• Metafysische poëzie voor de fijnproever

    Metafysische poëzie voor de fijnproever

    Met de bloemlezing Wat ik mogelijk heb gedaan verschijnt voor het eerst in onze taal een poëziebundel van de Franstalige Belg Yves Namur (1952), geboren in Namen (in het Frans Namur). Hoewel Yves Namur al vanaf begin jaren zeventig gedichten publiceert, gaat de inmiddels veel geprezen en bekroonde dichter – die ook huisarts en uitgever is – zelf liever aan zijn vroege werk voorbij. Hij meent dat omstreeks de vroege jaren negentig zijn gedichten meer de toon van ‘denkende poëzie’ zijn gaan ademen, waarmee hij zich schatplichtig rekent aan dichters als Rilke, Celan, Jabès en Juarroz. De door Mysjkin vertaalde gedichten bestrijken dan ook deze rijpere fase van zijn poëzie, vanaf 1992 tot heden. Poëzie die het best als metafysisch valt te karakteriseren, met zinnen die het wezen der dingen bevragen, een drempel willen zijn naar een andere, verborgen staat van ‘zijn’.

    De meeste gedichten drijven op woorden met een sterke symboollading als ‘engel’, ‘roos’, ‘drempel’ en ‘sporen’. Er zitten verwijzingen in naar door Namur bewonderde dichters als het hierboven genoemde kwartet, maar ook naar o.a. Hölderlin, Pessoa en Bonnefoy, en de pre-socratische filosoof Heraclitus alsmede naar huidige tijdgenoten. In zijn denkende poëzie treedt Namur voortdurend in dialoog met die andere poëzie. Voor het overige staan de gedichten meer in verticaal contact met een metafysische wereld ‘waar de dingen zijn wat ze zijn’. En als er al horizontaal wordt overgestoken dan is het ‘Daar / Aan de overkant van de dingen, / Daar, op de overoever, // Waar ik niet was, / Waar ik naar mezelf zocht / En nog altijd zoek naar mezelf.’ Vindt er al een ontmoeting plaats met een ander wezen, dan betreft het bij voorkeur de naamloze ‘Ander’:

    ‘Wanneer het gedicht spreekt,

    Verschijnt de Ander
    Die zich ophoudt in een onbestendig oord
    Waar enkel de uitwissing bestaat.’

    ‘Het gedicht moet inspelen op de wisselwerking tussen het Ene en het Veelvoudige’ heeft Namur ooit toelichtend op zijn werk verklaard. De wederzijdse wisselwerking tussen het ik en de dingen om hem heen is de spil waaromheen zijn zinnen zich bevragen. ‘De onzichtbare draad die ons doorkruist.’ Het gedicht zou te situeren zijn ‘in die veranderlijke ruimte tussen twee uitersten. Alsof het gedicht ontstaat in de tussentijd, de tussenruimte tussen in- en uitademen.’ De vindplaats van Namurs poëzie beweegt mee tussen twee ogenschijnlijk tegengestelde, broze bewegingen in: ‘Tussen de uitwissing / En de adem van de uitwissing.’ Een wisselwerking die ook een uitwissing wil zijn en vice versa, alsof het uitwissen van het ene het spoor van het andere oproept.

    ‘Er was eindelijk licht.

    De uitgesproken naam
    Was naar het onuitspreekbare teruggekeerd.

    Het water was naar de bron teruggekeerd
    En het woord was de naam van de bron ingegaan.

    Enkel

    De leegte kwam
    Iets naderbij.’

    In dit gedicht dat een gezuiverde staat toont, beleeft het woord het nimmer te bereiken ideaal van door te dringen tot de bron. Niet echter een god, maar slechts leegte komt daarmee iets naderbij. Woorden die ‘mogelijk enkel schijngedaanten van woorden zijn’ stellen zich bij Namur voortdurend ten doel de ‘naam van de dingen [te] doorkruisen / Tot de diepere naam van de dingen toe.’ Het eeuwige échec daarvan verleidt deze dichter echter niet tot neologismen. Liever dan zich te buiten gaan aan een antwoord, houden deze zinnen de vragen in ere. De woorden blijven concreet en helder. Het herhalen van bepaalde, betekenisvolle woorden houdt de woordenschat in deze gedichten beperkt. Op het eerste gezicht oogt deze poëzie daardoor misschien wat kunstmatig, ietwat abstract. Typerende strofen zijn bijvoorbeeld:

    ‘Wat kun je verder verlangen van mijn stem
    En de echo van mijn stem.

    Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
    Dan de echo van iets van niets?’

    Deze geabstraheerde stoffering gepaard aan afwezigheid van rechtstreekse eigentijdse toespelingen verlenen deze poëzie een tijdloos stempel. Het vergt wel een meer bezonken leeshouding die de zinnen proeft en laat resoneren, zoals men een slok wijn niet meteen doorslikt maar nog even fijnproeft op de tong. De medemens mag in Namurs oeuvre sterk ondervertegenwoordigd zijn, de existentiële vragen die erin gesteld worden, verlenen aan deze gedichten een warme, menselijke toon: ‘Soms vraag ik me af wat te doen, wat te denken / Of gewoon hoe te leven, / Als de schaduw me plotseling zou verlaten / Voor andere talen of andere lichamen dan die van mij. // Wat te doen met die onmetelijke leegte, / En hoe die te vullen?’ Daarbij lijkt Namur zich van zijn eenkennige soort poëzie terdege bewust waar hij schrijft: ‘Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige, / Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is, // Eindelijk te leven buiten het gedicht?’ Zich rekenschap gevend van de kwetsbare staat van het dichterschap, biecht hij op: ‘(…) dit gedicht waarin ik waarachtig geen afspraak heb, / Niet met de liefde, noch met het rijm.’

    Moeilijk uit te maken welke waarde Namur uiteindelijk aan het woord toekent: ‘Bestaat het woord waarlijk in de wereld? (…) Heeft het een stoel om op te zitten / En een andere om zich van de grond te verheffen?’ In ieder geval vormen woorden pasmunt om de wereld om ons heen te verkennen. Niet bij machte het wezen der dingen te onthullen, legt het hooguit het Niets, of ‘sporen’ van het Niets bloot. En zo kan een gedicht ons ontvankelijk maken voor de les ‘van het duister en het ondoorgrondelijke’. Dus jazeker, het gedicht kan iets te weeg brengen, al is het maar het in kaart brengen van de ‘leegte’. Een titel van een recente bundel van Namur luidt dan ook veelbetekenend: Een spoor vonkelt in de leegte.

    Deze bloemlezing mag een periode van bijna dertig jaar omvatten, de rustige, gelaten toon verraadt eenzelfde vaste hand van dichten. Welke spanningen Namur hiertoe moet hebben overwonnen, laat zich moeilijk raden. Speelde deze poëzie een type voetbal, dan zou het vooral op balbezit spelen. Er worden weinig risico’s genomen, maar er wordt wel een fraai, uitgebalanceerd samenspel geboden. Deze bundeling, die de vertaler van een verhelderend nawoord voorzag, is een feestmaal voor de fijnproever, de langzame lezer, wiens ‘dorst naar het Duistere’ op een heldere wijze wordt gelest.

     

  • Oogst week 49 – 2020

    Zonder papieren

    ‘In een democratie heeft eenieder / het onvervreemdbare recht / om een idioot te zijn’. Een regel die de gedachten van lezers in deze roerige tijden misschien meteen laat richten op zekere presidenten en partijvoorzitters. In het gedicht waaruit deze regels komen worden ze gevolgd door ‘U ook. Moet toch wel gezegd worden […]’

    Het gedicht staat in de bundel Wirrwarr van Hans Magnus Enzensberger die begin dit jaar uitkwam bij Suhrkamp Verlag en is nu in Nederlandse vertaling opgenomen in Zonder papieren. Die bundel is samengesteld door literair vertaler René Smeets, die twee maanden geleden ook al Straks gaat het jenever sneeuwen, een bloemlezing van gedichten over jenever, uitbracht. Zonder papieren is een keuze van de gedichten die Enzensberger (in november 91 jaar geworden) tussen 1950 en 2020 schreef.

