• Biologische tomatenplantjes

    Biologische tomatenplantjes

    Maandagochtend stond ik in een agrarische winkel met mijn vest binnenstebuiten. Ik stond in de rij met twaalf biologisch gekweekte tomatenplantjes in een karretje. Niemand zei iets over mijn vest. Goed, het is misschien ook wel intiem een ander te wijzen op een foutje in je kleding. Beetje gênant als je er op aangesproken wordt. Dat begrijp ik wel. Achter mij stonden een vrouw en een man. Even daarvoor stonden ze naast me bij de tomatenplantjes. De vrouw hoorde ik bij de tomatenplantjes (alsof ze ‘getverderrie’ zei) roepen: ‘Dat zijn biologische’. Ik kocht ze alle twaalf. Ik was biologisch gewend, ik kon ertegen. Zij stond er met haar neus bovenop, op mijn vest. Ze had iets kunnen zeggen. Maar het was geen vrouw die de wereld om haar heen wilde corrigeren. Dacht waarschijnlijk dat zij, die biologische plantjes kopen, rommelig gekleed gaan.

    Thuis merkte ik het pas. Aan het geborduurde rondje op mijn linkermouw dat nu op mijn rechter zat. Ik trok het vest uit, zette de tomatenplantjes op het gras, ging naast de poes op de tuinbank zitten. Het was zo’n ochtend voor een fijn verhaal. In het weekend las ik verhalen van Jaap Scholten, Van Oldenzaal tot Ouagadougou. Gedreven als een cowboy  jaagt Scholten je zijn verhalen door. Sterke verhalen, geweldig goed. Je moet ze maar eens lezen. Vandaag was ik in De verhalenbundel van Josien Laurier (wie kent haar nog?) begonnen. Al haar verhalen gaan een kant op die je niet verwacht, zijn deregulerend.

    In ‘De schoonmaakster’ komt een Argentijns meisje bij een oude man Hendrik schoonmaken. Hij drukt haar op het hart niets te verplaatsen. ‘Do not move anything. What you call chaos, to me is order.’ Na de eerste schoonmaakbeurt inspecteert Hendrik het huis. ‘De tandpastavlekken waren weg, maar de dop was niet op de tube gedraaid, de wasmachine draaide, maar zijn vuile sokken lagen in een hoek van zijn slaapkamer en toen hij zijn werkkamer betrad, betrad hij zijn werkkamer.’ Niets was er veranderd, en dat stemde hem tevreden. Zelfs het klokhuis op de hoek van zijn bureau stond er nog. Maar wacht. Had hij een appel gegeten? Zijn hart begon te bonken. Nee, toch? Hij pakte een spiegeltje om zijn tanden te onderzoeken op een miniem stukje appelschil. Nee, hij had geen appel gegeten. De tweede keer nadat de schoonmaakster is geweest, is er een boek in zijn boekenkast verplaatst. Een volgende keer staat er een bloeiende geranium in zijn vensterbank. ‘Deregulatie’, denkt de oude man. ‘Teneinde krankzinnigheid te bewerkstelligen.’ 

    Er is een verhaal van een man die het nieuwste boek van zijn lievelingsauteur koopt. In een café scheurt hij het boek uit de verpakking, gooit de prop weg, en leest: ‘Een man van middelbare leeftijd verfrommelde gehaast het papier waarmee de nieuwste bundel van zijn lievelingsauteur was ingepakt, gooide de prop weg, en sloeg, zelfs voordat hij zijn jas losknoopte, het boek open.’ De man kijkt naar zijn jas, de prop papier. En wil verder lezen. Hij leest vervolgens hoe hij naar zijn jas keek, naar de prop papier en zijn ogen sloot. Alles wat de man doet, leest hij daarna in het boek. Hij wordt er gek van. Goed verhaal! Al Lauriers verhalen zijn goed. Ik kijk op, de tuin in. Zie de biologische tomatenplantjes vanuit het gras naar me kijken. Ze willen de grond in. Dus hup, aan het werk. Daarna verder lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Roman in briefvorm

    Roman in briefvorm

    Je sluit het boek dat eindigt met een man die blootsvoets rennend zijn huis verlaat, zijn bloedhond, genaamd Sok, als een dolle achter hem aan. Het staat in een van de laatste brieven, geschreven 11 augustus 1987. Hoofdschuddend breekt er een lach in je door. Meesterlijk einde, een knipoog naar de toch wel stoere man die zich het hele boek door middel van brieven, gericht aan vriend, vijand en een ex-geliefde, de gekte buiten de deur probeert te houden. Als correspondentieschaker, ooit op Europees niveau spelend, schrijft hij brieven die niet eens allemaal verstuurd worden. De gedachte aan de geadresseerde is hem genoeg om zijn leven in beweging te houden.

    Na een aarzelend begin, waar sprake is van een in de nek hijgende vertegenwoordiger van de overheid die het op het huis van de kluizenaar gemunt heeft, gemijmerd wordt over een verloren geliefde (een liefde, zo blijkt ,die hij nooit heeft durven bekennen) – maar waar de brieven langer worden, al snel hele stukken ademloos leest. Door de prachtige verhalen die deze Allard van Benniq Methorst in zijn brieven vertelt. Kunnen we het hebben over bloemrijke taal? Als een merel tegen het raam gevlogen is, schrijft hij daarover aan zijn vriend Lop. ‘Ik stond juist thee te zetten toen ik de vogel in volle vaart op mij af zag komen. De botsing deed de ruit trillen. De merel stuiterde terug, schudde het kopje alsof ze zich verwonderde en stortte neer op het pad. Vrijwel direct kwam er uit het snaveltje bloed dat een dikke druppel ter grootte van een stuiver vormde op de tegel. Helrood, als zegellak. Vergeefs woelde de wind tussen de veren naar een hartslag.’ Dat beeld van woelende wind en het ontbreken van een hartslag.

