• Een wasmachine

    Een wasmachine

    Niets zo kneedbaar als de werkelijkheid. Op de eerste zondag van november pakte ik mijn fiets en ging naar Zutphen. Om elf uur ’s ochtends kwam filmmaakster Saskia van Schaik in het Luxor Theater vertellen hoe de filmportretten die ze van Judith Herzberg en Ingrid Jonker had gemaakt, tot stand waren gekomen. Over Herzberg vertelt Van Schaik dat hun beider families met elkaar bevriend waren, dat Judith als jonge vrouw op haar paste. Later paste Van Schaik op de kinderen van Herzberg. Ze verwachtte dat het bij het maken van het filmportret zou helpen, dat ze elkaar kenden.

    Ze had geen rekening gehouden met Herzbergs angst voor clichés en haar sterke gevoel voor waarheidsvinding. Sfeerbeelden, als van een bos bloemen op tafel, mochten niet. Ze wilde niet dat de kijker dacht: ‘Oja, bloemen, typisch iets voor een dichter’. Grote moeite had de dichteres ook met de beelden die de cameraman van een schaal vers geplukte tomaten maakte die ze op tafel had gezet. Een beeld van rood en rond in een schaal. Herzberg zei dat ze de tomaten daar had neergezet omdat er in de koelkast geen plek was. Dat ze nooit tomaten op een schaal legde, altijd in de koelkast. Die nu dus vol was. Dan wordt dat gefilmd, een beeld van een toeval. Dat wilde ze niet in haar filmportret hebben. Beeld van een vrouw die een schaal met tomaten op tafel heeft staan. Zo’n vrouw was ze niet.

    Voor het filmportret van Ingrid Jonker werd contact gezocht met Jonkers dochter, Simone. Ondanks jarenlang drugsgebruik en een zeer slecht gebit, nog steeds een mooie vrouw, vertelde Van Schaik. Toen het budget rond was en er gedraaid kon worden vroeg de dochter om een vergoeding voor haar medewerking. Ze wilde een wasmachine kopen. Van Schaik stuurde haar het geld. Toen ze gingen filmen in Zuid-Afrika en haar bezochten, was er geen wasmachine te bekennen. Wel had ze zich een en nieuw gebit laten aanmeten. Tijdens het spreken waren er lichte smakgeluidjes te horen, van speeksel dat zijn weg nog niet helemaal vond in een mond vol tanden. Het klonk als een kleine tik bij het afspelen van een lp. Dat gebit bracht de geschiedenis van Ingrid Jonker en haar dochter, die acht was toen haar moeder een einde aan haar leven maakte, op zeer menselijk niveau.

    Dan was daar nog het gedicht van Jonker dat ze schreef na de opstand vanwege de pasjeswetten in Sharpville in 1960, waarbij een kind in de armen van zijn moeder door het hoofd geschoten werd. Ze was geschokt door de brute moord en schreef, ‘Die kind’ (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga). Er leefde nog een zus, die nooit geweten had dat er een gedicht was geschreven, dat Mandela dat gedicht tijdens zijn inauguratie in 1994 had voorgedragen. Dat het over haar broertje ging. Met de cameraploeg kwamen ze haar dat vertellen. Lazen het gedicht aan haar voor en filmden de stille verbazing op haar gelaat. Het was of de geschiedenis een loopje met haar nam.

     

    Het filmportret van Judith Herzberg werd in 2010 uitgezonden, het filmportret van Ingrid Jonker in 2001, beiden bij de VPRO.


    Inge Meijer is een pseudoniem, als zodanig leest ze alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Novemberblues

    Novemberblues

    Het is een grijze dag, regen ruist met forse regelmaat door de boombladeren achter het huis. Op spotify zingt Carole King, ‘So far away /  Doesn’t anybody stay in one place anymore / It would be so fine to see your face at my door’. Gevoelens van een verlangen naar toen, naar hoe alles begon, keuzes die gemaakt werden, dingen die gezegd zijn. Heimwee naar de kindertijd van mijn kinderen, het eerste huis dat stond op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel, dat we achterlieten voor een ander land waar we jaren woonden, waarvan ik me herinner dat in november het gemis van alles wat achterbleef het sterkst was. De maand waarin dertig jaar geleden de Berlijnse muur viel. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte had gehad. Opeens moet ik dringend op zoek naar het boek Allerzielen. Ik vind het niet bij de N in de boekenkast, wie heeft het, waar is het, ah, daar voorbij de L staat het.

