• Vragen zonder antwoorden

    Vragen zonder antwoorden

    Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en debuteerde in 1997 met zijn bundel Nooit zonder de paarden. Zijn vierde bundel, Groter dan de feiten, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. In 2016 ontving hij de Jan Campertprijs voor de dichtbundel Seizoensroddel. Met het in de bundel Het verkeerde hart (2022) opgenomen gedicht `Ik bel mijn moeder’ won hij de Melopee Poëzieprijs van 2020.

    De tiende bundel van Jan Baeke geeft in de titel al aan dat er in het leven gebeurtenissen zich voordoen waar we allemaal tegenaan zullen lopen. Het woord ‘Die’ duidt erop dat iedereen wel weet welke dat zijn, daarom hoeven ze niet nader benoemd te worden. Zoals het glas water op de foto van de omslag onherroepelijk van tafel zal vallen, zullen ziekte, ouderdom en dood ons allen ten deel vallen. Zoals de dichter zelf zegt: ‘Naar binnen gaan en buiten zingend mooier maken jezelf of de wereld vergeten/ niet kunnen vergeten en daarom die onrust die melancholie die verslagenheid/ die onvermijdelijkheden.’

    Beheersing van de realiteit

    Baeke werpt in zijn gedichten vele vragen op, maar antwoorden worden niet gegeven, niet aan de lezer, maar waarschijnlijk ook niet aan hemzelf. Daarom probeert hij door middel van de taal de werkelijkheid naar zijn hand te zetten en met de verbeelding van zijn poëzie de realiteit te beheersen. De raadsels die hij de lezer voorlegt, tracht hij zelf ook nog steeds op te lossen. Fundamentele vraagstukken zijn het, mysteries die aan grote gevoelens raken. Op filosofische wijze gaat Baeke ermee om, zonder evenwel tot een slotsom te komen.

    Omdat zowel verbeelding als realiteit niet voor iedereen hetzelfde zijn, kunnen er talloze interpretaties aan de gedichten gehangen worden, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Maar door hun meerduidigheid worden dezelfde gedichten niet gemakkelijker om te begrijpen.

    Baeke kijkt naar de hem omringende wereld vanuit steeds andere ogen van veel verschillende personages, waardoor het niet altijd eenvoudig is om te bepalen wie er aan het woord is als de dichter spreekt van ‘ik’. De personages zijn niet duidelijk gedefinieerd, ze praten veel en door elkaar, hun gesprekken en monologen lijken fragmenten zoals wanneer er mensen langs je lopen, van wie je enkel een paar zinnen opvangt waarvan je de context niet kent. Baeke geeft een stem aan soldaten in Oekraïne, aan treinreizigers, aan tienermeisjes, aan bootvluchtelingen, aan misdadigers. Hij laat hen vertellen hoe ieder van hen een wereld voor zichzelf tracht te scheppen, hoe ze zich staande weten te houden.

    Onderdompelen en laten meevoeren

    De gedichten doen denken aan een licht absurdistische film, waarvan je de eerste helft niet gezien hebt en uit de dialogen van de vele spelers moet je het verhaal zien op te maken. Analyseren heeft voorlopig geen nut, je kunt je het beste onderdompelen en je laten meevoeren door de stroom van taal die over je uitgestort wordt.

    ‘Van belang is niet wat ik kan voelen, van belang is
    dat in datzelfde labyrint mijn dromen wonen
    verdeeld over hoofdstukken waarin lichamen opduiken
    die niet bij de namen horen waaraan je ze herkent
    labyrinten van leem waar ik keer op keer in verdwaal.

    Gesprekken domineren en hoewel ze tot de nacht behoren
    brengen ze geen geluid voort, verdwijnen ze terug
    naar die oneindige voorraad gebeurtenissen
    die mij iets willen vertellen.’

    Van de vier afdelingen van deze bundel is de derde de meest toegankelijke. Een zwarte bladzijde gaat vooraf aan de gedichten die geschreven zijn ‘Bij de dood van mijn geliefde, Marrigje de Bok [1965-2021]’. Dood, een van de onvermijdelijkheden waar we allemaal mee te maken krijgen, laat geen ruimte vrij voor meerdere duidingen:

    ‘even dacht ik
    als ik de wereld erna ervoor gekend had
    dan had ik alles in de warmte gestopt en in die warmte de aanraking
    kleine en grote woorden
    een misschien haperende maar ontroerende melodie
    wat zou ik hebben geruild voor je aanraking?