    Brieven lenen zich ervoor om uit te weiden, dingen te vertellen die ‘face to face’ niet verteld worden. Allard schrijft aan een vrouw die hij via een verkeerd verbonden telefoonnummer heeft leren kennen, ze besluiten elkaar te schrijven. De onzekerheid van de vrouw bezweert Allard met: ‘De vele doorhalingen waar je je aan het slot van je brief voor verontschuldigt, zijn allerminst storend. Integendeel. Het toont mij de zoekende briefschrijfster, de eerste ingevingen. De doorgehaalde woorden zijn vaak het eerlijkst.’ Zo brieven te schrijven, zonder zelfcensuur.

    Geleidelijk aan ontstaat er in de brieven een bouwwerk waarbinnen het leven van deze ex-schaakmeester zich aftekent, waar hij vandaan komt, eindigt als kluizenaar. Je denkt aan de brieven van Gustave Flaubert in Haat is een deugd. Waarin hij vriend en minnares op de hoogte houdt van zijn staat van zijn. ‘Waarom vind ik zo’n troost in de eenzaamheid?’, schreef Flaubert in 1853 aan Louise Colet. Hoewel je een lach niet kon onderdrukken bij de laatste brief aan vriend Lop, waarin Allard verslag doet van zijn vlucht naar het dorp, is het natuurlijk droevig dat hij uit zijn kluizenaarshol verjaagd werd. Je denkt voorts aan al die verhalen die in dit boek vertelt worden. Er gaat een bepaalde betovering uit van de taal van Baneman, de beschrijving van een gelaat, het uiterlijk van iemand. Met deze roman in briefvorm waan je je soms in de sfeer van de brieven van Toergenjev, Brouwers, Flaubert, en dat door een hedendaagse jonge schrijver. 

     

     

    De schim van Raamswolde / Alexander Baneman / 235 p. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, op zoek naar een goed verhaal.

  • Je bleef doorlezen

    Je bleef doorlezen

    Je ontving een verhalenbundel met een postkaart. De verhalenbundel had al een tijdje op de redactie gelegen, was onderop een stapel geraakt. Op de postkaart stond: ‘Geachte Inge Meijer, ik ben zo vrij geweest een citaat uit een review van jou te hebben gebruikt op de achterzijde van mijn zelf uitgegeven nieuwe verhalenbundel. Na twee boeken bij Atlas Contact ben ik het zelf maar gaan doen. Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt. Met hartelijke groet, Ramon Gieling’.

    Nou ja, je was verguld dat je gequote werd. Je was fan van deze filmmaker. Niet lang voor je deze verhalenbundel ontving, zag je zijn film L’Amour / La Mort. Een film die je, wanneer liefde en sterven ter sprake kwam (wat niet zo vaak was, want slechts weinigen spreken over liefde en dood), graag aan vrienden tipte. De film opent met een citaat van Julian Barnes. ‘Would you rather love more, and suffer the more; or love the less, and suffer the less?’

    Zeven verschillende personen worden gevolgd in hun dagelijkse leven (daarin zit de kracht van Gieling, het volgen van mensen). Ze vertellen over de dood van een geliefde, beelden worden begeleid door intense opera-, sacrale muziek. Wat je bijbleef was het homostel waarvan er een dementie had. Hoe deze duimzuigend tegen zijn man aankroop. Hoe die man dat kon omarmen, dat liefde zo kon zijn. En het verhaal over de dood van Gielings jongere broer, omgekomen bij een brand. De ex-geliefde van zijn broer komt in de film voor. Hoe hij haar nu, en de dood van zijn broer een plek geeft, bleef je bij.

    Je las de twaalf verhalen in Het bloeden van de jaren, een titel waar je tijdens het lezen een betekenis in zocht die ergens iets met de verhalen te maken zou kunnen hebben. Maar zoals Gielings in een van die verhalen schrijft, is het juist mooi als er iets niet begrepen wordt, heb je er vrede mee dat die betekenis wegblijft. Het eerste, ‘Een verhaal in de sneeuw begint zo: ‘Oké, ik zal het vertellen zei Horacio. Ik vond het allang best en leunde achterover.’ Er is een verteller en een toehoorder, en dan begint het verhaal dat Horacio van een vriendin hoorde. Dat vind je mooi, een tweedehandsverhaal dat wordt doorvertelt. Een dochter neemt haar vriend voor het eerst mee naar haar ouders in een afgelegen huis in de bossen. Het sneeuwt. Het is een fascinerend verhaal. Er verdwijnt een moeder, er duikt een pistool op, de vader in de deuropening van het huis.
    In ‘Hey Jude’, over een jongen die vernoemd is naar het liedje van de Beatles lees je dat McCartney het schreef voor het zoontje van John Lennon, Julian, toen zijn ouders in scheiding lagen. Wat je niet wist, dat het voor een kind geschreven was. Deze verhalen vertellen je wel meer interessante dingen die je nog niet wist.

    ‘De haan’, een absurdistisch verhaal over een haan die zich aanmeldt bij een moeder met haar dochter, vind je zo goed, dat je het hardop voorleest aan de man. Die het ook geweldig vindt, wat (dit even terzijde) bevestigt dat je het getroffen hebt met deze man. Je houdt ervan hoe de schrijver in verschillende verhalen even stopt, zegt, ‘hier kan ik ze dit of dat laten doen’, en het verhaal verder laat gaan. Als je een verhaal uit hebt, wil je het opnieuw lezen, om te weten of er ook echt gebeurde wat je denkt dat er gebeurde. In ‘Zei zeiden, wij dachten’, sterft Victor de man van Rita. Er wordt gerept over de kist met zijn lichaam in het laaddek van een vliegtuig. Dan: ‘Maar wat alleen in verhalen bestaat is dat als Rita na afloop hun atelier in La Latina binnenkomt, Victor in diepe concentratie over een grote etsplaat gebogen staat. hij draait zich om en glimlacht gelukzalig als hij zijn vrouw ziet.’ Je houdt van zulke verhalen, het omgooien van de orde der dingen.