    Arthur Daane loopt in de jaren negentig door een koud Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, door Nooteboom ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Stemmen die je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben.‘Dat bestaat,’ schrijft Nooteboom, ‘jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 398 bladzijde 395 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’
    Ik ga met hem mee door donkere en verlaten straten die van een naargeestigheid zijn dat het berusting brengt. Daane, voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd, loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als kernpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.

    Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate die gehurkt bij een door kou bevangen zwerver zit. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje, ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een bevelend wenken. ‘Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.’ Waarbij hij denkt een eventuele echtgenoot, of die gevallen is aan het Oostfront, of zijzelf heeft meegejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het Sportpalast. Was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. ‘Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.’ Met een ‘hoge commandostem’ vraagt ze: ‘Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?’ Hij denkt van niet, brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder. Een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven.

     


    Inge Meijer leest alle dagen van de week, schrijft over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Goed kijken

    Goed kijken

    Er zijn boeken waar je niets naast kunt doen als je ze leest, zoals de pas vertaalde roman Nacht en dag van Virginia Woolf, ze kluisteren je aan de bank. Er zijn boeken die je overal kunt lezen, de zogenaamde rugzakboeken, van Biesheuvel, Snijders, Amy Bloom, Maarten Asscher. Dan zijn er boeken die verspreid door het huis liggen. In sanitaire ruimtes, op nachtkastje, de makkelijk-te-lezen-boeken. De een leest graag Arthur Rimbaud voor het slapengaan, ik lees een roman in bed. Op de grens van waken en slapen neem ik de werkelijkheid met een korreltje zout. Ik volg de uitgezette ontwikkelingslijnen als was ik een naïeveling die enkel in het woord gelooft. Ik lees Adam, van Wanda Reisel, een bladzijde of vier/vijf per keer.

    Adam, eind veertiger, in het bezit van een George Clooney lookalike lachje, is op het punt beland dat het roer om moet. Tijd om zijn leven in eigen hand te nemen. Zonder geld geen veranderingen, hij ontneemt grote bedragen van de goede doelen stichting waarvoor hij werkt. Een charmante man, een slimme boef, niemand merkt iets. Dan is er een reeks ‘snoeiharde’ aanslagen op fallus-achtige monumenten in Europa, te beginnen met het monument op de Dam. Waarna Londen, Milaan, Oslo, Berlijn volgen. De tweede protagonist is Lili, een jonge fotografe. Zij volgt het spoor van een vluchtelingencircus dat jazeker, uit vluchtelingen bestaat en door Europa trekt. Adam ontmoet Lili, als hij op de vlucht slaat, in de City Night Line, nachttrein naar Duitsland. Lili is een uitzonderlijk personage, ze heeft iets jaloersmakends, bandeloos is een mooi begrip. Door de afbeelding op de omslag moet ik opeens denken aan de mythologische figuur Lilith, de eerste vrouw van Adam. Reisel zal niet voor niets een Lili in haar verhaal geplaatst hebben. En de gekozen afbeelding heeft wel degelijk met het verhaal te maken.

