• Linedancen

    Linedancen

    In de trein naar Den Bosch klampte een dame met vuurrood geverfd haar elke reiziger aan om te vragen welke bus naar de Brabanthallen ging. Haar stem, die hoog en luid was, schoot door de paniek nog wat door toen niemand haar antwoord kon geven. Toen ik aan de beurt was, zei ik naar waarheid dat er geen bus reed en dat ze zo’n tien, vijftien minuten zou moeten lopen. Haar helblauwe ogen sperden zich wijd open toen ze me angstig vroeg naar de route. Na een paar omstandige, maar vruchteloze pogingen om het haar uit te leggen, besloot ik haar onder mijn hoede te nemen. Ik moest toch dezelfde kant uit. Ze liep gewillig met me mee naar de parkeerplek achter het station waar ik afgesproken had met mijn vriendin.

    Elk jaar in januari wordt er in de Brabanthallen in Den Bosch een gigantische, driedaagse boekenmarkt gehouden ten bate van het goede doel. Al jaren zijn mijn vriendin en ik trouwe bezoekers: boeken zoeken en bijkletsen, de hele dag lang. Ik wist zeker dat ze geen bezwaar zou hebben om ook deze dame mee te nemen.

    Zoals ik al verwacht had, wuifde mijn vriendin mijn uitleg weg en zette de dame achter in de auto. Ze kwam uit Gouda, vertelde ze, en wij keken elkaar waarderend aan: dat was een echte boekenliefhebster! Die had er een lange reis voor over! Toen mijn vriendin de auto bij de Brabanthallen parkeerde, vertelde ik de dame dat ze gerust met ons mee kon gaan naar de boekenmarkt. Waarop ze luidkeels brulde: ‘Ik wil geen boeken, ik wil linedancen!’

    Wezenloos staarde ik haar aan, maar mijn vriendin was sneller van begrip. We hadden al diverse mannen en vrouwen op de parkeerplaats zien lopen met grote cowboyhoeden, laarzen met rinkelende, blinkende sporen en kleding met franje, – maar geen enkele Indiaan – die naar een Western-festival gingen in een ander gedeelte van het enorme complex. Het was niet tot me doorgedrongen dat er nog andere evenementen waren waar je naar toe kon gaan. Mijn vriendin keek me bestraffend aan: boeken zijn niet voor iedereen een levensbehoefte, zei ze, er bestaan ook mensen met andere passies, al kon ik me dat niet voorstellen. Ze had gelijk, daarom is het volgende gedicht, met welgemeende excuses, voor de dame met het vuurrode haar:

    Los

    Dans en weet dat je bestaat
    dans een dans op hete kolen
    dans de gaten in je zolen
    dans tot de planeet vergaat

    dans als alles is gezegd
    dans tot je de tijd vergeet
    dans zoals je ademhaalt
    dans tot je de weg weer weet

    dans om nooit meer stil te staan
    dans de sterren en de maan
    dans de bomen en het bos
    niets meer vast en alles los

    We hebben haar een fijne dag gewenst en weg was ze. Daarna hebben we haar niet meer gezien; ik hoop dat op het einde van de show een stoere cowboy haar met zijn Mustang een lift gegeven heeft terug naar het station.

     

    Uit: Ingmar Heytze, Alle Goeds, 2001.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Dobbermannen

    Dobbermannen

    Hanz Mirck schrijft al ruim dertig jaar poëzie en proza, is stadsdichter geweest van Zutphen en Apeldoorn, schrijft actualiteitsgedichten en is docent creatief schrijven aan de Schrijversvakschool, en Nederlands in het voortgezet onderwijs. Hij publiceerde eerder o.a. Wegsleepregeling van kracht, Met andere ogen en veel actualiteitsgedichten voor de VPRO.

    Sirius is zijn tiende boek. Het bestaat uit, zoals hij het zelf noemt, honderd fabels. De vraag die gesteld kan worden: is het een bundel met poëzie, is het proza, zijn het prozagedichten? Maar uiteindelijk is het niet zo belangrijk om daar antwoord op te geven. Mooi is dat inhoud en vorm fijn en in balans op elkaar inspelen.

    Mirck was door de omgang met vluchtelingenkinderen op zijn school geraakt door de verhalen die hij hoorde en die hij ze liet vertellen in de klas. Hij was op zoek naar een metafoor om vanuit het perspectief van de vluchteling te kunnen schrijven. Hoe is het om de taal niet te spreken, altijd in de underdogpositie te zijn, afhankelijk te zijn, gedomesticeerd te worden?  Als gedachte-experiment verplaatste hij zich in zijn hond, die dingen voelt die een mens niet kan begrijpen, zoals iemand uit een andere cultuur ons niet altijd kan volgen. En wederzijds.
    Sirius is de helderste ster aan de nachtelijke sterrenhemel van het sterrenbeeld Grote Hond en staat bekend als de Hondsster. 

