• Tintje

    Tintje

    De taxichauffeur vindt dat het de laatste twintig jaar met Nederland de verkeerde kant opgaat. Of ik weet hoe dat komt, vraagt hij. Nee, dat weet ik niet, maar ik heb wel een bang vermoeden van wat hij gaat zeggen. ‘Omdat we de grenzen wagenwijd opengezet hebben voor al die eh…mensen met een tintje’, zegt hij. ‘Die geen fatsoen kennen, zich niet aan onze regels houden. Die denken dat ze zich alles straffeloos kunnen permitteren. Ze zouden ze moeten terugsturen of op zijn minst opsluiten. Maar ja, Nederland is niet streng genoeg.’
    Ik breng voorzichtig naar voren dat de gevangenissen ook vol zaten toen er nog geen migranten in Nederland waren. Misdaad is niet aan een enkele bevolkingsgroep voorbehouden. Maar hij luistert niet en vraagt of ik wel eens naar het programma Opsporing verzocht gekeken heb. ‘Dieven, verkrachters en moordenaars, altijd allemaal donkere mensen, mevrouw.’

    De adem stokt in mijn keel en ik voel hoe ik verstijf. Wat als ik hem nu vertel dat ik al een halve eeuw getrouwd ben met een van die donkere mannen? Dat mijn kinderen met een tintje aardige, eerlijke, betrouwbare mensen zijn? Dat hij mijn man, mijn kinderen, mij, een klap in het gezicht geeft met zijn uitlatingen? Misschien moet ik James Baldwin citeren: ‘It has always been much easier (because it has always seemed much safer) to give a name to the evil without than to locate the terror within’. Misschien moet ik het gedicht van Anne Vegter voordragen, dat ze in 2015 schreef als Dichter des Vaderlands.

    ‘Welkom in Nederland

    Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
    De tellingen hebben ons overtuigd:
    mensen en mogendheden in ongelijke mate.
    Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
    vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
    En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
    je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
    je school, je huis, je deken, je matras,
    je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
    Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
    En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
    om het logeermatras te kloppen.’

    Maar ik zeg niets. Hij zou niet luisteren en als hij het wel deed, zou hij zijn mening niet wijzigen, of erger nog: zeggen dat er ook wel goeie tussen zitten.
    De tijden zijn voorbij dat ik als wereldverbeteraar vooraan op de barricades stond, mijn bloeddruk is tegenwoordig te hoog. Je kunt tijdens een taxiritje van twintig minuten geen eeuwen aan vooroordelen bestrijden.

    Heb ik de morele plicht om er iets van te zeggen? Misschien. Ben ik laf? Nee, ik ben alleen maar moe. Ik wil me niet weer moeten verdedigen of rechtvaardigen. Het is bij lange na niet de eerste keer dat ik zulke tirades moet aanhoren. Omdat ik wit ben, omdat ik ‘eigen volk’ ben. Maar dat ben ik niet. Niet meer. Ik wil niet behoren tot een volk dat eeuwenlang landen en volkeren heeft geplunderd en uitgebuit en nu weigert de rekening te betalen. Ik wil horen bij mensen die hun verantwoordelijkheden nemen en samen ervoor zorgen dat de wereld inderdaad verandert. Maar dan een andere kant op dan die de taxichauffeur voor ogen staat.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 39 – 2024

    Oogst week 39 – 2024

    Een van ons

    De zwarte Amerikaanse schrijver Richard Wright (1908 – 1960) is vooral bekend van zijn in 1940 verschenen klassieker Native Son. Native Son, dat in 1989 bij uitgeverij Wereldvenster verscheen als Zoon van Amerika, is nu bij uitgeverij Van Oorschot verschenen als Een van ons.

    Een van ons gaat over de Bigger Thomas, een kansarme zwarte jongen die uitgroeit tot een moordenaar en veroordeeld wordt tot de elektrische stoel. Wright kon zich goed inleven in de achtergrond en omgeving van zijn hoofdpersoon. Hij schreef Een van ons als aanklacht tegen de maatschappelijke omstandigheden van veel zwarte jongeren uit die tijd.