    In dit geval maakt het van Lili, Lilith, een oproerstoker, een verraadster. Lilith was de slang die Eva influisterde van de verboden vrucht te nemen. Zo nam de wereld een keer en zo blijkt Adam een meer vertellend-dan-je-leest-boek. En dat is mooi. Van het nachtkastje gaat het mee naar mijn werk, weer thuis naar de keukentafel. Ik speur naar de stem van de auteur, die het verhaal begeleidt, als een soort ondertiteling, over veranderende tijden, verschuivende morele grenzen. Hoe ze dat samenbrengt. En kijk, ik had eroverheen gelezen, in de openingsalinea van het boek staat klakkeloos: ‘Een naam is alles, dacht Adam.’  En ja, de eerste mens ooit was een man die bedrogen werd, slachtoffer van de vrouw. Zoals de Adam in het boek bedrogen wordt. Verleid en bedrogen door zichzelf en door Lili(th). Hoe dat bedrog plaatsvindt, en waarom er overal in Europa fallus-achtige monumenten worden opgeblazen moet je zelf maar lezen. Denk daarbij aan het citaat van K. Schippers, ‘Als je goed om je heen kijkt dan zie je dat alles gekleurd is’. Dan zie je wat een goed boek dit is.

     

    Adam / Wanda Reisel / Atlas Contact


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Schrijversjas

    Schrijversjas

    Er wordt een schrijver vermist op facebook. Al heb je duizenden vrienden, het zijn vaak dezelfden die langs komen, soms met in hun kielzog een nieuw gezicht, door algoritmes bepaald. Het gebeurt ook dat iemand uit het zicht verdwijnt. Tot voor enkele weken kwamen de berichten van schrijver Joubert Pignon geregeld voorbij. Hij berichtte veel over dingen die er misgaan in zijn leven, dat hij behoefte heeft aan wijn of rosé. Een half jaar terug ontving hij een brief van zijn uitgever, of hij een deel van het overschot van zijn in 2017 verschenen verhalenbundel Mooie lieve schat wilde overnemen. De titel werd zogenaamd afgeroomd. Zo gaat dat met boeken. De uitgever had er zesenvijftig verkocht, zelf nam hij zevenenvijftig boeken af. Via facebook verkocht hij in een paar dagen tijd alle zevenenvijftig boeken.

    Ik ben in het bezit van exemplaar 19/57, met ballpoint op de eerste bladzijde genummerd, daaronder: ‘Voor inge / Van jouBert’, precies zo staat het er. De titel, Mooie lieve schat lijkt misplaatst voor wat erin staat. Impressies van dagelijkse dingen, onwerkelijk vaak, maar zo is het leven. Soms onsmakelijke verhaaltjes over poep en pies, er wordt veel gedronken, drie flessen wijn op een avond is een begrip. Ik begrijp nu opeens niet meer, nu ik dit opschrijf, waarom ik ze zo graag lees. Het is iets met hoe hij de woorden rangschikt, wat hij erin stopt aan dagelijks leed. Wat hij schrijft gaat erin als koek, zelfs als ze over menselijke uitwerpselen en stinkende kattenbakken gaan. Een talentvol schrijver. Al wist zijn uitgever na jaren nog steeds niet wie hij was: schrijver Joubert Pignon, verhaaltjes schrijver, genomineerd voor de Biesheuvelprijs 2019.

    Toen viel ergens het besluit de schrijversnaam los te koppelen van de werkelijke naam, alsof je een jas uittrekt. Ik weet niet wanneer dit gebeurd is. Als ik nu googel op Joubert Pignon, komt de naam Robert Schuit naar boven. Achteraf gezien waren er voortekenen. Achteraf is alles eenvoudig. In maart postte hij op zijn tijdlijn dat hij iets gaat drinken met een uitgever die zijn schrijfstijl fileert. Het roer moet om. Drie jaar zal de uitgever hem bewerken tot ‘ik daarna misschien eindelijk eens iets goeds schrijf.’
    Enkele maanden daarvoor beschrijft hij een kerstborrel bij zijn uitgeverij. Iemand heeft zijn jas geleend, om buiten te roken. Dan wil hij naar huis. ‘Ik wil haar niet storen en loop de uitgeverij uit, de metro in, onder de grond, ooit kom ik, als het goed is, weer boven, op zoek naar een nieuwe jas.’ Het lijkt een verzinsel, een gekkigheidje. Ondertussen zoek ik nog dagelijks onversaagd door naar een spoor van Joubert Pignon.

