• Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Praten tegen de doden

    Praten tegen de doden

    Begin oktober van dit jaar zal in het Musée Nissim de Camondo in Parijs de tentoonstelling van de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal van start gaan. Het is voor het eerst dat een hedendaagse kunstenaar op deze –  in meerdere betekenissen van het woord –  gedenkwaardige plek mag exposeren. De tentoonstelling is nauw verweven met zijn laatste boek Brieven aan Camondo en daarmee opgezet als een dialoog tussen De Waals porseleinen objecten en installaties en het historische meubilair en andere kunstvoorwerpen die al bijna een eeuw in dit pand gehuisvest zijn. Het herenhuis liet graaf Moïse de Camondo, vader van Nissim, in 1911 in de rue de Monceau in Parijs bouwen als een soort juwelendoosje voor zijn collectie Franse toegepaste kunst uit de 18e eeuw. In 1935 heeft hij het geheel ter nagedachtenis aan zijn zoon Nissim, voor Frankrijk gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog, geschonken aan de Franse staat. En zo ontstond dit museum, dat valt onder Le Musée des Arts Décoratifs. 

    Zo Frans als maar kan

    De Waals Joodse voorvaderen (over wie hij in zijn vorige boek De haas met ogen van barnsteen schreef) delen met de De Camondo’s een vergelijkbare familiegeschiedenis. Beide families kwamen in de jaren 70 van de 19e eeuw naar Parijs, de eerste uit Wenen, de andere uit Constantinopel. De in het bankwezen rijk geworden, kunstminnende Joodse elite, assimileert volkomen in de hoge kringen van die tijd, niet in de laatste plaats door haar gulheid en loyaliteit tegenover het nieuwe vaderland: ‘Hier hadden ze de kans hun familie naar het seculiere, republikeinse, tolerante, beschaafde Parijs over te hevelen en iets met zelfvertrouwen op te bouwen’, schrijft De Waal over deze welgestelde nieuwkomers. Een zekere zweem van vijandelijkheid en antisemitische geluiden die Joden een gebrek aan authenticiteit verweten en ze als hebberige parvenu’s neerzetten, waren er al eind 19e eeuw (Dreyfus affaire). Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keert het lot zich onafwendbaar tegen hen en worden ook deze families gedecimeerd of zelfs totaal uitgeroeid. 

    Zoeken naar de perfecte compositie

    Op basis van deze ‘verwantschap’ wil De Waal de grotendeels parallelle familiegeschiedenis onderzoeken en besluit dit te doen door brieven te gaan schrijven aan graaf Moïse de Camondo. Hij begint aan een langdurig, minutieus speurwerk in archieven, inventarissen, correspondentie, notities, allerlei instructies en foto’s en ontdekt gaandeweg meer overeenkomsten tussen hen beiden, zoals hun bijna obsessieve precisie en hang naar volledigheid. Moïse de Camondo was een man van de wereld en werd een echte Parijzenaar, gepassioneerd door snelheid – van auto’s, zeiljachten, paarden – door de jacht, gastronomie, reizen, maar bovenal door het verzamelen van Franse kunstnijverheid uit de 18e eeuw. De Waal beschrijft met bewondering en herkenning De Camondo’s aandacht voor voorwerpen en het plezier om ze tot hun recht te laten komen in evenwichtige composities, waarin onderdelen het beste in elkaar naar boven halen en er samenklanken ontstaan. Het nieuwe neoclassicistische ‘hôtel particulier’ dat hij tegen het Parc Monceau aan laat bouwen is een functioneel, comfortabel en van alle gemakken voorzien, modern huis en moet het juiste kader zijn voor zijn collectie, die Moïse de Camondo tot aan zijn dood in 1935 zal blijven perfectioneren en completeren, strevend naar volmaakte harmonie.  