    De verhalenbundel laat zich onwillig openvouwen, tekst verdwijnt bijna in de naad van het boek. Je trekt en duwt om het open te houden want je wilt doorlezen. Zo gaat dat met goede verhalen, ook al waren het velletjes in een kartonnen doos, je blijft doorlezen. Het bloeden van de jaren, verhalen die zich als een film voor je afspelen (je ziet de haan voor de deur op de stoep staan, voordeur gaat open, haan treedt binnen, als een pater familias). Wel een gemiste kans voor Atlas Contact.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

     

     

     

  • De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

    De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

    Veel schrijvers gaan ongelezen aan me voorbij, decennialang soms. Kees Verheul, schrijver, slavist, vertaler en essayist, was zo’n schrijver. Ik las voor het eerst iets van hem in 2022, in literair tijdschrift Tirade. Een stuk van iemand die na lange afwezigheid terugkwam. Verheul schreef over het hernieuwd oppakken van de vierdelige romancyclus De Tutcheffs, waarin hij de familiegeschiedenis van een Russische familie verbindt met die van zijn eigen familie. Deel I, Villa Bermond verscheen in 1992 en in 2006 verscheen deel II, Stormsonate. Tom van Deel noemde De Tutcheffs een ‘werk in uitvoering’ en ‘een unicum in onze literatuur’. En ook: De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’

    Nadat Stormsonate voltooid was, kreeg Verheul kanker. Toen hij daarvan genezen was, werd zijn man, Kees Smit (in zijn boeken Cees genoemd) die hij vanaf de middelbare school kende en met wie hij in 1998 trouwde, ziek. Hij werd mantelzorger, zo schreef hij in Tirade. Nadat zijn man in 2018 overleed, begon hij met schrijven aan deel III van de romancyclus. Maar het ging niet meer zoals voorheen. Verheul schreef, ‘In feite, zo voelde het immers, waren alle publicaties die in de eerste veertig jaar van onze twee-eenheid, tot 2007 onder mijn naam waren gedrukt, een uiting geweest van ons duo. Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst had gelezen en bekritiseerd.’ Dat hij zo zonder meer een groot deel van de credits van zijn boeken in handen van zijn man legde, nam hem voor me in.

    Het begin van deel III van de romancyclus staat in Tirade 487. Anna en Henreitte begint zo: ‘Om een paar aanknopingspunten te bieden voor de nooit opgehelderde moordzaak die, naar ik me voorstel, in de zomer van 1842 opschudding bracht in het diplomatieke wereldje van heel west-Europa moet ik meer dan een half jaar teruggaan. Weimar. Een herfstdag.’ En ik ga met hem mee. Wat opvalt is een speelse naïviteit en de onderhoudende toon. Nadat ik Kees Verheul ‘ontdekt’ had, werd ik door kenners (je hebt altijd kenners nodig) gretig geadviseerd Een jongen met vier benen te gaan lezen. Dat deed ik, en werd verrast door de openheid en een zekere opgewektheid in zijn schrijven. Jongen met vier benen is een ontwapenend relaas van een speelse (een opmerkelijke toets in zijn werk) jongen die opgroeit in het Twente van de jaren veertig/vijftig. De beschrijving van zijn gevoelens, de (nogmaals) speelsheid waarmee hij in het leven stond.

    Op het Waterlooplein vond ik vorig jaar een mooie uitgave van Het mooiste van alle dingen, Romeinse essays, van Kees Verheul. Deze essays zijn een verweving van herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit zijn leven. Hoewel zijn meeste boeken in Rome geschreven zijn, kwam Italië er nooit in voor. In deze essays ontdekte je sporen naar ongekende schrijvers. In zijn boeken verbond Verheul literatuur met zijn eigen leven op een wijze waar ik enthousiast van werd. Ik wilde alles van hem lezen.

    De schrijver terugvinden in zijn werk, het is als een puzzel die nooit af is. Tot de schrijver overlijdt en er niets meer is toe te voegen. Wat ik hoop, is dat de boeken van Kees Verheul nog lang door velen ontdekt zullen worden. Zelf bestelde ik deze week deel II van De Tutchefs.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Familie vertellingen

    Familie vertellingen

    Net als Arnon Grunberg had ook jij een opklapbed. Met de komst van opa van moederskant in huis kwam een opklapbed mee. Toen opa op je vijftiende stierf, kreeg jij het opklapbed. Opa was een strenge man uit Groningen die als weduwnaar eerst inwoonde bij zijn zoon, juwelier in Assen. Op een gegeven moment zal hij gedacht hebben dat opa nu maar eens bij zijn dochter moest gaan wonen. Met zeven kinderen over vier slaapkamers verdeeld, kon hij er nog wel bij. Het opklapbed verdween geruisloos uit je leven toen je drie jaar later uit huis ging. Grunberg kon geen afstand doen van zijn opklapbed. Zelfs niet na zesenveertig jaar.

    De ouders van Grunberg sliepen het grootste deel van hun leven in een opklapbed. ‘Mijn moeder is zo ongeveer in haar opklapbed gestorven.’ Hoewel zijn moeder vanaf zijn derde tot ongeveer zijn tiende, toen hij slaapproblemen had, in de voorkamer naast zijn opklapbed op een stretcher sliep. ‘Haar eigen opklapbed werd dus niet meer naar beneden geklapt…’. Het opklapbed van zijn vader stond in de eetkamer. ‘Als hij rond een uur of half elf met een zucht zijn opklapbed naar beneden klapte en daarmee de eetkamer veranderde in een slaapkamer (…), leek hij opgelucht bij het idee dat hij door middel van slaap tijdelijk de wereld kon verlaten.’ Denkend aan zijn opklapbed, denkt Grunberg aan de huisschilder die oom Joop genoemd werd. Of zijn moeder een verhouding had met deze huisvriend, vraagt hij zich af. Hij herinnert zich hoe zijn vader ‘met enige regelmaat’ tegen zijn moeder zei dat ‘haar keuken Westerbork was’.

