• Oogst week 35 – 2021

    Wissel op de toekomst

    Wissel op de toekomst Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, van Soetan Sjahrir. 

    Soetan Sjahrir (1909-1966) was oud premier van de Republiek Indonesie. Gedurende de dekolonisatie van Indonesië (1945–1949) was een belangrijke rol weggelegd voor deze kritische jongeling. Toen hij eind jaren twintig ging studeren in Amsterdam, ontmoette hij de Hollandse Maria Duchâteau. Zij werd Sjahrirs geliefde en strijdkameraad voor een vrij Indonesië. Zij volgde hem naar Indië, waar hij een politieke partij zou opzetten, maar werd teruggestuurd door het koloniale gouvernement. Vanuit die positie ontstond een briefwisseling. De brieven die Sjahrir aan Duchâteau schreef zijn zeer afwisselend, met een scherpe visie op de geopolitieke situatie en koloniale werkelijkheid, maar ook brieven vol verlangen en heimwee naar elkaar. In 1936 huwden zij ‘met de handschoen’, pas  in 1947, anderhalf jaar nadat Sjahrir was uitgeroepen tot premier van de Republiek Indonesië, zagen zij elkaar weer.

    Keuze uit de brieven is gemaakt en bezorgd door Kees Snoek, aangevuld met een biografische schets.
    Athenaeum Boekhandel publiceerde de eerste brief.

    Wissel op de toekomst
    Auteur: Bezorgd door Kees Snoek
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Toen ik klein was, was ik niet bang

    Gershwin Bonevacia (1992) is dichter, spoken word artiest en de huidige stadsdichter van Amsterdam. Kort geleden verscheen zijn nieuwe dichtbundel, Toen ik klein was, was ik niet bang. We maken kennis met Gush, de 10-jarige Gershwin Bonevacia die opgroeit in Rotterdam-Zuid. Een rebels en onbevangen kind, ondanks dat hij moeilijk meekomt op school en worstelt met dyslectie en racisme. Maar Gush is niet bang. Pas later vroeg Gershwin zich af: ‘Gush, waarom was je niet bang?’

    In deze bundel gaat Gershwin Bonevacia in dialoog met zijn 10-jarige ik middels een reeks zelfportretten en herinneringen over zijn worsteling met dyslectie, migratie, onveilig opgroeien en zijn droom om ooit astronaut te worden. Een onderzoek naar familiebanden, onverwerkte trauma’s, vergeten geschiedenis en kind-zijn. Toen ik klein was, was ik niet bang is een ode aan zijn jonge onbevreesde ik en een verwoede poging om die weer meer onderdeel van Gershwin Bonevacia te maken. Hier enkele strofen uit de bundel:

    ‘Tussen de middag’

    er zijn goede en slechte kinderen
    de slechte kinderen zijn verlaten door hun vader
    de goede kinderen gaan tussen de middag naar huis
    alle slechte kinderen worden opgehaald
    door een neef
    soms komt de neef niet
    de goede kinderen gaan naar de camping
    alle slechte kinderen worden gepest
    meisjes worden voorbereid op een cyclus
    zwarte kinderen worden profvoetballer
    ben je een gebroken kind
    dan word je gelijmd
    maar alleen als je ophoudt je te schamen
    (…)

    Toen ik klein was, was ik niet bang
    Auteur: Gershwin Bonevacia
    Uitgeverij: Das Mag

    Harlem Shuffle

    Colson Whitehead (1969) is een New Yorkse romanschrijver. Met De jongens van Nickel (2019) won hij de Pulitzerprijs.

    Zijn laatste roman, Harlem Shuffle, gaat over meubelverkoper Ray Carney, die een fatsoenlijk leven probeert te leiden. Zijn buren in 125th street in Harlem zien hem als beschaafd man, maar weten niet dat Ray afkomstig is uit een familie van bendeleden en boeven. Ray heeft er alles aan gedaan daar los van te komen. Hij heeft veel bereikt, zijn vrouw is in verwachting, beter kan het gewoon niet.

    Dan begint zijn brave burgermansbestaan barsten te vertonen. Barsten die steeds groter worden dankzij zijn louche, onfortuinlijke neef Freddy, die dankbaar gebruikmaakt van Rays keurige façade – en hem ondertussen de Harlemse onderwereld in sleurt. Terwijl Ray worstelt met zijn dubbelleven wordt het hem steeds duidelijker wie de touwtjes in handen heeft in Harlem. De vraag is of Ray hier zonder kleerscheuren vanaf komt, zijn burgermans leventje weer herpakken kan.

    Harlem Shuffle
    Auteur: Colson Whitehead
    Uitgeverij: AtlasContact
  • In memoriam K. Schippers 1936-2021

    Op 12 augustus is schrijver, dichter, essayist K. Schippers na een korte periode van ziek zijn overleden. Hij werd vierentachtig jaar. Schippers, die ook wel de ‘beeldend kunstenaar onder de schrijvers’ werd genoemd, was in juni van dit jaar een van de gasten in de laatste uitzending van het boekenprogramma van de VPRO Brommer op zee, waar hij vanaf zijn huis in de Concertgebouw buurt, naartoe was gewandeld om daar verslag te doen van wat hem onderweg zo was opgevallen. Wie de uitzending terugkijkt, ziet dat de presentatoren die hem interviewden over zijn laatste boek Nu je het zegt, gretig aan zijn lippen hingen, een verwachtingsvolle lach om de lippen, verlangend naar een typisch schipperiaanse observatie. Die dan niet kwam. 

    K. Schippers werd op 6 november 1936 als Gerard Stigter in Amsterdam geboren en schreef een uitzonderlijk oeuvre van verhalen en beschouwingen, gedichten, romans, essays en readymades. Hij was een creatieve kijker, alledaagse dingen werden door zijn waarneming van hun gewoonheid ontdaan. Samen met J. Bernlef en G. Brants richtte hij het tijdschrift Barbarber (1958-1972) op dat in eigen beheer werd uitgegeven. In 1963 debuteerde Schippers met de dichtbundel De waarheid als De koe. Hij schreef in totaal ruim veertig romans, poëziebundels en bundels verhalen & beschouwingen. Op zijn eigen typische wijze vermengde hij in alle genres fictie, documentaire en autobiografie.

    Zijn romans hebben vaak een gedachte-experiment als uitgangspunt, zoals de gedachte over het toe-eigenen van taal in de roman Zilah (2003). Hij schreef over kunst in het documentaire boek Holland Dada (1974/2000) en voor zijn beschouwende bijdragen voor NRC Handelsblad, kreeg hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Het jaar daarop ontving hij voor zijn kunstkritieken de Pierre Bayle-prijs. Twee van zijn romans werden bekroond, in 1983 de Multatuliprijs voor Beweegredenen en in 2006 de Libris Literatuur Prijs voor Waar was je nou, de roman die uitgroeide tot een bestseller. 

    K. Schippers trad geregeld op tijdens de Nacht van de Poëzie, de laatste keer was in 2015 waar hij door Ester Naomi Perquin werd aangekondigd met een anekdote. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd bij elke toiletdeur die zij opentrok de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem had gezocht, (Waar was je nou) haar groeiende angst hem op de vloer van een toilet te vinden. Hoe de dichter, na aandachtig luisteren, vroeg: ‘En, lag hij daar?’
    Waarna K. Schippers met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: ‘Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien’ uit zijn bundel Fijn dat u luistert.

    Het is verwonderlijk hoe Schippers zijn verrassende standpunten en visies kwijt kon in de romanvorm.  Zijn romans zijn geen ‘pageturners’, ze behoren langzaam gelezen te worden, als was het poëzie, en dan komt het genieten. In 2014 schreef hij ter ere van de Poëzieweek het Poëziegeschenk. Het thema ‘Verwondering’, kon niet toepasselijker, Schippers keek enkel met verwondering naar de dingen om hem heen. Een van zijn meest geliefde en geciteerde gedichten is ‘De ontdekking’:   

    Als je goed om
    je heen kijkt
    zie je dat alles
    gekleurd is

    Waarna je geïnfecteerd lijkt met zijn woorden en niets zich nog kleurloos aan je voordoet.

    Gerard Stigter was getrouwd met Erica Hoornik, samen hadden ze twee dochters, Diana en Bianca. K. Schippers publiceerde bij Uitgeverij Querido waaraan hij meer dan zestig jaar verbonden is geweest.

     

    Foto: Bianca Sisterman

     

  • Je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet

    Je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet

     

    In april van dit jaar debuteerde Vincent Merjenberg (1983) met de roman De grijzen, waarin hij op afgepaste toon het verhaal vertelt van onder de grond gevonden lichamen, graven die steeds maar weer opduiken. Er zijn de vluchtelingen die onderduiken of zich voortbewegen door een schimmige, mystiek aandoende stad, er is de jonge journaliste Lena die bij een krant wordt aangenomen om onderzoek te doen naar die gevonden lichamen. En er zit een boek in het boek, een soort sprookje van een fictieve schrijver die zich langs de randen van het verhaal begeeft. De grijzen is een knap geconstrueerde roman die de lezer uitdaagt verder te kijken dan wat er zo op het oog wordt aangenomen. 

    Op een zonnige dinsdagmiddag spreek ik Vincent Merjenberg bij hem thuis in de  Kinkerbuurt in Amsterdam over zijn boek. Hoe het is om te debuteren nadat je vier jaar aan een boek hebt gewerkt. Merjenberg studeerde Nederlands en werkte jaren bij een uitgeverij. Tot het begon te kriebelen, er moest iets anders gebeuren. Hij wilde schrijver worden, fulltime, en besloot er een jaar voor uit trekken om te kijken of het lukte. Hij begon met korte verhalen te schrijven, en een reeks columns voor Literair Nederland. Zijn eerste verhaal werd gelijk gepubliceerd in De Gids. 

     

    Had je voor je besloot te gaan schrijven al eens wat geschreven?

    ‘Nee, eigenlijk niet. Dus toen ik begon met schrijven, heb ik me een bereikbaar doel gesteld: een kort verhaal. Dat heb ik opgestuurd naar De Gids waarin het gepubliceerd werd. Toen dacht ik, als dit lukt ga ik verder. Toen heb ik nog wat verhalen geschreven, tot ik aan deze roman begon. Ik ben nogal fanatiek aangelegd, dus het is algauw alles of niets. Ik zag dan ook niet zo gauw hoe ik het schrijven naast een baan zou doen.’

    Om te schrijven wordt er tijd gereserveerd, in de ochtend moet er minstens vier uur achtereen gewerkt worden. Maar er is ook een kind, en een partner die onregelmatig werkt waardoor het schrijfschema nog wel eens afwijkt. 


    Heb je er al die vier jaar steeds aan door geschreven?

    ‘Toen mijn zoontje geboren werd, heeft het een maand of drie, vier stilgelegen.  De eerste twee jaar heb ik het hele verhaal  zo’n beetje lineair geschreven. De tweede helft van de tijd was ik vooral bezig met schrappen en herschrijven. Soms schreef ik een week niet, maar in mijn hoofd bleef ik er wel mee bezig’


    De roman begint met de vondsten van al die lichamen onder de grond, hoe kwam je op het idee?

    Een paar jaar geleden las ik een krantenartikel over een vrachtwagen op weg van Griekenland naar Duitsland. Die vrachtwagen werd langs de snelweg aangetroffen vol dode lichamen van mannen, vrouwen en kinderen. Later zijn er opnames gevonden van telefoongesprekken tussen de chauffeur en zijn opdrachtgever. Dat de mensen in de vrachtruimte aan het stikken waren. De chauffeur werd aangeraden de vrachtwagen achter te laten langs de weg. Het is een afschuwelijk verhaal, maar het intrigeerde me ontzettend.’