    Wright werd in 1908 in armoede geboren in de Amerikaanse staat Mississippi. Ondanks de erbarmelijke omstandigheden en gebrek aan kansen gedurende zijn jeugd, ontwikkelde hij zich tot schrijver en kon daarvan leven. Hij verhuisde in 1947 naar Parijs, moe van het eeuwige racisme in de Verenigde Staten.

    Een van ons
    Auteur: Richard Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een zoon van Amerika

    Dit jaar is het 100 jaar geleden dat James Baldwin (1924 – 1987) werd geboren. Niet toevallig dus dat deze zomer niet alleen de roman Giovanni’s kamer, maar ook diens non-fictiedebuut opnieuw is uitgegeven: Een zoon van Amerika (Notes of a Native Son), een essaybundel die in 1955 verscheen.

    De essays beschrijven niet alleen de grote klasseverschillen in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw tussen zwart en wit, maar gaan ook in op de discriminatie en problemen van homoseksuelen.

    Baldwin was een bewonderaar van Richard Wright. Hij was in ’48 naar Parijs verhuisd. Daar leerde hij Wright kennen en raakten de beide schrijvers bevriend. Uit bewondering voor Wright refereert Baldwin met de titel Notes of a Native Son aan Wrights boek Native Son. De Nederlandse vertalers van Native Son hielden deze referentie in ’89 aan en vertaalden het boek als Zoon van Amerika. Het is nu bij Van Oorschot verschenen als Een van ons (zie hiervoor).

     

    Een zoon van Amerika
    Auteur: James Baldwin
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    De laatste walvis

    En we blijven in Amerika.

    In aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen verschijnen overal tal van duidingen, analyses en vooruitblikken die ons inzicht trachten te geven in het Amerika van nu. Daartussen zit ook De laatste walvis van de Vlaamse journalist en VRT-correspondent in de Verenigde Staten, Björn Soenens.

    De proloog van De laatste walvis begint als volgt: Om het heden te begrijpen en de toekomst aan te kunnen, moeten we het verleden induiken. Om vervolgens aan te geven dat de mensen die daadwerkelijk iets van de Amerikaanse geschiedenis afweten, zich op dit moment ernstige zorgen maken. ‘Het stormt in Amerika.’

    Soenens schrijft in diezelfde proloog: ‘Ik heb tijdens de afgelopen twee presidentstermijnen in de VS de politiek de werkelijkheid zien verdringen. Waarheden en feiten dringen niet door tot de geest van mensen die gevoel boven verstand plaatsen. Vooral Amerikanen hebben nog wel eens de neiging tot zelfbedrog. Ze geloven graag dat ze zijn wie ze graag zouden wíllen zijn. In de spiegel zien ze iets anders en dat steekt. Volksverlakkers teren op de onzekerheid, de woedende gevoelens en de paranoia van hun kiezers. Veel Amerikanen bereiden zich daarom voor op de dag dat geweld en burgeroorlog in hun ogen onvermijdelijk worden. Het land heeft een breekpunt bereikt. Het is lang niet de eerste keer.’

    Voorwaar geen vrolijke kost. Maar wel de moeite van het lezen waard. De laatste walvis werpt een licht op de huidige ontvlambare situatie in Amerika.

     

     

    De laatste walvis
    Auteur: Björn Soenens
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Privé aangelegenheid

    Privé aangelegenheid

    Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding. 

    De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’

    Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.

     

    De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.

     

  • De zomerboeken van Hettie Marzak

    De zomerboeken van Hettie Marzak

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Hettie Marzak  leest deze zomer:
    David Leeming, James Baldwin
    Irene Vallejo, Papyrus
    Heather Clarke, Rode komeet
    Bettine Vriesekoop, Het China-gevoel van Pearl S. Buck
    Carl Friedman, Verzameld werk

     

    ‘In de biografie van James Baldwin door David Leeming ben ik al begonnen, omdat Baldwin als geen ander uit ervaring kon
    schrijven over de achterstelling van zwarte mensen, iets dat nog steeds actueel is.
     Papyrus van Irene Vallejo heb ik voor mijn verjaardag gekregen van mijn kinderen, die weten dat ze hun moeder blij kunnen
    maken met ‘het ritselen van papier’.
    De biografie van Sylvia Plath, Rode Komeet, door Heather Clarke, wil ik gaan lezen omdat ik weliswaar heel veel gelezen heb over
    en van Ted Hughes, maar van Plath nog veel te weinig.
    En Het China-gevoel van Pearl S. Buck van Bettine Vriesekoop moet alle vragen beantwoorden die ik me al zo lang gesteld heb
    sinds ik lang geleden voor het eerst Oostenwind Westenwind van Buck las.
    Carl Friedman, Verzameld werk, omdat ik heel benieuwd ben naar wat ze nog meer geschreven heeft dan alleen Tralievader, De
    grauwe minnaar
    en Twee koffers vol, die ik al gelezen heb.’