    Grunberg spreekt van een magische jeugd: ‘De huisschilder werd behandeld als een familielid. Eetkamers veranderden ‘s avonds in slaapkamers en ik klampte mij vast aan mijn slaapstoornissen, want zolang ik die had zou mijn moeder naast mij blijven liggen.’ Vorig jaar was het moment gekomen dat het opklapbed een obstakel werd. Het dreigde met het oud vuil te worden meegegeven. ‘Een niet geheel ontgonnen stuk van het verleden bij het grof vuil zetten. Dat moest voorkomen worden.’ Hij besloot het te verkopen zodat er altijd de gelegenheid bestond het oude opklapbed nog eens te bezoeken, ‘om er naar te kijken.’ Dat wat eens dierbaar was, moet ten koste van alles benaderbaar blijven.

    Het opklapbed werd op een veiling voor vijfduizend euro verkocht. De koper kreeg het opklapbed en een certificaat van echtheid. Een deel van de afspraak was dat de koper als personage zou worden opgevoerd in De geschiedenis van mijn opklapbed, ‘het enige fictieve element in dit verhaal’. De naam mocht de koper zelf bedenken. Nu denk je dat de koper de naam Joop gekozen heeft. Dat huisschilder oom Joop een mooi toegevoegd element in deze geschiedenis is.

     

     

    Klaas Gubbels werkte vier weken onafgebroken aan het schilderij van het opklapbed. Een lastige opdracht liet Gubbels ergens weten. Het is een prachtig gebonden uitgave geworden met afbeeldingen die tot in detail de structuur van het schilderij weergeven. De in korte teksten beschreven slaapgewoonten rond de opklapbedden van de familie Grunberg spreken tot je verbeelding. Zodanig dat je de gedachte toelaat er zelf een aan te schaffen, sites bezoekt waar een opklapbed ‘klapbed, kastbed of muurbed’ wordt genoemd. Maar je prefereert ‘opklapbed’.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

     

  • Menselijke contacten

    Menselijke contacten

    Toen zondag de week tot stilstand kwam, was het lente. De tuin trok maar je bleef binnen. Je werd ergens verwacht maar meldde je af. Er dreigde hoofdpijn. Lezen in Martelaarschap, Dagboeken 1965-1974 van J.J. Voskuil was de enige manier om rust te vinden. Niets fijner als lezen hoe anderen dagelijkse verplichtingen trotseren, vriendschappen onderhouden, standhoudt in het huwelijk. Dingen waarin je wel eens verstek laat gaan. Na de hoofdpijn kwam de slaap, waarna alles weer helderder werd. Op 4 september 1971 noteerde Voskuil hoe hij opknapt van een hoofdpijnaanval.‘ ‘s Avonds, als die langzaam wegtrekt, de bekende helderheid die alles doorziet en wijsgerige rust geeft. De eerste voorzichtige slokjes alcohol, die de hoofdpijn verder terugdringen. Een gelukkig man.’ Dan weet je dat de som van migraine geluk is.

    In Martelaarschap staan lange brieven waarin menselijke relaties worden uitgemeten. Brieven die je gretig leest, daarbij jezelf direct (in het uitspinnen van gedachten) op achterstand voelt staan. En dan de momenten van wrijving, ruzie met L.. Het elkaar niet begrijpen, het achteraf uitspreken van wat er verwacht werd (en waar opnieuw ruzie van komt) is fenomenaal. De aanschaf van een nieuwe stofzuiger gaat niet zonder slag of stoot. L. is voor een Siemens, hij een Miele. Op 12 juni bezochten ze de V&D en de Bijenkorf. Op 14 juni 1973 wordt op de Prinsengracht een Miele gekocht. Op 16 juni staat deze nog steeds in zijn verpakking, ‘Aan eigendom moet je langzaam wennen.’ noteert hij fijntjes die dag. Dat maakt het lezen van deze dagboeken zo heerlijk, op zeker moment de zelfreflectie.

    Op zaterdag 30 juni noteert hij dat hij na het eten de rem van L.’s fiets heeft gerepareerd. Zij verwachtte dat hij kwam afdrogen, waarover onenigheid. Hij stelt voor te gaan fietsen. Hij had moeten vragen (van L.) of ze eerst boodschappen moesten doen. Want, ‘Ze heeft al boodschappen gedaan, en ze had willen fietsen, maar het had een verrassing moeten zijn.’ Als ze dan toch fietsen, hij voor zij achter, is ze geërgerd ‘dat we rechtsaf slaan’. Even later roept ze kwaad ‘dat ik aan de verkeerde kant van de verkeerspaal langsrijdt’. Later vraagt hij welke kant ze liever op wil. Zij zegt dat hij geen rekening met haar houdt. Even daarvoor had ze gezegd dat hij geen rekening met haar hoefde te houden. De betekenis van iemand die zegt dat je geen rekening met hem/haar hoeft te houden, is meestal dat je er wel rekening mee moet houden. Dat moge duidelijk zijn.

    De dunne lijn waarop het huwelijk balanceert. Op zijn verjaardag 1 juli, zitten ze bij Américain. ‘L. met een pils en ik met een sorbet, omdat ik het er op mijn verjaardag eens van wilde nemen, wat L. weer wat verdrietig maakte achteraf, omdat ze het niet aardig vond dat zij voor die ene keer niet ook een sorbet had genomen.’ Waarna hij concludeert, ‘Zonder L. zou ik helemaal nergens zijn.’