    Waarom raakt je dat?

    ‘Ik denk dat ik wil begrijpen hoe mensen ertoe in staat zijn hun moraal opzij te zetten en op zo’n kwaadaardige manier misbruik maken van de wanhoop van anderen. Wat beweegt hen daartoe? Daar gaat mijn boek over. Ik merk dat mijn aandacht bij gruwelen, zoals misdaden in de Tweede Wereldoorlog, uitgaat naar de daders. Hoe komen mensen tot zulke dingen. Ik geloof niet dat het allemaal psychopaten zijn. Het zijn mannen zoals ik. Ik geloof en ben bang dat iedereen onder bepaalde omstandigheden overal toe in staat is. Wat mij interesseerde was dat deze mensen zoveel moeite doen om hun smokkelwaar naar de overkant te brengen. Want je loopt een enorm risico door met zo’n vrachtwagen met mensen door Europa te rijden. Smokkelaars zijn natuurlijk volkomen verknipt, maar toch komen ze hun afspraken na. Daarnaast ben ik ook nieuwsgierig waarom dit me boeit, waarom ik me in daders kan en wil verplaatsen.’


    Heb je dit in je boek gebruikt, ben je in de rol van een dader gekropen?

    Dat is eigenlijk wat mijn hoofdpersoon, de journaliste Lena doet. Het onderzoek dat zij doet, is ook wel de zoektocht die ik zelf heb gehad bij het schrijven. De zoektocht naar wat ik nou eigenlijk wil vertellen, wat is eigenlijk de waarheid?’

    De roman is in korte korte stukken geschreven, er zijn verschillende verhaallijnen die hier en daar in elkaar overlopen, en dan zit er ook dat boek in, van de schrijver Onalov. Die schrijver krijgen we niet echt te zien, daar wordt alleen door anderen over gesproken. Als lezer ga je laag voor laag door het verhaal heen, ontdekt betekenissen die er ingenieus in verwerkt zijn.


    Hoe heb je dit er allemaal in aangebracht. Is dat organisch gegaan of werkte je met een schema?

    ‘Aan het begin had ik wel een plan, ik wist een paar dingen waarmee het begon, een symbolische stad waar vluchtelingen aankomen en weer verder trekken. Een oude man die zich dingen herinnert en een jonge,ambitieuze vrouw die dingen wil weten. En een fictief verhaal waar de waarheid in zit, en dan die lichamen die onder grond zitten. Het zijn dingen die als inspiratie opkomen en daar moet ik het dan mee doen, daar hou ik aan vast.’


    Er is weinig decor aangebracht in de roman, was dit opzet?

    ‘Ik ben er niet aan ontkomen, en eigenlijk ben ik daarmee een beetje overstag gegaan, om mijn personages toch wat karakter mee te geven, wat achtergrond, en aan het einde van het boek de boel weer bij elkaar te trekken. Ik had het misschien nog liever helemaal open gelaten. Het had nog extremer gekund.’

    Wie les krijgt in schrijven leert dat je personages kenmerken moet meegeven, iets herkenbaars zodat de lezer zich ermee vereenzelvigen kan. Merjenberg kiest hier duidelijk niet voor, hij laat zijn personages zonder veel omlijning zijn roman binnen. 


    Waarom die keuze om veel weg te laten?

    ‘Denk aan Paul Auster, aan zijn wat meer schematische romans, de New York trilogie bijvoorbeeld. Of hoe hij schrijft over een man op een bed in een kamer. Auster schrijft filosofisch-symbolische romans. Ik wil mezelf niet met hem vergelijken, maar De grijzen is ook vooral een symbolische roman.’ 


    Was je eigenlijk tevreden met het eindresultaat van het boek?

    ‘Nee, helemaal niet. Ik weet wel dat ik dit boek niet beter had kunnen schrijven dan hoe het nu is. In die zin is het perfect. Dit is het en ik sta er helemaal achter. Het is het soort boek dat ik wilde schrijven. In die zin ben ik er wel blij mee. Maar je bent zo lang met zo’n boek bezig, en als ik dan sommige zinnen teruglees! Als ik nu ga bladeren kom ik zo tien dingen tegen waarbij ik denk: “Oh, dat had anders gemoeten”.’


    Is het moeilijk afstand te nemen van je eigen werk?

    ‘Toen het verscheen was het al een hele tijd af, omdat het vanwege Corona wat was uitgesteld. Toen heb ik het nog eens helemaal gelezen en lukte het me aardig het met wat afstand te bekijken. Toch blijf ik het spannend vinden wat anderen ervan vinden. Nu nog, voordat je binnenkwam overvalt het me, denk ik, ‘Oh, ze heeft het gelezen, wat vindt ze ervan?’ Toch een soort schaamte.’

    ‘Maar die schaamte is eerlijk gezegd een beetje dubbel. Want die mening van buitenaf heb ik wel nodig. Want zelf kan ik niet beoordelen of het wat is. En tegelijkertijd is er, als het verschijnt, een klein stemmetje dat fluistert, “stel je toch eens voor dat het een succes wordt?” Naast de schaamte is er dus ook een soort zelfvertrouwen. De allereerste reactie op het boek was een bespreking van Jan van Mersbergen. Hoe mooi hij het vond. Dan gaat er toch even door me heen, “Stel dat iedereen het zo goed vindt!” In die zin zijn alle reacties, zelfs de positieve, best vermoeiend (lachend).’


    D
    at het nog aan je blijft trekken?

    ‘Ja, dat. Over het geheel ben ik trots dat het boek er is. En dan gaat het vooral over het afmaken van een boek. Uiteindelijk is het heel onbevredigend als een boek af is. Er zijn weinig mensen waarmee ik over het boek praat zoals wij dat nu doen. Het is fijn als iemand het boek goed gelezen heeft. Zelfs als iemand niet enthousiast is, zoals in een recensie in Trouw. De recensent noemde het een deels geslaagde “ontheemde, non descripte roman”. Hoewel ik natuurlijk, (lachend) liever had gehad dat daar stond, “Ren nu naar de boekhandel”, was ik er in die zin wel blij mee dat hij op hetzelfde spoor zat als hoe wij het er nu over hebben.’


    Heb je er dan wel eens aan getwijfeld of het boek af zou komen?

    ‘Ja, voortdurend! De eerste twee jaar werd het alleen maar steeds langer en steeds slechter vond ik. Op een gegeven moment ligt er iets voor je, heb je al die ballen in de lucht. Veel dingen hadden nog niet zoveel met elkaar te maken maar je weet gevoelsmatig dat het er allemaal in moet. Dat je dat bij elkaar moet krijgen. Dan denk je opeens, waar ben je nou mee bezig? Dan ga ik aan mezelf twijfelen. Terwijl dat tegelijk een stuwende kracht werd, dat  je je eigen inspiratie serieus moet nemen. Want zo begon het, er komen een paar dingen in me op en daar moet je mee aan het werk. En dan komen die momenten dat je je afvraagt: waarom hou ik daaraan vast? Waarom wil ik Überhaupt een boek schrijven? Zodra dat gebeurt wordt schrijven moeilijk. Dus je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet.’


    Werd je geïnspireerd door andere schrijvers om te gaan schrijven, of wilde je gewoon schrijven?

    ‘Dat laatste eigenlijk. Mijn leven stond heel lang in het teken van boeken. Bij de uitgeverij en ook tijdens mijn studie Nederlands, was het ook wel intimiderend zoveel schrijvers om je heen, zoveel goeie schrijvers. Ik heb nooit genoeg zelfvertrouwen gehad om gewoon te gaan schrijven. Wel gedacht, als ik het ga doen, ga ik het ook helemaal doen, niet zomaar erbij. Ik denk dat ik daarom ook pas relatief laat ben gaan schrijven. Pas een paar jaar geleden had ik er vertrouwen in een boek te kunnen schrijven.’


    Hoe begon je aan je eerste verhaal dat werd opgenomen in De Gids?

    ‘Dat was “Het verhaal”, over een redacteur bij een uitgeverij die een verhaal toegestuurd krijgt dat over hem gaat. Dan heb ik één zin, één gegeven, en dan begint het: Waarom dan, wat voor man is dat dan? Hieruit moet ik een verhaal bij elkaar verzinnen. Als ik het op die manier benader, kom ik er wel uit. Tot nu toe hou ik altijd vast aan dat allereerste gegeven: ik word er nieuwsgierig van, en het beperkt me op de juiste manier. 


    Is er een maatschappelijk thema dat je aanzet tot een verhaal?

    Het gaat mij echt om het vertaal, en om de manier waarop een verhaal verteld kan worden. Het is meer een zin, een gegeven dat me aanzet tot schrijven, de thema’s uit de echte wereld komen er vanzelf wel bij. Zoals in de vorm van een krantenartikel zoals over die vrachtwagen met vluchtelingen langs de snelweg. Mijn meningen over dit soort dingen komen dan ook weer in het boek. Ik hou van boeken met een gebruiksaanwijzing, niet met een boodschap.’


    Het gaat dus niet over vluchtelingenproblematiek?

    ‘Omdat ik vluchtelingen een rol geef in mijn boek, wordt al gauw gedacht dat het daarover gaat. Maar het gaat mij om het verhaal waar een twist in zit. Ik hou van onbetrouwbare vertellers: wat hebben ze te verbergen? Op een bepaalde manier is het gewone leven een aanzet tot de dingen waarover ik schrijf, maar het is niet een vooropgezet plan.’


    In je verhalen en ook in je debuutroman zit een ontregelende ondertoon. In een column (voor LN) schreef je over je zoontje, een baby nog die, als de vader op de crèche komt, was meegenomen door een ander. Dat je die gedachte als jonge vader durft toe te laten?

    ‘Om een verhaal te schrijven over hoe mooi het vaderschap is, vind ik het interessanter een verhaal te vertellen die de donkere kanten van het ouderschap belichten. Dat ik er wel eens over fantaseer vrouw en zoon achter te laten en heroïneverslaafde te worden in een buitenwijk van Hanoi is inspirerender dan schrijven over hoe schattig mijn zoontje Roodkapje zingt.


    Zijn er schrijvers die je tijdens het schrijven inspireren?

    ‘Alle schrijvers die ik lees, ten goede en ten slechte, zijn waardevol voor me. Tijdens het schrijven lees ik veel. Patrick Modiano bijvoorbeeld, wat hij schrijft lijkt op geen enkele manier op wat ik doe, behalve dat hij ook iets probeert. In zijn boeken gebeurt helemaal niets. Alles wordt met een zwaar melancholische toon vertelt, eigenlijk zijn al zijn boeken een beetje hetzelfde. Een man vindt in een oude jas een adres en gaat daar naartoe en daar herinnert hij zich dat ie daar dertig jaar geleden ook was, dat hij daar een meisje leerde kennen die Debbie heette. Dan gaat hij Debbie zoeken, maar die leeft niet meer, dan is het boek afgelopen. Er gebeurt helemaal niets maar tegelijkertijd zit daar zo’n essentieel levensgevoel in. Je verleden willen vasthouden, alsnog dingen willen begrijpen. Melancholie met een hoofdletter M.
    Modiano is een schrijver dat als ik daar een alinea van lees denk: Man, als ik toch ooit eens zo’n volstrekt originele toon zou kunnen vinden!’ 

     

     

    Foto: Fjodor Buis


     

     

     

     

     

     

     

    Vincent Merjenberg / De grijzen / 332 blz. / Atlas Contact

  • Oogst week 29 – 2021

    Harlekijn

    Dit is de laatste oogst voor de vakantie, hierna gaan we freewheelend de zomervakantie door. Met een boekenpakket op de bagagedrager of in de rugzak, gelezen en gereisd zal er worden. In de zomerperiode zullen er nog enkele recensies geplaatst worden, en er is de zomerrubriek waarin medewerkers van Literair Nederland laten zien welke boeken ze deze zomer gaan lezen. Voor nu een fijne zomertijd en tot eind augustus!