    De relativerende filosofische benadering waarmee Baeke andere onvermijdelijkheden aanpakt, moet het hier afleggen tegen de rauwe verslagenheid. Baeke laat hier een ‘ik’ zien dat heel dicht bij ons staat, dat ieder van ons zou kunnen vertolken, omdat verdriet, verlies en desillusie universeel zijn. Hier is geen plaats voor vrijblijvendheid of objectieve observaties, hier geldt alleen de rauwe werkelijkheid.

    Filmische fragmenten

    Maar Baeke is op zijn best in de vierde afdeling, De toekomst is een terughoudende minnaar, waarin hij in filmische fragmenten een verhaal vertelt bij monde van een jonge vrouw, die terugkijkt op haar jeugd, haar ouders, een liefdesrelatie. Niets is duidelijk omlijnd, het verhaal kan alle kanten op en maakt sprongen in de tijd. Algemeenheden worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen. De indruk die achterblijft is er een van eenzaamheid, teleurstelling en onbegrepen zijn. Maar de taal waarin alles plaatsvindt, is hallucinerend, als in een koortsdroom, en doet een overtuigend beroep op begrip.

    ‘Wetenschap, natuur versus opvoeding, bij de sloot wegblijven
    zei mijn moeder, niet zomaar de weg oversteken
    het leven is te groot voor ons.

    Iedereen heeft een moeder, die bij het station een schepper
    en een heel rek folders.

    Iedereen getuige van het lijden, van de onvoorspelbare medemens
    het bestaan van anderen om je heen onveilig vinden.
    Moeder, moeder, maker, maker, kom met regels en de zweep.

    De complexe poëzie van Baeke is op zijn minst intrigerend, op zijn best onontkoombaar. Geen gedichten die als hapklare brokken worden aangeleverd, maar waar de lezer zelf nog moeite voor moet doen.

     

     

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Zware en goed vullende kluif

    Zware en goed vullende kluif

    Soms zit je als recensent verkeerd en serveer je een bundel ten onrechte af. Dat overkwam ondergetekende in 2013, toen hij Jan  Baekes Het tankstation op de route besprak. Veel bleef vaag, en er ontstond aanvankelijk een soort surplus van mogelijke invullingen van de bundel, die onverschilligheid opriep. Bij herlezing blijkt Baeke toch een sterke bundel te hebben geschreven: nee, je kunt niet overal je vinger achter krijgen, de gedichten blijven soms frustreren, maar filmliefhebber Baeke zet veel lijntjes en thema’s uit die je bezig kunnen blijven houden. De bundel is heel losjes opgezet als een soort filmscenario, met titels als ‘Draaidagen’, ‘Establishing shot’, ‘Scènewisseling’ en ‘Fin’. En dan hebben we het nog niet gehad over regels als ‘Storend dat de mussen / in het geluid zijn gaan zitten.’ of ‘Wie de scène verlaat is uit de ramp geschreven.’

    Vanzelfsprekendheid die niet klopt
    Opvolger Seizoensroddel schroeft zowel de ergernis als de intrigerendheid flink op. Ook dit keer blijft veel vaag, en het filmthema van de vorige bundel lijkt verdwenen te zijn (bij Baeke weet je het evenwel maar nooit). Baeke heeft de neiging om personages informeel bij hun voornaam te noemen, alsof we hen al horen te kennen. Daarnaast is het blijkbaar heel normaal om het bijvoorbeeld te hebben over ‘de buurvrouw’, ‘de taxichauffeur’, ‘het beeld’, alsof die allemaal al geïntroduceerd zijn. Dat zijn ze niet. De toon is heel natuurlijk, niet zelden spreektalerig, maar onder het lezen krijg je toch al snel een ‘hier klopt iets niet’-gevoel. Verbanden tussen zinnen blijven onduidelijk of lijken foutief te zijn, en veel verwijzingen blijven vaag. Baeke doet wat dat betreft sterk denken aan John Ashbery, wiens poëzie ook een mengsel van fascinatie en ergernis oproept.