    Zonder aanhalingstekens

    Terwijl de briefvorm in zekere zin afstand schept, probeert De Waal, vaak beginnend met ‘Beste vriend’ of ‘Cher Monsieur’, dichter bij Moïse de Camondo te komen. Hij filosofeert met hem over het tijdloze en het vergankelijke. De Camondo vecht tegen ‘verstrooiing’, het verloren gaan van herinneringen en voor het ‘fixeren’, verstillen van wat is. Zo stijgt een voorwerp, een huis, een mens boven de tijd uit en wordt van alle tijden en dus aan vergetelheid onttrokken. Het Musée Nissim de Camondo is een museum, maar ook nog steeds een herenhuis, een ‘citaat zonder aanhalingstekens’. Verleden en heden vormen één doorlopende lijn. Dat is geschiedenis, af- en aanwezigheid tegelijkertijd. De Waal volgt hem hierin, al voelt hij een meningsverschil als het gaat om ‘stof’ dat door de tijd heen voorwerpen bedekt. Voor hem is het een ‘indicatie van tijd’ , terwijl  Moïse de Camondo dat stof lijkt te willen weren om spoorloos het tijdloze te bereiken. Het zijn deze melancholische mijmeringen die dit boek zo bijzonder maken. De Waal komt met onverwachte associaties, laat technische uitleg – bijvoorbeeld die van ‘de kunst van het fineren’ –  als een gedicht klinken, stelt vragen aan De Camondo en gist naar mogelijke antwoorden. 

    Visite théâtralisée

    Enkele laatste brieven, die trouwens veel minder brieven zijn, maar vaak eerder staccato opsommingen van tragische gebeurtenissen die Joodse families troffen – zo ook de familie De Camondo en die van de schrijver – beschrijven de planmatige vernietiging en benadrukken de verwantschap tussen beide families. In zekere zin is dit overbodig. Het stille drama van de poëtische overpeinzingen over vergankelijkheid en geheugen is prachtig en raakt diep. Het nauwkeurig gedocumenteerde, dramatische feitenrelaas voegt daar niet veel aan toe. Maar misschien spreekt pracht en praal die door onrecht en bruut geweld verwoest wordt, directer tot de verbeelding van lezers en beklijft daardoor beter. Net als foto’s.

    Het Musée Nissim de Camondo biedt zijn bezoekers tegenwoordig een rondleiding aan door Pierre Godefin, maître d’hôtel van graaf Moïse de Camondo. De acteur die de butler Godefin speelt, leidt de bezoekers rond door het huis inclusief de dienstvertrekken aan de rue de Monceau tijdens een receptie die plaatsvond op 3 juni 1930. Dit verrassend anachronisme is een mooie illustratie van het thema van de tijdloosheid die in dit boek gevierd wordt en geeft een soort droste-effect aan het boek van De Waal en het leven van de De Camondo’s.

     

  • Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    De Franse toneelschrijver en regisseur Marcel Pagnol (1895-1974) richtte in de jaren 30 van de vorige eeuw een filmmaatschappij op waarvoor hij een echte Cinestad wilde bouwen. Hij liet een makelaar voor hem op zoek gaan naar een geschikte plek in zijn geliefde Provence. Louter op basis van diens beschrijving van een landgoed, ging Pagnol akkoord, zonder vooraf een kijkje te nemen. Het lag in de buurt van La Treille, in de buurt van Marseille. Pagnol kende het dorp. In de omgeving had hij de vakanties in zijn jeugdjaren doorgebracht. Toen hij de bouwwerkzaamheden inspecteerde, zag hij ‘in de verte, boven op een wal, een haag van heesters (…) Mijn adem stokte en zonder te weten waarom begon ik als een dolleman te rennen, dwars over de weide en door de tijd’.

    Dat ‘zonder te weten waarom’ is een misplaatste toevoeging. Pagnol wist maar al te goed wat hem beving. Hij had daar zijn mooiste kinderjaren beleefd, ongeveer van zijn achtste tot zijn tiende. Gelukkige jaren met zijn ouders en broertje Paul en met zijn jeugdvriend uit die periode Lili. Die paradijselijke tijd beschreef hij in twee boeken De gloriedagen van mijn vaderen Een kasteel voor mijn moeder. Ze werden in Frankrijk dertig jaar na Pagnols dood uitgegeven en zijn nu gebundeld in één band in Nederland verschenen onder de titel Mijn kinderjaren in de Provence. Terecht gebundeld, want de twee delen vormen één doorlopend verhaal.