    Harlekijn is het debuut van Robert Jan Heyning (1957). Heyning was verbonden aan het Noord Hollands Toneel en schreef verschillende toneelteksten. Het boek gaat over de zoektocht van een man naar zijn broer en de wereld waarin deze leefde.

    Na de zelfverkozen dood van zijn broer verkeert de ik-figuur in een staat van verdoving. Als de ik-figuur enkele maande na de dood van zijn broer aan het sterfbed van een oude vriend zit, vraagt hij zich af: Heb ik mijn broer gehoord en gezien? Heb ik hem liefgehad en heb ik hem mijn liefde laten voelen? Wat zat er achter zijn agressieve zelfdestructie?

    Het gevoel gefaald te hebben als broer, als mens, blijft op onvoorspelbare momenten vanuit het donker commentaar geven; snerend, sussend, geestig, liefdevol en cynisch. Gaandeweg begint het vermoeden te ontstaan dat de broer zijn hele leven zelf heeft bedacht, zich de werkelijkheid bedacht die hij zich wenste. En wat is de werkelijkheid?

     

     

    Harlekijn
    Auteur: Robert Jan Heyning
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Een liefde

    Een liefde is de tweede roman van de Spaanse schrijfster Sara Mesa (1976) die in het Nederlands vertaald is door Nadia Ramer. Een liefde gaat over de jonge vertaalster Natalia die de stad ontvlucht en een huisje huurt op het platteland. Ze is niet bekend met de onderlinge omgang van het plattelandsleven. De huisbaas is een onbetrouwbare man die haar een zwerfhond brengt als gezelschap. ‘Vliegen strijken neer op zijn licht opgezette buik, die bedekt is met rauwe plekken.’

    Er is een zigeuner die haar van alles verkoopt, een hippie die haar zegt wat ze wel en niet moet doen, een gekke, oude buurvrouw, een Duitser, het meisje bij de supermarkt en dan die hond, die ondanks haar goede zorgen weigert om binnen te komen. In contact met deze individuen en de hond ontstaan er misverstanden, zijn er vooroordelen die niet altijd ontkracht kunnen worden. In Spanje werd Een liefde tot beste roman van 2020 uitgeroepen. En zeker een roman voor de zomer, bij de tent of in de tuin te lezen.

     

    Een liefde
    Auteur: Sara Mesa
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Centaur

    De in Suriname geboren Chris Polanen (1963), is naast schrijver, dierenarts in de Bijlmer. Hij kwam op twintig jarige leeftijd naar Nederland, begon te schrijven uit heimwee naar Suriname. Nu is hij een schrijvende dierenarts van verhalen en columns. Centaur, zijn tweede roman speelt in de jaren negentig in Suriname, tien jaar na de staatsgreep, na de december moorden. In een interview in Parool, als hem gevraagd wordt of het een ode aan Suriname is, laat hij weten dat het dan wel een harde ode is. Polanen studeerde in die jaren aan universiteit in Suriname toen deze dicht ging besloot hij naar Nederland te gaan.

    Centaur is een roman over identiteit, verlangen en volwassen worden in Paramaribo en opent aldus: ‘De hoeven van Norbert doen het zand hoog opstuiven. Het verspreidt zich in de lucht die boven de weg trilt. Ik laat de teugels vieren en veeg het zweet van mijn voorhoofd.
    Het heeft al weken niet geregend. Gras verdort en kreken vallen droog. het zand stuift over Paramaribo en neemt de stad over. Ik wrijf in mijn ogen en spuug zandkorrels uit. In mijn haar, oren en neus laat ik ze zitten. Als een dier probeer ik me aan te passen aan een omgeving die steeds vijandiger wordt.’

     

    Centaur
    Auteur: Chris Polanen
    Uitgeverij: Lebowski
  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • In memoriam A.L. Snijders 1937 – 2021

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Cornelis Müller, werd in 1937 geboren in Amsterdam. In 1971 trok hij met zijn vrouw Yvonne Sweering, waarmee hij 52 jaar samen was, en vijf jonge kinderen naar een boerderij in Klein Dochteren waar hij het boerenleven omarmde. Eenmaal daar begon hij brieven te schrijven naar vrienden en familie in het land. Vanaf de jaren tachtig schreef hij columns voor verschillende kranten, waaronder het Parool, Deventer Dagblad, Dagblad van het Noorden en later de VPRO Gids. Vanaf 2000 begon Snijders korte stukjes te schrijven, de zogeheten zkv’s. Deze verzond hij in eerste instantie per mail naar zijn kinderen en vrienden, aan uitgeven dacht hij niet. Hij ging er ook wel prat op dat hij lange tijd de enige schrijver was die niet werd uitgegeven. Toen ik Peter Müller in 2019 interviewde, vertelde hij een anekdote ‘die waar is’, zo hij zei.

    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit.’ 

    De columns uit kranten en de begeleidende brieven die Snijders aan de redacteur van de krant schreef, werden in de jaren negentig gebundeld door Thomas Rap en uitgegeven in vier boeken. 

    Snijders is altijd een deadlineschrijver geweest, op verzoek van Ineke Swanenveld, sinds 2019 zijn vrouw, kwam daar verandering in. Zo lukte het Snijders om niet op zaterdagavond pas een punt achter zijn radiocolumn voor de zondagochtend te zetten, maar het stukje vaak op vrijdagmiddag al te schrijven. Of deze verandering in werkwijze in de toon en aard van zijn zkv’s te onderscheiden is, zou een onderzoek waard zijn. Ooit was zijn beeld van een ideale zkv, een verzonnen verhaal zo te schrijven, ‘dat niemand er bij stilstaat of het werkelijkheid is of niet’.

     Mijn eerste herinnering aan het bestaan van columnist A.L. Snijders gaat terug naar begin jaren tachtig, tijdens een literaire middag in de schouwburg van Apeldoorn, Orpheus. Ik was er met een oudere vriendin die daar zou voorlezen. Snijders naam klonk in de wandelgangen, daar was iets mee, eigenzinnige onbegrijpelijkheid klonk er. Ik herinner me vooral de lange benen, de uitbundige gezichtsbeharing en toegeknepen ogen, alsof er een vlieg uit geweerd moest worden. We waren te laat om hem te horen voorlezen, er was iets ongekends aan mij voorbij gegaan.
    Er is geen schrijver die zo onbegrijpelijk kon schrijven als A.L. Snijders, maar ook zo aanwezig was in elk zkv dat hij schreef dat hij op den duur een open boek was voor wie er oog voor had. Onbegrijpelijk schrijven was een uitdaging voor Snijders. In een interview vertelde hij dat hij nog verder probeerde te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker wilde schrijven. Al was het niet de bedoeling helemaal onbegrijpelijk te schrijven: ‘Als er in een stukje maar één dingetje raar is, dan is het een zkv, die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’

    Snijders schreef een kleine drieduizend zkv’s waarvan er in 2006 door AFdH uitgevers de eerste 336 werden gebundeld met de titel, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er zouden er nog elf volgen, waarvan de laatste, Tat Tvam Asi in april van dit jaar verscheen.

    Al had Snijders de frequentie van zijn zkv’s de laatste tijd wat geminderd om meer tijd met zijn vrouw door te kunnen brengen, was stoppen met schrijven geen optie. Zelfs als hij niet meer zou worden uitgegeven zou hij blijven schrijven. En dat deed hij, tot vorige week maandag, 7 juni, toen werd hij door een hartstilstand getroffen. Hij werd gevonden in zijn werkkamer waar hij aan een nieuw zkv werkte, voorover liggend op zijn toetsenbord. Toen het bericht van zijn dood wereldkundig werd gemaakt, ging er een schok door de liefhebbers van zijn zkv’s en de vele abonnees van de zogenaamde Graslijst die elke zondagochtend, na het voorlezen van een nieuw zkv, om 8.45 uur op radio 4, diezelfde zkv in hun mailbox vonden. 

    Zondagmorgen, 13 juni verzond AFdH uitgevers dit zkv in wording naar de abonnees van de Graslijst. Een stukje tekst waarvan zomaar gezegd kan worden dat het een puntgaaf zkv is. Want, zoals Snijders zei, als er maar één dingetje raar in zit, is het een zkv.

    Rotspunt
    ‘In de boekenweek ben ik op bezoek geweest in Zutphen t/m Nijmegen.

    Ik las voor in een boekhandel. Na afloop kwam er een oude man op me af die verklaarde dat ik niet bestond. Ik vroeg hem wie ik dan was. Dat kon hij me niet vertellen, dat was zijn zaak niet. Ik vroeg hem wat zijn zaak dan was, maar daar had hij geen antwoord op. Ik vertelde hem dat er in de Middellandse Zee (de zee van Homerus) een rotspunt naar mij vernoemd is, Cape Snijders.’ 

     

     

    Bron: Meer dan een bibliografie, A.L. Snijders / Marius Zeven
    Foto: Paul van Puffelen (2021)

     

  • Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

    Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

     

    Verhalenschrijfster Roos van Rijswijk (1985), debuteerde in 2016 met de roman Onheilig waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Onlangs verscheen De dwaler, een verhalenbundel met een dystopische en surrealistische inslag.

    Roos van Rijswijk (1985) studeerde Nederlandse taal & Cultuur en Literatuurwetenschap. Ze is literair recensent voor het NRC, interviewt schrijvers en is schrijfdocent aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Voor Literair Nederland zocht ik haar op in Amsterdam waar ze een zolderkamer in een voormalig zusterhuis bewoont. Bovenin het trappenhuis word ik opgewacht. Door een lange gang en ruime keuken komen we in de gemeenschappelijke woonkamer. Er ging wat mis, de schrijfster trok de thermostaat onbedoeld van de keukenmuur, die wil ze er nu weer even aanmaken. Er is iets met de temperatuur, in de woonkamer staan de ramen open. Op tafel staat de thee klaar. We spreken over de sfeer in haar verhalen, hoe ze ontstaan en hoe een roman zich (wel/niet) laat schrijven, zich ontwikkelt. Over eerste zinnen, de tijd waarin we leven en de fascinatie met spookverhalen. 


    Hoe gaat het, na de publicatie van je verhalenbundel?

    ‘Buiten het gebruikelijke pandemie chagrijn, gaat het wel goed. Het opgesloten zitten en de constante zorg om familie, inkomsten en de vraag of de wereld wel weer wordt zoals we hem kenden, dat houdt me wel bezig.’


    Komt dat ook in je verhalen terecht, die bezorgdheid?

    ‘Sommige verhalen waren al voor de pandemie geschreven, sommige tijdens. De twee laatste verhalen schreef ik september vorig jaar. Het was toen heel warm en er waren veel bosbranden. Dan krijg ik al gauw een soort apocalyptisch gevoel. Dat is wel mijn aard, en daar word ik ook wel een beetje weemoedig van.’ 


    In een van je verhalen gaat een man op het trottoir liggen omdat hij zo moe is van het leven, hij vergroeit met de omgeving. Hoe kom je daarop?

    ‘Dat verhaal schreef ik in een periode dat ik al heel lang heel moe was, als ik dan over straat liep dacht ik wel eens, zal ik hier gewoon gaan liggen? Dat doe je natuurlijk niet, maar als schrijver heb je het geluk dat je er wel over kunt schrijven. Ik heb het verhaal vrij vlug geschreven, voelde me ook aanzienlijk beter daarna. Ik had het niet verwacht, maar het is wel het eerste verhaal waar iedereen over begint. Misschien omdat het gevoel herkenbaar is, dat je erbij wilt gaan liggen.’