    Oorlog en spot
    In Seizoensroddel ontspint zich een grote hoeveelheid thema’s. Er gebeurt in een bestek van een paar gedichten veel, heel veel. Neem de openingsreeks ‘Dit zijn, zei Jack, slechts voorbeelden’: daarin is het oorlog. Uit de vermelding van Camp Rhino als uitvalsbasis, blijkt dat het om de oorlog in Afghanistan gaat (je moet het maar weten, of opzoeken natuurlijk). De soldaten hebben generiek aandoende (Amerikaanse) namen: Jack, John, Frank en Charlie. De toon is quasi-ruig, en sommige regels lijken uit een slechte actiefilm geplukt te zijn: ‘Frank was een flikker / maar niet bang.’ Die setting begint zich te mengen met religieuze verwijzingen: een hostie-vergelijking, ‘de beek [splitst] zich in tweeën’, het zingen van het ‘Ave Maria’. Er wordt een link gelegd tussen de zendingsdrang van missionarissen en de Amerikanen die het Oosten binnenvallen om (even gechargeerd gezegd) hen een betere cultuur komen brengen. De spot is duidelijk: ‘Sterk dat bij de komst van een verschoppeling alles / naar Het Boek wil leven. De gemeenschap bloeit op / haalt de graafmachines, de vooruitgang binnen. / Laten we gaan, de Heer heeft alles onder controle.’

    Onrust vergezelt het woord
    De laatste afdeling (het slotgedicht niet als afzonderlijke afdeling gerekend) heet ‘Waar de wind doorheen waait’. Weer is het, net als in de openingssectie van de bundel, een korte geografische verwijzing die een interpretatieaanwijzing vormt. Er wordt gesproken over de onrust die het woord ‘Janovska’ vergezelt, ‘maar dat / woord doet in deze wereld niet meer mee.’ Janovska was een Duits concentratiekamp in een gebied dat toen nog Pools was. In de reeks lijkt de oorlog formeel gezien voorbij te zijn, maar het heden daarin wordt doorsneden met herinneringen als ‘Ook de onderwijzer bleek spoorloos en de spoorwegbeambte en de vrouw van de kaarsenmaker.’ Ondertussen is er in het naoorlogse Polen in de reeks sprake van een ander soort verdwijning: het vertrek naar beter geachte oorden als Brussel of het aanlokkelijke Amerika. Maar de gedichten ademen onrust uit, angst zelfs. Zo werkt Seizoensroddel in een notendop: als je een ingang denkt te hebben gevonden, stuit je op iets tegenstrijdigs of op iets dat je geen plek kunt geven. (Verwijst het gedicht ‘Héros’ bijvoorbeeld naar de gelijknamige bundel van Véronique Pittolo? Die gedichten gedragen zich samen ook als een soort filmscenario, en dat is wel des Baekes.)

    Smakelijke kluif
    Dan blijft er nog zoveel dat niet besproken is, dat zich aandient, vragen en interpretaties oproept. Er is opvallend veel sprake van lichamelijk verval, en de titel intrigeert. Kan een ingrijpende gebeurtenis als een oorlog in Afghanistan of Irak, uiteindelijk een ‘verhaaltje’ worden dat mensen opvallend kort bezighoudt? Met Baeke weet je het uiteindelijk nooit, en dat roept bewondering en irritatie op. Die maken samen van Seizoensroddel weer een zware, maar smakelijke en goed vullende kluif.

     

     

  • Literaire ontwikkelingen in een momentopname

    Literaire ontwikkelingen in een momentopname

    De Revisor heeft oog voor kwaliteit en oorspronkelijkheid. Daarbij wordt er meer gelet op de stijl dan op de inhoud van een verhaal. Een goede maatstaf, want waar het verhaal ook over gaan mag, als de stijl niets is, wordt het met dat verhaal ook niets. De Revisor zet dan ook, zo verkondigd hun website, stijl voor boodschap; kwaliteit voor vorm en marketing en wil daarmee het beste podium voor proza, poëzie en het literaire essay zijn. Wanneer je het halfjaarlijks verschijnend boekwerk doorneemt kan dan ook geconstateerd worden dat ze daar steeds weer in slagen. De eerste editie van dit jaar (de tweede is onlangs gepresenteerd) bevat veel, of beter, niets dan prachtige, boeiende en verrassende bijdragen van bekend en ongekend talent. Alles zonder begin of eind dus ook geen plot. Dat levert mooie literatuur op.