    Jacht
    Met de titel rekt de Nederlandse uitgever de periode overigens wel erg ruim op, want in feite bestrijken de twee boeken niet meer dan de twee jaren die zich afspelen rond een vakantiehuis van het gezin Pagnol, La Bastide Neuve, op een paar uur gaans van La Treille.
    Marcel, die zich voortdurend identificeert met oerwoud verkennende indianen uit de boeken die hij las, fleurt zijn herinneringen op met veel couleur locale in de vorm van landschapsbeschrijvingen en details van de flora en fauna van het gebied. De fauna wordt door de kinderen trouwens vooral gebruikt om mee te spelen als het gaat om insecten of door vader Joseph en Marcels oom Jules, vaak vergezeld door Marcel, om op te jagen. Vooral patrijzen vormen een trotse buit.
    Je kunt je goed voorstellen dat die periode een sensationele ervaring was in Marcels jonge leven die hem zijn leven lang bijbleef. Maar of hij dat weet over te brengen op elke lezer is maar de vraag. Pagnol oogstte veel lof voor zijn toneelstukken, maar in deze autobiografische productie betoont hij zich geen groot schrijver. Veel dialogen zijn nogal gekunsteld en uitleggerig (wat je van een toneelauteur juist niet zou verwachten). Dat is vooral het geval in de gesprekken tussen de ouders en kinderen met hier en daar zelfs ronduit flauwe grapjes.

    Zandman
    Pagnol is verder nogal breedsprakig in zijn beschrijving van handelingen. Zo heeft hij, als het gezin op het punt staat naar het vakantiehuis te vertrekken, bijna drie pagina’s nodig om te vertellen wie welke stukken bagage draagt en of dat gebeurt met de linker- dan wel rechterarm of op de rug, en wat die bagage precies inhoudt. Ook zijn taalgebruik is nogal obligaat: ‘met frisse tegenzin ging ik naar het grote schoolgebouw’. Of: ‘het lukte me niet in dromenland te komen’. Of  ‘Maar de zandman kwam langs en gooide een flinke handvol in mijn ogen’. Om tegen het einde, terugkijkend, nog op te merken: ‘Zo is het leven van de mens. Luttele vreugdevolle momenten die zeer snel worden uitgewist door onvergetelijk verdriet.’ (Pagnol doelt op de dood van zijn moeder, broertje en vriend in een periode van dertien jaar na de zomervakanties).

    In het boek valt dus niet de toneelschrijver te herkennen, maar des te meer de regisseur Pagnol. Zijn verhalen over de jacht, de omzwervingen met Lili en een in het laatste jaar beschreven incident met een landgoedeigenaar, zijn zeer filmisch. De vriendschap tussen Marcel en Lili en de beschrijving van de aanloop naar het incident zijn daarmee de enige stukken die deze herinneringen nog iets van spanning geven. Het boek als geheel blijft echter te oppervlakkig en eendimensionaal.

     

  • Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    De huid

    Corsica hoort bij Frankrijk en is Frans, ik zal het niet betwisten, maar de band met Italië is eveneens onmiskenbaar. Het eiland was vanaf de 14eeeuw tot het jaar 1768 onderdeel van de republiek Genua. Deze republiek kwam aan zijn einde door de bekendste zoon van Corsica: Napoleon Bonaparte. De vele Genuese wachttorens langs de gehele kust van het eiland, elk met zicht op twee anderen, zijn stille getuigen van de geschiedenis. Italiaanse invloeden kunnen ook worden teruggevonden in het eten, met pasta en een overvloed aan kaas, en in de locale taal, een variant van Toscaans.