    Gebruik je vaker ervaringen van jezelf voor je verhalen?

    ‘De laatste twee verhalen zijn autobiografisch. Ik heb ook echt met mijn moeder die wandeling over begraafplaats Zorgvlied gemaakt. Mijn moeder kreeg aan het begin van de pandemie een hartaanval, het was niet helemaal zeker of ze het zou redden. Alles was toen net helemaal dicht. Dan fietste ik door zo’n dichte stad dagelijks naar het ziekenhuis. Nu, een jaar later, is ze er weer helemaal bovenop. Toen dat met mijn moeder gebeurde, was dat ook de eerste keer dat ik weer op de fiets stapte. Ik kon heel lang niet meer fietsen, iets tussen tussen gekheid en overspannen zijn. Dat alles heeft veel impact op me gehad.’ 

    ‘Dat ik met mijn moeder over Zorgvlied liep, daar ben ik over gaan schrijven. Een verhaal waar ik al die dingen heb ingestopt, maar wel net anders natuurlijk. Ik heb gevraagd of ze dat goed vond. In het verhaal wordt ze bijna doodgereden door een AH bezorger. En zelf ben ik lang niet zo gek geweest als in dat verhaal, en die stoet van moeders, geesten van voorouders die daar verschijnen, is natuurlijk verzonnen. In het allerlaatste verhaal loop ik als personage rond, niet een op een, maar ik ben er wel.’


    Je beginzinnen hebben een bepaalde urgentie, zoals ‘Je moet je fiets binnen zetten.’ Is dat bewust? 

    ‘Het verhaal “Een zee” begon wel met de eerste zin, “Ze had de zee nog nooit gezien”. Maar het begon ook met een idee. Als ik schrijf kom ik er gaandeweg achter wat ik aan het doen ben, de eerste drie alinea’s zijn een soort voorwerk. In veel boeken over schrijven is het toch wel een tip dat je eerste zin lezers moet trekken. Terwijl ik denk, als de lezer al begonnen is met lezen, dan wil die ook best een paar alinea’s doorlezen. Bij korte verhalen wil je natuurlijk wel snel weten waar het over gaat. Maar dat je met een eerste zin de lezer moet trekken? Je bent geen reclameschrijver. Er is niets op tegen, maar het is beter je niet al te veel met de lezer bezig te houden.’


    Werk je een idee eerst uit op papier?

    ‘Ik vind het een heerlijk idee om met pen en papier te schrijven, maar ik ben er te ongeduldig voor. Toen ik pas met schrijven begon en nog niet zo snel kon typen, schreef ik liever met de hand. Maar zo gauw mijn typesnelheid op denksnelheid lag, typte ik alleen nog. Toen ik het verhaal ‘Zorgvlied’ schreef, deed ik mee aan een onderzoek van het Huygens Instituut over het schrijfproces van schrijvers op een computer. Er zijn veel oude manuscripten met de hand geschreven, met doorhalingen en dan zie je hoe zo’n verhaal geschreven is, met alle kladversies erbij. Nu deden ze onderzoek naar hoe dat digitaal gaat. Toen het onderzoek gestart werd, kon ik eerst helemaal niet schrijven omdat elke toetsaanslag geregistreerd werd. Van de weeromstuit begon ik een soort schaduwadministratie bij te houden, ging ik met de hand schrijven (schaterende lach).’


    Je schreef ook een verhaal over het uploaden van het bewustzijn van iemand die dood is, hoe kom je daar op?

    ‘Ik wilde een modern spookverhaal schrijven. Toen dacht ik, wat is nu de modernste variant van een geest die we kennen? Naar hoe je het geheugen en bewustzijn van de mens kunt bewaren is al veel onderzoek gedaan. Er bestaan al een soort chatrobots van mensen die dood zijn, naar aanleiding van hun posts op social media. Ik heb onderzocht of zo’n chatrobot werkelijkheid kan worden, nu blijkt dat die dus al bestaan. Het inscannen van hersenen  in relatie met het ‘bewaren’ van iemands brein, is ook onderzocht. Ik heb me helemaal verloren in dat onderzoek, toen moest er nog een gegeven zijn, een verhaal. Ik was er wel over uit dat het iemand moest zijn die zijn bewustzijn bewaart en vervolgens een soort klopgeest wordt. Toen dacht ik aan wat het ergste is dat je kan overkomen, en dat is toch wel je eigen kind bijna de dood injagen. Ik heb wel gepuzzeld met de vraag, wat wil zo’n personage? Over dit verhaal heb ik heel lang gedaan, ik moest er verschillende vormen voor vinden.’


    Wat heb je met spookverhalen?

    ‘Als schrijver vind ik het interessant dat een spook geen lichaam heeft. Het is een mens, maar ook weer niet. Een spook roept veel emoties op; angst, weemoed, verdriet, of liefde. Je kunt er ontzettend veel kanten mee op. Maar wat het voor de schrijver moeilijk maakt is dat een spook oneindig is. Ik heb wel eens geprobeerd een roman te schrijven vanuit een geest. Mike McCormack (Ierse schrijver / Dag der zielen Iv/dG) heeft het gedaan, een verhaal vanuit een gestorven man. Dat lukt mij dus niet, omdat het nooit stopt, een geest is oneindig. Ik heb zelf geen aanleg voor geloof in het hogere, maar als iemand mij vertelt dat hij een geest heeft gezien, geloof ik dat wel. Ik vind het geweldig dat mensen zingeving vinden in het ontastbare.’


    Was schrijven een keuze?

    ‘Als kind las ik puur als tijdverdrijf. Later werd ik geraakt door de poëzie van Leo Vroman. Maar ik had nooit het idee dat iemand zomaar schrijver kon worden. Er waren mensen die boeken schreven en mensen die ze lazen, zo zag ik het. Dat je die schrijver zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Ik schreef wel heel graag. Vanaf mijn zestiende schreef ik voor een theatergroep. En toen ik op mijn vierentwintigste ging studeren, schreef ik columns voor het universiteitsblad. Maar nog steeds dacht ik niet, ik ga schrijven. Pas nadat ik een kort verhaal geschreven had, dacht ik, Oh, dit kan gewoon.’

    Toen het verhaal ‘Een zee’, dat in bewerkte versie ook in de bundel staat, werd opgenomen in literair tijdschrift Revisor, werd Roos van Rijswijk benaderd door verschillende uitgevers. 

    ‘Daar schrok ik wel van. Ik dacht, wat heb ik nou aan mijn broek hangen. Ik ben wel met verschillende uitgevers gaan praten, maar ook gezegd dat ik het nog niet wist, dat ik eerst wilde afstuderen. Uiteindelijk ben ik bij uitgeverij Querido terecht gekomen. En afgesproken dat ik me zou melden als ik dacht daadwerkelijk een boek te kunnen schrijven.’


    Ging het gelijk om een roman?

    ‘Ik heb nog gevraagd of het een verhalenbundel mocht zijn, maar daar werd niet heel juichend op gereageerd. Ik snap ook wel waarom, verhalen verkopen gewoon niet goed. Met deze verhalenbundel wist ik ook dat het geen verkoopknaller zou worden. Zelfs als ik hier een prijs mee zou winnen, dan nog zal het niet een ‘warme broodjes boek’ worden. Het is geen populair genre. Het meest gehoorde argument is, ‘Ik wil zo graag verdwijnen in een roman.’ Pleitbezorgers van het korte verhaal vergelijken het dan weer met een serie op Netflix kijken. Dan denk ik, Nee! Korte verhalen vraagt echt wel wat meer dan een serie kijken. Maar goed, toen ik een idee had voor een roman, heb ik weer contact opgenomen. En dat is uiteindelijk Onheilig geworden.’


    Hoelang heb je daaraan gewerkt?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, ik heb er niet elke dag aan gewerkt. Ik moest ook gewoon voor een inkomen zorgen. Ik werkte toen in een boekhandel, daarmee kwam ik niet rond, wat op zich een tragisch gegeven is. Daarna ben ik op een kantoor gaan werken, vier dagen per week. Toen Onheilig uitkwam, had ik genoeg gespaard om een half jaar te overleven. (Lacht) Wel op water en brood hoor. Nadat ik gedebuteerd was, ben ik gaan freelancen, begonnen met interviews, recenseren.’


    Je won er de Anton Wachterprijs mee.

    ‘Ja, dat was fantastisch natuurlijk. Ik wist al een beetje hoe de literaire wereld in elkaar stak, dat je als debutant nergens op moet hopen, en dat deed ik ook niet. Ik vond het überhaupt al geweldig dat ik een boek af had. Ik ben een notoire ‘niet afmaker’ van projecten. Dus daar was ik al zo mee in mijn nopjes. Het boek werd ook goed ontvangen, en toen won ik ook nog die prijs.’


    Je schreef daarna verschillende korte verhalen, werkte aan kleine projecten, dacht je nog wel eens aan een roman schrijven? 

    ‘Ik heb wat turbulente jaren gehad, relatie verbroken, verhuisd naar een zolderkamer, maar ben wel steeds blijven schrijven. Maar om iets groters te maken, dat lukte me niet. Ik hoor wel eens van schrijvers die zeggen,”De eerste drie uur van de dag zijn heilig.” Maar het lukt mij niet om te schrijven als er honderd andere dingen zijn die me dwarszitten. Ik kan dat niet uitzetten. Dus ik moet heel erg mijn eigen bedje spreiden, en dat lukt niet altijd, maar wel steeds beter.’

    ‘Als ik schrijf wil ik niets aan mijn hoofd hebben, en dat is heel onhandig als je als freelancer werkt. Toen ik al een tijdje aan Onheilig werkte, stukje schrijven, weer weggooien, en op de helft was, ben ik een paar weken naar Duitsland geweest en daar heb ik het boek in één keer afgeschreven. Zo werk ik het liefst, me helemaal begraven in iets, als een soort maniak. Dan leef ik op een heel ongewoon ritme. Ik was ook gewoon vies en verwaarloosd na die weken. Maar het was heerlijk.’ 

    ‘Dat maniakale heb ik ook in mijn andere werk. Als ik een schrijver moet interviewen, sluit ik me op om alles van die schrijver te lezen. Alsof ik een expert moet zijn op het gebied van degene die ik ga interviewen. Wat natuurlijk helemaal niet hoeft!’


    Is het voor een schrijver een interessante tijd waarin we leven?

    ‘Ik vind de discussie over toe eigening heel interessant. Zou ik, als witte vrouw over een zwarte man kunnen schrijven? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet zou doen omdat ik me niet genoeg kan verplaatsen in een zwart personage, dat personage loopt tegen bepaalde dingen aan waar ik nooit tegen aanloop. Maar ik ben er niet tegen. Als een witte schrijver vanuit een zwart personage schrijft vind ik het oneerlijk om te zeggen, doe maar niet. Het hangt er heel erg vanaf of het goed gedaan wordt. Maar ik weet ook niet of ik dat kan beoordelen. Ik vind het, zoals gezegd een interessante discussie die me er wel bewust van heeft gemaakt dat als je een personage niet beschrijft, de lezers ervan uitgaan dat het een witte man is rond de 30-40 jaar.’

    ‘Als schrijver ben ik me bewust dat ik wat kleur moet aanbrengen, en dan bedoel ik niet gelijk huidskleur, maar een soort reliëf, zodat er niet alleen een soort Matt Damons in rondlopen. Het is niet dat ik het er bewust inschrijf, het is wel meer in mijn bewustzijn gekomen.’


    Is de buitenwereld niet meer te negeren?