    Mengvorm van perspectieven

    Sirius bestaat uit drie delen: De hel, Eden, De hemel. Honden, vluchtelingen: het perspectief van waaruit de fabels worden verteld is de ene keer een hond, de andere keer een vluchteling of het is helemaal niet duidelijk wie er vertelt, of het is een mengvorm van beide perspectieven. Heel sterk gedaan. Parallellen tussen een hond en een vluchteling zetten je als lezer aan het denken: gaan wij zo om met, denken wij zo over de hond/de vluchteling?

    De hel beschrijft vooral door welke ellende zwerfhonden en vluchtelingen moeten gaan voordat ze in een ‘veilige’ wereld belanden, hoe ze zich moeten aanpassen, hoe ongelijkwaardig en honds ze behandeld worden, hoe weinig ze waard zijn. ‘Alle beesten zijn gelijk, maar sommigen hebben meer gelijk dan anderen,’ parafraseert Mirck George Orwell.  

    Eden beschrijft de aanpassing en gewenning. Hoe een vluchteling een straatverkoper wordt, hoe een hond een rol kan spelen als waakhond of als speurhond. ‘Ik mocht binnenkomen als ik niet gevaarlijk was en omdat ik binnen mocht komen was ik niet meer gevaarlijk.’ In dit deel staat ook centraal wat iemand die afhankelijk is van anderen als het over leven en dood gaat, over bestaan of niet bestaan zich moet laten aanleunen. Het gaat over macht en bevestiging van die macht; je likt de hand die je voedt, terwijl die hand jou zoekt om de dank te aanvaarden.

    Brandweerman

    Het derde deel, De hemel, wordt opgehangen aan het verhaal van de Malinese asielzoeker die in Parijs een kind van een balustrade redt en bekend werd als de Spiderman van het 18e Arrondissement. Als dank mocht hij brandweerman worden. Hier staat de Hondsster op zijn felst aan het firmament. Maar ook dan is er een schaduwzijde: als je een held bent, kun je je doorgaans van alles pretenderen en dat is hier niet de bedoeling, je moet wel je plek kennen. ‘Gedomesticeerd, ingeburgerd, zindelijk gemaakt, afgericht, aangelijnd, ontwormd, ingeënt, ingeschreven, opgeleid, kortgehouden – alles heb ik over me heen laten komen. Het was de prijs om te mogen thuiskomen. Mijn aanpassingsvermogen wordt gezien als een voorwaarde, niet als een prestatie. Gehoorzaamheid is belangrijk. Hoe kan ik anders een betrouwbare brandweerman worden?’

    Humor

    Sirius geeft een nogal bijtend commentaar op het asielzoekers-/vluchtelingenvraagstuk, hoe wij als het rijke westen omgaan met in veel ogen tweederangs mensen die hun geluk bij ons komen zoeken. De metafoor van honden snijdt hout. Als je nadenkt over hoe jij met je hond omgaat, raakt dat veel aan hoe we omgaan met vluchtelingen. Helaas weer erg actueel. Kijk naar de zwerftochten van nieuw aangekomen asielzoekers in Nederland die slapen in de openlucht, van hot naar haar worden gesleept, geen perspectief hebben. Handje op blijven houden en afhankelijk zijn van de autoriteiten. Pas als je als zwarte de Voice of Holland wint, of als sporter een transfer maakt naar een nog grotere club, kun je wat betekenen, schrijft Mirck. Maar ook dan is het tien keer meer je best doen dan een ander en vooral dankbaar zijn. Sirius is bijtend, maar ook humoristisch. De metafoor van de hond pakt goed uit. Gedragingen van honden en mensen naast elkaar zetten plaatst veel in perspectief, maakt het luchtiger, waardoor de boodschap nog harder binnenkomt.

    Sirius is een mooie, actuele uitgave en prachtig vormgegeven. Naast de tekst staan er in het boek eenvoudige wit-op-zwarttekeningen van honden in al dan niet menselijke poses in het boek, ter illustratie van een aantal centrale onderwerpen. Bovendien sluit de “zwartheid” ervan prachtig aan bij de kleur die vaak aan vluchtelingen wordt gegeven, wat in het boek geregeld terugkomt, bijvoorbeeld in de fabel Zwartjestentoonstelling. Zwart is ook de kleur die bij het onderwerp past: donker, uitzichtloos.

    Naast de honderd fabels bestaat het boek ook uit een voorwoord van Ingmar Heytze, en een nawoord, verantwoording en dankwoord van Hanz Mirck zelf. Plus informatie over de auteur. Dat alles is wat teveel van het goede. Sirius heeft dat niet nodig want de tekst spreekt voor zich en is sterk genoeg. 