    Voor deze zomerrubriek heb ik daarom gekozen voor literatuur waarin Frankrijk en Italië op een bepaalde manier samenkomen en er een, al dan niet vergezochte, connectie met Corsica kan worden gelegd.

    Curzio Malaparte – De huid (1949)
    Wie Corsica zegt, zegt Napoleon. In de eilandhoofdstad Ajaccio bevindt zich een groot monument voor de militante, zelfgekroonde keizer dat door busladingen Fransen wordt bezocht. Maar wie Bonaparte zegt, kan gemakkelijk verder associëren naar de literaire luis in de pels die zichzelf Curzio Malaparte doopte. Deze geboren Italiaan was de ultieme non-conformist. In beide wereldoorlogen was hij ooggetuige en betrokkene; tijdens de eerste vocht hij als jonge vrijwilliger voor het Franse vreemdelingenlegioen. In 1947 week hij uit van zijn beroemde huis op het ballingseiland Capri naar Parijs, maar was daar evengoed uit de gratie vanwege zijn ongrijpbare politieke opstelling. Hierover schreef hij in Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Ook zijn eerste boek, Techniek van de staatsgreep, dat hem in conflict bracht met zowel Stalin als Trotski (hoe typerend), geniet nog steeds bekendheid. Zijn tijdloze plaats in de literatuur dankt Curzio Malaparte echter aan twee grote, essayistische oorlogsboeken: Kaputt en De huid. Vooral dit laatste werk is groots, huiveringwekkend, vlijmscherp, briljant, een unieke overdenking over de moraal van de mens in erbarmelijke omstandigheden. De huid is een van die uitzonderlijke boeken die gedurende vele jaren blijven hangen. Plan minstens een extra dag in om bij te komen.

     

     

    De huid
    Auteur: Curzio Malaparte
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2007)

    De preek over de val van Rome

    Jérôme Ferrari – De preek over de val van Rome (2012)
    De schrijversnaam en de titel werpen al direct lijnen uit van Frankrijk naar Italië, maar het boek dat in 2012 de Prix Goncourt won speelt zich daadwerkelijk af op Corsica. Ferrari’s ouders zijn afkomstig van het eiland en hij heeft er zelf gewoond en filosofie gedoceerd. De roman is een niet bepaald typische familiegeschiedenis, gedrenkt in de apocalyptische sfeer uit de preken van kerkvader Augustinus over de ondergang van Rome (ergo: de wereld). Ruzies en wraak blijken, na een idyllisch begin, onontkoombaar op het eiland dat nog niet zo lang geleden bekend stond om zijn bloedige vendetta’s. Het wordt allemaal prachtig opgeschreven door Jérôme Ferrari, in een moeiteloos vloeiende stijl van lange zinnen die je als lezer geregeld aan de pagina’s kluisteren. Niet het makkelijkste vakantieboek, maar wel zeer fraaie literatuur en ook nog eens op en top Corsicaans.

     

     

    De preek over de val van Rome
    Auteur: Jérôme Ferrari
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De Kartuize van Parma

    Stendhal – De kartuize van Parma (1839)
    Frankrijk, Italië en Napoleon, ze komen samen bij Stendhal. Deze 19e-eeuwse, Franse romancier, diende in het leger van Napoleon en woonde lange tijd in Milaan. De achtergrond van zijn bekendste romans (zoals Het rood en het zwart) wordt gevormd door precies deze, deels autobiografische elementen. Dat geldt ook voor De Kartuize van Parma, dat daarnaast vol staat met hertoginnen en hofintriges. Stendhal dicteerde zijn romans en tijdens het lezen krijg je soms inderdaad het gevoel dat iemand mondeling een verhaal aan het vertellen is. Een verhaal vol interne conflicten bij de protagonisten, even heftige als wisselende emoties, maar zonder het plechtstatige wat in de romantiek nog wel eens aanwezig is. Integendeel, de vertellerstoon van Stendhal is licht ironisch en zonder opsmuk, met een enigszins fragmentarisch aspect in de compositie die elke vorm van hermetische geslotenheid uitbant. De Kartuize van Parma kan derhalve betiteld worden als een luchthartig gevoelsavontuur dat een prima tijdsbesteding biedt tijdens een zonnige vakantie aan de Middellandse zee