    Mischa Andriessens Waar het heen moet? gaat over zijn mislukte eerste roman en is het verslag van de strijd een plotloze roman te willen schrijven. Hij faalde met het schrijven van die roman omdat het verhaal hem ergens heen wilde leiden. Daarom werd het niks. Andriessen kiest voor vrije ontwikkelingen in de roman die dus niet vrijelijk kunnen ontstaan als er een bedachte lijn in zit. Betekenisvolle zin hieruit: ‘Later borg ik die roman op in de berging van een inmiddels onbruikbare computer.’

    Wytske Versteeg is zo’n schrijver die zonder plot werkt, dat bespeur je in haar verhaal Beesten, waarin je als lezer de draad van een ontwikkeling volgt tussen twee personen die elkaar toevallig treffen en nergens heen gaan.

    Wim Noordhoek schrijft in Alle trams rijden naar de hemel een van zijn herinneringen uit. En dat doet hij in korte, sprekende zinnen en begint met: ‘In slaap gevallen in de tram was ik.’ een beeld gevend van een voorbije tijd, wat herinneringen zijn natuurlijk, maar Noordhoek tracht de tijd te behouden en laat ons een blik werpen op achtergebleven stukken rails in slordig geasfalteerde wegen. ‘Hier reed vroeger een tram, maar nu niet meer.’

    Van Sandra Heerma van Voss een persoonlijk essay Van Blaman tot Brookner, schrijven over eenzaamheid. Lees hier over de kunst of kitsch van het werk van Anna Blaman, dat meeblèren met Queens’ ‘Somebody to Love’ net zo lekker kan voelen als het werk van Blaman lezen. En over meer gedesillusioneerde en boze vrouwelijke auteurs als Jean Rhys (1890-1979) en Dorothy Parker (1893-1967). Dit zijn wat je noemt handreikingen uit de belezenheid van anderen.

    Nog eentje dan. Een essay van Poetry International programmeur Jan Baeke. Over de poëzie in de wereld. Waarin hij zich onder andere afvraag of er iets in de poëzie is veranderd. In tijden van internet en sociale media. En waarin hij ingaat op de poëzietraditie in China, die ervoor zorgt dat poëzie van eeuwen geleden nog altijd als referentiekader geldt. Voor de gretige liefhebbers die er hun blik op poëzieland mee kunnen vernieuwen.

    Meer mooie verhalen van onder andere Gilles van der Loo, Erik Lindner (en gedichten), Bart Koubaa, (beginnend talent) Jori Stam, Jerry Hormone (werkt aan zijn debuut), Jan van Mersbergenn en gedichten van Ider de la Parra, Ruth Lasters en Kees ’t Hart.

    Een teveel aan informatie mag er wel van de kleine recensies gezegd worden die onder elke bijdrage over het werk van de auteur en/of het gepubliceerde stuk staan. Sommige literaire tijdschriften geven zeer summier of zelfs geen informatie over hun auteurs en hun werk. De werkbiografietjes in De Revisor zetten een stempel waar je zelf zou willen oordelen. Maar goed, een kniesoor. Opmerkelijk is dat het stuk voor stuk mooie bijdragen zijn die je allemaal wilt lezen. En sommigen wilt herlezen. En nog eens.

     

     

     

  • Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

    Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

     

    De tijd dat dichters bundeltjes met slechts 30 pagina’s konden afscheiden, ligt inmiddels achter ons. Menige dichtbundel van de laatste jaren daagt het formaat van een in boekvorm uitgegeven novelle uit. En ook de nieuwe en daarmee vijfde bundel van Jan Baeke, Brommerdagen, doet met 65 pagina’s een redelijke poging in die richting. Evenals zijn vorige Groter dan de feiten is ook deze van een in het oog springend voorkant voorzien: tegen een oranje achtergrond zien we het bovenste gedeelte van een plafondlamp, een zwevend televisietoestel met kamerantenne en iets wat op een gedateerd soort bom lijkt. Het oogt niet onaardig, zolang we die bom maar kunnen vergeten.