     

  • De zomerboeken van Adri Altink

    De zomerboeken van Adri Altink

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Adri Altink gaat op vakantie en neemt mee:
    Ross King – De boekhandelaar van Florence
    Margriet van der Heijden – Denken is verrukkelijk. Het leven van Tatiana Afanassjewa en Paul Ehrenfest
    Laura Jansen – Wij zagen een licht
    Cyrille Offermans – Midden in het onbewoonbare
    Ingmar Heytze – De honderd van Heytze

    ‘De boekhandelaar van Florence uit de titel is Vespasiano da Bisticci, die midden in de ontwikkeling van de boekdrukkunst stond en Ross King is een boeiende verteller. In de dubbelbiografie van het echtpaar Ehrenfest is mijn interesse gewekt door een prachtige roman, De verrijzenis van Arago van Tomas Lieske. Daarin speelt Paul Ehrenfest een grote rol. Van kunst- en literatuurcriticus Cyrille Offermans las ik twee jaar geleden de dagboeknotities Een iets beschuttere plek misschien. Ik vond die zo boeiend dat ik de opvolger, Midden in het onbewoonbare, eveneens verschenen in de serie Privé domein, nu ook klaar leg. Sinds mijn ervaringen met vluchtelingen op Lesbos, kan ik verslagen daarover maar moeilijk ongelezen laten. Daarom Wij zagen een licht van Laura Jansen, die er twee en een half jaar werkte. De honderd van Heytze gaat mee omdat hij heerlijk gezelschap is om bij weg te mijmeren.’

     

    Lees hier meer over Adri Altink.

     

  • De dichter met zijn product in tegenspraak

    De dichter met zijn product in tegenspraak

    Stel, je leest een indrukwekkende dichtbundel die met veel gevoel is gemaakt. Gevoel voor taal, voor overdracht van woorden en voor de subtiele werking van betekenislagen. Een uiterst prettige bundel die de impopulaire dichtkunst weer een glinstering van waardevolle aanwezigheid geeft. De verzen wisselen elkaar af in zwaarte, de leesbaarheid is goed gedoseerd aan de hand van onderwerpen als leven, dood, vaderschap en een gezonde portie zelfreflectie. Al met al een boeiende leeservaring.

    Vervolgens zie je een televisieprogramma waarin dichter Ingmar Heytze wordt bevraagd over deze bundel van zijn hand. Het hele gesprek lijkt een vreemde poging tot benadrukking van de marginaliteit van poëzie. Terwijl de interviewer er een draai aan probeert te geven door met gerichte vragen meer inhoud af te dwingen, blijft de dichter steeds weer terugvallen in zijn haast nonchalante houding van valse bescheidenheid. Het woord koketterie komt meermaals voorbij. Een van de opvallendste quotes van Heytze: ‘Het is eigenlijk allemaal aanstellerij’.

    Veelzijdigheid

    Verwarring alom. Bij goede poëzie – en dat geldt trouwens voor alle kunstvormen – verwacht je dat de schepper zijn voortbrengselen net zo serieus neemt als de ontvanger dat pleegt te doen. Gedichten vormen zichzelf als een sterk verband tussen de bevlogen maker en de ontvankelijke lezer. Dat gegeven zou de dichter moeten omarmen en zelfs moeten respecteren. Kortom, Ingmar Heytze blijkt een belabberde verkoper van zijn eigen werk te zijn.

    En dat werk is goed. De veelzijdigheid van de ervaren Heytze werpt zijn vruchten af in deze bundel vol bespiegelingen over leven en dood. Met het vaderschap als verbindende schakel tussen deze twee grootheden weet hij zijn zwervende gedachten in heldere poëzie om te zetten.

    Ik wilde je iets moois vertellen

    Ik wil je iets vertellen nu je wakker bent, weer wakker
    bent en bungelt in mijn armen, nu ik naar de stilte
    en mijn bed sta te verlangen.

    In zomernachten kan ik sterren horen vallen,
    het geluid van een feest waar ik nu had kunnen zijn,
    een tuin vol lichtjes met een onbekende die nog altijd rookt,

    een meisje dat mij midden in een zin zou kussen en verdwijnen
    in de nacht, en niemand daar zou weten wie ze was.

    Ik wilde je iets moois vertellen, niet over het donker
    waar we heen gaan, hoe de wereld stopt
    met draaien, vlam vat, valt –

    ik wilde je iets goeds vertellen,
    over hoe jij groter wordt en mooier,
    dat ik doodga van geluk om jouw bestaan.

    Ik wilde je iets moois vertellen maar je slaapt.