    ‘De thema’s en discussies die in deze tijd spelen zijn wel in mijn bundel terechtgekomen. Ik heb er wel een zekere diversiteit in aangebracht binnen mijn eigen comfortzone. In twee verhalen noem ik niet of het om een vrouw of man gaat. In twee recensies werd de protagonist van het titelverhaal ‘De dwaler’ verschillend ingekleurd. In het Parool was het een vrouw, de recensent in Trouw had er een jongen van gemaakt. Ik denk wel dat het voor schrijvers belangrijk is te weten hoe ze erin staan, erover nadenken. Sommige witte mannen roepen, “Mag ik dan helemaal nergens meer over schrijven?” Zo werkt het natuurlijk niet. Maar je kunt ook niet doen alsof de buitenwereld niet bestaat.’


    Uit je verhalen klinkt ook een zweem van fatalisme, waar komt dat vandaan?

    ‘Ik ben heel fatalistisch. ik denk al snel, wat heeft dit voor zin. Wat voor mij zin heeft, is kunst, maar om dat te maken moet ik wel eerst twintig drempels voor over. Als ik schrijf ben ik minder fatalistisch, maar het komt er wel in. Ik begin de bundel dan ook met het einde van de mensheid, dat vond ik wel leuk. En ik eindig met het einde van de literatuur (lacht hard), dat verhaal begint met, “Ik heb niets te vertellen. Alles wat er aan de hand is, is er al.”’


    Je bent schrijfdocent, schrijver, recensent en interviewer, wat heeft je voorkeur?

    ‘Als ik met het mes op de keel zou moeten kiezen, dan wel schrijver. Maar ik ben ook wel blij met de afwisseling. Schrijfdocent vind ik fantastisch om te doen en recenseren doe ik graag, maar ik zou wel meer tijd willen hebben voor schrijven.’


    Is er een schrijver, een boek waarvan je wenst zo te kunnen schrijven?

    ‘Oeh, heel veel. De dag van de zielen van Mike McCormack, dat had ik graag willen schrijven. Ik herlees bijna nooit iets, maar eens per jaar herlees ik Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. En Faxen aan Ger van Mizee, vind ik geweldig, maar zou nooit zoiets schrijven. En Eva Meijer, die als schrijver zegt dat het altijd wel komt, dat schrijven. Dat zou ik ook wel willen. En ik zou heel graag een Gothic Novel willen schrijven, vrouwen spelen daarin een sterke rol. Ik vind het een heerlijk genre, zoals Shirley Jackson ze schrijft. Ik heb een heel plot liggen, ben er weken mee bezig geweest. Maar dan heb ik het plot, dan denk ik, nu weet ik al wat er gaat gebeuren, en schrijf er niet aan verder. (Lachend) Ik moet mezelf blijkbaar ook verrassen tijdens het schrijven.’

     

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Herman van Bostelen

     

     

  • Oogst week 20 – 2021

    Tat tvam asi

    De nieuwe bundel – de twaalfde alweer – zeer korte verhalen van A.L. Snijders draagt de titel Tat Tvam Asi, dat in het Sanskriets betekent, ‘dat ben jij’. Een zegswijze uit de ‘Upanishads’, (gelukkig geeft de uitgever een verklaring over dit begrip op de achterflap van het boek). Het zijn esoterische, filosofische verhandelingen die binnen het hindoeïsme als heilig beschouwd worden, teksten waaraan elke vorm van sektarisme ontbreekt. Net als in de teksten van Snijders, waarin met de beste wil van de wereld geen enkel teken van sektarisme is te vinden. Wel vatten zijn zkv’s het leven geconcentreerd samen, denk daarbij vooral aan het leven van de schrijver zelf.

    Een zkv kan een korte inleiding van de schrijver op een brief van een lezer zijn, zoals in ‘Achter de wolken’. Snijders schrijft: ‘Mijn uitgever stuurde een bericht rond dat A.L. Snijders zou voorlezen op een festival in Twente. Publiciteit, we kunnen niet meer zonder publiciteit. Een lezer uit Thailand reageerde hij schreef:’ Waarna de brief van de lezer uit Thailand volgt, een zkv op zich, geheel in stijl van A.L. Snijders zelf. De lezer schrijft dat het lastig zal zijn het festival te bezoeken, woont al 27 jaar in Thailand, op een uur vliegen van Kunming in China, waarna de lezer een interessant verhaal over het oude China en over Kunming gaat vertellen, komt erop neer: lezer kan niet naar het festival kan komen.

    Veelal spelen de zkv’s rondom het huis van de schrijver, (schaapskudde voor de deur), ontmoetingen in het bos waar dagelijks gewandeld wordt, observaties in de trein, de supermarkt of tijdens boekpresentaties waarvoor de schrijver wordt uitgenodigd.

    De 337 zkv’s, geschreven in 2019 en 2020, zijn eerder gepubliceerd in onder meer de Vlaamse krant ‘De Standaard’, de VPRO-gids en de wekelijks voorgelezen zkv’s op zondagmorgen bij radio 4, die ook verstuurd werden naar de abonnees via de zogeheten ‘Graslijst’.
    Beelden kunstenaar Chantal Rens maakte de omslagillustratie en de prachtige fotocollages in het boek.

     

    Tat tvam asi
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Plint

    Wie denkt  bij het horen van de naam Plint niet aan poëzie? Gedichten als raamposters, op kussenslopen, (zodat al slapende de poëzie in je dromen verschijnt), dichtregels op servies en speciale dichtbundels, dat alles om kunst en poëzie onder de aandacht te brengen. Dit jaar bestaat Plint 40 jaar. In die jaren las de redactie van Plint ‘duizenden en duizenden gedichten’, waaruit ze de mooiste gedichten samenbrachten met het werk van beeldend kunstenaars of illustratoren.

    Voor het eerst zijn de mooiste combinaties uit 40 jaar Plint verzameld en op onderwerp gezet in 14 hoofdstukken. Gedichten van grote namen als Rutger Kopland, met illustraties van Co Westerik, en minder grote namen. Klassiekers en splinternieuw werk. Het boek is prachtig uitgevoerd, met vier leeslinten om niet tot een keuze beperkt te zijn. Ook een robuust boek, van minstens een halve kilo, met op het voorplat de dichtregel: ‘een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit’, van Bert Schierbeek.

    Het begin van Plint is overigens een uit de hand gelopen initiatief van een groep bevriende leraren uit Eindhoven. Die wilden in 1979 theatervoorstellingen maken en zochten naar middelen dit te financieren. Ze maakten posters voor scholen, dat werd zo’n succes dat er van die theatervoorstelling niets terecht kwam, maar Plint nu dus al zo’n 40 jaar bestaat.

    Leuk weetje is dat in de theaterwereld Plint een ander woord is voor ‘opstapje naar het podium’. En dat is wat Plint is, een opstapje, een eerste kennismaking met het werk van een dichter.

    In het boek zijn registers op dichter, kunstenaar en op titel.

     

     

    Plint
    Auteur: Samenstelling Mia Goes
    Uitgeverij: Uitgeverij Plint

    De tweede plaats

    In de nieuwe roman van Rachel Cusk  De tweede plaats, nodigen de naamloze schrijfster M en haar excentrieke echtgenoot, de beroemde schilder L uit om naar een afgelegen streek aan de kust te komen. De kunstenaar neemt het aanbod aan, maar brengt onaangekondigd een mooie jonge vriendin mee. L neemt met zijn vriendin de intrek in een buitenhuisje, de Tweede Plaats, naast het huis van M en haar gezin. M hoopt met hem te kunnen discussiëren over zijn werk en de kunst, maar de aanwezigheid van de mooie jonge vriendin blijkt een ontwrichtende invloed op de omgeving te hebben. Het wordt een logeerpartij die het hele gezin ontregelt.

    Het boek is een vertelling, M vertelt, als een achteraf navertelde gebeurtenis, het verhaal aan ene Jeffers, die de rol van toehoorder heeft. ‘Ik heb je weleens verteld, Jeffers, dat ik uit Parijs vertrok en in de trein de duivel ontmoette, en dat na die ontmoeting het kwaad dat gewoonlijk rustig onder de oppervlakte ligt, opwelde en zich uitstortte over alle aspecten van het leven. Het deed denken aan een besmetting, Jeffers: alles raakte ervan doortrokken en werd erdoor bedorven.’

    Voor wie bekend is met de boeken van Rachel Cusk, is dit een echt Cuskiaanse vertelling, scherp observerend brengt ze de positie van de vrouw ten opzichte van de man in beeld. Daarbij altijd nieuwe inzichten vrijgevend.

    De tweede plaats
    Auteur: Rachel Cusk
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

    Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

     

    Schrijfster Mira Feticu (1973) groeide op in Roemenië tijdens de dictatuur van Ceaușescu (1967-1989). Als jong meisje schreef ze al gedichten, in 1993 debuteerde ze met een dichtbundel. Ze studeerde  Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, waar ze later werkte als radiomaker. In 2001 werd ze met haar verhalenbundel Femei cu veverite (Vrouwen met eekhoorntjes) genomineerd voor de prijs van de Unie van Schrijvers uit Roemenië en voor de speciale Laurențiu Ulici-prijs. Aan de universiteit in Boekarest leert ze ook haar Nederlandse man kennen waarmee ze in 2003 naar Nederland komt.

    Na vijf jaar in Nederland ging Mira Feticu in het Nederlands te schrijven, in 2012 debuteerde ze met Lief kind van mij bij De Geus, een jaar later volgde De ziekte van Kortjakje. In 2019 verscheen haar grote roman Al mijn vaders bij uitgeverij Jurgen Maas en dit jaar kwam het non-fictie boek Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal uit  bij De Geus

    Voor Literair Nederland sprak ik de schrijfster via Zoom. We spraken over wat je achterlaat en wat je niet geworden bent. Over de boeken die ze hier schreef. Welke kansen een schrijver geboden worden in een nieuwe taal en de heftigheid in haar proza. Over haar worstelingen met de taal, heimwee dat nooit voorbij gaat, en is schrijven therapie of moet het meer zijn?


    Hoe was het voor jou om de Nederlandse taal te leren? 

    ‘Toen we naar Nederland kwamen was mijn dochter twee jaar. Ik vond het heel moeilijk te accepteren dat ze een taal zou gaan spreken die ik niet zou kennen. Dat ik de nuances van wat mijn dochter zegt, niet zou begrijpen. Dat was een verschrikkelijke gedachte. Mijn man sprak Nederlands met haar, ze leerde snel. Maar ik was tweeëndertig toen ik hier kwam, voor mij ging het moeilijker. Ik raakte geobsedeerd, was alleen maar met taal bezig. Ik moest Nederlands praten zodat mijn dochter zich niet hoefde te schamen voor mij. En via de Nederlandse taal kon ik weer literatuur schrijven. Het was voor mij de sleutel naar het leven, dat ik weer mee kon doen.’


    In Roemenië had je al enige erkenning verworven, hoe zag je het leven als schrijver in Nederland?

    ‘In Roemenië besefte ik niet hoe verwend ik was te kunnen schrijven in mijn moedertaal. Hier probeerde ik te schrijven wat ik niet kon zeggen, het echte werk. Ik leefde met woordenboeken, met vragen en steeds opnieuw schrijven, herschrijven. Mijn eerste boeken hadden drie versies. Van Joseph Conrad die van oorsprong Pools is, weet ik dat het bij hem automatisch ging. Bij mij was dat niet zo, bij mij was het een beslissing. Ik wist dat als ik wacht, ik te oud zou zijn om het te leren. Dus ik moest de sprong wagen, wat wel typerend is voor mijn leven. Sommige mensen zeggen, “Jij durft”. Maar ik zeg, “Niemand heeft mij geleerd daarover na te denken.” Ik ging gewoon voor de dingen. Zo heb ik dat ook met de Picasso gedaan, (over de teruggevonden (nep-)Picasso schrijft ze in Picasso’s keerzijde Iv/dG), met de emigratie. Ik ging gewoon. Ik volgde mijn man zonder te weten wat dit voor mij zou betekenen. Dat is mijn karakter, ik volg mijn hart, mijn instinct. Dat is niet altijd goed, ik betaal daar een rekening voor die ik mijn hele leven moet afbetalen.’


