dat de timmerlieden, de scheepmakers, al het werktuigbouwkundig volk bestaat uit Italianen uit Napels, Venetië, Genua en Palermo, betaald om in Barbarije de schepen te bouwen waardoor later hun landgenoten worden geënterd. En waarvandaan, denkt u, komen de katrollen, de sluitringen, het want, de kompassen, de krukassen, de zeilstoffen waarmee je die schepen bouwt, en die niemand in die regentschappen kan vervaardigen? Ze worden gekocht van Engelsen en Hollanders, die hun waren op maat gemaakt voor de behoeften van de Barbarijers op de markt van Livorno brengen. Daar verkopen Joodse kooplieden ze voor het vijfvoudige door aan de afgezanten van de regentschappen. Jullie christenen hebben zo’n grote mond tegen ons Barbarijse kapers, maar met de rechterhand bevechten jullie ons met schepen en kanonnen, terwijl jullie ons met de linker volstoppen met geld en wapens. De schrik vanuit het oosten wordt vanuit het westen gewenst, geduld, georganiseerd.’

    Zwartepiet
    En dan, na een lange aanloop en diverse gebeurtenissen en omzwervingen van de personages, volgt die welbekende Historische Onthulling. Omwille van de ‘versluiering’ moet daarover in deze bespreking gezwegen worden. Wel kan worden gezegd dat Italië door het schrijversechtpaar weer de zwartepiet krijgt toegespeeld. Na de boycot die volgde op hun eersteling Imprimatur kwam het tussen Monaldi & Sorti en hun thuisland nooit meer goed. En dus zijn het eens te meer werkelijk bestaande personen uit het roemruchte Italiaanse verleden, en – traditiegetrouw, zou je bijna zeggen – de Kerk en haar exponenten die ‘het weer gedaan hebben’.
    ‘Hoe kon je modder van blubber onderscheiden? Waar begon de stroom leugens? Bestond het dat niemand ooit had gezien en bekendgemaakt in welk moeras iedereen belandde die diep doordrong in het onbekende gebied van de antieke, en nog oudere geschiedenis? Waar andere geleerden van uitgingen, wat ze voor waar aannamen, hing aan een dun draadje twijfel, veronderstelling, hypothese, zelfs pure fantasie.’

    De ring van Möbius
    In Utrecht, tijdens de vierde Belle van Zuylenlezing op 11 december 2008, zetten Monaldi & Sorti hun ideeën omtrent ‘De ring van Möbius, ofwel Van de Geschiedenis en de Roman (om maar te zwijgen van de filosofie)’ in een lange lezing uiteen. Een begeleidend tweetalig boekje (eigenlijk een traktaat!) werd aan de aanwezigen uitgereikt.

    Monaldi & Sorti plaatsen de historische roman in het kader van de Möbiusring. Wie niet weet wat dit is, neme een lange smalle strook papier. Bevestig de beide uiteinden aan elkaar, maar dan wel na een van de uiteinden een halve slag gedraaid te hebben. Zo ontstaat er een ring waarvan de ‘bovenkant’ onherroepelijk overloopt in de ‘onderkant’.

    Onlosmakelijk met elkaar verbonden en in elkaar overvloeiend: zo zien Monaldi & Sorti de relatie tussen herinnerd verleden (de geschiedenis) en verbeeld verleden (de roman). Zo is elk van beide aspecten tevens zijn tegendeel.

    Volgens deze zienswijze construeren Monaldi & Sorti de vier laatste romans van hun zevenluik, waarvan de Latijnse titels een acrostichon vormen: Imprimatur Secretum Veritas Mysterium Unicum (de laatste twee titels houden de auteurs angstvallig geheim): ‘De Waarheid mag Gedrukt worden, maar het Geheim ervan zal een Mysterie blijven. Het Enige…’ De vier laatste romans vormen een vierluik binnen de polyptiek en zullen elk vergezeld gaan van een literaire tegenhanger c.q. aanvulling. Zo is het schrijversechtpaar – mede door het grossieren in traktaatromans – bezig in rap tempo een indrukwekkend oeuvre op te bouwen.

    Recensie
    Kort en goed—het vierde deel in het ambitieuze zevenluik is Mysterium, waar de liefhebber vijf jaar op heeft moeten wachten. (De twee titels van een andere reeks, De twijfel van Salaì en Het ei van Salaì, verschenen tussentijds maar blijven in deze bespreking buiten beschouwing.)