    Zonder papieren
    Auteur: Hans Magnus Enzensberger
    Uitgeverij: Poeziecentrum vzw

    De andere kant – Pohemen

    Wie Gellu Naum (1915 – 2001) niet kent – en dat zijn waarschijnlijk heel wat literatuurvolgers – zou bij het woord Pohemen gemakkelijk aan een landstreek kunnen denken zoals Bohemen. Maar in de woordenwereld van de Roemeense surrealist staat ‘pohemen’ voor poëzie die hij afwijst. Daaronder begrepen zijn eigen gedichten.

    Uitgeverij Vleugels is sterk in het onder de aandacht brengen van literatuur die buiten de mainstream blijft, maar verrassende wijzen van naar de wereld kijken vertegenwoordigt. Zo ook De andere kant – Pohemen, na Zenobia de tweede bundel van Naum die in het Nederlands vertaald is. Beide door Jan H.Mysjkin, vertaler van en naar het Frans en Roemeens.

    De andere kant – Pohemen
    Auteur: Gellu Naum
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Tegenwind

    In Tegenwind zijn 34 stukken gebundeld die Anna Enquist schreef voor kranten en tijdschriften, als inleiding bij werk van anderen of als lezingen en toespraken. Ze zijn gerangschikt in zes delen die overeenkomen met de van haar bekende interessegebieden kunst, psychotherapie, schrijven, muziek, sport en filosofie.

    De stukken zijn persoonlijk van toon en wisselend van lengte. Zeer persoonlijk is bijvoorbeeld haar studeergeschiedenis van Schumanns Toccata, opus 7 met afbeeldingen met afbeeldingen van acht pagina’s uit de partituur.

    Tegenwind
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    In het jaar 2000 wordt ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman verkozen tot Gedicht van de twintigste eeuw. Het vers definieert het Nederland van toen ten voeten uit: weemoedig, gematigd, eensgezind en heldhaftig in de strijd tegen het water. Zou een dergelijke verkiezing worden gehouden in het Caraïbisch gebied, dan was Un champ d’îles van de in Martinique geboren dichter en literatuurdocent Édouard Glissant – vertaald als Een veld van eilanden door Jan H. Mysjkin – een grote kanshebber. De man die de term ‘Antillanité’ introduceerde, thematiseert de ongrijpbare identiteit, die op de Antillen, een smeltkroes van allerlei culturen, talen, religies en geschiedenissen, opgeld doet. Het werk geeft de Antillianen, die zich in hun eigen creoolse taal niet mochten uitdrukken, een stem. In het Frans nota bene, waardoor de Europese taal niet langer verdeelt en heerst, maar verbindt en schept. Het resultaat is een bundel met prachtige, raadselachtige poëzie en een iconisch motto: ‘Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen.’

    Identiteit en verbondenheid

    In de proloog van Een veld van eilanden geeft Jan H. Mysjkin een heldere omschrijving van Édouard Glissants (1928 -2011) streven: ‘(…) de quasi-utopische vereniging van het Afrikaanse en het Europese erfgoed.’ Het is hem niet te doen om een kille afrekening met de koloniale mogendheden. Voordat Glissant in Parijs sterft, ziet Mysjkin kans hem persoonlijk te spreken over Un champ d’îles. De dichter drukt hem op het hart de bundel niet normaliserend te vertalen; Mysjkin dient grammaticale en semantische aanpassingen te vermijden, opdat de Nederlandse vertaling net zo meerduidig en rijk aan betekenis zal zijn als het Franse origineel. Hoewel het boek een compilatie is van vier hoofdstukken die elk op zich uit andere werken van Glissant afkomstig zijn, vertonen de verzen opmerkelijk veel samenhang. Telkens voelt, denkt en spreekt de Stem vanuit een Godperspectief, zij het eerder matriarchaal dan patriarchaal.