    Wat bedoel je met, ik betaal daar een rekening voor?

    ‘Als je emigreert leef je een tweede leven en laat je een onvoltooid leven achter. Het emigreren heeft mij veel goeds gebracht, ik heb veel kansen gekregen, maar er zijn ook veel dingen weggevallen. Ik ben totaal veranderd door de nieuwe taal, door de geografie. En het is moeilijk iemand anders te worden in hetzelfde leven. Af en toe spreekt de Roemeense geest in mij. Als mijn vader dan met Pasen belt, of ik zie op Facebook hoe vrienden Pasen vieren, dan denk ik aan mijn vorige leven dat zich daar afspeelde. Ik voel daardoor een pijn die ik mijn hele leven met mij mee zal dragen.’


    In je romans schrijf je over die pijn. Het is heel heftig. Zo nu en dan moest ik het boek even wegleggen. 

    ‘Dat heb ik van anderen vaak gehoord: “Mira, probeer minder heftige verhalen te vertellen want je laat de lezer schrikken.” Maar bij het schrijven gebeurt er iets in mij. Woorden en betekenissen komen vanuit mijn hoofd en mijn hart. Het personage Myra, (in Al mijn vaders Iv/dG) kan geen softe verhalen gebruiken. Ik heb een moeilijke jeugd gehad in Roemenië, wat ik pas besefte toen ik in Nederland kwam. Ik werd als kind weggerukt uit mijn dorp. Op het internaat waar ik werd geplaatst leek het huis van mijn ouders een paradijs, wat het helemaal niet was. Dat meisje dat heimwee heeft naar het paradijs, dat zit nog steeds in mij.’


    Is je derde roman, Al mijn vaders een afsluiting van deze periode? 

    ‘Ik zal hier nooit meer over schrijven. Het is mijn meest pijnlijke boek geweest om te schrijven. Ik werkte in een schuur bij ons vorige huis. Drie jaar lang bleef ik in die schuur, het was heel moeilijk voor mijn gezin. Bijzonder is dat ik door de nieuwe taal en geografie, toegang kreeg tot wat er toen speelde. Als kind probeerde ik me te redden zo goed als het ging, zonder te beseffen wat me allemaal overkwam. Ik had in mezelf iets uitgeschakeld om te kunnen overleven. Het was verschrikkelijk, ook pijnlijk, maar ik kon er opeens over schrijven. Niet dat ik mijn verleden door mijn boeken een plek kon geven. Maar toch, tijdens het spelen van Al mijn vaders (er is een toneelvoorstelling van gemaakt Iv/dG), met Hans Dagelet, gebeurde er iets. Ik werd  mij bewust van het kind in mij. Op het podium stonden twee foto’s van mij als kind. Voor ik op ging zei ik tegen die foto’s, “Nu gaan we weer vertellen.” Tijdens het spelen word ik weer het meisje dat ik was. Het meisje is daar, en we kunnen vertellen, zonder schaamte. En door dat spelen, ik ben geen actrice, het was allemaal nieuw voor mij, doet de wond minder pijn. Het krijgt een gezicht, dat je dan kunt zien dat het niet zo verschrikkelijk is.’


    Aan het eind van het boek schrijf je een lange brief aan de vader, een vergevingsgezinde brief.

    ‘Ik hou veel van mijn vader, elke dochter houdt van zijn vader. Omdat ik dat wist, en om mijn kind een vader te geven, heb ik mijn leven in Roemenië achter gelaten. Zodat mijn dochter niet op de verkeerde knieën zou gaan zitten zoals ik gedaan had. Daarom ben ik mijn man gevolgd, om mijn kind dat te besparen. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Ik deed het vanuit een obsessie, vanuit mijn trauma’s. 


    Je vader had ook willen studeren, hij hield van boeken maar kreeg niet de gelegenheid.

    ‘Mijn vader is een slimme man, maar ook een zwakke man. Als kind heeft hij veel geweld meegemaakt. Wij hebben allebei veel geweld meegemaakt (zucht diep). Ik kan hem nu begrijpen, ik ben nu oud genoeg om niet meer boos te zijn, niet meer zo gekwetst. Eigenlijk heb ik voor een deel de droom van mijn vader waargemaakt. Ik moest hard studeren. Gelukkig vond ik studeren leuk. Nog steeds moet ik tijd maken om te lezen, anders heb ik het gevoel dat ik niet mezelf ben. Zonder lezen en studeren heb ik het gevoel dat ik mijn tijd verdoe. Ik moet bezig zijn, iets nieuws maken, ideeën uitwerken.’

    Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal bestaat uit drieënveertig essayistische stukjes waarin Feticu schrijft over haar worsteling met de taal, de ontdekkingen en valkuilen, haar overwinningen daarin. Het laat zien wat het betekent als je een nieuwe taal moet leren, dat daarmee ook een nieuwe identiteit ontstaat. Sprankelende stukjes, die vertellen hoe het is om die nieuwe taal te gebruiken, gecorrigeerd, niet begrepen te worden. Deels is het boek ook een pleidooi voor het anders omgaan met nieuwkomers en het leren van een nieuwe taal. Ze pleit voor meer taalprogramma’s op radio en tv, voor zowel Nederlanders als nieuwe Nederlanders, om ze meer kansen te geven de taal op en top te kunnen gebruiken. 


    Hoelang heb je aan Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal gewerkt?

    ‘Ik heb dit boek in verschillende landen geschreven. In Italië, Zuid-Afrika en Roemenië. Maar ik kon alleen thuis in afzondering de juiste toon vinden. Afgezonderd van mijn gezin, dag en nacht alleen met mijzelf. Een column kan ik overal schrijven, maar met een boek is het alsof ik in een soort trance raak. Dat was met Liefdesverklaring ook zo.

    In Italië was ik in residentie en deelde een huisje met een andere schrijfster. Zij schreef op onregelmatige tijden en ik moest van mijzelf om 9 uur beginnen, om 14.00 uur een pauze en weer verder. Dan deed ik de deur van het huisje op slot omdat ik niet gestoord kon worden. Je moet mij met rust laten als ik schrijf, niet binnenlopen omdat je even iets wilt pakken, dat vind ik erg moeilijk.’


    Gaat het schrijven van non-fictie makkelijker dan een roman schrijven?

    ‘Bij een roman werk ik meer als een architect, ik denk in constructies, de verschillende onderdelen, de puzzel. Ik denk aan alle details die soms belangrijker zijn dan het personage zelf. Het is een metafoor, groter dan mezelf, een sisyfus werk, alles van die roman draag ik als een berg op mijn rug. Als ik non-fictie schrijf, is het alsof ik ergens ga zitten en begin te vertellen.’


    In Lief kind van mij zegt een oom, ‘Schrijven is eerst therapie en dan de American Dream’. Wat bedoel je hiermee?

    ‘Schrijven is creëren, is therapie om meer redenen. Het houdt je actief. Als ik drie pagina’s heb geschreven ben ik gelukkig, als ik vijf pagina’s heb geschreven, mag ik leven. Al schrijvende geef je een plek aan wat je hebt meegemaakt, maar om een trauma echt te verwerken moet je naar een therapeut. En misschien gaat de ‘American Dream’ over iets in jezelf, dat je weet dat je iets hebt opgebouwd. Maar schrijven moet meer dan therapie zijn. Het moet groter zijn, het moet de lezer boeien, het moet iets doen met de lezer.’


    Hebben jouw ouders een beeld van jou als schrijfster in Nederland?

    ‘Nee, dat beseffen ze niet. Als we bellen hoor ik wel eens dat ze iets via Facebook hebben gezien over mij. We leven in parallelle werelden, zij weten niets over mij. Het heeft geen zin om hen, dertig jaar later, iets over mijzelf te vertellen. Soms is het moeilijk te beseffen dat ze er over misschien tien, twintig jaar niet meer zullen zijn. Ik weet hoe mijn vader en moeder reageren, hoe ze denken, zich bewegen. Maar ik kan niet zeggen dat ik een vader en een moeder heb gehad.’


    Zou je deze boeken hebben geschreven als je in Roemenië was gebleven?

    ‘Sommige dingen kan ik alleen in het Nederlands schrijven. Alleen in het Nederlands kon ik zeggen, “Hij heeft mij naar zijn kamer gebracht”. Ik heb geprobeerd deze zin in het Roemeens te zeggen, maar dat is moeilijk. Het krijgt ook een andere betekenis in het Roemeens, ik moet mezelf verstoppen na zo’n zin. Ik leun op deze nieuwe taal, zij heeft mij kracht gegeven deze zin te zeggen. Het is heel interessant wat een vreemde taal met je doet. Ik dacht ook aan Nabokov, die eerst in het Russisch schreef, in de jaren dertig schreef hij in het Frans, en daarna, toen hij naar Amerika verhuisde, ging hij in het Engels schrijven. Pas op zijn vijftigste schreef hij Lolita. Dan vraag ik me af, wat was Nabokov zonder de Engelse taal. Dat vind ik ongelofelijk interessant.’


    Wat betekende literatuur voor jou?

    ‘Het leven was hard waar ik opgroeide. Alle dieren die we hadden aten we op, de kip, het varken. Eerst aaide je het varken op zijn buik en het volgende moment werd er een mes in zijn rug gestoken. Dat was hard voor een kind, er was geen medelijden. Dat vond ik wel in de literatuur. Homerus is ontzettend menselijk, over iedereen heeft hij iets moois te zeggen. Iets waardoor je begrijpt hoe die persoon was. Hij heeft medelijden met iedereen. Op mijn twaalfde kreeg ik Het verhaal van St Michele, van de Zweedse schrijver Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd, dat boek heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben die niet tegen het doden van een varken kan. Schrijvers die ik in mijn kindertijd belangrijk vond, waren schrijvers die menselijkheid en zachtheid toonden.’


    Welke boeken blijven altijd bij je?

    ‘Ik vind houvast bij de klassiekers, Homerus, Cervantes en Dante. Hoewel Dante hard lijkt, toont hij ook medelijden. In de Divina commedia smeekt hij om woorden. Hij zegt, “Geef mij het juiste woord om dat te kunnen beschrijven.” Dante die smeekte om het juiste woord, wie ben ik om niet te smeken voor het juiste woord in het Nederlands? De grootste dichter van de Europese literatuur heeft dat gedaan, dan kan ik dat ook doen in een andere taal.’ 


    Hoe belangrijk is het deze klassiekers te lezen?

    ‘T.S. Elliot heeft eens gezegd dat wij niets zijn zonder onze voorouders, wij bestaan omdat onze voorouders hebben bestaan. Zo bestaat poëzie al vele eeuwen en schrijven we al 4000 jaar. Dit is belangrijk te weten. Je kunt geloven dat je door gewoon aan tafel te gaan zitten kunt beginnen met schrijven, dat alles uit je hoofd komt. Maar dat is niet zo, het komt uit je ervaring met lezen, uit boeken. En het feit dat je iets doorgeeft, je moet iets doorgeven.’


    Schrijven is lezen?