     

    Mooie lieve schat / Joubert Pignon / Atlas Contact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, leest dagelijks en schrijft over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Stokkermat

    Stokkermat

    Er zijn werkmannen in huis, jongens nog. Het huis een open veld waar de wind vrij spel heeft. Ze ontmantelen een rookkanaal dat vanaf de begaande vloer twee verdiepingen omhoog door het dak naar buiten gaat. Inloopkasten worden deels afgebroken en op zolder is door ontbrekende dakpannen een gat naar de hemel ontstaan. Ik trek me terug in het enige kamertje van het huis waar de werkmannen, jongens nog, niets te zoeken hebben. Ik hoor ze roffelend de trappen afgaan, wat klinkt alsof het huis op instorten staat en ze zich het vege lijf moeten redden. Ik hoor ze roepen vanaf het dak naar de straatkant, ‘Hee, heb je de stokkermat geladen?’ ‘Wat?’. Ik hoor een Arabische beat vanaf de bovenverdieping het huis instromen en duik in het proza van Clarice Lispector. Haar verzamelde verhalen wegen een kilo en honderd gram en moeten daarom wel in bed met opgetrokken knieën gelezen te worden.

    Een jonge vrouw adoreert een trieste man met destructieve neigingen. Ze ontmoeten elkaar in een café, de man voert een eenrichtingsgesprek waarbij hij zich over de zwarte haren strijkt alsof hij over ‘de warme vacht van een poesje streek’. De jonge vrouw is sprakeloos en betreurt het ‘geen gebaar achter de hand te hebben’, om aan het sprakeloze te ontsnappen. Alsof er een handel in bestaat, het verzamelen van gebaren die je in een gebarendoosje doet, wanneer nodig neem je er eentje uit, om dingen kracht bij te zetten of je een houding geven. Dit komt uit het verhaal, ‘Onderbroken verhaal’. Een goede titel. De jonge vrouw heeft zich in het hoofd gehaald dat ze om de man te redden wel met hem moet trouwen. Hoe vreselijk dit ook voor haar zou zijn, het moet gewoon. Dan schiet de trieste man zich door het hoofd. ‘En plotseling brak het verhaal af. Het had niet eens een mooi einde. Het eindigde met de abruptheid en het gebrek aan logica van een klap in het gezicht.’

    Is het arrogant geen deel te willen uitmaken van een groep, een actiegroep, het klimaat, een mening? Een verbond beheerst algauw het denken en ontneemt het zicht op het dagelijkse leven. Leven met aandacht, zorg voor en dank aan de omgeving. In ‘De koortsdroom’, voert Clarice Lispector de Aarde als een partij op. De Aarde geeft het op, verdwijnt. Is hier sprake van een winnaar? Een klein mannetje roept, ‘Ik kan vertellen wie gewonnen heeft.’ Iedereen wordt boos, roept om stilte. Het mannetje vat moed, roept: ‘Maar ik weet het! Ik weet: de overwinning is aan de Aarde. Het was haar wraak, het was wraak…’. Daar word ik stil van, alsof we het wisten en decennia lang niets deden. Clarice schreef dit verhaal zo’n zeventig jaar geleden. Haar verhalen zijn doordesemd van inzichten. Even lijkt het alsof op weg naar de globalisering van de wereld er niets veranderd is. Zo zijn haar verhalen, alsof ze vandaag geschreven zijn.

     

    Alle verhalen, Clarice Lispector, Samengesteld en inleiding door Benjamin Moser, vertaald door Adri Boon / De Arbeiderspers.


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV en leest dagelijks.