    De inhoudelijke verbinding komt terug in de opbouw; de componenten gaan in een schier onoverbrugbare kloof toch de dialoog met elkaar aan. Aldus wordt de mythe van oorspronkelijkheid, mogelijk van mono-etnische afkomst, ontkracht: waar een stem ook vandaan komt, hij heeft de potentie in harmonie voort te leven te midden van steeds meer sprekers zonder continu terug te kijken naar zijn geboortegrond en ontstaansgeschiedenis. Hierover dicht Glissant: ‘Elk woord is een aarde waarvan de ondergrond moet worden doorwoeld waar een losse ruimte warm wordt gehouden voor het woord van de boom’
    Identiteit ligt niet zozeer besloten in het isolement van de wortels, als wel in de open dialoog met de ander. Bovendien staat zij nooit vast, maar is zij altijd onderhevig aan verandering en ontwikkeling. Waar het verleden eenieder op zijn nostalgische Zelf terug werpt, behoort de toekomst iedereen toe. 

    Postkoloniaal

    Hoewel Glissants poëzie bij vlagen enigmatisch aandoet, is zijn werk doorspekt met maatschappelijk engagement. Hij pleegt weliswaar geen vergelding op de westerse kolonialen, maar hij benoemt de pijnlijke geschiedenis van zijn volk, die door thuisloosheid, onderdrukking en moord getekend is. Hij bezingt het noodlot van de negroïde bevolking die van de ene oceaanoever naar de andere werd verscheept, overgeleverd aan de genade van zee en zeeman: ‘Bloedige schoonheid van golven / O het is een wond een wond  / Waarin de hemel danst, plechtig en traag / Bij het zien van zulke naakte mannen’

    Wat dikwijls op de loer ligt bij maatschappijkritische literatuur, is een belerende strekking die de affectieve werking van het geschrevene tenietdoet. Op virtuoze wijze omzeilt Glissant dit mankement door de natuur en de ontknevelde stem van de Antilliaan tot mondstuk van de kritiek te maken: ‘Oh je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen.’ Moraliserende vingerwijzingen zijn overbodig om de lezer te laten luisteren naar de boodschap van de zee, de wind, de geradbraakte akkers en de geroofde grondstoffen, die alle getuigen zijn van een bloedige geschiedenis. Zo zegt het hoofdstuk Een veld van eilanden, dat de gelijknamige boektitel draagt, over de ecocide: Het hele eiland is medelijden dat op het eigen lijf zelfmoord pleegt. 

    Het vers Afrika (origineel: Afrique) koppelt deze uitbuiting van de natuur aan de genocide van hen die de exploitatie ten uitvoer moesten brengen: een slordige twaalf miljoen tot slaaf gemaakten. De Stem roept de natuur aan, als ware zij Vrouwe Justitia:’ ‘Neem de zee als weegschaal / en als gewicht het zwarte zout / ingezaaid door het bloed der volken / die allen omkwamen.’
    Gerechtigheid geschiedde. De Stem neemt het voortouw en vertelt het verhaal dat nooit verteld mocht worden. Is dat een revanche? Nee. Het is een herstelde, zij het broze balans, waarna de vruchtdragende aarde hopelijk leven geeft aan iedereen en niet slechts aan de agressors: ‘mooie vrucht, en wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.’ 

    Nomadische aard van de poëzie

    De meerduidigheid in het werk van Glissant verdient extra aandacht. Voor de fervente poëzielezer, die een gezonde dosis ambiguïteit weet te waarderen, is deze bundel een genot. Het hoofdstuk ‘De ogen de stem’ (les yeux la voix) neemt de lezer mee naar een muze die last heeft van haar geheugen. Daarna heffen de kapittels ‘Een veld van eilanden’ en ‘Afrika’ een liefdevolle klaagzang aan ter ere van hun volkeren en tot slot herstelt ‘Het ontvreemde oog’ (‘l’oeil dérobé’) de chaos. Glissant is wars van geijkte, westerse poëtische conventies: vaste rijmschema’s en strakke metrums ontbreken, de verhaalontwikkeling is eerder cyclisch dan lineair en een duidelijk afgebakende structuur is afwezig. Bovendien belichaamt de natuur geen idyllisch ideaal uit de herderspoëzie, waarin lieflijkheid en vrede de boventoon voeren. Daarnaast is zijn woordgebruik dermate associatief, dat iedere poging tot een dieper begrip leidt tot betekenisverruiming. Zo merkt Glissant op: ‘Welke onbuigzame gedachte loopt door / de vezels de sappen de spieren / werd uit pijn een woord gemaakt / een nieuw woord dat zich vermenigvuldigt’