    Je moet de grote literatuur kennen. Als je Homerus niet gelezen hebt, is je bagage te licht. Dan heb je iets wat belangrijk is, niet meegenomen. Ik zie de literatuur als een tuin waarin grote bomen staan, maar ook sneeuwklokjes en gras. Ik wil graag in die tuin zijn. Niet als grote sequoia of baobab, maar belangrijk is dat je weet wat er allemaal in die tuin staat, dat je weet wat literatuur is. Zonder lezen kun je niet schrijven.’


    Taal is een getuige schrijf je in Liefdesverklaring. Waar wil jij van getuigen? 

    ‘Weet je, ik zal je iets vertellen wat ik nog nooit in een interview heb gezegd. Ik kom uit de armoede, voorbestemd geen kansen te krijgen, maar ik heb er veel gekregen. Daarvoor heb ik betaald met mijn gezondheid, ik doe alles om te schrijven, om te getuigen dat mensen zoals ik… Ik heb nog nooit verteld dat ik wil schrijven voor degenen die geen kans krijgen. Voor degenen die denken dat het niet lukt. Ik wil laten zien, dat hoe ik in Roemenië, uit de armoede kwam. Dat ik een fantastische baan bij de radio achterliet, hier opnieuw begon. Hier ben ik een buitenlander, ik zal de taal nooit perfect leren spreken. Toch wil ik laten zien dat het kan. Dat mensen zoals ik iets te zeggen hebben. Dat mensen zoals ik ook een rijkdom bezitten.’

     

    In Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal schrijft Mira Feticu: ‘De Nederlandse taal is voor mij wat voor de bouwvakker het hout, de stenen of het  cement is. Ik ben een bouwvakker in de Nederlandse taal en af en toe, midden in mijn boeken, bij vlagen, een ingenieur. Ooit zal ik volleerd ingenieur worden. Misschien ook architect.’

     

     

     

    Foto auteur: Irwan Droog


  • Oogst week 10 – 2021

    Ernest Hemingway is gecanceld

    Ernest Hemmingway is gecanceld van Henk van Straten (1980) is een stevige roman over censuur cultuur, met vragen als waarom het (witte) man-zijn een probleem is, en wat is eigenlijk masculiniteit? De hoofdpersoon in het boek heeft twee linker handen, vindt zichzelf een zwakkeling die zich laat imponeren door twee dakdekkers die zijn dak komen repareren. Mannelijke mannen dus, wat leidt tot enige verrechtsing in denkbeelden en dan moeten er keuzes gemaakt worden. Naast dat politiek een rol speelt, gaat deze roman gaat ook over een vriendschap. Het boek is opgedragen aan Selim Lemouchi (1980 – 2014), frontman van de occulte band ‘The Devil’s Blood’. Op een van de laatste bladzijden is dit liefdevolle citaat te lezen:

    Moet je zien Semmie. Moet je nou toch zien. Hoe kan dit tegennatuurlijk zijn? Ik bleef het prevelen tegen mijn oude, dode vriend, voor wie mens-zijn een straf was en de mensheid een misdaad, gepleegd door de Demiurg die ons had vormgegeven, terwijl hijzelf, Semmie, zo mooi was, en ik nog steeds zo dankbaar voor zijn bestaan.’

     

    Ernest Hemingway is gecanceld
    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Naar Lillehammer

    Er is een nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) verschenen, een schrijfster met een geheel eigen stem. Haar werk wordt gewaardeerd om haar lucide stijl en haar scherpe psychologische inzicht. Haar oeuvre telt dertien romans, verschillende verhalenbundels, novellen en theaterstukken. Haar personages raken vanuit herkenbare levens altijd verwikkeld in bizarre situaties. Stel je voor dat iemand je in een speeltuin vraagt even op haar peuter te passen, en dan niet meer op komt dagen? Dat is wat er in Naar Lillehammer gebeurt. De kinderloze Cécile neemt de zorg voor het kind op zich als de moeder verdwenen is. Maar algauw krijgt ze ook de zorg van de moeder erbij, de Nigeriaanse Gladys.

    Deze wil uit de prostitutie maar haar pooier laat haar niet met rust waardoor ze zich in de stad niet veilig voelt. Ze vlucht naar een afgelegen vakantiehuis in de bossen bij Lunteren, maar ook daar ontkomt ze niet aan de macht van haar pooier.
    Er komt een rechercheur in voor, een mortuarium en een verhoor. Evenals in haar andere boeken wordt er ook in Naar Lillehammer de vraag gesteld over goed en kwaad.

    Naar Lillehammer
    Auteur: Vonne van der Meer
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe verschillig

    Marjoleine de Vos (1957) schrijft over kunst, literatuur en koken, en heeft een tweewekelijkse column in het NRC. Een selectie uit deze columns werd in 2000 gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen. In dat jaar verscheen ook haar eerste poëziebundel Zeehond graag, in 2003 gevolgd door Kat van sneeuw. In 2008 verscheen haar laatste en goed besproken bundel Het Waait.
    Haar nieuwe bundel Hoe verschillig bestaat uit veertig gedichten waarin ze de onmogelijkheid van de terugkeer onderzoekt. Hieronder een voorpublicatie uit de bundel:

    Melancholie van het heden

    Het maakt niet uit haast waar je bent,
    een plein of stad, het weidse land,
    elk uitzicht spreekt je van voorbij.
    Of nooit geweest, maar toch gemist.
    Niet jij maar iets in je, wat voelt of
    meetrilt met muziek, zoekt
    in de lucht, de sloten, geur van hooi
    het landschap dat je kent in jou,
    dat óók zo blauw en zomers was.
    Het komt betoverend tevoorschijn:
    gelach van ouders, zingen op de fiets,
    de sprong het juichend water in. Niets
    sprak tot je zoals nu en zei –
    oh onterecht – dat alles wat je leeft
    slechts echo is, een naklank. Bijna echt.

     

    Hoe verschillig
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Verhalen en een partituur van walvisgezang

    Verhalen en een partituur van walvisgezang

    De redactie van literair tijdschrift Terras struint onvermoeibaar door de wereldliteratuur op zoek naar verhalen van schrijvers die een ander geluid laten horen. Dat het tijdschrift neigt naar een boekwerk, beseffen ook de makers van het blad. ‘Terras-nummers neigen tot uitdijen, en houden vaak niet halt bij de grenzen van het voor de hand liggende.’ In deze editie ‘Naar water’ getiteld, kan een verhaal dat zich afspeelt in Napels niet ontbreken. Van journalist en schrijver Nicola Pugliese (1944-2012) is de roman Malacqua. Vier dagen regen in Napels in afwachting van een uitzonderlijke gebeurtenis dat in 1977 verscheen bij uitgeverij Einaudi. Toen het boek uitverkocht was, gaf de auteur geen toestemming voor een herdruk. Pas na zijn dood, in 2012 werd het opnieuw uitgegeven. Een deel daarvan, De derde regendagwerd vertaald door Annemart Pilon.

    Ongekend verhaal

    Pugliese schrijft met het gestage ritme van de regen, als het stromen van water, kabbelend. ‘Met deze regen die naar beneden komt als regen die naar beneden komt.’ En waarin het water zelf tot protagonist verwordt. ‘Dus het was het zilte zeewater, dat van de ene naar de andere stoep overstak. Het kabbelde voort in zachte stroompjes, en er was continu een deel van het water dat voorop ging om de richting aan te geven’. En verderop, als het water door de straten en steegjes de huizen binnendringt. ‘Eigenlijk deed het water niets anders dan uit alle huizen nauwgezet en geduldig één voor één de haveloze jongens opduikelen die die ochtend niet naar de zee bij de Via Partenope, de Via Caracciolo en Mergellina hadden kunnen gaan, en de zee zag dat als een blijk van liefde, en dat was het ook echt.’ Een prachtig verhaal.

    Met een thema als water is ook droogte niet ver weg. Renée van Marissing schreef daarover het interessante essay, Over droogte en watergebrek in speculatieve fictie. Ze las vele boeken over de klimaatcrisis en zag films over een dystopische droogte-toekomst. Ze vraagt zich af waarom deze aanstaande werkelijkheid maar zo moeilijk tot ons doordringt. Dat we het niet kunnen bevatten dat er een klimaatcrisis gaande is. Ook Marissing zelf kan er maar moeilijk aan, ‘ik wil wakker geschud worden maar tegelijkertijd wil ik horen dat wat me verteld wordt slechts een nare droom is, niet de waarheid.’ 

    Walvisgezang

    In deze editie zijn een twaalftal grijze bladzijden waarop meerdere zwarte stippellijntjes staan. Het doet denken aan een rol met gecodeerde muziek zoals voor een draaiorgel. In dit geval gaat het om wetenschappelijke opnames van walvisgezang, onderdeel van het kunstwerk ‘Salvage’ van Vibeke Mascini, die de opnames heeft omgezet naar een partituur voor pianola. Klik hier om de installatie waarop de gecodeerde muziek wordt afgespeeld te bekijken en een fragment van deze gecodeerde walvisgezang te beluisteren.

    Nog zo’n verhaal dat er uitspringt is ‘Spraakklanken’ van de Afro-Amerikaanse sciencefictionschrijfster Octavia E. Butler (1946-2006). In 1984 won Butler met haar korte verhaal Speech Sounds de Hugo Award (prijs voor de beste sciencefiction- of fantasyverhalen). Han van der Vegt vertaalde het voor Terras. Over een ziekte die mensen de taal, het vermogen tot lezen en spreken ontneemt, zelfs het leesgeheugen wordt gewist. En wie er nog spreekt, zwijgt het liefst of wordt door jaloerse omstanders vernietigd. Butler beschrijft een samenleving waarin iedereen een kort lontje heeft, een vechtpartij nooit ver weg is. Een apocalyptisch verhaal dat nochtans een sprankje hoop geeft op het eind wanneer de jonge vrouw Rye, die het hele verhaal gezwegen heeft, twee kinderen vindt waarvan het spreken nog intact is.

    Ze tilt ze op, en neemt in elke arm een kind. Ze zijn zo licht dat ze zich afvraagt of ze wel genoeg te eten hebben gehad. Als de jongen zijn hand over haar mond legt, zegt ze, ‘“Je mag praten,” (…) “Zolang er niemand in de buurt is, is het goed.” Ze zette de jongen voorin de auto en hij schoof op zonder dat ze dat hoefde te zeggen, om plaatst te maken voor het meisje. Toen ze allebei in de auto zaten, leunde Rye tegen het raam, keek naar hen en zag dat ze nu minder bang waren, dat ze haar aankeken met minstens evenveel nieuwsgierigheid als angst. “Ik ben Valerie Rye,” zei ze, en ze genoot van de woorden. “Tegen mij kunnen jullie rustig praten.”’

    Schier oneindig

    Ook staat er een theorie van een zwembeweging in getiteld, ‘Zwemmen of de zwemkunst, thuis aangeleerd in minder dan één uur’ van Jean-Pierre Brisset, vertaald door Roku Hofstede. Geïllustreerd met voorbeeldfiguren. En een stuk van Miek Zwamborn, die woont op Isle of Mull in Schotland. In ‘Compressie’ ontmoet ze de Amerikaanse dichter Seth Crook die zich evenals Zwamborn, heeft teruggetrokken op Isle op Mull. De dichter duikt en zwemt, twee dingen die onlosmakelijk voor Crook met elkaar verbonden zijn. Zwamborn schrijft: “Als je Crooks gedichten naast elkaar legt, zie je de contouren verschijnen van een poëtisch natuurgetrouwe kaart van de zee rond Mull.’

    Zoals gezegd, dit tijdschrift nadert de omvang van een aantrekkelijk boekwerk. Waarvan de meerwaarde is dat elke editie een ontdekkingstocht is. Met aansprekende en wakkere verhalen van auteurs (het literaire veld is wereldwijd schier oneindig) waarvan je absoluut meer wilt lezen.