    De bundel is opgebouwd uit 2 reeksen: Blessures en Brommerdagen. Van elkaar gescheiden door het onheilspellende gedicht Ten slotte het diner dat met 4 pagina’s het langste van de bundel is. De andere gedichten zijn allen 1 of 2 pagina’s lang. In vrije versvorm. De ideale vorm, lijkt het, voor de meanderende stroom van beelden, en weerbarstige maar toch ook vaak vrolijke associaties, met hier en daar vileine weerhaakjes, waar Baeke het patent op heeft. De gebruikte woorden zijn stuk voor stuk alleszins begrijpelijk. Wat voor het gedicht in zijn geheel niet altijd het geval is, maar het is gelukkig meestal wel duidelijk waar Baeke jou wil hebben. Bovendien: het spoor bijster raken, dat mag best een beetje, want de achterflap meldt dat de vele personages, die in ontregelende monologen het woord voeren, zelf ook het spoor aardig bijster zijn geraakt. Maar vaak vallen de ogenschijnlijk losse eindjes bij nader inzien aardig aan elkaar te knopen. Daarbij is er ook niets op tegen om je op de associatieve toon van zijn gedichten te laten meestromen om op die verrassende wendingen te stuiten, zoals het slot van Respect: ‘Vuur is genadig, vuur is muzikaal /  Vuur hoor je niet zo gauw zeiken.’ Of op de laconieke melancholie in de laatste regels van Als de toekomst ter sprake komt: ‘We herinnerden ons / dat dergelijke avonden zo gewild zijn / om hun afscheid.’ En passant leert de lezer nog dat ‘vrolijkheid van bloemkool afstamt’. Tijdens de eerste lezing begon het mij al snel te dagen dat dit een bundel is voor een tweede en derde lezing. Om het gewone aan ongewoonheid te zien winnen en het ongewone aan gewoonheid. De tweede reeks vind ik niet de sterkste omdat in de eerste misschien een enkel gedicht staat dat mij niet zoveel deed, maar omdat ik in de tweede reeks op het allermooiste gedicht van de bundel stuitte:

    Tot het samenvalt

    Valt het oog van de moeder
    op de held die zij heeft grootgebracht
    ziet ze hoe oorlog hem de dossiers in sleurt
    en sloopt, tot hij samenvalt met grijs haar
    en een hand die zijn hart
    door zijn vlees heen tracht te steunen.

    Voor zijn kinderen een feestdag geknutseld. ’s Avonds, achter de verduistering, streept hij
    de woorden door die hem vergeten moeten
    mochten vragen volgen.
    Hij kijkt opzij, de spiegel in
    het stokken van zijn adem tegemoet.

    Op het tapijt zit altijd nog die vlek die lijkt.
    Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt
    het zijn er vele, juist degene die over niets gaan.
    Zoals afgesproken praten wij, zijn kinderen
    vloeken dan of piekeren
    willen er de schuld van zijn.

    Een zeer geslaagd gedicht over een man die zich voorbereidt op iets clandestiens in de oorlog. Gezien het naoorlogse geboortejaar van Jan Baeke is het duidelijk dat het ‘wij’ in dit gedicht niet de dichter zelf impliceert. Het is vrij beeldend en suggestief, haast een scene uit een film. Het mooist vind ik misschien wel die vlek in het tapijt die vanwege zijn vertrouwdheid een baken van rust kan zijn te midden van de dreiging. Om zulke vondsten leest men poëzie. En Baeke blijkt ook in veel andere gedichten een geoefend oog te hebben voor veelzeggende vlekken in een tapijt. Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft, zodat het ook bij herlezing boeien blijft. Ook een zin als ‘streept hij de woorden door die hem vergeten moeten / mochten vragen volgen’ is schitterend, zelfs al zou je niet meteen denken aan de situatie waarin een verzetsman voor verhoor wordt opgepakt. Zijn vorig poëtisch wapenfeit Groter dan de feiten kreeg een nominatie voor de VSB poëzieprijs. De concurrentie moet in 2010 wel met werk van uitzonderlijk hoog niveau voor de dag komen, wil het niet als verregaand onredelijk voorkomen indien deze bundel buiten het blikveld van een jury zou vallen.