    Het is bijkans onmogelijk de gedichten sluitend te interpreteren, het verwordt al snel tot definiëren. Een definitie staat nauwelijks verandering toe, want zij stelt vast, schept orde en loopt dood. Glissant lijkt dit procedé ten koste van alles te willen voorkomen. Daar spreekt eerbied uit voor de literatuur, die volgens hem evenals de creoolse identiteit uit meerstemmigheid en chaos bestaat. Wie de poëtische kluwen van Glissant probeert te ontwarren, zoekt het geheim tevergeefs. Ondoorgrondelijk is misschien wel de beste typering voor Glissants poëzie; de dichter trekt de grond onder de voeten van de lezer vandaan door te verhalen over de tot slaaf gemaakten die hun grond daadwerkelijk verloren. Zo maakt hij de reislustige lezer deelgenoot van de ontworteling die zo velen hebben moeten doorstaan. De bestemming voor de nomadische mens is ongewis: ‘Wie bemint is rondtrekkend onkruid.’ Een veld van eilanden heeft de mens lief en verloochent grenzen. Hoe vaak in de koloniale geschiedenis was dat niet andersom?

     

  • Vrijgezel uit predestinatie

    Vrijgezel uit predestinatie

    De Roemeense schrijver Mihail Sebastian (1907-1945), pseudoniem voor Iosif Mendel Hechter, maakte in 1933 zijn debuut als romancier met Vrouwen. Zijn grootste successen behaalde hij evenwel met zijn toneelstukken. In 1935 veranderde Hechter zijn echte naam in zijn huidige schrijversnaam die hij officieel liet registreren om zo zijn joodse achtergrond te verhullen. Niettemin krijgt hij in het anti-semitische Roemenië vanaf 1940 een publicatieverbod, wat hij omzeilt door wederom schuilnamen te gebruiken.
    Vrouwen is recent in het Nederlands vertaald en vorig jaar gepubliceerd. Het zijn eigenlijk 4 novellen waarin hetzelfde personage vertelt over zijn relaties met vrouwen en hij de erotiek ontdekt. Sebastian schrijft daar relatief open over, wat opmerkelijk mag heten voor een boekje dat in 1933 verschijnt.

    In de eerste novelle vertelt Stefan Valeriu over drie vrouwen: de lelijke en gracieuze Renée, de mooie en oude Marthe en de jonge en sportieve Odette.
    In de tweede novelle is Valeriu getuige van de bijzondere relatie tussen de Parijse Emilie en de dorpse Irimia; door toeval blijven ze aan elkaar hangen, maar uiteindelijk loopt dat niet goed af.
    In de derde novelle schrijft ene Maria een brief aan Valeriu waarin zij zich beklaagt over haar paradoxale liefdesleven met haar man; zij weet dat Valeriu haar begeert.
    In de vierde novelle tenslotte trouwt Valeriu plotseling met de circusartieste Arabella. Hun relatie eindigt even onverwacht.
    In die vierde novelle komt de opstelling van Stefan Valeriu tegenover vrouwen duidelijk naar voren. Wanneer hij zich realiseert dat hij een getrouwd man is denkt hij:

    ‘Ik ben heel mijn leven een warhoofd en een eenzaat geweest, opstandig zodra een vrouw zich aan mij probeerde te binden, enkel en alleen begaan met de vrijheid over mezelf te beschikken, een vrijgezel uit predestinatie, en ik had tot dan toe niet begrepen hoe een huwelijk mogelijk was; louter het idee om elke nacht hetzelfde lichaam met dezelfde huiveringen terug te vinden leek absurd voor iemand als ik, eeuwige liefhebber van verrassingen en voorbijgaande overeenstemmingen.’