    De Kartuize van Parma
    Auteur: Stendhal
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep (2017)
  • Een lekker tussendoortje

    Een lekker tussendoortje

    Jean Echenoz is een Franse auteur die in 1999 voor zijn roman Ik ben weg de Prix Goncourt won. Geen kleine jongen dus. Hij waagde zich eerder, naast romans, verhalenbundels en novellen, aan boeken over bijzondere personen (Maurice Ravel, Emile Zatopek, Nikola Teska). Echenoz wordt gerekend tot de grootste moderne Franse schrijvers.

    De spionne is een soort detective. Soort, want deze roman voldoet niet aan de clichés die bij dit genre horen. Hier geen butler die het gedaan heeft of een massamoordenaar en allerlei gruwelijke details.
    De roman beschrijft hoe Constance, een onschuldige en naïeve jongedame, wordt gekidnapt in opdracht van een oude generaal van de geheime dienst door twee op zijn zachtst gezegd nogal idiote geheim agenten, een soort Jansen en Janssen, de stuntelige detectives uit Kuifje.
    Gedurende de tijd dat ze is gekidnapt moet Constance voorbereid worden voor een geheime missie in Noord-Korea, waar ze een hooggeplaatste Koreaan moet verleiden om hem geheimen te ontfutselen.

    Ruim de helft van het boek gaat over deze voorbereiding. Constance weet absoluut niet waar het allemaal over gaat, maar laat zich de aandacht en de verzorging door Jansen en Janssen geduldig welgevallen: ze geniet er zelfs van en heeft, terwijl ze de kans krijgt, niet de neiging om te ontsnappen.
    Uiteindelijk komt ze in Noord-Korea terecht en in contact met de Koreaan die de geheime dienst op het oog had. Maar door allerhande amateurisme en de archaïsch aandoende methoden van de geheime dienst mislukt de operatie. En dan moet Constance uit Noord-Korea zien weg te komen.

    Je zou bijna gaan denken dat Echenoz moet hebben voorzien dat Noord-Korea zo in het centrum van de belangstelling zou komen te staan. Hij heeft zich heel goed ingelezen over dit geheimzinnige land. Hij beschrijft het land alsof hij er zelf is geweest.

    Hoe moet deze roman gekarakteriseerd worden? Tegenwoordig wordt aan dit soort boeken nogal eens het predikaat ‘literaire thriller’ gegeven. Dat is De spionne zeker niet. Het is een virtuoze en hilarische parodie op een genre dat veel liefhebbers heeft. De vraag is of deze lezers ook van dit boek zullen genieten. Er zitten veel onwaarschijnlijkheden in, waar het schrijfplezier en de humor weliswaar van afspatten, maar die waarschijnlijk niet gewaardeerd zullen worden door de lezers van de traditionele detective. Het is te weinig een puzzel en te veel een demonstratie van: ’Kijk mij eens leuk, humoristisch en virtuoos een boek in elkaar zetten’.

    De verteller in deze roman spreekt regelmatig buiten het verhaal om de lezer aan om allerlei zaken uit te leggen of te verklaren. Dat is leuk, vooral omdat Echenoz daarmee de lol van het schrijven benadrukt en aangeeft dat we alles maar niet al te serieus moeten nemen.
    Echenoz geeft in deze terzijdes ook heel veel en heel vaak informatie over bus-, trein- en metrolijnen, over de departementen in Parijs, over de looptijd tussen twee locaties, wat het tempo en het ritme van de roman niet ten goede komt.