    Op 11 juli ziet hij bij thuiskomst een onbeschreven girobiljet op zijn bureau liggen. “‘Wat moet dat girobiljet daar”, vroeg ik, geprikkeld en bereid om overal ruzie over te maken.’ God, wat neemt die man zich voor je in, hij zou het liefst de wereld de rug toekeren maar zal dit nooit doen. Alleen al door L., die hem bij de les houdt. Zouden huwelijken met de heftigste ruzies het langst duren?, denk je opeens. Je moet aan Joan Didion denken, die na het overlijden van haar man John Dunne (waar ze zeer trouw aan was gewesst) zei dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’

    Op 7 augustus noteerde Voskuil, ‘Vannacht werd ik zo triest wakker dat het even duurde voor ik wist waar ik was. Ik kwam tot de conclusie dat het kwam door al die geforceerde menselijke contacten die me dag in dag uit worden opgedrongen. Een onnatuurlijke toestand. Ik zou boer moeten zijn.’ Dat de mens maar een bepaalde hoeveelheid menselijke contacten per week, per dag kan hebben. Dat je alles het best uit kunt houden met een boek op de bank. Dat je van beroep het liefst lezer was geworden, of boerin op een klein stukje land.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Me and my shadow

    Me and my shadow

    En opeens is daar een schaduwkant. Eigenlijk sinds kerst. Er bewoog iets in me rond dat zicht wilde krijgen op een deel van mezelf dat ik maar niet te zien kreeg. Kort voor kerst las ik in Trouw de rubriek ‘Leesvoer voor de kerstperiode’ waarin zes schrijvers een boek aanbevolen. Elke Geurts tipte Ontmoeting met je schaduw. Ze had het over ‘de kracht van de onderdrukte kanten van je persoon’. Dat het enige wat je schaduw wil, is gezien worden. Dus kocht ik het boek, volgde het advies van Geurts op en kroop (lekker) onder een dekentje op de bank. Dat viel nog niet mee met een boek dat in gewicht een pond ruim overschreed en zich niet soepel liet openen. Tot blz. 79 kwam ik, daar las ik: ‘Feedback van anderen is een van de beste methoden om inzicht te krijgen in je persoonlijke schaduw. Hoe ziet iemand anders je?’ 

    Kort daarvoor las ik de roman Empusion dat opent met een citaat van Fernando Pessoa. ‘Het zonlicht blijft de regisseur van de waarneembare wereld. Het onbekende loert naar ons vanuit de schaduw.’

    Empusion wordt de feministische tegenhanger van De toverberg genoemd. Gek genoeg komen er geen vrouwen in voor. Ja, aan het begin, de kokkin,maar die ligt op bladzijde 39 al dood op de eettafel in de eetzaal. Een andere vrouw beweegt zich als een soort belofte door het boek, ongrijpbaar. Het boek wordt bevolkt door aan tuberculose lijdende mannen en hun verzorgers die in 1913 in een kuuroord in Görbersdorf verblijven. Deze mannen vinden vrouwen van een ondergeschoven soort. Dat het vrouwenlichaam niet de vrouw toebehoort, maar de mensheid. Wanneer er een literaire kritiek van een vrouw in de krant is geplaatst, zeggen ze: ‘Dus ook hier willen de suffragettes iets te vertellen hebben. Dit is werkelijk grotesk.’ Volgens hen schrijven vrouwen niet, ‘en als ze al schrijven dan lezen wij dat niet.’

    Het was ergerlijk, en ik vroeg me af wat Tokarczuk met al die vrouwmiskennende opmerkingen wilde laten zien. Tot ik achter in het boek onder ‘Aantekeningen van de auteur’ lees dat alle misogyne opvattingen afkomstig zijn van beroemde auteurs als Joseph Conrad, Freud, Fielding, Kerouac, Pound, Sartre, Yeats, Strindberg, Plato enzovoorts. Ja, dan is het opeens klip en klaar dat dit een feministische roman is.

    Tokarczuk schrijft na al die misogyne uitlatingen ergens: ‘Volgens ons is juist dat wat in de schaduw blijft, dat wat aan het oog onttrokken wordt, het interessantst.’ Het is of ik docente (Elke Geurts) van de cursus schaduwschrijven hoor praten. Drie zondagmiddagen ging ik naar de Haarlemmerdijk in Amsterdam. De eerste cursusdag riep ik, in een poging wat beslagen te ijs te komen naar de man of hij mijn schaduwkant kende. ‘O ja’, zei hij. ‘Dat jij alles altijd van de positieve kant ziet, dat alles zomaar kan.’  O jee, hier doelde hij op onze verhuisplannen, de (confronterende) discussie die ik de dag ervoor nog over voerde. Ik riep direct, terwijl ik mijn tas pakte, dat dat niet telde. Dat hij dat niet mocht gebruiken.

    Dat was natuurlijk wel een vet schaduw dingetje dat ik daar van tafel veegde.

     

    Deze week was ik in museum More en werd getroffen door het schilderij ‘Alter ego’ door de Zweedse kunstenares Mamma Andersson. Daarin was de schaduw zichtbaar gemaakt. Zag ik opeens  mezelf.

     

     

    Citaat Pessoa uit: Kroniek van een leven dat voorbij gaat / vertaling Michael Stoker


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Sylvia Plath en de ‘Big Freeze’

    Sylvia Plath en de ‘Big Freeze’

    Het was februari 1963 dat Sylvia Plath in Londen het leven liet. Het was de koudste winter ooit in Engeland, de ‘Big Freeze’. Op 11 februari stak zij haar hoofd in de oven. Kort daarvoor bracht ze haar twee kinderen een beker warme melk op bed, iets te eten. Ze trok ze een warme trui aan, ging terug naar de keuken, waar ze haar leven beëindigde. In de zomer, voorafgaand aan haar daad, verliet haar man, Ted Hughes haar voor een ander. Alsof dat alles verklaren zou.