     

     

  • Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Wie het afgelopen jaar debuteerde met een roman of verhalenbundel heeft – naast de ervaring om het lang gedroomde debuut eindelijk in handen te houden – er weinig feestelijks aan beleefd. Er waren geen presentaties, geen borrels en geen signeersessies. De Vlaamse schrijver Amarylis De Gryse (1989), die vorig jaar oktober bij uitgeverij Prometheus debuteerde met de roman Varkensribben, verwoordde het zo: ‘Het voelt alsof ik stiekem gedebuteerd ben, een feestje dat onopgemerkt voorbij ging.’ 

    Met haar korte verhalen stond Amarylis De Gryse al eens op de shortlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2019 studeerde ze af aan de Antwerpse Schrijversacademie en eind vorig jaar debuteerde ze bij Prometheus met Varkensribben. Een tragikomische roman over loyaliteit en medemenselijkheid. 

    De Gryse woont in een klein huisje langs een Antwerpse snelweg en volgt een opleiding om boer te worden. Op dit moment loopt ze stage bij een biologische plukboerderij bij Antwerpen. Literair Nederland sprak met haar via een zoom verbinding. Een gesprek over schrijven, herschrijven, het proces van snoeien en groeien en debuteren. En hoe je in een tijd waarin honderden aspirant schrijvers hun boek uitgegeven willen zien, nog ontdekt kunt worden als literaire belofte. Zoals het Amarylis De Gryse overkwam: ‘Ik was al even bezig met Varkensribben toen ik op schrijversresidentie ging met De Buren, (Vlaams-Nederlands literatuurhuis Iv/dG). Ik denk dat Prometheus mij daar gezien heeft want daarna namen zij contact met mij op. En dat viel mooi samen want mijn manuscript was net af.’

     

    Hoe lang heb je aan je debuut gewerkt?

    ‘Zo’n drie jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik ook een baan had, was er wel eens een periode van drie maanden dat ik er niets mee deed. Ik schrijf heel organisch en dan is het soms ook nodig het even te laten rusten, te laten gisten zeg maar.’

     

    Moest er veel herschreven worden toen het eenmaal bij de uitgever lag?

    ‘Tussen het eerste contact met de uitgever en het drukken van het boek zit een jaar. Er is nog veel aangepast, maar de basis was er al en die was goed. Hier en daar zijn er wat plotlijnen veranderd, maar de grote lijnen, de constructie bleef staan.’

    Dat is gelijk wat opvalt tijdens het lezen van Varkensribben: het boek zit goed in elkaar. Niets is overbodig, de hoofdstukken zijn kort, het verhaal meerlagig. De toon is onderkoeld waardoor de dingen die in wezen triest zijn, komisch worden. Marieke, de protagonist, is door haar vriend op straat gezet en leeft in een huurauto. Ze heeft herinneringen aan haar alleenstaande moeder en haar drie zussen. Ze herinnert zich dat haar vader niet naar haar omkeek, dat ze als kind met haar moeder in de keuken gehaktballen aan het draaien is. ‘Ze hing haar grote donkerblauwe keukenschort om mijn nek en draaide de linten tweemaal rond mijn middel. “Goed,” zei ze, en ze klapte in haar handen.’ Zoals Marieke het zich herinnert, lijkt het een liefdevolle moeder dochter relatie. Gaandeweg het boek wordt duidelijk dat haar herinneringen niet de werkelijkheid weergeven. 

    ‘Ik herken dat bij mezelf ook wel, dat herinneringen onbetrouwbaar zijn, maar wel je hele leven kleuren. Dat de dingen niet zijn zoals je ze herinnert was iets waar ik plotmatig wel mee wilde spelen.’


    In haar relatie met haar vriend Blok de slagerszoon heeft ze niets in te brengen, ook bij haar familie niet. Is het een boek over eenzaamheid, buitenstaanders?

    ‘Ja, dat ook wel. Maar voor mij gaat het vooral over het onderdrukken van jezelf. Marieke herinnert zich van alles maar wil de ware toedracht van haar herinneringen niet toelaten. Daarover wilde ik schrijven. Over iemand die zijn gevoelens onderdrukt, alles ondergaat en enkel registreert. En dat uiteindelijk niets zich laat wegdrukken, dat het altijd weer opspeelt.’ 


    Dat Marieke alles ondergaat is soms bijna niet uit te houden en dan komt er naar het einde toe opeens een geweldige apotheose. Had je dit van tevoren uitgedacht?

    ‘Tijdens het redigeren van het manuscript, ontstond dit moment van ommekeer bij Marieke. Vanuit al die thematieken als herinneringen, eenzaamheid, het geleefd worden en steeds weer tegen de grenzen van het zorgsysteem aanlopen, is het verhaal beginnen te groeien. En weer krimpen, en weer gegroeid. Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij.’


    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een verzorgingstehuis. De sfeer van vereenzaming, ontheemd zijn is goed in beeld gebracht. Heb je zelf ervaring met in de zorg werken?

    ‘Ik ben maatschappelijk assistent en heb in verschillende takken van de maatschappelijke dienstverlening gewerkt. In de medische sector, maar ook in de asiel- en migratie sector. Daar liep ik steeds tegen de grenzen aan van wat wel en niet mag. Er is geen tijd, want er is geen geld. Daarnaast was er ook het gevoel dat leeftijdsgenoten  uit mijn omgeving er vaak doorheen zaten door de grote druk in de sociale sector en in de dienstverlening. Ik vond dit frappant, dat weerbare jongeren die vol energie zouden moeten zitten, zo gedesillusioneerd waren, zo vermoeid. Dat was iets dat ik ook in het verhaal wilde hebben.’ 


    Heb je nog reacties gekregen op de schrijnende situaties die je beschrijft in het verzorgingstehuis? 

    Ik heb vrienden en familie die in een woonzorgcentrum werken. Van hen hoorde ik dat het herkenbaar is zoals ik erover schreef. Fijn om te horen dat het klopte, maar ook jammer dat dit de werkelijkheid is. Ik heb voor een woonzorgcentrum gekozen omdat ik er wel mee bekend was, maar niet te dicht bij me stond. Ik heb daarvoor een week meegelopen in een woonzorgcentrum met een verpleegster die daar de ochtenddienst had. En, (begint te lachen) het frappante was dat die verpleegster zei, ‘Ik ben blij dat je er bent want nu kunnen we eens iemand in bad doen.’


    Wilde je altijd al schrijver worden?

    ‘Ik heb altijd verhalen geschreven. Als kind ging ik wekelijks met mijn moeder naar de bieb. Ik was niet zo’n goede student, er werd me afgeraden om talen te gaan studeren. En als je geen talen gestudeerd hebt, kun je er moeilijk ambities in hebben, dacht ik. Het lezen en schrijven heb ik toen losgelaten. Pas toen ik de opleiding voor maatschappelijk werker had afgerond dacht ik opnieuw aan schrijven, dat het altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Toen ben ik weer verhalen gaan schrijven en naast het werk ben ik toen een schrijfopleiding gaan volgen.’ 


    Hoeveel versies heb je geschreven?

    ‘Het waren meestal losse stukken die herzien werden. Met schaar en plakband knipte ik alinea’s uit en plakte die weer ergens anders. Op het scherm kan ik het geheel niet goed overzien. Er was dus eigenlijk nooit een versie die ik had afgerond, het bleef steeds in beweging. Zoals ik al zei, ik schrijf organisch. Ook heb ik veel hardop gelezen voor mezelf.’


    In Varkensribben wordt veel over vlees geschreven, het bereiden, het eten ervan, vet druipt van kinnen. Marieke heeft zelfs een relatie met een slagerszoon, waar kwam die vandaan?

    ‘Tijdens het schrijven van Marieke’s omgeving, vroeg ik mij telkens af, ‘Waarom doet ze zo? Wat heeft ervoor gezorgd dat ze zich op een bepaalde manier gedraagt’ En zo kwam daar onder andere die vriend, die haar onderdrukt en klein houdt. Dat hij er in de gedaante van een slagerszoon bij kwam, ontstond gewoon en klopte voor het verhaal en mijn gevoel.’


    Ik las ergens dat je zelf veganist bent, was het dan niet vreemd over vlees te schrijven? 

    ‘Ik heb altijd graag vlees gegeten maar was al veganist voor het boek ontstond. Voor mij was vlees eten ook een sociaal ding. Toen ik stopte met vlees en zuivel gebruiken dacht ik wel, oei, wat gaat mijn moeder nu voor mij maken als ik jarig ben? De nostalgie van het eten van vlees kon ik niet meer delen. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat vlees erbij hoort. Daarom wilde ik het ook in het boek opnemen, om vlees eten te fictionaliseren. Maar ook als een soort eerbetoon aan de gerechten waarmee ik ben opgegroeid.’ 


    Wat was de aanleiding om veganist te worden?

    ‘Ik was me al langer bewust van de gevolgen die de dierenindustrie heeft op het milieu. Toen ik op een melkboerderij werkte dacht ik opeens, Ja, maar. Die kalfjes! (worden bij de moeder weggehaald zodat de melk verhandeld kan worden Iv/dG). Toen ben ik voor het volledige pakket gegaan. Niets van dieren. Soms nam ik nog wel eens een ei als ik bij mijn grootmoeder, die zwaar ziek lag, was. Dat ga ik dan niet afwijzen.’

    In het boek zitten twee droomachtige scènes. Marieke valt ongelukkig met haar fiets. Haar vader komt, hij steekt zijn hand in zijn romp en haalt er een rib uit waarmee hij Marieke heelt. De tweede scène is aan het eind. Haar moeder, die een kast aan het verschuiven is, komt eronder terecht. Marieke wil haar helpen, zoekt in haar romp naar een rib maar kan die niet vinden.


    Wat is de symboliek hiervan?

    ‘Dat heeft te maken met onderdrukte gevoelens die in je slaap naar boven kunnen komen. Marieke onderdrukt de aanwezigheid van haar vader in haar leven. Op ongewenste momenten komt dit toch opborrelen. Er komt het besef dat haar vader, in tegenstelling tot wat haar moeder haar deed geloven over hem, wel voor haar gezorgd heeft. Het is de symboliek van hoe je een stuk van jezelf kunt gebruiken om de ander te helpen, te helen. Het is in het hele verhaal duidelijk dat Marieke zichzelf klein maakte voor haar moeder, ze zwijgt op alles wat haar moeder haar te zeggen heeft. Marieke geeft zichzelf volledig weg tot ze eindelijk kan toelaten dat haar vader haar helpt. En haar moeder zou ze wel willen helpen, maar ze kan het niet.’


    Hoe was het om te debuteren?

    ‘Het was toch wel een droom die uitkwam. Spannend ook, maar tegelijk raar om in deze tijd, waarin iedereen thuis blijft dit mee te maken. Het leek een beetje op een verjaardag die onopgemerkt voorbij gaat. Toen het in oktober in België uitkwam mochten we  nog net met een groep van twintig mensen samenkomen. Toch heb ik besloten dat niet te doen. Een feestje geven voor een boek over de zorg, net wanneer de verzorgingstehuizen extra onder druk staan door corona, vond ik ongepast.’


    Staat er een volgend boek op stapel?

    ‘Mijn vorige boek moest ik eerst wel even laten bezinken. Nu begint het weer te borrelen. Ik denk weer over een roman en (lachend), ik denk dat veel van het buitenleven er in zal sluipen. Het boerenleven is een poëtisch gegeven.’

     

     

     


    Varkensribben / Amarylis De Gryse / 222 pagina’s / Prometheus (2020)

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Ilja Keizer