    Wie geen Monaldi & Sorti-adept is, maar wél van historische romans houdt, hoeft zich niet te laten afschrikken door het aantal pagina’s. De laatste honderd pagina’s zijn gewijd aan bronnenverantwoording en aanvullende uitleg. Voor wie alles nog eens minutieus wil napluizen, is deze coda zonder meer interessant. Wie alleen is geïnteresseerd in het verhaal, staat voor de toch nog veelomvattende taak zevenhonderd bladzijden te lezen. Toch loont het zeker de moeite, niet in het minst vanwege de Historische Onthulling die, als de auteurs het bij het rechte eind hebben, bepaald wat oudheidkundig stof zou kunnen doen opwaaien; ook spreken de onverwachte plotwendingen tot de verbeelding, net als de altijd aanwezige magisch-realistische elementen, de soms doldrieste gebeurtenissen en het spel dat wordt gespeeld met de (verdraaiing van de) waarheid.
    ‘“We leven in een tijd waarin iedereen alles maar slikt,” zei hij op bitter sarcastische toon, “en ik durf te wedden dat het over drie- of vierhonderd jaar
    nog zo zal zijn, tot aan het einde der tijden. Je hoeft een en ander maar eindeloos te herhalen en het wordt bijna als bij toverslag waar.”’

    De keuze om de jongelingsjaren van Atto Melani te belichten is het enige manco aan de roman. Waar in voorgaande delen de scherpte van zijn personage en zijn psychologisch-strategische spelletjes een van de hoogtepunten vormden, blijft de karakterisering van de jonge Atto nu een beetje aan de oppervlakte. Het trio van wetenschappers – en de mysterieuze secretaris – zorgen weliswaar voor het nodige verbale vuurwerk, maar het sissende venijn van de ontmande manipulator op het latere politieke strijdtoneel mag in het vijfde deel, Unicum, weer volop de boventoon voeren.

    In stilistisch opzicht valt in Mysterium op dat het veelgeprezen ‘barokke’ bloemrijke taalgebruik minder pregnant de aandacht vraagt. Welluidend, eloquent – welzeker. Maar meer dan in de voorgaande delen is het taalgebruik toegankelijker en compacter geworden. Door deze ontwikkeling is het mogelijk dat Monaldi & Sorti een nieuw lezerspubliek (dat voorheen misschien over de ongebreidelde breedsprakerigheid struikelde) aan zich zullen binden.

    Wie Mysterium recenseert, kan er niet omheen: de roman en zijn pendant Versluiering werden in diverse media niet bepaald de hemel in geprezen. Over Mysterium: ‘hyperventilatie’, ‘drogredeneringen’; over Versluiering: ‘piepend benauwd’, ‘geen touw meer aan vast te knopen’, ‘oersaaie onthulling in flashback’. Is deze kritiek verdiend? Het is waar dat de argumentatie en verdediging van de in Mysterium gedane oudheidkundige onthulling weinig overtuigend en eenduidig uit de verf komt. Ook is het waar dat de plot minder geloofwaardig is dan die in de voorgaande drie delen, met name door sommige kolderieke plotwendingen en personages. Versluiering bevat weliswaar (in verhouding tot het aantal pagina’s) veel informatie, maar kritiek daarop zegt meer over de lezersverwachting ten aanzien van een dun boekje dan over de daadwerkelijke ratio informatie – boekomvang. Over de juistheid van de keuze om van Versluiering een miniroman te maken, kan getwist worden; wellicht was het verhaal beter uit de verf gekomen als het binnen het bestek van 150 of 200 pagina’s was verteld. Los van argumenten tegen bepaalde historische of plotkeuzes, bieden zowel Versluiering als Mysterium een boeiende kijk op de protagonist van het zevenluik – Atto Melani –, een weelderige rijkdom aan wetens- en lezenswaardigheden en een doorgaans goed te volgen verhaallijn, al is die dan ook lang en breed uitgesponnen.

    Vooruitblikken
    Monaldi & Sorti-fans (of moet er gesproken worden van Atto Melani-fans?) zullen verwachtingsvol uitzien naar het laatste deel van de polyptiek. Rijen wachtenden voor de boekhandels, zoals bij elk nieuw deel van Harry Potter, zijn niet te verwachten, maar die prangende vraag zal toch branden op ieders lippen: welke les wil Atto ons leren? Welke les willen Monaldi & Sorti ons leren, ofwel: hoe luidt het volledige acrostichon?

    In hun interviews en tijdens hun lezingen licht het schrijversechtpaar soms tipjes van de sluier op. Wat is bijvoorbeeld de rol van de in Versluiering aangeroerde verhaallijn rondom de moord op Giuliano de’ Medici, de broer van ‘Il Magnifico’ Lorenzo de’ Medici? De twee Medici’s worden in Mysterium kort ten tonele gevoerd, maar in Versluiering is hun rol relatief groot als je het aantal pagina’s in ogenschouw neemt. Wellicht veelzeggend in dit verband is dat Atto Melani ook geheim agent was in dienst van de Medici’s. Speelt het volgende deel, Unicum, zich voornamelijk af in Florence?

    Wat bedoelen Monaldi & Sorti wanneer ze in hun Belle van Zuylen-lezing opmerken: ‘(…) de tragedie van de stervende Mensheid. Laat ze troost putten uit de wetenschap dat wij met ze geleden hebben, want in de Tragedie-van-de-Stervende-Mensheid is geen toeschouwer niet tevens acteur: om met Karl Kraus te spreken, onze tragische held, die de gehele Mensheid is, heeft geen andere toeschouwer dan zichzelf.’ ?

    Vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Ervan uitgaand dat er eerst een nieuw deel uit de Salaì-reeks zou kunnen verschijnen (waarschijnlijk een verademing voor de auteurs, na het uitputtende Mysterium), kan het nog een hele tijd duren voordat Monaldi & Sorti zich helemaal blootgeven. Of liever: voordat de Versluiering zal zijn opgeheven.

     

    Mysterium

    Auteur: Rita Monaldi & Francesco Sorti
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij Cargo (De Bezige Bij) (september 2011)
    Aantal pagina’s: 799
    Prijs: €24,90

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Robot tegen Übermensch?

    De ondertitel De twee gezichten van Italië, drukt precies uit wat deze twee wielrenners voor hun landgenoten betekenden. Italië was in de vijftiger jaren verdeeld in coppiani en bartaliani, een tegenstelling waarbij die tussen Ajax en Feyenoord zwak afsteekt.

    De beide renners vertegenwoordigden tegengestelde waarden. De vijf jaar oudere Bartali was een gelovig katholiek uit Toscane, terwijl Coppi uit Piemonte kwam, de streek van de landarbeiders die later fabrieksarbeiders werden. Bartali moest het hebben van sluwheid, Coppi van kracht. Malaparte vergelijkt Bartali met een ‘Übermensch’ en Coppi met een machine. Tijdens een rustperiode staat robot Coppi zogezegd werkloos aan de kant, terwijl  atleet Bartali van zijn welverdiende rust geniet. 

    Malaparte wil de rivalen niet als vijanden tegenover elkaar zetten. Net als in onze tijd was het in het belang van de media om de tegenstellingen op te kloppen. De foto op de omslag is veelzeggend: tijdens een verzengende bergetappe reikt de een de ander een fles water aan. Over de vraag van wie het aanbod kwam en wie het aannam, blijven de meningen verdeeld.

    Het boekje bestaat uit een vijftal, met boeiende foto’s verluchtigde, stukjes, die elkaar inhoudelijk regelmatig overlappen: een voorwoord van wielerhistoricus Wout Koster, een biografische aantekening van de uitgever, het artikel van Malaparte, een stukje van de Franse wielerjournalist Augendre en een flauw nawoord van Pouy, de uitgever van de Franse editie van het boek. Het lijkt of  men moeite heeft gehad om het boekje vol te krijgen.

    Het leeuwendeel ? als dat gezegd kan worden van een boekje van 87 pagina’s – komt op naam van Malaparte, die zelf ook een kleurrijk individu was. Volgens de uitgever is hij geboren in 1898 en ? volgens een voetnoot – gestorven in 1957. Hij was eerst fascist, daarna antifascist, wielrenner, journalist en schrijver. Het artikel De twee gezichten van Italië heeft hij gepubliceerd in 1949, kort voor de start van de Tour de France in het Franse sportblad Sport Digestis. De meeste informatie kennen we inmiddels al uit de inleiding. Malaparte stelt duidelijk dat het antagonisme tussen de renners niet persoonlijk van aard was. Aan het slot volgt een weinig zeggende flirt met Griekse mythologie.

    De bijdrage van Augendre poogt tenminste nog enige zakelijke informatie te geven over de ploegen Legnano en Bianchi, waarbij dit citaat niet mag ontbreken:

    ‘Groepjes politieagenten stonden garant voor de bescherming van de idolen, die zich minder bedreigd voelden door de tifosi van het vijandige kamp dan door hun eigen bewonderaars.’

    Ook schrijft Augendre over het verloop van de Tour in 1949 en de lastige samenstelling van de squadra door ploegleider Binda. Coppi en Bartali waren zeer aan elkaar gewaagd, maar stonden heel anders in het leven. Bartali lustte wel een borreltje, Coppi leefde als een monnik. Bartali bad tot de Heer voordat hij aan een wedstrijd begon, Coppi schamperde daarover dat God meer aan zijn hoofd moest hebben. Het is jammer dat Augendre niet ingaat op zijn uitspraak dat Coppi meer te lijden moet hebben gehad onder de oorlog.

    In het nawoord staat nog vermeld dat Coppi zijn vrouw inwisselde voor een ‘witte dame’, maar over haar kom je, net als over zijn krijgsgevangenschap, niets te weten. Ik had graag nog de palmares van beide heren bekeken, wedstrijdverslagen gelezen en nog enige anekdotes, zoals die over Bartali die zich erover verwonderde dat Coppi zo weinig lek reed en daarom dezelfde banden ging gebruiken, zonder het beoogde resultaat overigens. Het blijft in dit boek teveel bij een opsomming. Een gemiste kans, want wielrennen was en is, ondanks alle dopinggebruik en commerciële dictaten, nog steeds een sport waarin de heroïek voorop gaat.

    Fausto Coppi & Gino Bartali
    De twee gezichten van Italië

    Auteur: Curzio Malaparte
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 10,-