    Ik lees de brieven die Sylvia Plath aan haar moeder in Amerika schreef. Op 2 oktober 1956 schreef ze, ‘everyday, one has to earn the name of “writer” over again, with much wrestling’. Haar hele leven was een ‘wrestling’ om erkenning te krijgen voor haar schrijverschap. Haar moeder adviseerde haar in een van haar brieven steno te leren zodat ze in haar onderhoud zou kunnen voorzien. Plath schreef haar terug dat er niets anders voor haar op zat dan te accepteren dat haar dochter schrijfster was.  

    In haar laatste brief aan haar moeder (February 4, 1963) schreef ze: ‘I shall simple have to fight it out on my own over here… The children need me most right now, and so I shall try to go on for the next few years writing mornings, being with them afternoons and seeing friends or studying and reading evenings.’ Op 12 februari ontving haar moeder een telegram van Hughes, ‘Sylvia died yesterday’. Ze werd dertig jaar, haar roman The bell jar was net gepubliceerd. 

    In februari 1963 waren het IJsselmeer en de Waddenzee bevroren. Ik was zeven, ik wist niets van Sylvia Plath. Op een zaterdag gingen mijn zus en ik met de slee naar de groenteboer voor een zak aardappelen. In twintig minuten gleden we erheen. Op de terugweg kregen onze rubberen laarzen geen grip op de bevroren grond. Mijn zus trok uit alle macht, ik boog om de slee een duw te geven en viel voorover op het ijs. Het leek wel een slapstick uit Laurel en Hardy. We gierden het uit.  Tot het bloed uit mijn gescheurde bovenlip de sneeuw kleurde. De vrieskou bracht alles tot stilstand. 

    De schrijfster Fay Weldon (1931-2023) schreef in 2006 een stuk over Sylvia Plath voor  Vogue Magazine. Ze was bevriend met de vrouw waarvoor Ted Hughes haar verliet. Ze schreef: ‘En koud was het, tijdens de winter van 1963. Ik was acht maanden zwanger toen Sylvia pillen innam en haar hoofd in de oven stak. Ik woonde twee minuten lopen bij haar vandaan. Ze woonde met twee kleine kinderen in een huurflat. Het was een klein, ellendig en koud flatje. Misschien maakte het bord dat aan de gevel hing en dat iedereen duidelijk maakte dat W.B. Yeats er had gewoond, iets goed. Ik wist dat het slecht met haar ging. Ik had bij haar langs moeten gaan. Ik had naar Sylvia toe moeten gaan. Ik wist dat ze vanuit haar flatje het huis in Chalcot Square kon zien waar ze met Ted had gewoond.’

    In de wonderschone roman over een liefde, Jij zegt het vertelt een gefictionaliseerde Ted Hughes over zijn leven met Plath. ‘Onwetend van de ramp die zich op 23 Fitzroy had voltrokken en die op dat uur aan het licht kwam, bracht ik op de vroege maandagochtend van 11 februari 1963 mijn vriendin naar haar werk, reed naar huis, maakte de kachel aan, ging achter de schrijftafel zitten en schreef. Het was nog drie uur lang bedrieglijk stil totdat rond twaalven de telefoon met een schok ontwaakte en snerpend de sluier van mijn ontzettende argeloosheid verscheurde. Ik nam op om het schot te casseren van de vier verwoestende woorden die de rest van mijn leven zouden nagalmen: “Je vrouw is dood.”’
    In februari denk ik aan Sylvia Plath, aan bittere kou.



     

    vertaling tekst Fay Weldon: Rob van Essen
    Jij zegt het
    / Connie Palmen / Prometheus (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

     

     

     

     

  • Ode aan de allenigheid

    Ode aan de allenigheid

    Er zijn boeken waarnaar je kunt verlangen ze opnieuw te lezen. Zoals anderen jaarlijks De avonden van Reve herlezen, las ik jaren achtereen Een braaf meisje van Philip Roth tijdens de kerstvakantie. Ook naar de Faxen aan Ger van Mizee of In koelen bloede van Capote kan ik verlangen, of dat ene boek Wat behouden blijft van Wallace Stegner. Om de sfeer, de kunst van het schrijven die ik eruit af wil lezen. Het laven aan levens die op papier hun beslag vinden. Ik zoek naar uitdrukkingen die kunnen verklaren waarom Café Dorian me zo bezighoudt dat ik het nog eens ging lezen. Waardoor het me opnieuw betoverde. Ik genoot van elk borreltje dat er geschonken werd, de beschrijvingen van de personages ‘Als de avond valt zit je op een krat voor Abu’s winkel terwijl hij zakjes kikkererwten en linzen uit dozen haalt, ze schikt in het rek daaronder.’ Ik had het net uit, maar pakte het snel mee toen ik een trein naar Amsterdam moest halen. Alsof er geen stapels boeken op tafel voor het grijpen lagen. 

    Er is een vrouwelijke verteller die jaren geleden door haar geliefde werd verlaten. Ze was zwanger van hem. Ze heeft het hem vergeven, maar is hem niet vergeten. Tien jaar later zoekt  ze zijn naam op Facebook. Hem daar te vinden brengt een schok teweeg, een schok die haar doet besluiten hem tot personage te maken in een stad aan een rivier in een Zuid-Europees land met een café en allerlei mensen die door zijn leven bewegen. En een zoon. De geliefde heette Guillaume, als personage krijgt hij de naam Hollander. Ze schrijft hem een nieuw leven in, een leven zoals zij hem zou gunnen.

    ‘Ik had geen account, snap niet waarom ik er na al die jaren een aanmaakte om je op Facebook te gaan zoeken. Nee, dat snap ik wél: als je nog ergens bestond dan had je uitgerekend dat ons kind op 25 oktober tien jaar zou moeten worden. Ik vond je meteen en liet verder alles uit mijn handen vallen: dagenlang kreeg ik geen woord op papier.’ In die schok zit een weten dat pas op de laatste pagina’s onthuld wordt. Het boek geeft langzaamaan een andere werkelijkheid prijs.