    Lees hier meer over Hettie Marzak
  • Trailer James Baldwin – I Am Not Your Negro, de werkelijheid

    I Am Not Your Negro, documentaire van Raoul Peck (2016), indringend actueel. Kijk op 2doc VPRO voor de hele documentaire.

  • Naar adem snakken

    Naar adem snakken

    ‘Het kostte me jaren om alle vuil dat mij over mijzelf was ingeprent, enwat ik voor de helft geloofde, uit te kotsen, voordat ik in staat was om op aarde rond te lopen alsof ik er recht op had hier te zijn’, schrijft James Baldwin in 1960 in een artikel over het studentenprotest in Tallahassee, Florida, naar aanleiding van de rassenscheiding. Hetzelfde artikel opent met de vaststelling dat je als zwarte altijd op je hoede moet zijn in het contact met de blanken. Voor je het weet heb je een  onzichtbare grens overschreden met (vaak) catastrofale gevolgen.
    Die wetenschap komt je niet alleen van pas in het zuiden van de Verenigde Staten, maar ook in het noorden, bijvoorbeeld in Harlem, New York, waar Baldwin zijn roman Als Beale Street kon praten uit 1974 situeert en waar hij ook opgroeide.

    Een jaar nadien kwam de roman in Nederlandse vertaling uit. Nu is er een nieuwe vertaling van deze tamelijk onbekende roman van Baldwin. Afgelopen najaar kwam in de VS de gelijknamige film uit en als het aan de critici van The New York Times ligt, zou die voor een Oscar genomineerd moeten worden.
    De titel van de roman verwijst naar een regel uit Beale Street Blues van W.C. Handy uit 1917, een bitter-zoet nummer dat sindsdien door talrijke artiesten op de plaat is gezet, onder wie Louis Armstrong en Lena Horne, schitterende versies die bijvoorbeeld op YouTube zijn te beluisteren.
    Als Beale Street kon praten is een verhaal over de liefde tussen twee jonge mensen Tish en Fonny, dat zich afspeelt tegen de boven beschreven achtergrond. De ontwikkelingen worden in flashback beschreven vanuit het perspectief van de ik-verteller Tish, de vrouwelijke hoofdpersoon. Dat vertelperspectief is door Baldwin niet voor niets gekozen. Op deze manier drukt hij de lezer met de neus op de ontstellende feiten. Er is geen ontkomen aan. Daarmee zet hij de lezer op één lijn met de zwarte hoofdpersonages, voor wie er in een wereld waarin op elke hoek van de straat valstrikken worden gespannen, ook geen ontkomen aan is.

    Fonny belandt in de gevangenis omdat de buurtagent nog een rekening met hem heeft te vereffenen. Want als Tish bij een groentewinkel wordt betast door een blanke junk en Fonny deze vervolgens neerslaat, meent de buurtagent te moeten optreden en spreekt Fonny hierop aan. De Italiaanse groenteverkoopster springt als enige voor Fonny in de bres. De agent druipt af. Zijn ego heeft een gevoelige deuk opgelopen. En, zo weet iedere zwarte, dan wordt zo’n agent gevaarlijk.
    Later wordt Fonny beschuldigd van verkrachting. Fonny is onschuldig. Dat weet agent Bell net zo goed als Fonny zelf. Maar het systeem, waarin je als zwarte per definitie schuldig bent, heeft daar maling aan.
    Intussen is Tish zwanger van Fonny. We volgen de ontwikkelingen van de baby in de buik van Tish op de voet, net als de pogingen van de beide families om Fonny met behulp van een advocaat uit de gevangenis te krijgen.