    Deze passage vat de thematiek van deze novellen goed samen. Alle gaan over het dilemma van vrijheid en binding, van avontuurtjes en vastigheid, van eerlijkheid en leugenachtigheid. Sebastian weet die dilemma’s mooi te verweven in de verhalen die hij over de relaties van de hoofdpersoon met vrouwen schrijft. Die relatie lijkt vooral geobsedeerd door de schoonheid van vrouwen en wel zo dat hij met elke mooie vrouw naar bed wil. Is dat gelukt, dan is hij tevreden en is er ruimte voor een nieuwe vrouw.

    Wanneer in de vierde novelle zijn vrouw zegt hem te willen verlaten voor een ander, hoort hij dit gelaten aan en protesteert slechts zwakjes. Het idee zijn vrijheid terug te hebben, overheerst.
    Hoewel over deze thematiek veel is geschreven, weet Sebastian door zijn taalgebruik, vertelkracht en scherpzinnige waarnemingen van de relaties tussen vrouwen en mannen de lezer te boeien en in zijn verhalen mee te nemen. Het proza dat Mihail Sebastian schrijft is van grote schoonheid. Een juweel van een boekje!

     

  • Oogst week 18 – 2018

    Kliffen

    Op 31 mei aanstaande is de bekendmaking van de dr. Elly Jaffé Prijs 2018, een driejaarlijkse prijs voor de beste vertaling van een Frans literair werk in het Nederlands.
    Vertaalster Kiki Coumans is met 6 titels genomineerd. Ze vertaalt proza en poëzie uit het Frans, onder andere werk van Colette, Boris Vian en Yves Bonnefoy.
    Coumans is ook verantwoordelijk voor de vertaling van Kliffen van de Franse schrijver Olivier Adam, dat binnenkort in de Franse reeks bij uitgeverij Vleugels verschijnt.
    Olivier Adam (1974) debuteerde in 2000 met Je vais bien, ne t’en fais pas, dat ook werd verfilmd. Sindsdien schreef hij twaalf romans en een aantal jeugdboeken. Kliffen werd genomineerd voor zowel de Prix Médicis als de Prix Goncourt.

    Volgens uitgeverij Vleugels is Kliffen een melancholieke coming of age-roman die terugblikt op een grauwe jeugd in de jaren 80 en 90, over een stelletje dolende vrienden dat elkaar vindt onder de klanken van Lou Reed, The Cure en The Smiths.

    Verschijnt 14 mei

    Kliffen
    Auteur: Olivier Adam
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Vrouwen

    Ook bij uitgeverij Vleugels verschijnt Vrouwen van de Roemeense schrijver Mihail Sebastian (1907-1945). 

    Sebastian was in Roemenië een van de succesvolste schrijvers uit het interbellum, maar werd vooral na de val van het communisme alom bekend en geliefd. Zijn internationale doorbraak heeft hij aan de publicatie van zijn Dagboek 1935-1944 te danken. Arthur Miller: ‘Zijn proza had door Tsjechov kunnen zijn geschreven – dezelfde ingetogenheid, openheid en scherpzinnigheid in de waarneming. Hier staan we voor een leven en een absurde dood die ons nog lang in de ban zullen houden.’
    Een absurde dood, inderdaad: De joodse Sebastian kwam de Tweede Wereldoorlog door zonder deportatie maar kwam na de bevrijding in mei 1945 in Boekarest onder een Russische vrachtwagen.

    Vrouwen, – het boek bestaat uit vier novellen die hun eenheid vinden in hetzelfde hoofdpersonage dat als jongeling de vrouw en de erotiek ontdekt – is vertaald door de Vlaming Jan H. Mysjkin die zich al jaren toelegt op de vertaling en promotie van de Roemeense poëzie en literatuur. Omgekeerd heeft hij in duo met dichteres Doina Ioanid ook Nederlandstalige dichters in het Roemeens vertaald. Voor zijn vertalingen zowel in als naar het Roemeens en Frans is hij veelvuldig bekroond.