    Zou je deze roman tot ‘de literatuur’ kunnen rekenen? Los van het feit dat niemand nog duidelijk heeft kunnen maken wat dat precies is, is dit boek daarvoor wat teveel uit de losse pols geschreven. Natuurlijk: mix avonturen in een land dat midden in de belangstelling staat met een aantal hilarische avonturen, gooi er een parodieus sausje over, hanteer een inderdaad behoorlijk virtuoze stijl, meng er een scheutje seks, spanning en sensatie (een afgesneden vinger!) doorheen, waarmee je laat zien dat je alle aspecten van het schrijverschap beheerst en je hebt zo’n roman.
    Maar toegegeven: De spionne leest lekker weg en is een heerlijk tussendoortje.

     

     

  • ‘Wat is al dat wit daar?’

    ‘Wat is al dat wit daar?’

    Dat de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal ons, volgens de achterflap, gaat vertellen dat ‘porselein meer is dan een verhaal van serviezen en beeldjes’, blijkt al uit het motto dat hij koos voor zijn ‘Verslag van een obsessie’: ‘Wat is al dat wit daar?’ (uit: Moby Dick van Herman Melville); we weten immers dat de witte walvis méér is dan alleen een dier.

    Het spoor van een idee
    De witte weg is eigenlijk een soort pelgrimstocht naar China, Duitsland en Engeland. Naar de bronnen waar porselein werd uitgevonden, ‘de bron van die rivier van wit.’ Alle drie op een witte heuvel. En is een berg niet een heilige plaats?
    De zoektocht wordt afgewisseld door verhalen over ervaringen met het zelf maken van porseleinen objecten, ‘mijn pogingen om iets duidelijk te maken’, aldus de auteur. Veertig jaar lang. Zoals hij de reizen die hij onderneemt ziet als ‘het spoor van een idee volgen.’ Wit staat immers voor het begin: een wit vel papier, een wit schilderdoek. Voor De Waal bestaat er geen einde, maar alleen telkens een nieuw begin. Immers: ‘Pelgrims weten niet wat ze moeten doen als ze eindelijk hun doel bereiken.’ Dat blijkt ook uit dit boek. Waarover straks meer.

    Kaoling
    De eerste witte heuvel is Kaoling bij de Chinese stad Jingdezhen. De Waal is verliefd op het porselein daar, wat blijkt uit een omschrijving als: ‘Ze pakt een kom en tikt ertegen. Het geluid is als een afbeelding van geluidsgolven in de lucht.’
    Als de vorm hem niet aanstaat (door een te nauwe hals bijvoorbeeld), ziet de auteur het als personificatie van de maker: kortademig, smakeloos. Een beetje doorgeslagen is de obsessie wel van een pottenbakker die ook potten in plaats van schaapjes telt als hij de slaap niet kan vatten…
    In ieder geval reden genoeg voor de auteur om te bekennen dat hij geen kunsthistoricus en sinoloog kan zijn, omdat hij verstikt is ‘in porselein als recept, porselein als beheersing.’ Porselein moet ‘perfect, evenwichtig en harmonieus’ zijn. Net als de verhalen die er de ronde over doen.

    Dresden en Meissen
    De Waal neemt zich voor om als tweede porseleinsteden Dresden en Meissen te bezoeken. Maar niet nadat hij eerst Versailles heeft aangedaan, waar de invloed van China aan het hof van Lodewijk XIV groot was. Aan de ene kant is het leuk dat en passant ‘ons’ Delfts blauw en ‘onze’ Spinoza ook even worden genoemd. Maar aan de andere kant werkt een dergelijke hang naar volledigheid ook vermoeiend. Het doet denken aan de detaillistische dossiers over Joh. Fr. Böttger die aan het hof van Dresden werkte. Haast voorlopers van Stasidossiers, als we De Waal mogen geloven. Böttger was arcanist, in beide betekenissen van het woord: bezitter van geheime kunsten en arbeider in de porseleinfabriek van Meissen.