    De werkelijkheid die Baldwin in zijn roman beschrijft en die hij in talrijke essays en artikelen heeft beklemtoond, maakt van Als Beale Street kon praten nog geen diep treurige roman. Integendeel, er is hoop, uit gesproken door de hoofdpersonages, met een prominente rol voor Sharon, de moeder van Tish: ‘zolang we het hoofd koel houden en ons voor ogen houden welke belangen er voor ons op het spel staan, niet in de laatste plaats de toekomst van de baby die op komst is’.
    Dan is er nog de ontmaagdingsscène van Tish. Zo huiveringwekkend mooi en liefdevol beschreven dat het je als lezer de adem beneemt.

    Kortom, een opzienbarende roman. Maar dat wisten de Nederlandstalige lezers in 1975 natuurlijk ook al. Desondanks is de heruitgave in een prachtige nieuwe vertaling van Harm Damsma – wat is levend Nederlands toch mooi – een bijzondere gebeurtenis, al was het maar vanwege de opmerkelijke ‘waarschuwing’ aan de lezer.

    ‘Uitgeverij De Geus heeft ervoor gekozen het woord ‘white’ te vertalen als ‘wit’ in plaats van ‘blank’. Het woord ‘nigger’ is onvertaald gelaten. Middels deze keuzes hebben we geprobeerd recht te doen aan de auteur in de taal van het Nederland van nu, met inclusiviteit als uitgangspunt. Dit ondanks nadrukkelijk protest van de vertaler.’
    Deze ‘belijdenis’ staat boven het colofon van het boek. Is dit nu een poging van de uitgeverij om de geschiedenis achteraf ‘wit’ te poetsen, om tegenstellingen van destijds in Amerika (en in Nederland) met terugwerkende kracht te verzachten?

    Als in het Amerikaans ‘black’ tegenover ‘white’ staat (‘for whites only’), is het Nederlandse equivalent ‘blank’ tegenover ‘zwart’. Slegs vir blanke’ kennen wij Nederlanders nog maar al te goed in de Afrikaanse zustertaal, de taal die ons en de rest van de wereld met het woord ‘apartheid’ heeft opgezadeld.
    Dus waarom ‘wit’ in plaats van ‘blank’? Vanuit het perspectief, we zijn nu beter geworden, we gaan op een humanere manier met elkaar om? Dat laatste is wat de heersende ‘witte’ ideologie graag iedereen wil doen geloven, waarmee echter een nieuwe valse mythe wordt gecreëerd.

    De zwarte Pietendiscussie in ons land wordt vooral belicht vanuit het perspectief van Nederlanders die het gevoel hebben dat hen hun ‘cultuur’ wordt afgepakt. Maar je zou de controverse ook kunnen benaderen vanuit het gegeven dat zwarte mensen in ons land zwarte Piet niet alleen associëren met het slavernijverleden en alledaags racisme, maar ook en vooral met het gegeven dat dit verleden en het racisme in de heersende ‘witte’ ideologie, hoegenaamd niet voorkomt. Het is altijd weggepoetst. Zwarte mensen die dit thema aanroeren worden weggezet als aanstellers. En dát is wat pijn doet.
    Zolang de heersende ‘witte’ gemeenschap niet in staat is om het slavernijverleden als onderdeel te zien van de ‘witte’ cultuur, hoe pijnlijk ook, kun je wel een woordje ‘blank’ vervangen door ‘wit’, maar daarmee is aan de werkelijke situatie niets veranderd. Die is ook met newspeakniet uitgewist.
    Zolang een zwarte of gekleurde Nederlander nog betiteld moet worden als Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse, Turkse of Ghanese Nederlander, in plaats van Nederlander, zo lang is er nog apartheid in dit land.

    In de documentaire I am not your negro uit 2016 heeft Baldwin zelf het laatste woord. Wat hij zegt zou evengoed op de Nederlandse verhoudingen kunnen slaan als op de situatie in de Verenigde Staten, in Baldwins tijd en in de huidige.
    ‘Wat blanke mensen moeten doen is proberen bij zichzelf te rade te gaan, waarom het überhaupt nodig is om een ‘nikker’ te hebben, want ik ben geen nikker. Ik ben een mens. (…) Als ik hier niet de nikker ben en jullie hebben hem uitgevonden, jullie blanken hebben hem uitgevonden, dan moet je proberen uit te zoeken waarom. En de toekomst van ons land hangt daarvan af, of het al dan niet in staat is zich die vraag te stellen.’