    Vrouwen
    Auteur: Mihail Sebastian
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (2018)

    De Kapellekensbaan

    De Kapellekensbaan van de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon verscheen voor het eerst in 1953. Sindsdien is het vele malen opnieuw uitgegeven. Het wordt inmiddels beschouwd als een van de hoogtepunten van de Nederlandstalige literatuur uit de vorige eeuw, maar veroorzaakte ophef bij verschijnen van de eerste druk. Het week in vorm, structuur, inhoud en taalgebruik teveel af van wat tot dan gemeengoed was. 

    Maar ook heden ten dage worden lezers gewaarschuwd èn aangemoedigd: De Vlaamse schrijver Tom Lanoye schrijft (Revue Lanoye, 2016, p. 43): ‘Bijt op Uw tanden, schattebouten, en zet door. Vooral tijdens de eerste paar bladzijden. Laat U niet afschrikken en geniet juist van deze onverwachte woorden hier, dat gekke voorzetsel ginds, die maffe uitdrukking daar. U went er snel aan – lees voort, lees voort! De context geeft de betekenis wel prijs en wees gerust, Uw beloning is niet min. U krijgt een boek te lezen zoals U er nog nooit een las.’

    Het boek gaat over het meisje Ondineke Bosmans dat wil ontsnappen aan het grauwe bestaan in de fabrieksstad Aalst, ‘de stad van de 2 fabrieken waar het altijd regent, zelfs als de zonne schijnt’, – en de geboortestad van Boon.
    Het lukt haar echter niet. Een bonte stoet aan personages geeft voortdurend commentaar waardoor een chaotisch geheel ontstaat.
    Die stad blijkt onze eigen naoorlogse wereld te zijn, waarover de schrijver van Ondinekes verhaal en enkele huisvrienden heftig debatteren. Over één ding zijn ze het niettemin eens: het is de hoogste tijd om met zijn allen op zoek te gaan naar ‘de waarden die waarlijk tellen’ in ons kortstondige bestaan.

    De Kapellekensbaan
    Auteur: Louis Paul Boon
    Uitgeverij: Athenaeum (2018)

    Sampler

    Tot slot aandacht voor een even opmerkelijk als sympathiek initiatief: Uitgeverij Das Mag geeft een bundel uit met acht verhalen van jonge, onbekende en nog nergens onder contract staande schrijvers. Zij mochten geheel vrij een verhaal schrijven en werden alleen gehouden aan een maximumlengte. En omdat het erom gaat dat zoveel mogelijk mensen kennis kunnen nemen van de inhoud van Sampler, is de prijs ook laag gehouden: € 5,- voor een papieren editie, gratis als e-boek.

    In Sampler staan verhalen van: Sarah Arnolds, Peter Buurman, Jacco Doppenberg, Rashif El Kaoui, Sofie Lakmaker, Carl Plaisier, Fenna Riethof en Pete Wu.

    Sampler
    Auteur: Sarah Arnolds ; Peter Buurman ; Sofie Lakmaker ; Rashif El Kaoui ; Jacco Doppenberg ; Pete Wu ; Carl Plaisier ; Fenna Riethof
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag (2018)
  • Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    De poëzie van een land ontwikkelt zich vaak dankzij impulsen van buitenaf. Zonder de Italianen had het sonnet waarschijnlijk niet bestaan, met als verdere consequentie dat de Nederlandse canon bijvoorbeeld ‘De moeder de vrouw’ armer was geweest. Ook de Franse poëzie is een internationale aangelenheid, blijkens Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton.