    Plymouth
    De derde plaats waar De Waal wit porselein en de geheimen daarvan wil vinden, is zijn thuisland Engeland. De obsessie gaat door. Met het kopen van een boek van de groothandelaar in benodigdheden voor artsen en apothekers en quaker William Cookworthy hoopt De Waal uit een soort bijgeloof dat deze aanschaf ‘misschien een tremor kan overbrengen van alle aspiraties van de oude man.’ Maar de auteur raakt het boek kwijt. Zijn angst is dan of hij de kennis van porselein maken ook zal verliezen. De subtiel-symbolische beschrijving daarover die dan volgt, komt in zijn eenvoud sterker over dan de soms al te idolate verhalen over porselein die worden uitgesponnen. Al lijkt er een diepere laag onder te zitten, die je proeft in het levensverhaal van William dat De Waal besluit met: ‘Williams obsessie (….) was een manier om op de wereld gericht te blijven, om afstand te houden tot alle afwezigheden in zijn leven. Obsessies kunnen nuttig zijn.’

    Doel bereikt?
    Op zijn reizen heeft De Waal niet alleen wit porselein gevonden en zich in de levens van enkele makers daarvan verdiept, maar ook porselein dat in donkere tijden zoals onder het nazibewind in Dachau werd gemaakt. Eén van de vele zwart-witfoto’s in het boek toont Himmler met dit porselein. De Waal beschrijft hoe de vervaardiging hiervan de mist in kan gaan. Dat accepteerde Hitler niet; hij wilde louter vakkundig gemaakt werk. Af. Zoals hij een wereld met mensen zonder gebreken wilde. Deze context maakt ook dat dit hoofdstuk een symbolische lading heeft. Bovendien is het beklemmend geschreven.
    Alleen: waarom is dit hoofdstuk toegevoegd? Weer uit volledigheidsdrang, of omdat hij niet weet wat te schrijven nu hij zijn doel heeft bereikt? Er bestaat toch altijd, zoals De Waal schrijft, een nieuw begin?

    Al met al een boek dat soms in wat idolate beschrijvingen, maar soms ook subtiel en symbolisch, de lofzang van porselein bezingt.

     

  • Puzzelstukjes voor de vrede

    Puzzelstukjes voor de vrede

    Was het een arrogante egocentricus? Een verlegen onderzoeker? Een geniale ziener? Was hij zweverig? Naïef? Een ongeleid projectiel? Een moedige wetenschapper?Waarschijnlijk had hij van alles wel wat, maar viel hij niet met één van die karakteriseringen samen: Gregor, de hoofdfiguur van Flitsen van Jean Echonoz, gebaseerd op het leven van Nikola Tesla.

    Het is de derde opeenvolgende roman van de Franse schrijver (1947), waarin hij het leven van een historisch persoon tot uitgangspunt neemt voor een novelle. De drie zijn in Nederland verschenen onder de titels Ravel (2007), Hardlopen (2011) en nu dus Flitsen. Ging het in Ravel om diens aftakeling in zijn laatste levensjaren en in Hardlopen om de vraag hoe het was voor Emile Zatopek een succesvol hardloper te zijn onder een communistisch regime, in Flitsen gaat het opnieuw om iemand die gemeten naar een aantal van zijn prestaties een grootheid is, maar wiens schaduwkanten en omstandigheden diens biografie een heel andere kleur geven.

    Nikola Tesla, Gregor dus in de roman, werd in 1856 geboren in Kroatië in de nacht van 9 op 10 juli. Maar of hij op de 9de of de 10de ter wereld kwam is niet bekend. Volgens Echenoz eiste die nacht een noodweer zo de aandacht op dat niemand eraan dacht het geboorteuur te noteren. De rest van zijn leven zal Gregor bijna maniakaal met tijd, getallen en elektriciteit (onder andere bliksem) bezig zijn. Hij blijkt al snel geniaal. Hij ziet in zijn hoofd te ontdekken apparaten al in werking nog vóór er maar een model van is uitgetekend. Dat maakt ook dat hij moeilijk kan samenwerken met wetenschappers die zijn snelheid van denken niet delen.