    Terugblikken

    Een jonge vader aan het woord. Overmand door vermoeidheid denkt hij aan het enerverende leven dat hij achter zich heeft moeten laten. Zorgeloos vermaak, feestvieren, meisjes, alles wat hoorde bij de jeugd en de tijd die voorgoed voorbij is. Er werd zelfs nog gerookt! Nu probeert hij zijn zorgen over de wereld en dus over de toekomst van zijn kind te beteugelen door een mooi contrast als afsluiting: doodgaan van geluk. Dit is Heytze ten voeten uit. Hij biedt een leesbaar motief aan waarmee een diepere laag wordt aangeboord die een nieuw beeld schetst, anders dan het gedicht op het eerste gezicht blootgeeft.

    Kleine verhaaltjes

    Heytze is sterk in prozagedichten. De kleine verhaaltjes die als afgeronde stukjes tekst een gedicht ‘vertellen’ brengt hij als een haast toevallige notitie, terwijl ze blijk geven van een perfecte taalbeheersing met een groot gevoel voor interpunctie. Een gedicht over de collectie foetussen van het Utrechts Universiteitsmuseum:

    Siamese dreams

    In de hal achter de blinde muur staan veertig grote glazen
    flessen. Bijna tachtig baby’tjes, geboren in elkaar en soms,
    van buitenaf bekeken, nauwelijks meer dan een paar tanden
    of een pluk dun haar, een staaroog met een oliebol van weefsel
    – maar vaker een vaardig in elkaar gedraaide kathedraal
    op schaal van zilverwitte wervels. Geen kind dat ook maar
    éénmaal ademhaalde. Ze bleven liever zweven, onverdronken
    uit het warme water naar de formaline. Vaten tjokvol
    ongebruikte tijd. Schone slapers, wekend in de eeuwigheid.

    Monumentale verbeelding

    Een haast monumentale verbeelding, de ongebruikte tijd die ‘onverdronken’ uit het warme water naar ‘formaline’ is getransformeerd. Het is een confrontatie die naast de gruwelijke werkelijkheid ook een grote sympathie oproept. Een zekere intimiteit wordt door de dichter zodanig verwoord dat er eerder een warm gevoel dan de verwachte afschuw overblijft. De stilte in zijn laatste regels brengt alles naar een mooie afsluiting: korte zinnetjes met woorden als zweven – tijd – slapers – eeuwigheid.

    Ingmar Heytze heeft de taal aan zijn zijde, zijn regels kunnen elke willekeurige vorm aannemen, iedere betekenis verdiepen en zo een ‘gedicht achter het gedicht’ maken. Dat is zijn manier om poëzie te bedrijven: de lezer proberen te verleiden verder te kijken dan de eerste leesindruk. En het werkt altijd. Eén van de beste gedichten uit deze bundel is:

    Jakhalsdagen

    Sinds kort geef ik de dagen dierennamen.
    Eergisteren was duidelijk een zilvervis:
    boeken in de vriezer, lokvergif
    in scheuren en gaten.

    Begin deze week het etmaal van de wolf.
    Veel schichtig draven door het huis,
    geluiden makend die geen mens kan duiden,
    waarna mijn lichaam wel in bed lag
    maar mijn geest bleef waken.
    Zo noteerde ik een uilennacht.

    Vandaag is meer een jakhalsdag.
    Ik stond op, te kort geslapen,
    ledematen uit proportie,
    vast van plan om iemand te bejagen,
    kaal te knagen.

    Scherpe randjes

    Het venijn zit in de staart, onverwacht en onverdacht, een uithaal die het gevolg lijkt te zijn van onzekerheid en een slechte nachtrust. De dichter houdt zich niet in en laat zijn slechte stemming goed merken. Ook wel eens prettig in de poëzie, een omgeving die over het algemeen gevrijwaard blijft van scherpe randjes. Juist die gemoedstoestand wordt hier subtiel opgevoerd: half verborgen achter een gordijn van dierensympathie maakt Heytze zichtbaar hoe hij overeind probeert te blijven in zijn wereld van ouder worden en proefondervindelijk vaderschap. Noem dat maar aanstellerij.

     

  • Er gebeurde niets

    Er gebeurde niets

    Ik heb een grote bewondering voor de Vlaamse dirigent Philippe Herreweghe en zag uit naar de Kerstmatinee in het Amsterdamse Concertgebouw afgelopen december. Op de lessenaars stond de Hohe Messe van Joh. Seb. Bach. Toen de muziek begon, gebeurde er niets met me, helemaal niets.
    De eerste keer dat ik in de Oude Kerk de Hohe Messe door Cappella Amsterdam onder leiding van Jan Boeke hoorde, zat ik zo slecht dat ik niets zag en ‘het’ naar mijn idee opeens begon. Uit het luchtledige klonk de door het koor, hard aangezette ‘K’ van het Kyrie die de ruimte doorkliefde. Het is sindsdien het meest verwachtingsvolle moment geworden van elke uitvoering die ik hoorde, alsof ‘de wind danst met de stilte’ om een dichtregel van Ingmar Heytze aan te halen.

    Maar er gebeurde dus niets. Ja, het stuk begon. ‘Gewoon’, zou ik haast zeggen. Zoals de uitvoering verder ook was: niet beklijvend zoals veel van Herreweghe, in mijn oren althans. Ik vroeg me af waarom en kwam op een verklaring die stoelt op de omschrijving die Albert Camus eens van een pijl en boog gaf: ‘Op het toppunt van de spanning verlaat de doelgerichte pijl de vrijheid van de pees.’ Zó moet het begin van de Hohe Messe door musici en toehoorders ook worden beleefd: in de gespannen stilte die aan de uitvoering voorafgaat, schiet die hard uitgestoten ‘K’ als een pijl uit de boog.
    Volgens Camus zijn er twee polen voor nodig waaruit die spanning ontstaat. Bij Bach is dat de stilte en het verbreken daarvan wanneer het orkest de strijkstok aanzet, vingers op snaren plaatst, de adem door het riet laat gaan, de toetsen van het orgel beroert. Het gebeurde allemaal in Amsterdam – maar er ontbrak dat ene. Er trilde niets na. Ik luisterde en keek. Onbewogen.

    Het had zoiets moeten zijn als de plaats waar een chirurg een scalpel in het vlees zet en waarvan een litteken achterblijft. Het had zoiets moeten zijn als het eerste woord, de eerste zin die een schrijver op het blanco papier zet en die beklijft, zoals recent die van Bert Natters Ze zullen denken dat we engelen zijn: ‘De laatste mooie dag van het jaar.’ Of de eerste streek die een schilder op het doek zet.
    Het deed me denken aan een klein schilderijtje dat ik onlangs kocht, in een techniek die sumi-e heet. Sumi-e is een eeuwenoude techniek die 2500 v. Chr. in China ontstond en veel later door toedoen van Zen-monniken in Japan terecht kwam. Sumi betekent ‘zwarte inkt’, e staat voor ‘schilderij’. De schilder werkt vanuit één punt en zet heel geconcentreerd en aanwezig in het moment, op zijn/haar adem een streek, naar boven of naar beneden. Zoals het Kyrie in Bachs Hohe Messe klinkt als uit één mond, één keel. Adembenemend als het goed is.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

  • Lezen

    Lezen

    Ik heb zo mijn tradities waar ik naar uitzie. Een daarvan is dat ik elk jaar in de zomer een orgelconcert bezoek in de Haarlemse Grote of St. Bavokerk. Dit uitstapje ligt nog in ’t verschiet. Van verleden jaar herinner ik me nog dat ik op een plek zat vanwaar ik zicht had op een stuk in de houten vloer waarin ik, met een beetje fantasie, een hoofd zag afgebeeld. Op de één of andere manier kon ik mijn ogen er niet vanaf houden. Het gezicht leek een beetje op een van de maskers die je nu in het Circustheater in Scheveningen kunt zien bij de opvoering van de Disneymusical The Lion King.

    In deze musical aait een wijze vrouw op een gegeven moment over de bast van het soort boom waaruit in de Haarlemse kerk de plankenvloer is gelegd. En ziedaar: het gelaat van Mufasa – de koning van de dieren – verschijnt aan zijn zoon Simba. Als een geestverschijning, zoals in het begin van Shakespeares Hamlet (waarop de musical is gebaseerd) de geest van Hamlets vader opdoemt en tot diens zoon spreekt.

    Deze twee ervaringen, de Haarlemse en de Scheveningse, brachten bij mij nog iets boven: een gedicht van Ingmar Heytze, uit Alleen mijn kat applaudiseert. Een prachtig gedicht over lezen, over stemmen die de stilte niet doorbreken, zoals de plank in de vloer. Het zijn de bomen die uiteindelijk spreken – letterlijk of figuurlijk – en zo méér zijn dan zomaar dood hout. Ruisende werelden op zich zijn het, zoals het wandelende bos in een ander stuk van Shakespeare: Macbeth.

    Lezen

    Mijn boeken zijn meer
    dan gebundeld papier
    zoveel meer
    dan een paar glazen inkt
    op dood hout

    het zijn stemmen
    die nimmer
    de stilte doorbreken

    ruisende werelden,
    plaatsen van rust

    het zijn bomen
    die weer zijn begonnen
    te spreken.

    Zoals ook de houtsculpturen van Omer Gielliet, die op 7 mei van dit jaar overleed. Hij luisterde naar wat de natuur in zich had om te vertellen, naar wat de vluchtelingen die hij in huis nam hem vertelden. Zelfs noodde hij eens een vriendin en mij binnen. Wij hadden in zijn tuin in Breskens naar zijn fascinerende, uit boomstammen gemaakte werk staan kijken. Gewoon, op de thee, met een chocolaatje. Ik zal aan hem denken, wanneer ik komende zomer weer in Haarlem naar een orgelconcert ga en in de planken op de vloer een gezicht ontwaar: ‘Het zijn bomen / die weer zijn begonnen / te spreken.’  In boeken, beelden, verbeelding en herinnering.

     

     

  • Dichters in de Prinsentuin jubileert

    Dichters in de Prinsentuin jubileert

    Vrijdagavond 14 juli is de openingsavond van Dichters in de Prinsentuin in de Puddingfabriek en staat geheel in het teken van het jubileum!

    Een terugblik op twintig jaar Dichters in de Prinsentuin wordt gegeven door literair journalist Coen Peppelenbos. Oprichter van het festival, Tsead Bruinja, komt met een all stars formatie een korte voorstelling spelen.

    De Duitse lyrica Monika Rinck komt spreken en de Groningse dichter Jan Glas brengt nieuw werk. Ellen Deckwitz en Ingmar Heytze brengen de bloemlezing der bloemlezingen met de mooiste gedichten uit twintig jaar Dichters in de Prinsentuin. Tot slot zingt broeder Dieleman over zilte zeewind, zonde en zaligheid.

    Een schitterend programma om het jubileum zeer passend te vieren. En na afloop is er dansen!

     

    Kijk voor meer informatie en tickets op www.Dichters in de Prinsentuin.

     

     

     

  • Begenadigd dichter maar geen avonturier

    Begenadigd dichter maar geen avonturier

    ‘De dichters liegen de taal uit elkaar’ stelt dichter Guillaume van der Graft in het gedicht De derde waarheid, ‘en maken logaritmen van de vereenzaamde dingen’. Dat liegen nemen we met een flinke korrel zout, maar de machtsverheffing van eenzame dingen is een fraaie formulering waarmee de poëzie als geheel wordt omschreven. Van der Graft (1920-2010) heeft nogal wat gedicht over schrijven en dichten, alsof hij telkens weer opnieuw bevestiging zocht in zijn speurtocht naar de geheimen die de taal voor hem verborgen hield.

    ‘Schilderen is te handtastelijk,
    filmen te openbaar,
    gedichten schrijven gaat heimelijk,
    incognito, voor een paar
    handen, een paar
    ogen, het is een gebaar
    van verstandhouding met
    een enkeling,
    regel na regel hakkel je
    kleine hapjes van het hart’

    De bundel is een ruime bloemlezing uit het werk van Guillaume van der Graft, die eigenlijk Willem Barnard heette en theoloog was. In zijn lange poëzieloopbaan heeft hij pas aan het einde van de vorige eeuw enige bekendheid gekregen, doordat zijn werk werd opgemerkt door de toenmalige generatie dichters als Hagar Peeters en Menno Wigman, die zich enigszins verwant met hem voelden. Samensteller Ingmar Heytze heeft zich uitgeleefd op het oeuvre van Van der Graft en een honderdtal gedichten voor deze bundel bijeengebracht. Heytze is duidelijk een bewonderaar en was bevriend met de dichter. De eerlijkheid gebied te zeggen dat dit niet in het voordeel van dit boekwerk spreekt: deze bloemlezing is veel te dik.

    Van der Graft was beslist een begenadigd dichter, een ware taalkunstenaar, maar geen avonturier. Zijn verzen bestaan veelal uit constructies die enerzijds een individuele diepgang bezitten, maar tegelijkertijd, een aantal achter elkaar lezend, een oppervlakkigheid vertonen die deze bundel al snel minder boeiend maakt. In Te wit om door te gaan, net over de helft van het boek, zit die ontwikkeling er al flink in:

    ‘Het sneeuwt. Het is bevroren water,
    het is verloren tijd, het is

    andersomtaal, een zwijgzaam praten,
    licht vallend uit de duisternis.

    Het sneeuwt, het heeft met de dood te maken
    en met de klokken van voorbij,

    er ligt vergeving op de daken,
    er is een toekomst buiten mij.’

    Nog een aanmerking op dit gedicht: de laatste twee regels tonen hoe de dichter hier en daar zijn religieuze wereld in de poëzie verwerkt. Dat hoeft geen obstakel te zijn, maar zorgt wel voor een sfeer van bovenaardsheid die een onverdeelde poëtische kwaliteit in de weg staat. De hand van de onafhankelijke dichter dreigt overlopen te worden door de zalvende toon van zijn overtuiging: ‘God alleen weet hoe bang/ ik ben. God weet hoe erg/ verbroken samenhang schrijnt (…)’.

    Gelukkig zijn er vaak korte strofes die plotseling opspringen en de aandacht weer richten op de eigenzinnige uitdrukkingsvorm die Van der Graft ook in zijn poëzie heeft gestopt. Hij schrijft als vader aan zijn kind in Reisvaardig en begint met de uitnodiging: ‘Laten we samen op reis gaan, dochtertje,/ ver genoeg om anders te worden’. Om de magie nog verder uit te bouwen in de volgende regels:

    ‘Je bent nog zo aan het begin,
    dat je de eilanden ziet ontstaan
    en hoe de nacht plechtig het ei legt
    van de maan.

    Een mooi beeld, aan het prille begin zien dat ‘eilanden ontstaan’, hoe een levensweg aanvangt en een kind de weg gewezen wordt. De lieflijkheid in deze regels vormt een kenmerkend onderdeel in de taal van de dichter. Op veel momenten in Er loopt een gedicht voor mij uit komt hij spontaan tot uitbarsting in een heftige ode aan de liefde. Niet sentimenteel, maar als een nuchtere vaststelling van zijn gemoedstoestand. In Getrouwd ontwaken begint hij in stevige woorden: Ik treed verwoestend bij haar / binnen / om een nieuw leven te beginnen, / zij keert haar glimlach om. Om vervolgens af te sluiten, in vervoering: Er luiden bellen die wij samen bliezen.

    Het wisselende karakter van deze bundel, de vlakke verzen tegenover de meer enigmatische regels, maakt dat de lezer met horten en stoten naar het eind toe beweegt. Onderweg ligt nóg een flink obstakel op zijn pad: Van der Graft doet in vrijwel al zijn gedichten aan rijm. Niet volledig en op alle plaatsen, maar toch genoeg – zowel binnen als buiten – om een zekere geforceerdheid op te roepen. De worsteling van de dichter wordt voelbaar op iedere pagina en draagt niet bij aan een ongeremde leeservaring. Als hij dan ook nog zaken weet te combineren, ontstaat er een vorm van reli-rijm:

    ‘God zit ook onder de grond
    met ogen van steen en een mond
    van water. Hij spreekt bomen.
    Hij zegt: laat de kinderen komen.
    Ik weet precies wat hij zegt,
    ik heb mijn vader gelegd
    onder mijn voeten. Ik
    sta doodstil op zijn blik,
    maar hij plant mij voort,
    woord voor woord.’

    Ingmar Heytze verklaart in zijn verantwoording deze uitgave chronologisch te hebben geordend. Naar het einde toe wordt Van der Graft merkbaar vrijer in zijn vorm, een wat lossere stijl met een ruimer arsenaal aan woorden. In die zin is Er loopt een gedicht voor mij uit een grondige ontwikkelingsgeschiedenis van een dichter geworden. Met als treffend sluitstuk een gedicht waarin de dichter opnieuw over zichzelf dicht:

    ‘Zoveel leven

    Het spijt mij dat er zoveel leven is
    dat niet mee mocht in mijn gedicht: bacillen
    bijvoorbeeld, onwelwillende

    kiemen, de zwanenzang
    van hoestende longen, klieren
    waaruit alleen maar tranen

    geboren worden. Hun taal
    verdraagt mijn woorden niet.

    Dat dingen niet bestaan is geen bezwaar
    getuige die denkwaardige
    vissen die naar mij fluiten, vogels

    die met nieuwsgierige kieuwen
    toonladders oefenen, tak op tak af.
    Ze schuilen hier, ze waren nergens welkom,

    tenzij in een eenzaam gedicht mij.’

     

     

  • Geen Daden Maar Woorden Festival doet Utrecht aan

    Agenda

    Literaire en muzikale primeurs tijdens één van de toonaangevende literaire festivals voor hedendaagse literatuur.

    Sinds 1997 wordt jaarlijks het Geen Daden Maar Woorden Festival gehouden dat inmiddels is uitgegroeid van een voorleesavond in de bibliotheek tot een tweedaags festival (2009) in Rotterdam met 1500 bezoekers.  En nu doet Geen Daden Maar Woorden Festival Utrecht aan. Bekend en aanstormend talent uit de literaire- en de muziek wereld  treden op in Het Huis Utrecht. Primeurs zijn er onder anderen van Tim Knol en Maartje Wortel die met nog niet eerder gepresenteerd werk op het podium staan. Ook de animatiefilm Gebed voor iedereen naar een gedicht van Dichter des Vaderlands Anne Vegter gaat op het festival in première.

    Later op de avond vertelt Vegter op de sofa bij interviewer en psychiater Bram Bakker alles over haar ontregelende gedichten vol humor, ontsporende zinnen, melodische taal en seks. Hanneke Hendrix draagt in de tuin van het festival hartverwarmende kachelverhalen voor. Ex-stadsdichter van Utrecht Ingmar Heytze en singer-songwriter Johan Borger delen een sterke liefde voor de lapsteel. Speciaal voor het festival maakten ze een ode aan dit instrument.

    Het festival wordt afgesloten met een swingende afterparty van Riddim met o.a. Boomshakalak Soundsystem, Dennis Gaens, Elfie Tromp en zes dansers! Bekijk de volledige line-up en koop hier je tickets.

    Geen Daden Maar Woorden Festival wordt georganiseerd door Passionate Bulkboek.

     

     

  • Literair tijdschrift Nynade vernieuwd

    Nynade bestaat sinds 2007 en verschijnt drie keer per jaar. Opmerkelijk is de verandering van vorm en inhoud bij deze 20ste editie. Wat je voorheen van Nynade bijbleef was vooral de kleurrijke omslag. De inhoud echter gaf vaak de indruk dat de redactie alles plaatste dat er binnenkwam, zonder kwaliteit te onderscheiden. Waar het onderschrift van Nynade eerder Kunst & Letteren was, is het nu Letteren & Kunst. Een niet onbelangrijke omkering van het aandachtspunt. Nynade bewoog zich langs de randen van de kunst en literatuur, nu is het meer de literatuur die de boventoon voert. In deze editie het Schrijverschap als onderwerp. Een voor de hand liggend thema maar het resultaat levert mooie bijdragen op van auteurs die hun persoonlijk schrijverschap of dat van een collega auteur beschouwen.

    Een van die bijdragen is van Marte Kaan. Het uitermate boeiend en vlot geschreven essay Een leven lang sterven brengt je via de beschrijving dat haar dochtertje van twee haar bijna deed stikken in haar slaap door haar handje op haar mond en neus te leggen, naar het gemoed van de Griekse dichteres Kiki Dimoula wat tot mooie uitspraken leidt: ‘Fictie schrijven betekent ruimte zoeken tussen de schaamte’. En eindigt met een klassieker uit de literatuur over Gestalttherapie van Arnold Beisser die tot de conclusie leidt dat schrijven een middelpuntvliedende kracht is en er aan de dood niet te ontkomen is. Een essay over hoe te schrijven over tegenstellende emoties zoals ‘doodsangst en liefde’.

    De auteurs Ingmar Heytze, Nelleke Zandwijk, Janneke Hokwerda en Thomas Verbogt geven ieder in een bijdrage weer wat debuteren voor hen betekend heeft. Voor de een was het een toetreden tot de wereld van de literatuur (Verbogt) voor de ander een last want het tweede boek wil maar niet komen en dan maar liever die debutant blijven van dat ene boek (Holwerda). Een debuut kan later ook als een ‘jeugdzonde’ worden beschouwd (Heytze) of het debuteren wordt je van verschillende kanten toegeschoven (Zandwijk).

    Mieke Opstaele schreef met kennis van zaken over het Schrijverschap in de romans van Atte Jongstra. Door verschillende werken van Jongstra te bespreken toont zij aan dat hij bij uitstek een schrijver is die volledig opgaat in zijn werk. Wie zijn oeuvre kent weet wat hiermee wordt bedoeld. Leest als een goed onderbouwd ‘open boekje’ over Jongstra.

    Meer bijdragen van onder andere Ezra de Haan, Barney Agerbeek, Pim Verhulst en Emily Kocken (op punt van debuteren). Gedichten van Maarten van der Graaff, Arjen Duiker, Ingmar Heytze, Peter Smink, Brigitte Spiegeler en in vertaling van Anneli Meijer Liefdesgedichten voor Marie Angevine van Pierre de Ronsard (1524-1585).

    Nynade wil ‘nieuwe geluiden laten klinken’ en kiest ervoor ook die geluiden te laten horen die ‘hakkelend of vals’ zijn. Waarmee de lading, dat niet alle stukken even goed zijn, gedekt is. Maar het is een nieuw begin, deze 20ste editie die met verschillende bijdragen tot verder lezen uitnodigt. Merkbaar is echter dat Nynade onder een steviger redactie vaart  dan voorheen. Al zijn dan niet alle bijdragen van eenzelfde kwaliteit; Nynade kan zich met recht een ‘literair tijdschrift’ noemen waarbij het uiterlijk ondergeschikt is aan de inhoud. Overigens misstaat het een literair blad niet enige informatie over zijn auteurs te verstrekken dat tegelijk tot aanbeveling van die auteurs kan leiden.

     

    Nynade
    Blz.: 99

    3 nummers per jaar
    Prijs: 26 euro per jaargang
    Losse nummers: 10 euro
    Te bestellen via de site van Nynade.