    Hollander koopt cadeautjes voor het kind waarvan hij niets weet maar waarvan de vertelster het hem laat weten. Ze schrijft hem naar het kind toe, laat hem het kind zien terwijl het bij haar op de fiets zit. ‘Over drie dagen is de jongen jarig. Het kind dat je steeds helderder voor ogen ziet wordt tien en op de avond voor zijn verjaardag zal zijn moeder in een storm van scharen, plakband en rollen papier cadeaus inpakken’, schrijft ze.

    Toen je laat in de avond weer in de trein zat, wist je opeens waar dit boek aan raakte. Je dacht aan die andere roman Het jasje van Luis, over de verdwijning van een ‘vaderlijke’ vriend. Je meende dat dit boek geschreven is om die vriend eindelijk dat zo gegunde leven na zijn levenseinde te geven. Met deze gedachte ga je natuurlijk te ver, dat weet je ook wel. Maar zo mooi is literatuur, zo mooi is dit boek. Dat je een wending kunt geven aan de werkelijkheid, aan meegegeven intenties. Café Dorian is een prachtige, zachtmoedige roman. Een roman waaruit een verlangen naar de omkeerbaarheid der dingen spreekt. Daarmee een ode is aan de allenigheid van de mens.



    Café Dorian / Gilles van der Loo / 237 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

  • Een kano maken

    Een kano maken

    Vorige week werd me tijdens een boekenfeestje een boek toegestopt met de woorden, ‘Jij kunt wel wat poëzie hebben’. Ja, ja, haastte ik me te zeggen, als kreeg ik een borrel aangereikt waar ik hard aan toe was. Het was een boek van gewicht, Omeros van Derek Walcott. Ik keek ernaar alsof ik nog nooit zoiets gelezen of gezien had, en dat was ook zo. Omeros verscheen 1990 in Amerika waar de in Saint Lucia geboren Walcott woonde. Hij was een Nobelprijswinnaar (1992), voor hem gewonnen door Nadime Gordimer, na hem door Toni Morrison. Schrijvers die ik wel in hun tijd las. De jury noemde zijn werk in 1992, ‘een poëtisch oeuvre met grote helderheid, gedragen door een historische visie die uit een multicultureel engagement is voortgekomen.’ Omeros is een epos in vierenzestig verzen. Het boek opent met een ongelofelijke directheid. 

    ‘”Zo hakken wij, bij een zonsopgang, die kano’s om.”
     Philoctetes glimlacht voor de toeristen die zijn ziel willen
     vangen met hun camera’s. Als de wind het nieuws komt

     brengen bij de laurier-cannelles gaat hun blad trillen
     zodra de bijl van het zonlicht de ceders treft,
     omdat ze de bijlen in onze ogen konden zien.’

    Mijn geest gaat direct aan het vertalen, maakt beelden van wat er staat. Bij ‘de bijlen in hun ogen konden zien’ voel je angst. De boom wordt aangevallen en neemt daar – trillend van angst – notie van, ziet zijn ‘killer’ toeslaan. De houthakkers zijn moordenaars. Nadat ze geveld zijn, worden de holtes van de bomen uitgebrand om tot de vorm van kano’s te komen. Je ziet het ontstaan. Daar waar eerst de boom stond, is een gat in de grond. De simpele ambacht van het creëren van een boot, en dat wat achterblijft.

    ‘Hij zag het gat zich herstellen met het schuim van een
    wolk als stortzee. Toen zag hij de kleine zeezwaluw’

    Stop. Nu niet steeds vertalen van wat je leest. Het komt er altijd slechter vanaf, dan wat er staat. Walcott lezen brengt iets teweeg, een vibratie die doorklinkt, een overschrijden van de mate waarin iets begrepen kan worden. Door enkel te luisteren naar wat er verteld wordt, woord voor woord, regel voor regel, witregel en opnieuw regel voor regel, wordt er iets vloeibaar. Gaat het stromen. Je kende de schrijver van naam, maar het gewicht van zijn werk nog niet. Vooreerst ben ik zonder commentaar.

    ‘Een criticus die weigert te veroordelen is geen criticus; een criticus die alleen bewondert en waardeert, plaatst zich buiten de kritiek.’, lees ik in het kleine blauwe boekje, Over recenseren van T. van Deel. Dat er nog boeken zijn die je alles wat je daarvoor las doen vergeten. Niet oordelen, het enkel ondergaan is soms wat een boek van je vraagt. 

     

     

    Uit: Omeros / Derek Walcott / Vertaling: Jan Eijkelboom / De Arbeiderspers (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ontdekt wekelijks nieuwe boeken.

     

     

  • Gestolen momenten

    Gestolen momenten

    Dan is er opeens het besef van ‘a lady of a certain age’, uit dat nummer van Divine Comedy. Al weken speel ik het af op Spotify. Alsof ik er een verborgen betekenis in moet vinden. Ik had het niet door, maar het gaat over dingen die voorbij gaan, nooit meer terugkomen. De waarheid is als Barbapapa, steeds van kleur en vorm veranderend. Ik dacht aan het interview met de gepensioneerde hoofdredacteur van de The Washington Post, Martin Baron. Dat Trump hem woedend belde als er een stuk over hem verschenen was dat hem niet beviel. Beweerde dat de The Post een ‘haatmachine’ en een ‘dikke vette leugen’ was. Baron liet hem uitrazen, beëindigde dan het gesprek. Want: ‘Ik had andere dingen te doen.’ Je niet gek laten maken. Dat zou je ook wel willen. Dag voor dag, Een getijdenboek van de liefde van Helga Schubert, gaat over haar man, die ze als jonge vrouw leerde kennen. Hij was haar docent, ze schelen dertien jaar. Hij lijdt aan dementie, heeft constante zorg nodig die zij hem geeft.

    Je denkt aan twee vrouwen in je omgeving die mantelzorger voor hun partner zijn. In Dag voor dag schrijft Schubert dat het leven zich uiteindelijk vernauwt tot ‘gestolen momenten’, waarin ze kan schrijven. Een moment van respijt heeft. Ook was er een verheugen, als haar man voor de nacht was klaargemaakt, ‘we onze handen in elkaar verstrengelden, zijn koude in mijn warme, dan begon voor ons de mooiste tijd van de dag: hij zei dat ik zijn moeder, zus, zijn grote broer, die allemaal dood zijn, zijn man zijn vrouw ben. Alles. Ik vroeg of hij geen pijn had en ik verheugde me al op het opstarten van de laptop, vooraf de begroetingsfoto van hoge golven tegen een fort in de Atlantische Oceaan. Eigenlijk maakt het niet uit waar ik woon, dacht ik, zolang hij er maar is, en als hij niet meer in dat verpleegbed zou liggen, tevreden en voldaan en zonder pijn, maar zijn lichaam dood zou zijn en ik in een eenkamerwoning, misschien wel in een tehuis of in een oude woongroep in Nederland of aan de Noordzee of in Berlijn zou wonen, zou hij er ook altijd zijn, want hij is in mij.’ Hoe klein het leven wordt.

    Een mooi boek, over stilstaan, maar ook over verdergaan waar de ander achterblijft. Als ze vraagt of hij geen pijn heeft, op dat moment is ze de werkelijkheid al een stap voor, door het verheugen op wat komen gaat. Dat gestolen moment. Schubert schreef een geschiedenis van een liefde. Op de achtergrond het verhaal van de oorlog, waar haar man als zeventienjarige inging, na drie jaar krijgsgevangenschap weer uitkwam. En hoe je je bedrogen kunt voelen omdat de partner die je kende, niet meer is. En dat zulke verhalen je steeds meer aangrijpen.
    Ja, die dame van een zekere leeftijd. Ik zing mee terwijl ik de eerste helft van het refrein typ: ‘You chased the sun around the Cote d’Azur / Until the light of youth became obscured / And left you on your own and in the shade / An English lady of a certain age’. Dat alles voorbij gaat, dat je het weet. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem

     

     

     

  • Onbeschreven blad

    Onbeschreven blad

    Ik las een wonderlijk mooi boek. Helderwit, de titel, Tosca, verticaal in wit reliëf op de voorkant. Drie zwarte bogen, twee opgenomen in de O, vormen gesloten haakjes. Een derde, liggende boog in de C van de titel. Op de achterflap vijf regels van twee tot drie woorden in reliëf, wit als het omslag zelf. Maar kom, nu eerst de roman, dat een lange brief van alter ego May Solovjov aan Daniël is, haar uitgever. Je denkt, hee, medeoprichter van DasMag. ‘Het ontroerde me dat je me het voorbije jaar een paar keer een bericht stuurde met de vraag hoe het ging en wanneer je eens iets van me kon lezen.’ May verontschuldigt zich dat ze het afgelopen jaar niet aan het boek over haar overleden vader werkte. Dat daar iets tussen kwam dat haar leven volledig in beslag nam.

    Ze vertelt over de lezing die ze hield over een Russische dichteres. Dat ze na afloop een portrettekening van haarzelf op haar lessenaar vond. Buiten dat May in het portret ziet hoe sterk ze op haar (Russische) vader lijkt, schenkt ze er niet veel aandacht aan. Een week later leest ze op Messenger, Facebook een bericht: ‘(Geachte mevrouw Slovjov. Dank u wel voor uw lezing over Vanja Lavrova. Ik had er erg naar uitgekeken. het was mijn laatste wens om het te kunnen meemaken. Met vriendelijke groeten, Aline. PS Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik u heb getekend.)’

    Deze tekst en vooral het, ‘mijn laatste wens’, triggert May. Daarna valt haar op dat een meisje met een oranje muts zich overdag ophoudt in de buurt van de faculteit waar ze lesgeeft. Het is Aline uit het bericht. May zoekt toenadering, maakt zich bezorgd om haar. Aline eet en slaapt niet, lijdt aan paniekaanvallen. ‘Weer begon het beven. Als je haar zo zag zitten op het bankje, zo volledig in zichzelf gekeerd, kon je denken dat ze aan het bidden was, alsof ze vibreerde door een goddelijk kracht.’ Ze wordt mishandeld door een groepje leeftijdgenoten om haar geaardheid, (denk even aan Het smelt van Lize Spit, de ruwheid onder jongeren van eenzelfde orde). Ondanks dat ze bij haar moeder woont, brengt ze geregeld een nacht op straat door.

    May wil haar redden, ontwikkelt een dubbelleven. Enerzijds is er haar vrouw die sinds zes jaar zwanger probeert te worden. Ze verzwijgt voor haar de mate van omgang met Aline. Verstikkend blijkt dat zwijgen. Ondanks dat Connie Palmen laatst in een fijnee podcast opriep het begrip toxische relatie te verbieden, is deze relatie gewoonweg toxisch. Na vele mislukte pogingen van May, Aline te helpen en verschillende misverstanden, vermoedt je een tragische afloop. Soms houd ik het bijna niet meer uit. Fijn zijn dan de blanco pagina’s. Rustgevend wit, gevolgd door een gedicht. Achtentwintig keer wordt de roman doorsneden met zo’n ‘stille’ pagina, een gedicht. Prachtige gedichten die het verhaal verluchtigen, transparanter maken.

    Toen het boek uit was, waren de hagelwitte reliëfletters op de achterflap bezoedeld door mijn handen, waardoor deze tekst te lezen was: ‘Zij is een / gesloten boek; / beter dan ik / kan niemand / haar lezen

    Het werd er opeens zeer persoonlijk van. Alsof ik de enige was die dit boek kon lezen. Een betoverend boek, een kunstwerk. 

     

     

    Tosca / Maud Vanhauwaert / 243 blz. / Uitgeverij DasMag



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.