    In 1884 komt hij in Amerika in dienst van Edisons bedrijf General Electric. Als Edison tegen problemen oploopt door de beperkte mogelijkheden van gelijkstroom, maakt hij misbruik van het vertrouwen van Gregor, die de oplossing vindt in de toepassing van wisselstroom. Gregor voelt zich bedrogen en stapt over naar de concurrent George Westinghouse, een bedrijf dat in korte tijd rijk wordt door Gregors vindingen. Westinghouse geeft hem alle ruimte voor experimenten, maar raakt financieel in problemen als het op basis van het arbiedscontract gigantische vergoedingen aan hem moet betalen. Het dreigt zo ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Gregor ziet op verzoek van Westinghouse echter af van zijn financiële aanspraken, blij als hij is met alle ruimte die hij van zijn baas krijgt. Het is niet de eerste, maar vooral ook niet de laatste keer dat hij een ongelooflijke naïviteit aan de dag legt. Hij blijkt een groot natuurkundige, maar een slecht zakenman. Voor tal van uitvindingen legt hij de rechten zo slecht vast dat later anderen er stinkend rijk van worden en hijzelf armlastig achterblijft.

    Hij snapt de wereld om hem heen niet, zoals in het geval van het in zijn ogen haalbare idee om een energievoorziening op te zetten waar de hele wereld gratis gebruik van kan maken. Wat hij vergeet is dat de geldschieters voor de ontwikkeling van dat idee de uiteindelijke bedoeling hebben om er winst op te maken en niet om iedereen er gratis van te laten profiteren.
    Een ander voorbeeld is zijn uitvinding van een massaal vernietigingswapen dat zo dodelijk is dat het alleen als afschrikking kan dienen. Om de zes machtigste staten ter wereld te dwingen tot vredesakkoorden knipt hij zijn idee letterlijk in zes stukken die hij aan deze zes landen verstuurt. Ze hebben pas wat aan hun eigen puzzelstukje door met de vijf andere staten te overleggen. Maar tot zijn teleurstelling komt er van geen enkel land een reactie.

    En de wereld snapt hem niet: als hij de Amerikaanse marine een hulpmiddel aanbiedt wordt dat als té fantastisch afgedaan. Pas jaren later zal in de marine de radar zijn intree doen, de uitvinding die Gregor destijds had aangeboden.

    Uiteindelijk komt Gregor steeds meer alleen te staan. Jaloezie van anderen ondergraaft zijn leven. Uit smetvrees, maar ook uit angst voor vrouwen is hij al nooit een individuele relatie aangegaan, maar terwijl zijn schulden oplopen verliest hij ook de mensen die hem af en toe nog wel uit de brand wilden helpen. In zijn hoofd gaat er dan ook wat mis. Hij had al eens beweerd contact te kunnen maken met marsmannetjes, maar nu hij zich terugtrekt in een leven met duiven (hij richt op zijn hotelkamertje een kliniek voor die beesten in en raakt op één duif zelfs verliefd), wordt hij door iedereen uitgelachen. In 1943 sterft Gregor in eenzaamheid, na een auto-ongeluk waarin de duiven een rol spelen. Pas na een dag of drie wordt hij gevonden.

    Echenoz blijft in zijn vertelling dicht bij de feiten uit het leven van de historische Nikola Tesla, maar het gaat hem niet om de feiten zelf. De roman (beter: de novelle, want net als de boeken over Ravel en Zatopek beperkt de auteur zich tot ongeveer 150 pagina’s) somt ze slechts op wanneer dat te pas komt, maar Echenoz probeert vooral in ’s mans hoofd en ziel te kijken. Hij is daarbij tevens de voorzichtige commentator met sympathie voor zijn hoofdfiguur: ‘Gregor is onsympathiek, ik weet het, zo onaangenaam dat hij voor ons gevoel misschien wel zijn verdiende loon krijgt, maar toch’.

    Echenoz serveert ons de geschiedenis op een lichtvoetige, zelfs humoristische manier alsof je met hem op een terrasje zit. Zonder diepzinnige zinnen. Zonder grootsheid van stijl of taal. En toch bereikt hij dat de complexe levensloop van zijn ‘held’ lang blijft hangen.

     

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95