    De context waarin James Baldwin dit liefdesverhaal plaatst, gaat overigens verder dan de rassentegenstellingen van de jaren zestig en begin zeventig in Harlem en omgeving. Na terugkeer uit Puerto Rico waar Sharon, de moeder van Tish, heeft geprobeerd de vrouw die Fonny beschuldigde van verkrachting, over te halen haar verklaring in te trekken, schetst ze Tish hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de Puertoricaanse zwarte bevolking en de Amerikaanse.
    ‘Ik had het nog nooit zo bekeken. Nog nooit. Ik spreek geen Spaans, en zij spreken geen Engels. Maar we leven op dezelfde vuilnisbelt. Om dezelfde reden. (…) Om dezelfde reden had ik er nog nooit eerder zo over nagedacht. Wie Amerika ook ontdekt heeft, ze hadden hem geketend en wel terug moeten sturen om in eigen land te creperen.’

    Baldwin sluit het manuscript af, zo staat aan het slot van de roman, met: ‘Saint-Paul-de Vence. Columbusdag, 12 oktober, 1973.’ In Spanje werd die dag traditioneel –Franco leefde nog – Día de la Raza gevierd, het superieure blanke ras, wel te verstaan.

     

     

  • James Baldwin – Pin Drop Speech aan de Cambridge Universiteit UK

    Speech voor studenten aan de Cambridge Universiteit in Engeland.

    Lees ook de column ‘Gedachteloos wit zijn’, over de documentaire I Am Not Your Negro, gebaseerd op Baldwins (onvoltooide) memoires).

     

     

  • Gedachteloos wit zijn

    Gedachteloos wit zijn

    Ik zag de film I Am Not Your Negro van Raoul Peck over schrijver en activist James Baldwin (1924-1987). Voor de documentaire gebruikte Peck filmbeelden van rassenrellen uit de jaren zestig en teksten uit Baldwins (onvoltooide) memoires, Remember This House. De film werd laatst op tv uitgezonden en hoewel ik zwaar onder de indruk was toen ik de film een jaar geleden in het filmhuis in Utrecht zag en iedereen aanraadde te gaan kijken, heb ik niet voor een tweede keer gekeken. Ik was er nog steeds niet over uit wat de film met me had gedaan. De verbijstering over het opzettelijke geweld. De schaamte die ik voelde, de onmacht, en de tranen, zomaar. Het was niet als in klassieke films zoals The Mockingbird waarin de zwarte man de verkrachter of moordenaar is – ook als hij het niet heeft gedaan – en waarbij je als kijker vurig hoopt dat er (eindelijk…, er moet toch…, is er niemand die…) gerechtigheid komt. In deze film wordt niet geacteerd, de emoties zijn echt.

    In Amerika heeft de film veel losgemaakt. Peck zegt daarover in een interview met de VPRO: ‘Je kan deze film niet zien en daarna nog zeggen dat je van niets wist.’ Dat is wat me dwars zit. Dat ik het niet wist. Dat ik er gedachteloos aan voorbij was gegaan. Nu, door het samenvallen van de teksten van Baldwin met de gemonteerde beelden uit de jaren zestig van rassendiscriminatie en de schijnbaar gepermitteerde moorden van politieagenten op zwarte mensen in het heden, zag ik de verbanden. Ik had geen idee hoe hardnekkig en diepgeworteld racisme is.

    In de documentaire spreekt Robert Kennedy, midden jaren zestig, de profetische woorden dat wellicht over 40 jaar een neger tot president gekozen kan worden. ‘Jah’, juicht het in je. ‘Tenminste een iemand die goed bezig is.’ Het leek zelfs zijn verdienste dat Obama werkelijk zo’n 40 jaar later president van Amerika werd. Dan hoor je (stem van Samuel L. Jackson) Baldwins reactie daarop: ‘Bobby Kennedy only got here yesterday and now he’s already on his way to the presidency. We’ve been here for four hundred years and now he tells us that maybe in forty years, if you’re good, we may let you become president.’