    De in deze bloemlezing opgenomen dichters hebben vaak meer met Pound dan met Mallarmé. Samensteller en vertaler Jan H. Mysjkin laat in zijn inleiding, waarin de situatie van de Franse poëzie op dat moment wordt geschetst, zien hoe de Franse en Amerikaanse poëzie naar elkaar toe zijn gekropen. Franse dichters vertaalden hun Amerikaanse broeders als John Ashbery en Michael Palmer, die op hun beurt weer Franse poëzie vertaalden. (Of zoals Wallace Stevens ooit schreef: ‘French and English constitute a single language’; een bewering die gretig door Paul Auster aangehaald werd in zijn inleiding voor The Random House Book of 20th Century French Poetry.) De poëzie van Frankrijk, die een sterk hermetische traditie kent, (Geboorten van het vers. Levende Franse poëzie 1940-1960 bijvoorbeeld) stond sterk in het teken van het omgaan met de erfenis van het surrealisme), blijkt opener te zijn geworden, maar vaak niet minder moeilijk.

    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton is net zo opgezet als de eveneens door Mysjkin verzorgde twee eerdere delen Levende Franse poëzie: een lange inleiding en vervolgens een selectie van verscheidene dichters. Van elk van hen is meestal of een reeks of een afdeling gedichten gekozen, of een keuze uit één bundel. Bovendien wordt elke dichter voorgesteld met een tekst die ergens tussen een inleiding en een kort essay inzit. De vertaling is zoals we die van Mysjkin gewend zijn: ze lezen zo vloeiend als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Dat doet er evenwel niets aan af dat het toch jammer is dat ook deze uitgave niet tweetalig is.

    Zoals eigenlijk met de meeste bloemlezingen het geval is, smaakt de ene dichter beter dan de ander. Uw recensent is bijvoorbeeld niet zo gecharmeerd van de warrige Jean-Paul Auxeméry, of het flauwe, geforceerde taalgebruik van Katalin Molnár (‘alsJijWillenMakenGedicht / inTaalDieJijNietKennen / jijDenkenEerst / datDatZijnOnmogelijk’; overigens geen eenmalig experiment, want Molnárs hele bijdrage is op deze manier geschreven). Daar staan heel wat interessantere dichters tegenover, zoals Leslie Kaplan. De van haar opgenomen gedichten zijn consequent in de men-vorm geschreven en gaan over het werk in een fabriekshal. De alles beheersende sfeer daar wordt duidelijk neergezet met regels als ‘De fabriek, men gaat erheen. Alles is er. Men gaat erheen. / Het exces – de fabriek.’ of ‘Men kan niets doen. // Men monteert een versnellingsbak.’

    Wie op zoek gaat naar opvallende tendensen in deze bloemlezing, ontdekt wellicht de interesse in en flirts met het banale of niet-literaire taalgebruik (en daar hebben we het postmodernisme weer). Denk daarbij aan Kaplans harde, kale stijl, maar ook aan het opgenomen werk van Olivier Cadiot. Zijn prozagedichten zijn montages van passages uit lesboeken. Dat levert werk op dat enerzijds van een Barbarber-achtige lichtvoetigheid is, en anderzijds een vertonrustende ondertoon heeft: ‘Ik begrijpen (o.v.t.) dat deze gebeurtenis in tranen drenken (v.v.t.) en ik zwijgen (o.v.t.). De vrouw nemen (o.v.t.) haar zoon van de takken van de boom en zij geven (o.v.t.) hem haar echtgenoot te dragen’.

    Een andere ontdekking is Véronique Pittolo. Van haar is een selectie vertaald uit Héros (Helden; 1998), een boek dat het midden houdt tussen een conceptuele gedichtenbundel en een filmscenario. Pittolo’s prozaïsche, vaak bijna onnadrukkelijk geformuleerde regels roepen vaak direct filmbeelden op: ‘De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen / van haar hakken op het asfalt.’ Zulke beschrijvende passages worden afgewisseld met korte bespiegelingen als ‘Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.’ De fragmenten overtuigen op zichzelf, én samen maken ze erg benieuwd naar (een vertaling van) de gehele bundel, en dat is wellicht het grootste compliment dat je een bloemlezer kunt maken.

    Hoewel niet elke vertegenwoordigde dichter even interessant is, is Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton een prima bloemlezing geworden. Deze uitgave is een geschikt startpunt voor avontuurlijke lezers die nieuwe ontdekkingstochtjes willen maken.


    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000

    Redacteur en samensteller: Jan H. Mysjkin
    240 blz.
    Prijs: € 22,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum