• Italiaanse vaders en zoons

    Italiaanse vaders en zoons

    Het eerste boek dat ik van John Fante las, was Wacht tot het voorjaar, Bandini, dat was in 1985 en begint zo: ‘Hij liep tegen de diepe sneeuw te schoppen. Alles stond hem tegen. Hij heette Svevo Bandini en hij woonde drie blokken verderop in de straat. Hij had het koud en er zaten gaten in zijn schoenen. Die ochtend had hij de gaten van binnen gedicht met stukken karton van een macaronidoos. De macaroni uit de doos was niet betaald. Daar had hij aan gedacht toen hij het karton in zijn schoenen legde.’ Een litanie over het leven van een Italiaanse metselaar uit een bergdorp in de Abruzzen, en zijn gezin in Colorado. Daar is veel sneeuw om tegen te schoppen, en als er sneeuw is, geen werk en veel dagen om in het café door te brengen, wachten op het voorjaar, tot er weer gebouwd kan worden. We volgen de metselaar en vader in de nacht door de sneeuw, op weg naar huis, waar we zijn zoon Arturo tegenkomen.

    ‘Vijfenzeventig kilo woog Svevo Bandini, en hij had een zoon, Arturo.’ Een bladzijde verder nadert hij het huis waarvan hij de hypotheek niet meer kan betalen. Hij denkt aan God, die hem in de steek liet, ‘Dio Cane, Dio cane’, God is een hond. Dan weer: ‘Hij had een zoon, Arturo, en Arturo was twaalf en had een slee.’ En verder gaat het, over de ontvangst van zijn vrouw Maria, ‘Haar naam was Maria Bandini, voorheen Maria Toscano.’ In al Fante’s boeken hebben zijn ouders een prominente rol, hun ‘Struggle for life’ is zijn ‘Struggle’. Zijn ritmische en energieke taal waarmee hij het leven van Italiaanse Amerikanen beschreef, werkt verslavend.

    Fante schreef vier boeken waarin zijn alter ego Arturo Bandini hoofdpersonage is. Hij schreef ze niet chronologisch. Nadat Wait Until Spring, Bandini en Ask the Dust in de jaren tachtig een herdruk beleefden omdat Charles Bukowski ermee wegliep, verscheen het derde deel, Dreams from Bunker Hill dat Fante dicteerde aan zijn vrouw. Zelf was hij door suikerziekte blind geworden en, nadat eerst zijn tenen, toen zijn voeten, zijn benen werden geamputeerd, was hij tot niets meer in staat. Zijn zoon, schrijver Dan Fante, publiceerde in 1998 de roman Klein geld, waarin hij zijn vader na jaren van verwijdering in het ziekenhuis opzoekt. De fictieve zoon Bruno, ging kamer 334 binnen. ‘De kamer van Jonathan Dante. (…) Mijn ogen kregen een blinde tors zonder benen te zien’. Hij zei tegen de man in coma, ‘Ik hou van jou’, in de hoop dat hij gaan zou. Daar kom ik behoorlijk dicht bij Arturo Bandini, bij John Fante, als hij op sterven ligt.

    Postuum verscheen The Road to Los Angeles, het eigenlijke tweede deel van de Bandini saga, geschreven in de jaren dertig maar nooit gepubliceerd. Vorige week verscheen Het volle leven, met een voorwoord van Jaap Scholten die ooit in Fante zijn leermeester vond. Het zou als het vijfde boek uit de Bandini sage gelezen kunnen worden, zij het niet dat toen geadviseerd werd de naam van Arturo Bandini in John Fante te veranderen, ‘om de aantrekkelijke non-fictiemarkt te bereiken’, weet Jaap Scholten. Fante schreef het nadat hij van zijn vrouw hoorde dat zij zwanger was van hun vierde kind. Hij was woedend, hij wilde niet nog een kind, en sloot zich op in zijn kamer waar hij Full of Live schreef. Het werd een boek over liefde voor zijn ouders, voor zijn vrouw. Uit woede komen de mooiste werken voort.

    In Het volle leven speelt zijn vader, opnieuw een grote rol. Hij komt bij zijn zoon logeren om diens houten keukenvloer, door termieten aangevreten, te vernieuwen. Hij haalt zijn vader, die met zijn moeder in Sacramento Valley van zijn pensioen geniet, van huis op. ‘Het was mijn eerste treinreis met papa en het bleek een nachtmerrie. Vanaf het moment dat we het station in gingen, waren er moeilijkheden. We hadden vijf stuks bagage: Papa’s gereedschapstas, zijn twee armoedige koffers, de met een touw dichtgebonden kartonnen doos vol gevulde weckflessen en mijn weekendtas. Die gereedschapstas alleen woog al vijfentwintig kilo, want die zat boordevol beitels, hamers en andere hompen staal die in zijn vak gebruikt werden.’  Zijn vader weigert een kruier in te schakelen, dat kost geld, ook al betaalt zijn zoon, hij wil het niet. Dit boek levert, evenals de Bandini boeken, heftige, hilarische en ontroerende scenes op waarin enige balans in het leven nooit bereikt lijkt te worden. John Fante was een ongelooflijk goed schrijver. Deze vertaling een cadeau voor de Fante liefhebber.

     

     

    Het volle leven / John Fante / vertaling Dirk-Jan Arensman / voorwoord Jaap Scholten/ 212 blz. / Uitgeverij Oevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • Wonderschone verhalen

    Wonderschone verhalen

    In de vroege ochtend reden we met de Lelijke Eend naar een recreatiemeer op zeventien kilometer afstand. Gisteren kochten we zomerschoenen, die behoorlijk prijzig waren. Terwijl we langs bosranden reden met af en toe een opening met zicht op een akker met jonge aanplant, spraken we af dat we vandaag geen cent zouden uitgeven. We hadden brood met schapenkaas en rucola mee, en een fles water. Later, toen we langs een soort slotgracht reden, kon ik me opeens voorstellen dat als ik de dingen niet goed meer zou weten gelijk zoals je als baby de dingen nog niet wist, ik vaak met de Lelijke Eend zou willen worden rondgereden. In de Eend voelt rijden als op reis gaan, ook als de bestemming niet ver is. Ik sprak mijn gedachte uit, hij lachte, zei dat het goed was. We zetten de auto op de parkeerplaats van een restaurant waar bij de ingang een bord stond dat hier alleen gasten van het restaurant mochten parkeren. We haalden onze tassen uit de auto en liepen naar het strandje waar je zonder badkleding het water in kunt. 

    We liepen langs een weide waar uitheemse runderen graasden, aan de andere kant van de wei lag het meer er prachtig bij. Het strandje dat wij voor ogen hadden, was nog een flink eind lopen, het was warm. We keken elkaar aan, gingen door het klaphek dat de runderen binnenhoudt, de wei in. Aan de waterkant legden we onze spullen in het gras, keken om ons heen en doken het water in. Het was heerlijk, we zwommen een flink stuk, kwamen niemand tegen. Daarna zaten we op onze handdoeken en aten het brood met schapenkaas en rucola. Toen nam ik het boek Hoe ik de vissen ontmoette, van de Tsjechische schrijver Ota Pavel uit mijn tas, me enthousiast aangeraden door een vriend. Op een ochtend appte hij me ‘Ken je dit al?’ met de cover van het boek. Hij sprak over, ‘wonderschone verhalen in prachtig proza over vissen’ en, ‘de diepe verbondenheid met de natuur’. Enthousiasme van een vriend moet immer gehonoreerd worden, ik kocht het boek.

    Misschien omdat ik aan een meer zat, of door het zonlicht op het wateroppervlak waarboven talloze libellen scheerden, of de wind die langs bomen en struiken streek waardoor de verhalen van Pavel zich zo perfect lieten lezen dat ik na elk verhaal opkeek, als zou de wereld veranderd zijn. Het waren prachtige verhalen waarin, zonder dat triestige zaken benoemd werden, er toch sprake was van een bepaalde droefheid. Ik moest denken aan Het dikke schrift van Ágota Kristóf, verhalen die je door hun zuiverheid en heftigheid overmannen. Pavel vertelt over zijn leven met een stem waaraan je gekluisterd raakt. Hij schreef ze in de perioden dat hij, geplaagd door een bipolaire stoornis, in inrichtingen verbleef. Een verhaal begint zo: ‘We gingen hout sprokkelen.’ Een onderneming met de hele familie. ‘Ik liep stil achteraan in de familieoptocht om alles te zien en niets van mijn leven te missen.’ In al zijn verhalen is hij de stille toeschouwer van zijn leven, dat hij in, ja, ‘wonderschone verhalen’ heeft beschreven. En die vissen, nog nooit iemand zo liefdevol over vissen horen spreken. Ota Pavel leefde van 1930 tot 1973. Lees dit boek!

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • Wandelvakantie

    Wandelvakantie

    Nu de zon de dagen verwarmt, de akelei op lange dunne stelen roze bloeit, de druivenhagen minuscule druiventrosjes dragen, overweeg ik om mijn rugzak te pakken en eindelijk dat pad te gaan lopen waarover ik al zo lang roep het te willen lopen. Gewoon spullen inpakken en weg. Maar er is altijd wat, er moet iets met de katten, uitgenodigde eters afzeggen, geliefden achterlaten. Jezelf losmaken van dat wat je leven in stand houdt, en wat er dan van overblijft. Een leven lang verdoet de mens zijn tijd aan dromen en wensen dit of dat nog eens te ondernemen, en blijft veelal thuis. Dit mens in ieder geval. Levend in dromen neem ik een voorschot op een wandeling door het lezen van een klein boek ‘Omwegen’ getiteld, wat je bekend voorkomt. Via omwegen schijn ik pas te komen waar ik wil zijn. Maar dan toch, niet het doel, maar de weg erheen is waar het om gaat. Dus maak ik het espresso potje nog eens schoon, vul die met versgemalen koffie en vraag me af of ik wel geschikte schoenen in huis hebt.

    Toen Thomas Heerma van Voss op wandelvakantie ging met het gezin van zijn (toenmalige) vriendin, kreeg hij advies over het gebruik van nieuwe wandelschoenen van zijn vader. ‘Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader me aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. “Wij hebben enorme brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen.”’
    De familie van zijn vriendin is een doorgewinterde wandelfamilie, terwijl hij nog nooit aan wandelvakanties heeft gedaan. In zijn familie werd er tijdens vakanties ‘vooral stilgezeten’. ‘Per auto verplaatsten we ons met zijn vieren naar de Franse kust, altijd diezelfde villa aan zee, waar we drie weken min of meer leefden alsof we huisarrest hadden.’ Als ze al ergens wandelden was dat in een lokaal dorpje. ‘waar we slenterden van de parkeerplaats naar de dichtstbijzijnde café au lait (…) terrassen waren onze ankers, bewegen daaromheen voelde als noodzakelijk intermezzo.’

    Wart een heerlijk boekje, zachtmoedig, met humor. De auteur volgt gedwee, met enig genoegen de vijf geoefende wandelaars naar het einde van de dag. Dan is hij moe, ‘maar op een fijne manier’. Dat genoegen zit in het nabijzijn van zijn vriendin. Een jaar daarvoor gingen ze samenwonen, waarna zij met haar familie ging wandelen in Italië. Toen ze terugkwam twijfelde ze aan hun relatie. Nu liepen ze daar zomaar samen in de Ardennen, tevreden, misschien zelfs gelukkig. Dit alles getoond in kleine opmerkingen, hun handen die elkaar raken, dat hij zelden het gevoel had gehad, zo ‘samen’ te zijn als nu.

    De schoonmoeder heeft tijdens de wandeling de touwtjes in handen, de verblijfplaatsen geregeld, wijst op wat er gezien moet worden. ‘Och, wat schattig’, bij het zien van een houten bankje op een berg. Deze observaties: ‘Bovenaan de berg ging iedereen behalve mijn schoonvader zitten. (…) zelfs tijden de spaarzame pauzes wilde hij blijven bewegen.’ Ik las het verhaal van een welwillend mens, een liefde die geen stand houdt. En waarin gezocht wordt naar de plaats van de auteur in dit alles. Waarom de dingen genoteerd moeten worden? ‘Omdat ik ze niet wil vergeten.’ Prachtig geschreven. En zelf kon ik nu wel thuisblijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Met open mond

    Met open mond

    Ik lag met open mond in de stoel bij de mondhygiënist. Met een puntig tangetje prikte ze in tandvlees, krabde aan tanden en kiezen. Daarna zei ze, ‘Zo. Even wat tandsteen verwijderen.’ Ze nam een elektrisch aangedreven slijptolletje waarmee ze kundig en snerpend de bochten en hoeken rond mijn tanden nam. Mijn tong wrong zich als een slang in de holte van mijn mond, het slijptolletje ontwijkend. Gedachten worden dwingend als je ergens niet aan wilt denken. Dus raakte ik gefixeerd op mijn tong. Ik voorzag het verlies van een stukje tong, er zou bloed zijn, veel bloed en lallend spreken. Die croissant die ik mezelf na afloop had beloofd, kon ik wel vergeten. Kom, hield ik mezelf voor, denk aan iets anders (adem in adem uit). En daar kwam Elizabeth Jane Howard in mijn hoofd. Haar romandebuut, Een heerlijke tijd (1950), lag thuis op de keukentafel. Haar naam resoneerde als een mantra in mijn hoofd: Elizabeth Jane Howard, Elizabeth Jane…

    Ze was de stiefmoeder van de onlangs overleden schrijver Martin Amis. Hij was een puber toen Howard in 1962 zijn vader leerde kennen. Zij zette hem aan tot het lezen van Pride and Prejudice van Jane Austen. Kom maar eens om zo’n stiefmoeder. Amis liet graag weten dat hij zijn schrijverschap aan haar te danken had. Terwijl de mondhygiënist met zachte druk tegen mijn kaak mijn hoofd naar links dwingt, denk ik aan de zestienjarige naamloze verteller in Een heerlijke tijd, voor tien dagen uit logeren bij een onbekende familie. Hoe de vertelstem een goed verteller verraadt. Aan het einde van het boek is de naamloze verteller schrijfster, dat is wat ze (net als Howard zelf) voor alles wilde zijn. 

    De naamloze verteller blijft naamloos, zelfs als het moment daar is om zichzelf aan een ander personage voor te stellen, krijgt de lezer haar naam niet te horen: ‘“Ik heet Lucy,” zei ze. “Hoe heet jij?” Dat vertelde ik haar.’ Deze roman bestaat uit eenenveertig hoofdstukken die, nu ik er bij stilsta, als korte verhalen gelezen kunnen worden. De beginzin van elk hoofdstuk luidt een nieuw, perfect verhaal in. De eerste zin van de proloog luidt: ‘Ik werd wakker doordat de pels waarin ik was gewikkeld van mijn voeten was gegleden, die koud waren.’ Hoofdstukken beginnen met: ‘Dat was het begin van de fijnste kerst die ik me kan herinneren.’ En: ‘De volgende ochtend behandelde mijn vader me alsof er de vorige avond niets was gebeurd, en ik was hem dankbaar.’ Of: ‘De dag voor mijn vertrek wilde mijn moeder beslist dat ik minstens één nieuw kledingstuk kocht.’

    Howard vroeg in 1982 haar inmiddels ex-stiefzoon om raad. Of haar volgende boek een eigentijdse versie van Sense and Sensibility moest zijn, of een trilogie over een familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amis zei dat ze het tweede idee moest uitvoeren. Dat werd de vijfdelige romanreeks De Cazalets, een geweldige familiesaga. Het heeft iets moois, deze stiefzoon en stiefmoeder die op het literaire vlak elkaars gelijken waren.
    V
    oor ik het wist was de mondhygiënist bij het prettigste onderdeel van de behandeling gekomen; het polijsten der gehavende tanden, het voelde als een pleister.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Gewoon een heel goed boek

    Gewoon een heel goed boek

    Op sommige schrijvers wacht je trouw als de denkbeeldige hond die voor de supermarkt aan een denkbeeldige lantaarnpaal vastzit. Soms tref je de schrijver bij een kringloopwinkel tussen de boeken. Je denkt: Hé, kijk nou, daar staat Hiske Dibbets. Je pakt haar eruit en leest haar verhalen met hun bevreemdende, hilarische werking. Waar je van houdt. Haar verhalenbundel en romans hebben een ‘no nonsense’ toon, ik vermaakte me er kostelijk mee. Nog niet zo lang geleden kwam ik haar tegen in Dagboek 1978 – 1982 van Mensje van Keulen, die eind jaren zeventig voor een etentje bij kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw was. ‘zijn dochtertje, (…) Een lief meisje met een tandbeugel’. 

    Nu is er nieuw werk van Hiske Dibbets verschenen, Niet niks, en gaat over het jaar nadat haar op 1 oktober 2020 de dood werd aangezegd (niks Ispahaan, gewoon vanachter het bureau door een oncoloog), met de diagnose ongeneeslijke endeldarmkanker. Met dertig jaar minder dan haar levensverwachting zou kunnen zijn, treedt er een fase van rouw in om de dingen die niet meer zullen komen. Ze schrijft over haar leven en liefde voor haar man en dochter, vriendschappen die zich verdiepen. Ze vraagt de man, waarmee ze al meer dan dertig jaar samenwoont, met haar te trouwen. Zij die nooit wilde trouwen, besluit anders. Er had zich in het afgelopen halfjaar vanaf de diagnose, ‘een omkering van waarden voltrokken’ schrijft ze. Ze besloot dat ze twee levens had: een speelde zich af in het ziekenhuis, het andere in de werkelijkheid. ‘Dat die levens zich in twee tegengestelde richtingen ontwikkelden, zei iets over de surrealistische situatie waarin ik zat.’

    Ze herinnert zich haar tijd (1991) in Moskou, schrijvend voor Moskow Magazine van Derk Sauer. In datzelfde jaar leerde ze haar man kennen, die voor een maand naar Moskou komt, ze raakt zwanger van haar dochter, (‘made in Russia’) en keert terug naar Nederland. Daar begint ze verhalen te schrijven. Ze herinnert zich het plezier van het schrijven, hoe de verhalen zich ‘loswrikten’ uit haar verbeelding: ‘Op het moment zelf gebeurde er iets magisch: het verhaal ontstond vanzelf, de ene associatie riep de andere op.’ Haar debuut, Droomkeuken, wordt uitgegeven door Mai Spijkers. Later werkt ze er als lector, manuscripten doorspitten op literaire kwaliteiten. Dat de titel van haar debuut serieus bedoeld was, ze droomde van vervanging van haar jaren vijftig Bruynzeel keukentje. 

    Na haar derde boek stopt ze met schrijven, denkt het later weer op te pakken. Nu er geen ‘later’ meer is, ontstond het idee te gaan schrijven over haar beperkte leef-tijd, over ‘Een jaar met de dood op mijn hielen’. Voorbij de helft van het boek, schrijft ze dat ze kans ziet nog een boek te schrijven, over haar ziekte. Maar het zou niet alleen over kanker gaan; ‘het was ook een getuigenis van een tijd waarin herinneringen zich opdrongen en opstapelden.’ Die opeenstapeling ziet ze als een afdruk van haar leven, ‘zoals een fossiel in een steenlaag’. Dat wil ze vastleggen, ‘omdat een mens uiteindelijk niet veel meer is dan zijn herinneringen’. In het zoeken naar een beeld om de situatie waarin ze zich bevond te vangen, herinnert ze zich een logeerpartij bij een vriendinnetje. Ze noteert: ‘ Zazies kamer was behangen met aluminiumfolie. Vlak boven het logeerbed zat er een gat in. Als klein meisje verdween ik daarin tijdens een nachtmerrie en kon daarna de weg terug niet meer vinden.’ Het boek opent met dit beeld. 

    Anekdotes over een manuscript waarin de vrouw aan kanker lijdt en de man het nachtleven induikt. Een auteur die zichzelf voorstelt als: ‘reclamemaker met veel invloedrijke vrienden in de grachtengordel’. Ze vond het ridicuul, vroeg zich af welk punt de schrijver wilde maken, ‘ga vreemd terwijl je vrouw op sterven ligt?’ Het wordt hilarisch als ze schrijft: ‘Ik vermoedde dat het verhaal autobiografisch was en dat de schrijver een persoonlijkheidsstoornis had. Zijn naam was ook al zo irritant: Kluun. Afgewezen.’ Het boek verschijnt, (zoals bekend), bij een andere uitgeverij, wordt een verkoophit. Maar haar waarde oordeel wordt op het moment van lezen geëerd.
    Dan over een schilderij waarop medewerkers van de uitgeverij staan afgebeeld. Dat er af en toe mensen op geheimzinnige wijze van het doek verdwenen. ‘Mai Spijkers gaf [de schilder] weleens de opdracht iemand weg te schilderen, meestal vlak voordat degene werd ontslagen.’ Het werd ‘het stalinistische spookschilderij’ genoemd. 

    Dit boek leest als het in kaart brengen van een leven dat nog niet voorbij is maar ook niet meer vooruit geleefd kan worden. Ondanks de fijne verhalen, de anekdotes, de kracht die eruit spreekt het leven zo gewoon mogelijk te nemen, is er iets dat je terughoudt. Memoires meanderend door de bittere werkelijkheid van uitbehandeld zijn, langs ongemakkelijke gesprekken met artsen, het conflict met haar vader. En dan het gevoel, ‘Wacht, dit gaat over iemand die veel te vroeg gaat sterven, mag ik hier wel van genieten?’ Maar jemig, uit dit alles ontstijgt gewoon een heel goed boek.

     

     

    Niet Niks, Een jaar met de dood op mijn hielen / Hiske Dibbets / 231 blz. / uitgeverij Balans


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Meisje in mijn hoofd

    Meisje in mijn hoofd

    Ik las een kleine roman over de moord op een bedoeïenmeisje in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten. In mei 1948 riep toenmalig premier David Ben-Gurion de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop vielen omliggende Arabische landen Israël binnen. Israël hield, met zijn net opgerichte leger, stand. In de zomer van 1949 werd de wapenstilstand getekend, de onrust bleef. Op dat moment in de geschiedenis begint Een klein detail van de Palestijnse schrijfster Adania Shibli.
    Op
     9 augustus 1949 slaan Israëlische soldaten hun kampement op in de Negev-woestijn. Vandaaruit wordt dagelijks gepatrouilleerd langs de zuidelijke grenslijn met Egypte. Honden janken in de nacht, soms brullen er kamelen, maar nooit treffen ze iemand. ‘het enige wat het gebied prijsgaf, waren zandstormen en stofwolken, die er enkel op uit leken te zijn hen te achtervolgen en te kwellen. (…) Maar soms zag hij hun tengere, zwarte gedaanten tussen de heuvels heen en weer dansen, maar zodra de jeep ronkend en sputterend in de buurt kwam, waren ze spoorloos verdwenen.’ 

    De ‘hij’ is de legercommandant, een gedisciplineerd man die zijn manschappen op het hart drukt goed voor hun kleding te zorgen, ‘zichzelf elke ochtend te scheren en zich goed te wassen’. In de eerste nacht wordt hij gebeten door een beest dat kriebelend over zijn been bewoog. Hij slaat het van zich af, op zijn dijbeen zitten twee kleine rode puntjes. Het is onduidelijk waardoor hij gebeten is. Ik vermoed een spin, een zwarte weduwe. Die beet is een klein detail.

    Er is geen verhaal over het meisje, of niemand kent haar verhaal, ook de schrijfster niet. Enkel dat ze tijdens een patrouille, waarbij haar Arabische groepsgenoten en hun kamelen werden neergeschoten, gevangen werd genomen. Soms schreeuwt ze van angst, omdat ze is lastiggevallen door soldaten. De legercommandant intrigeert me. Zijn idee was het meisje naar het hoofdkantoor van de legerleiding brengen. Of als ze een Arabische nederzetting tegenkwamen, haar daar achter te laten. Ik dacht niet dat hij het in zich had het meisje kwaad te doen. Is het door het gif van de spin? Hij heeft last van verkrampingen in armen en benen, hartkloppingen, hoofdpijnen. Hij verbood zijn soldaten het meisje lastig te vallen. In de nacht van 12 op 13 augustus gebeurt er iets waardoor hij de volgende ochtend besluit het meisje te laten doden. Dit eerste deel leest als het kijken naar een stomme film.

    In het tweede gedeelte (elk deel beslaat drieënzestig pagina’s) is een Palestijnse vrouw in de stad Ramallah aan het woord in een groot monologue interieur. Op een ochtend leest ze in een krantenartikel, geschreven door een Israëlische journalist, over het vermoorde bedoeïenmeisje op 13 augustus 1949. Wat haar treft, is de datum waarop het incident plaatsvond. Het meisje werd na te zijn verkracht, vermoord op de ochtend waarop zij, exact een kwart eeuw later, in 1974 werd geboren. Het incident vindt ze niet bijzonder. ‘Als je kijkt naar wat er dagelijks gebeurt op plekken als deze, die met veel kabaal door anderen worden bezet en waar de dood altijd aanwezig is. (…) Zelfs verkrachtingen vinden niet alleen plaats in oorlogen, maar ook in het dagelijkse leven. Moord, verkrachting, en soms beide tegelijk.’

    De dag waarop het gebeurde, linkt haar aan die gebeurtenis, waardoor ze het verhaal van het meisje wil leren kennen. ‘Misschien is dit kleine detail wel van doorslaggevend belang als we de volledige waarheid willen achterhalen, want door het verhaal van het meisje achterwege te laten, legt het artikel niet de volledige waarheid bloot.’ Ze belt met de Israëlische journalist, reist door Israelisch gebied, waarbij ze constant pasjes moet tonen om grenzen te passeren. Zeer voelbaar is de beklemming om ergens te zijn waar je niet gewenst bent. Als Adania Shibli iets wilde benadrukken dan is het misschien wel dat zo niet God, dan wel de mens in al zijn daden ondoorgrondelijk is.

    Het is een paar dagen geleden dat ik het boek uit las, maar gisteravond, tijdens de twee minuten stilte, kroop het meisje in mijn hoofd. Wat ik ook probeerde, als legde iemand mij op dat ik anderen moest herdenken, ik zag haar in de Negev-woestijn, het gebied dat sinds mensenheugenis werd bewoond door bedoeïen, dat zij geen weet had van een onafhankelijkheidsverklaring. 

     

     

    Een klein detail / Adania Shibli / vertaling Djûke Poppinga / uitg. Koppernik


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en leest.

     

     

  • Kuiltjes graven

    Kuiltjes graven

    Het was zo’n dag dat zelfs de bananen op de fruitschaal me en masse de rug toekeerden. Deze column schoof ik voor me uit, in de hoop op mooi weer. Dat ik kon openen met: ‘De zon verwarmde mijn schouders terwijl ik op mijn knieën in de tuin de spitskoolplantjes behoedzaam in de vooraf gegraven kuiltjes in de aarde zette.’ Maar een straffe wind vloog langs de zijkant van het huis de tuin in, gierde hysterisch door elke reet of opening van het huis. De katten keken me verwijtend aan. Ik zag dat ze zich afvroegen, ‘Why, for God sake!’ (in hun eigen taal). Ter compensatie mochten ze op de bank, waar ze direct hun nagels in de zacht wollen deken klauwden. Er was een gebrek aan voornemens. 

    Ik dacht erover me op te geven voor het Zeven Zussen ontbijt bij een boekhandel ergens in het land, serieus. Ik ontbijt graag buiten de deur. Ook wilde ik me aanmelden voor de avond bij Alliance Française in Den Haag, waar Mohamed Mbougar Sarr komt praten over De diepst verborgen herinnering van de mens. Maar ik voelde een keelpijn opkomen.
    De kwestie is dat ik overal bij wil zijn, maar er altijd een excuus is om thuis te blijven, wachtend op iets dat zich (natuurlijk) onverwacht zal aandienen. Toen moest ik denken aan een betoverend verhaal op Papieren Helden, ‘Eloisa’ van Ida Blom. Daarin is de oudere zus van de tienjarige vertelster van een Italiaans dorp naar Rome verhuist. Vroeger kroop Eloisa weleens bij haar in bed. ‘Dan kneep ik mijn ogen dicht en deed alsof ik sliep. Ze rook anders, naar de buitenlucht en kampvuren, en ik hoorde haar hart bonzen van alles wat ze die nacht beleefd had.’ Op een dag neemt Eloise vanuit Rome haar vriend Alessio mee naar huis. Ik keek naar zijn wimpers, die lang en donker waren en zijn ogen omlijstten. Als hij naar Eloisa keek werden zijn ogen groot en zacht. Die nacht wenste ik dat iemand zo naar mij zou kijken.’ (dit citeer ik enkel om haar schrijfstij).

    Het weekend van haar elfde verjaardag gaat ze bij Eloisa op bezoek. Er staat een klein taartje met gouden marsepeinen roosjes op de keukentafel. Als Eloisa de taart wil aansnijden wordt ze afgeleid, ze kijkt zo lang uit het raam, ‘dat ik even dacht dat ze me vergeten was. Mist kroop over de rivier, en langs het water liepen mensen krom door de kou. Met een ruk draaide ze zich om. “Sorry, ik zag Alessio lopen dacht ik even, maar het was hem niet.” Ze sneed zorgvuldig een stuk af en gaf het aan me op een roze bordje. “En hoe voelt het om elf te zijn?” (…) Ze zat met rechte rug tegenover me, haar handen in haar schoot, en at zelf niets. Afwezig wendde ze haar blik terug naar het raam. (…) Ik nam me voor om nooit verliefd te worden. Mensen die verliefd zijn wachten alleen maar.’
    Het is een van de mooiste verhalen op Papieren Helden, het online literaire tijdschrift dat elke maand nieuwe verhalen publiceert, een mooi verhalenarchief heeft. Ik nam me voor niet meer te wachten, morgen ga ik kuiltjes graven in de tuin

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis en reist met het OV om te lezen.

     

     

     

  • Het is mij overkomen

    Het is mij overkomen

    Dat in de nacht voor Pasen de halve servieskast uit elkaar was gevallen waardoor porseleinen borden, die we weliswaar niet dagelijks gebruikten maar onmisbaar waren omdat ze uit onze Portugese tijd kwamen, in scherven op de keukenvloer lagen, verdroeg ik. Om de bewerkelijke paastaart, de broodkuikens en pistachechocoladeplak naar recept van Ottolenghi, die in de kast stonden en nu bezaaid waren met minuscule glassplinters, kon ik wel janken, maar deed het niet. Dat kwam door het zonlicht dat vanuit het oosten door het keukenraam naar binnen viel, recht op de keukenvloer waar de glas- en porseleinen splinters glinsterden als geslepen diamant. We maakten een foto, legden de scherven in een mand voor later. Ik bracht de baksels naar de vuilcontainer.

    Met de hele familie vertrokken we met kleden, opklapstoelen, manden met servies, tassen gevuld met pasteitjes, brood en salades in verschillende auto’s naar een bos in de buurt van Oeken. Dat we ons verkeken hadden op de loopafstand van parkeerplaats naar de beoogde picknickplek, was niet erg. Terwijl de hengsels van de tassen in onze handen sneden, we ons vertilden aan aardewerken schalen met aardappelsalade, klaagden we niet. Ook niet toen we vermoeid  van het verstoppertje spelen, amechtig van het vele eten aan het eind van de dag onszelf terugsleepten naar de auto’s. Waarna het uitpakken thuis begon, een roes van vrolijkheid nog doorspeelde, het verdelen van de overgebleven etenswaren, de afwas en daarna rozig naar bed.

    Dan in bed het nieuwe boekenprogramma nog even terugkijken. Niets zo verfrissend als een goed boekenprogramma. Er was een opname bij een buitenboekenkastje met een bundel van J.C. Bloem. De presentator las daaruit zijn ‘lievelingsgedicht’. Hij las het zo voor dat het gedicht geen gedicht meer leek. Toen ging de presentator naar binnen waar aan de bar een schrijver zat die werd begroet als ‘debutant van het jaar’. Dat de debutant vorig jaar al bij Brommer op zee te zien was geweest, bevreemde me, alsof er een tekort was. Deze debutant had al te vaak dezelfde vragen gehoord, de antwoorden lieten zich niet meer veranderen, klonken als pulp. De begroeting ging zo:

    ‘Leuk dat je hier bent.’
    Debutant: ‘Hartstikke mooi!’
    ‘Hoe is het met je?’
    Debutant: ‘Hartstikke leuk dat ik hier ben.’
    ‘Hoe is het na je dit boek hebt geschreven?’ (sprak de presentator), het boek schuddend omhoog houdend, zoals met een pak hagelslag als je wilt weten of er nog hagelslag in zit.
    Debutant: ‘Moeilijk bij te benen, mentaal, en emotioneel. Er komt veel op me af.’
    Het klonk geforceerd, alsof er was afgesproken dat hij moest benoemen dat er veel op je afkomt als je debuteert (spoiler voor niet doorgebroken schrijvers). 

    De presentator vervolgde, ‘Als collega-schrijver weet ik dat een eerste zin altijd heel belangrijk is.’ En leest die eerste zin aan de debutant met geknepen stem voor. De debutant glimlacht verkrampt, zegt over zijn eigen zin: ‘Een hele mond vol.’, daarmee zijn werk ridiculiserend. Kenmerkend voor het hele programma, het omlaaghalen van, ja, van wat eigenlijk. Van het elitaire lezen naar het niveau van laaggeletterdheid brengen?

    Daarna zat er een dichter aan de bar, was de presentator zonder winterjas. De dichter werd in krap een minuut geïnterviewd. Waarna hij een gedicht mocht voordragen. Ach, toen sloeg de droefheid toe. Die dichter kwam niet tot zijn recht. Er was teveel gedoe, teveel aankleding, teveel aan zoemende muziekgeluiden, niet afgemaakte songs. Met publiek dat van poëzie niet opgewekt werd, maar wel onder de indruk van een ‘niet doorgebroken’ schrijver. Die een abominabel fragment voorlas, in de hoop dat een ‘traditionele’ uitgever haar boek zou willen uitgeven. De presentator tegen de niet doorgebroken schrijver over debuteren, waarbij hij nogmaals zichzelf als schrijver opvoert: ‘Het is mij overkomen, het is Gijs [de debutant] overkomen. Wat denk je dat je dan te wachten staat als dat gebeurt?’ 

    Toen verdroeg ik het niet meer. Ik jammerde dat alles kapot ging. Dat niemand van de pistachechocolade had kunnen proeven. G zei, wat is er nu? Ik jankte, ‘Waarom is het zo moeilijk een goed boekenprogramma te maken. Gewoon een tafel, stoelen, wat stapels boeken en steeds een andere schrijver. Waarom laten ze een schrijver tweemaal debuteren in een boekenprogramma, waarom letten ze daar niet op? Waarom moest de presentator een winters gevoerde jas dragen. En waarom die verzamelaars, ik hou niet van verzamelaars, ze zijn zo voorspelbaar’, brulde ik, ‘Het stelt allemaal niks meer voor’. G klapte de laptop dicht, ik kroop diep onder het dekbed. Najammerend dacht ik aan dat mooie servies uit Portugal, aan hoe ver je als schrijver wilt gaan om je boek te promoten. Zouden er schrijvers zijn die bedanken voor een optreden in dit boekenprogramma? En ik wist dat als ik iets had uit te geven, dat nooit bij een ‘traditionele’ uitgever zou doen. Doe mij maar een gewone.

     

     


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.

  • Hoe ze het doen

    Hoe ze het doen

    Ik begon te  lezen in de dagboeken van Doeschka Meijsing. Nee wacht, eerder was ik al begonnen in Truman Capote’s In koelen bloede. Dat boek lag in de badkamer op de rand van het bad. Is het raar boeken op de rand van het bad? We gebruiken het niet meer sinds we zuinig met water moeten zijn, enkel nog als de tweeling kleindochters hier logeren. G stelde al voor een grote plank over de badkuip te leggen voor alle boeken die in de badkamer verblijven uit een bepaalde noodzaak. Maar we hadden geen grote plank. Dus blijven de boeken op de rand van het bad liggen, de dagboeken van Meijsing, Truman Capote en Meisjesherinneringen van Annie Ernaux, die schrijft, ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen, door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken.’ In gedachten vul ik aan met hoe ze kijken, hun boodschappen op de lopende band leggen, of een gevallen kind in een beweging overeind helpen, het toespreken.

    Er is veel dat me in stille verwondering, met een gevoel van gemis, achterlaat. Laatst nog, toen ik een jurk kocht van een duurder soort dan ik me doorgaans veroorloven kan. Ik beloofde mezelf op dat moment dat ik jarenlang enkel die jurk zou dragen. Ik keek hoe de verkoopster de jurk door haar handen liet gaan, de stof aanprees, me feliciteerde met mijn keuze. Ze legde de gevouwen jurk op een vloeipapiertje met goudkleurige krabbeltjes, vouwde het om de jurk heen. Ze vouwde en streek glad met mooi gemanicuurde handen. Ik wenste voor even die verkoopster te zijn.

    Als het lezen van alle belangrijke boeken een missie was, zou ik die willen vervullen. De wereld in kaart brengen door middel van literatuur, mezelf begrijpen aan de hand van personages, schrijvers. Hoe ze het doen. Na de eerste tachtig bladzijden van In koelen bloede, ben ik vol bewondering. Enthousiast vertel ik G hoe Capote zes jaar onderzoek heeft gedaan voor dit boek. Zes jaar! Zijn hele leven draaide van 1959 tot 1965 om de brute moord op een boerengezin, de familie Clutter. Hij sprak met de mensen uit het stadje Holcomb in Kansas, met familie van de slachtoffers, bezocht de daders in de gevangenis, ploos hun levens uit. En het is zo goed geschreven, riep ik.

    In de jaren vijftig sloot op het platteland niemand zijn huis af, je kon overal gewoon binnenlopen. Na de gruwelijke moord, die heel Amerika schokte, begonnen mensen sloten op deuren te zetten, de angst had toegeslagen. Zo ontstaan gewoonten.
    Uit zijn diepgaande onderzoek schiep Capote de persoon Mr. Clutter, vader van twee dochters en twee zoons waarvan er twee niet meer thuis woonden, en eigenaar van een welvarend boerenbedrijf. Iemand zal Capote verteld hebben dat Mr. Clutter van appels hield. Capote beschrijft hem als hij ’s ochtends vroeg in de keuken is. ‘Na het glas melk gedronken te hebben en een met schapewol gevoerde pet te hebben opgezet, nam Mr. Clutter zijn appel mee naar buiten om de ochtend te inspecteren.’ Even later, ‘voegde een hond, half Schotse herder, half straathondenras, zich bij hem, en samen kuierden ze weg in de richting van de veekraal, die zich naast een van de drie op het erf staande schuren bevond.’ 

    En liefde in mindere mate, dagboeken 1961-1987 van Doeschka Meijsing telt 742 pagina’s, meer dan de helft is voor het notenapparaat, twaalfhonderdzesendertig noten. Het maakt het boek weerbarstig, het valt steeds uit mijn handen als ik het goed wil openen. Het formaat is te klein, je zou het moeten breken. Ik wil enkel haar gedachten lezen, van haar wisselende stemmingen en verliefdheden weten, haar vroege wens schrijver te willen worden. ‘Misschien moet ik eerst veel verdriet hebben gehad om te kunnen schrijven. Ik ben achttien, ik wil weten hoe liefhebben is. Het enige verdriet dat ik nu nog maar ken, is de ineenkrimping onder boze woorden.’ De ‘ineenkrimping onder boze woorden’, daar begint alles mee. En dan weer opkomen, en door.

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.

     

     

  • Gelukkigste tijd

    Gelukkigste tijd

    Er ontstaan gewoontes waarvan je je op zeker moment kunt afvragen waar je mee bezig bent. Wanneer ik in de trapkast de schappen met levensmiddelen zie, vraag ik me opeens af hoe al die blikken met bonen, tomaten, potten tahin, zakken kikkererwten, linzen, de stapel stofzuigerzakken daaronder, naast de uien rood en geel daar gekomen zijn. Die hele voorraadkast bevreemd me, alsof ik in het leven van een ander sta.

    Mijn moeder, ja, zij hamsterde. Maar zij had de oorlog meegemaakt, en daarna de koude oorlog. Die werd niet gevoerd, maar versomberde als een dreigend onweer haar leven. Er moest altijd een paraplu bij de hand zijn. Mijn moeders voorraadkast was haar paraplu, groot genoeg voor het hele gezin. Toen het onweer overdreef, kon ze niet meer stoppen met hamsteren. De rollen waren voorgoed verdeeld, mijn moeder de voorraadkast, mijn vader de boekenkasten. Als zij reclamefolders of een damesblad doornam, zat hij voorovergebogen in zijn stoel met een boek. Tussen haar blaadjes en zijn boeken uit de wereldbibliotheek lag een niet te verbloemen allenigheid.

    In de verhalen van Tove Ditlevsen maakt het huwelijk niet gelukkig. ‘Je kent degene met wie je getrouwd bent niet eens.’, zegt de vrouw die met drie kinderen achterblijft als haar man er vandoor gaat met een jong meisje. In een ander verhaal slapen de man en vrouw gescheiden. De vervreemding zet in. De man kwetst de vrouw. Zijn woorden raken haar waar hij niet komen mag. ‘Het enige wat ze kon doen was mensen ontlopen wier woorden iets raakten, iets geheims dat absoluut met rust gelaten moest worden.’, dacht de vrouw. Elke relatie kent een gebied dat niet door de ander betreden mag worden.

    Ditlevsens verhalen gaan over levens die niet te verenigen zijn, vervreemding van zichzelf en de ander. Daar tussendoor is er die zweem van geloof ‘alles komt goed’. Maar niet heus. Haar verhalen vertonen veel gelijkenissen met haar eigen leven zoals ze dat beschreef in haar memoires, Kinderjaren, Jeugd en Afhankelijkheid. Ze trouwde vier keer, kreeg drie kinderen van verschillende vaders, raakte door toedoen van haar derde echtgenoot, een arts, verslaafd aan opiaten. Zolang ze zich kon herinneren wenste ze zich een normaal leven, een man, huis, kinderen, voldoende eten in huis. Maar de rol van moeder en echtgenote past haar niet. Een verhaal opent met, ‘Helene werd vroeg in de ochtend wakker met een gevoel dat haar hele leven één groot fiasco is.’ Haar man en kinderen negeren haar. Elke dag sloot ze af in de overtuiging ‘dat ze absoluut geen invloed had op haar omgeving’.

    Ditlevsen wilde alleen maar schrijven, maar ook wenste ze zich, ‘een doodgewoon normaal gezin te stichten’. In het verhaal over een dochter die haar moeder met een taxi ophaalt om de vader in het ziekenhuis te bezoeken. ‘Haar hoed zat scheef op haar witte haar en haar hoofd schudde lichtjes aan een stuk door.’ De moeder verwijt de dochter de dure taxi, waarom konden ze niet met de auto…? De rit naar het ziekenhuis is lang. Haar moeder blijft jammeren, dochter krijgt het benauwd, ‘waarom kon ze haar moeders hand niet pakken en er bemoedigend in knijpen?’
    Ditlevsen leed aan depressies en verbleef een aantal keren in een psychiatrische kliniek. Toen ze in 1967 op de gesloten afdeling terechtkwam, schreef ze de eerste twee delen van haar autobiografische trilogie, Kindertijd en Jeugd. Ze noemde die periode ‘de gelukkigste tijd van mijn leven tot nu toe’. Het schrijven overwon niet, op negenvijftigjarige leeftijd beëindigde ze haar leven. 

     

     

    Kwaad geluk / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag uitgevers (2023)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

  • Iets te vertellen

    Iets te vertellen

    Er zijn schrijvers die alleen aan een boek beginnen als ze iets te vertellen hebben. Gerbrand Bakker liet onlangs en desgevraagd bij Deventer Literair weten waarom het twaalf jaar duurde voor zijn roman, De kapperszoon verscheen. ‘Ik weet vaak niet waar ik over moet schrijven’ zei Bakker onbevangen. Laatst bladerde ik door een Hollands Diep uit 2007, en las de uitspraak van Connie Palmen, ‘De roman is klaar, ik begin.’ Wat bij eerste lezing eencontradictio in terminis’ is, maar bij herlezing een aha-ervaring teweeg brengt. Het voorwerk is gedaan, het schrijven kan beginnen. Tussen het tweede boek van Minke Douwesz en haar onlangs verschenen Het laatste voorjaar, zit veertien jaar. Ik wist dat het goed zou komen, soms vreesde ik dat er niets meer inzat. Wat na haar twee geweldig romans (goed voor 1400 pagina’s) te accepteren was.

    Jaren nadat ik Douwesz’ debuutroman Strikt had gelezen, kan ik me het integere personage Idske nog zo voor de geest halen.  Meer dan achthonderd pagina’s lang volgde ik deze psychoanalyticus in opleiding. Vanaf haar ontmoeting met de cello spelende Judith bij een telefooncel voor het Centraal station Amsterdam, tot de liefde tussen hen beiden op de laatste pagina een feit was, (nu lijkt dit een liefdesroman maar vergis u niet). Tussendoor haar leersessies op de bank bij een psychiater. ‘Het was maandagochtend en ik lag op de bank. Ondanks een zekere weerzin mijn analyticus op de hoogte te stellen van wat zich in mijn vrije tijd voordeed, had ik hem verteld van de afspraak met Judith.’ Strikt  kreeg het motto, ‘I saw the house on the hill / it bloomed like a flower in the summerend /Tell the fire where the river bends / tell the river when the fire ends’, van The Nits mee. Haar tweede roman Weg kreeg de regel, ‘I take you down the only road I’ve ever been down.’, van The Verve mee.

    Als je zolang gewacht hebt op een nieuw boek van een schrijver wiens eerste twee boeken zich totaal voor je hebben ingenomen, was het een feestje Het laatste voorjaar in handen te houden. Mooi omslag, hup openslaan, eerste blad, het motto is van Bob Dylan, ‘They say everything can be replaced / Yet every distance is not near’. Verandering ja, daar gaat het over, dat elke verandering geen vooruitgang is. Toen begon het gretige lezen, maar wacht. Minke Douwesz lees je niet snel, haar boeken zijn geschreven om bladzijde voor bladzijde tot je te nemen. Ik lees over de drieënvijftigjarige docent Duits, Ese Jelles. Na de dood van haar geliefde vrouw Martie, verschillende veranderingen op school, neemt ze ontslag. Ze vertrekt op de fiets voor een reis naar Jalta op de Krim waar ze het huis van Anton Tsjechov wil bezoeken.

    Ese, is net als Idske in Strikt, een vrouw om van te houden. Een vogelsoort bij naam kennen, waarom?  Ese, ‘Het is van belang te beseffen dat er verschillende soorten bestaan. Dan kijk je beter.’ Tijdens haar reis door Europa, komen er herinneringen  aan haar jeugd boven. Aan haar vader, voor wie iets nooit goed genoeg was. Gedachten aan Martie, hun leven samen. Naar een nieuwe relatie is Ese niet op zoek. Haar zus vindt haar te jong om alleen te blijven. Waarop Douwesz’ alter ego zegt, ‘Ik ben zo’n stoelviltje dat maar één keer plakt.’ Haar zus stelt haar rouwverwerkingstherapie voor, reactie van Ese is, ‘Wil je me anders hebben?’ Wat ik een geweldige opmerking vind, want proberen we elkaar niet altijd te veranderen naar hoe we het graag hebben willen? Daar gaat het dus ook over in dit boek. En over lezen, schrijvers en boeken , wat die doen. ‘[Schrijvers] bekijken de boel vanaf de zijlijn, proberen te snappen wat ze zien en zetten dat op papier. Door het lezen van Russische literatuur zou je ten onrechte gaan denken dat men daar heel beschouwend is.’ Om haar gedachtengangen, waarnemingen en de liefde is het dat ik graag Minke Douwesz lees.

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwesz / 333 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).

     

     

     

  • Wat weet ik

    Wat weet ik

    ‘Het kon zomaar zijn dat vrouwelijkheid, in de vorm die mij geleerd is, aan haar eind is gekomen’, schrijft Deborah Levy in haar ‘Living autobiography’. Zelf denk ik, terwijl ik lees over de Indonesische schrijver Basuki Gunawan, dat het zomaar kon zijn dat de geschiedenis, zoals die zich aan mij voordeed, in zijn volledigheid onvolledig is. Wat weet ik van de onafhankelijkheidsstrijd vlak na de tweede wereldoorlog in Indonesië als ik enkel de boeken van Nederlandse schrijvers daarover gelezen heb? 

    Bij de kringloopwinkel vond ik laatst een dikke bundel autobiografische werken van Hella Haasse, Het dieptelood van de herinnering. Ik begon te lezen met Zelfportret als legkaart, dat als een uitvergroot equivalent van het kleine essay, Why I Write van Orwell kan worden gezien. In haar zelfonderzoek naar wat en hoe zij als vrouw wil schrijven, komt ze tot het inzicht dat schrijven ‘niet in de eerste plaats als doel op zichzelf, als roes, als emotioneel stofwisselingsproces bedoeld is (…) maar vooral om datgene uit te drukken dat belangrijker is dan het schrijven zelf: bewust leven.’
    Haasse schreef overigens drie maal een boekenweekgeschenk. Het eerste was Oeroeg, over het einde van het Nederlandse koloniale tijdperk in Indonesië. 

    Toen viel De Parelduiker op de mat met op de cover: ‘Basuki Gunawan schreef hét vervolg op Oeroeg’. Vijf jaar na Oeroeg schreef deze Indonesische schrijver en socioloog in opleiding Basuki Gunawan (1929-2014), een feuilleton getiteld Winarta voor literair tijdschrift De stem. Over diezelfde koloniale oorlog vanuit het perspectief van een Indonesische jongeman die wraakzuchtig streed tegen het Nederlandse leger. De novelle kreeg een eervolle vermelding bij de Reina Prinsen Geerligsprijs uitreiking in 1953. Hella Haasse zat dat jaar in de jury. De novelle zal haar zeker hebben aangesproken. Al is Alfred Birney, die in De Groene Amsterdammer schrijft over Winarta, van mening dat men er in die tijd ‘nog niet aan toe was’ dat deze koloniale strijd beschreven werd door een Indonesiër. En, gaat hij verder, ‘nu feitelijk nog maar half; liever beschrijft men die zelf dan simpelweg overgaan tot het vertalen van boeken van Indonesische historici.’ Birney is het die de novelle, ‘hét vervolg’ op Oeroeg noemt. Het van een ‘hogere literair orde’ vindt dan Oeroeg

    De Australische schrijver en vertaler David Colmer schreef een prachtige bijdrage voor De Parelduiker over deze schrijver en zijn novelle. Colmer raakte in de jaren negentig met zijn gezin, wonend in Amsterdam, bevriend met het gezin van de dochter van Gunawan. Hij kreeg via haar de novelle Winarta van haar vader in handen. ‘Bas, die ik vaak was tegengekomen op familiebijeenkomsten en kende als de stille, maar beminnelijke, toegeeflijke opa’. Het is een vreemd gemiste kans dat het manuscript toen niet werd uitgegeven, hoewel toenmalig Querido uitgever Alice van Nahuys grote belangstelling had. Nadat ze een deel van Winarta in De stem had gelezen, schreef ze aan Gunawan dat ze graag in aanmerking kwam een uitgave te overwegen. Deze brief, en ook een tweede brief waarin gerept wordt van het verhaal in boekvorm te laten verschijnen, waren verkeerd geadresseerd.

    Als de brieven hem eindelijk bereiken volgen er enkele ontmoetingen met Van Nahuys om redactionele wijzigingen te bespreken. Maar dan ontvangt Gunawan in juli 1955 een brief van de uitgeefster waarin ze schrijft: ‘Ik vrees dat ik U moet teleurstellen met de mededeling, dat wij, zelfs na veranderingen in Uw manuscript WINARTA, dit niet zullen uitgeven. Niet, dat wij vinden dat het manuscript er niet beter op is geworden, maar, ik geloof, dat gezien de gespannen verhouding tussen Indonesië en Nederland, het zomin voor U  als voor ons prettig is, dat het boek nu zou verschijnen.’

    Wat de reactie van Gunawan was, is niet bekend. Hij leek me een bescheiden, aardige man, te aardig misschien. Dan nog, Gunawan was geen veelschrijver. Maar stel, zoals Birney ook overweegt in De Groene, als zijn novelle wel in de jaren vijftig in boekvorm was verschenen, dan had zijn schrijverscarrière er wellicht anders uitgezien. Lees dit intrigerende stuk van David Colmer (vertaling Hans Kloos) in De Parelduiker, waar overigens nog veel meer moois in staat. Rest mij deze novelle aan te schaffen.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).