    Je slikt, en je slikt nog eens en schaamt je omdat ik reageerde vanuit zwart-wit-tegenstellingen. En dit statement van Kennedy was toch een stap in de goede richting?

    De World Press Photo van 1957 laat de 15 jarige zwarte scholiere Dorothy Counts zien op haar eerste dag op een witte school in Noord-Carolina. Ze wordt omstuwd door uitjouwende en haar bespugende witte schoolkinderen aangemoedigd door hun ouders. Sommigen dragen protestborden: ‘We wont go to school with Negroes’. Dorothy gaat rechtop maar houdt haar hoofd iets scheef, als om eventuele klappen af te weren. Achter haar rollen schoolkinderen en enkele volwassenen bijna over elkaar heen van het (uit)lachen.  Baldwin was in Europa toen hij de foto zag. Hij voelde zich beschaamd: ‘Some one of us should have been there with her!’

    Nu weet ik dat het de sluiers zijn waarachter ik me gedachteloos ophield, die bij het zien van deze documentaire zijn weggevallen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over boeken als steunpilaren van het dagelijkse leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Het gat waar ze insprong

    Het gat waar ze insprong

    Iedereen heeft zijn eigenaardigheden. Iets om rekening mee te houden. Zo heb ik nog geen van de boeken van Elena Ferrante gelezen alleen maar omdat er zo veel over te doen was en is. Ik sta te popelen, maar eerst moet niemand meer weten wie ze is en kan ik mijn gang gaan. Een eigenaardigheid waar je niet perse gelukkiger van wordt. Of je nu uit Europa of Azië komt, we willen het allemaal ‘selluf doen’, op eigen kracht, eigen initiatief. Het geloof dat je kunt vliegen gaat bij kinderen vaak gepaard met de overtuiging dat je het kunt.

    Toen iedereen naar de kleedkamers ging, wist niemand of alle kinderen er waren. Er was niemand die riep: ‘He, ik mis er een.’ Die om zich heen keek en dacht; Er was toch … Hoe heette ze ook weer. ‘Salam’ schoten de kinderen te hulp, en je riep: Jongens waar is Salam?’ En natuurlijk werd er direct in het water gekeken, want dat doe je. Als je met een kind bij water bent en je bent het kwijt; dan kijk je als eerste naar de diepte van het water, en wanhoopt, altijd die wanhoop; ze zal toch niet? En dan je hoofd schudden; waarom het ergste denken, daar moet je eens mee ophouden. ‘Jongens, vooruit naar de kleedkamers’ en sluit de deuren.

    Het eigenaardige is dat je niet wist of ze je kon verstaan. Maar goed, ze was al maanden in Nederland, en kinderen leren snel. Je hebt het haar in ieder geval gezegd, dat ze niet bij het diepe mocht. Dat moeten ze weten, dat je het wel gezegd hebt. Gezegd dat het diepe bad voor haar verboden is. En je hoopte dat ze het verstaan had, tegen beter weten in.
    Er waren mazen in het net geweest, ze hadden ze niet gezien, maar ze waren er. Ze hadden niet gezien dat ze met elkaar een uitnodigende opening in dat net van veiligheid hadden gecreëerd door te denken dat de ander…, en in dat gat sprong ze.

    De film ‘I’m Not Your Negro’ naar het (onvoltooide) boek van schrijver James Baldwin, vertoont beelden van de vijftien jarige Dorothy Counts, die in 1957 als enige zwarte naar een blanke school in Noord Carolina gaat. Ze wordt op die beelden vernederd en uitgelachen door witte leerlingen en hun ouders. Het zien daarvan vervult je met woede over zoveel domheid. Baldwin wist: ‘Some one of us should have been there with her!’

    Tien minuten op de bodem van het zwembad. Je zag nog de luchtbubbels door het water opstijgen naar het licht. Bubbels zo vrolijk en bruisend als de blijheid die je voelde toen je hoorde dat je zou leren zwemmen. Er was iets dat je zou moeten weten. De badmeester had het gezegd, maar al die korte klanken, die ee en aa’s en ghghghgg’s en sissers werden geen woord dat je kende. En dan, tien minuten. ‘Waar was de wereld in die tien minuten?, vroeg haar moeder zich af.