  • Trucs

    Trucs

    Al een paar dagen verkeer ik in het hoofd van een drieënzestigjarige man in de nabije toekomst. Er zijn robots op dienstverlenende plekken, iedereen heeft een basisinkomen, het leven lijkt eentonig. De man wordt nergens verwacht en het regent nogal veel. Ook denkt hij vaak: ‘Ik ging niet met hem in discussie hierover!’ Zijn moeder, die hij twintig jaar wekelijks bezocht, is op honderdjarige leeftijd overleden. Dan komt een oude bekende hem ophalen, waarheen het gaat is voor de man niet duidelijk. Alles blijft op afstand. Wat aanzet tot een verlangen naar empathische verhoudingen, naar contactmomenten. Na honderd bladzijden heb ik nog geen idee waar het heen gaat en wil ik uit dat hoofd.
    Ik lees een ander boek over  een liefdesrelatie die na twintig jaar door de vrouw verbroken wordt. De man ervaart het als een natuurramp, de vrouw als een bevrijding. Er zijn kinderen, die vinden het vooral gênant en onbegrijpelijk. Ik wordt er door geraakt, vraag me af wat liefde nu eigenlijk is. Tussen neus en lippen door lees ik verder in De goede zoon, waarbij ik ergens in de kantlijn krabbel: ‘langdradig, raakt me kwijt’. Wat ik mezelf verwijt.

    In het boek over de liefde: ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, (..).’ Begint daar het bedrog, het misverstand dat de relatie onontkoombaar naar een einde voert?
    Een liefdesverbond  is dansen langs de afgrond want, ‘Je begint je te bemoeien met elkaars gewoonten, je begint elkaar te leren waar je je voeten moet zetten, wat je moet eten of dragen of zeggen, je stemt je smaak en je bedtijd op elkaar af, je voelt je verantwoordelijk voor het gedrag van die ander in het openbaar.

    In de laatste honderd bladzijden over de zoon voert een sprekende robotauto hem naar een onbekende bestemming. Tijdens de twee dagen durende reis ontstaat er een band tussen hen, er ontstaat contact. Er zijn prachtige scenes in een bos, de afstandelijke zoon wordt menselijk. Dan vertelt hij over zijn moeder, dat ze op een dag buiten zaten, over een heidevlakte uitkeken en zijn moeder op volkomen natuurlijke wijze zei, ‘Ach wat is dit prachtig’. Zonder komma. Ze zei het niet voor hem. Het klonk, zegt de zoon, ‘berustend, zonder al die trucs die ze zichzelf in het contact met anderen had aangeleerd omdat ze op die manier de meeste respons kreeg.’ Het is een openbaring zijn moeder als autonoom figuur te zien. Dit was het moment waarnaar je verlangt, het hele boek door. Als een E.T. ervaring, wanneer E.T. zijn vinger tegen het voorhoofd van het jongetje Elliot legt en met die trage stem: ‘Phone Home’ zegt. Ik had geen idee waar dit boek me brengen zou. Wat een ingenieus geschreven toestand.

     

    De goede zoon, Rob van Essen (Atlas|Contact)
    Cursiefgedrukte uit: Liefde, als dat het is, Marijke Schermer (Van Oorschot)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest dagelijks.

  • Touwfiguur

    Touwfiguur

    Terwijl de avonden kouder worden en ik de houtkachel vanwege het stikstof quotum niet durf aan te steken, blijken we ineens in het grootste drugsland van Europa te wonen. Bekentenissen dat de regering de criminaliteit niet meer in de hand heeft volgden. Al decennia lang was het goed mis. Het was alsof je ouders, die jarenlang deden alsof ze de wijsheid in pacht hadden, opeens bekenden dat ze ook maar wat deden. Zo stal Prometheus ooit het vuur van de Olympische goden om het aan de mensen te geven. Hij wist niet wat ie deed. Daarna kon de vooruitgang beginnen. Metaalbewerken werd de aanzet tot  de huidige wapenwedloop. En door deze Robin Hood-achtige goedheid van Prometheus zit ik nu met een dilemma. Als ik de houtkachel verkoop schuif ik het probleem in andermans schoenen. En moet ik de eventuele koper vertellen dat als je de kachel neemt, je er geen auto bij kunt hebben? Ik ga iets verkopen dat niet deugt, al mankeert er aan de kachel niets. Mijn gedachtenstroom ging verder, kun je in deze tijd nog wel fatsoenlijk schoorsteenveger of pizzabakker zijn. En kan de cokesnuiver nu ook moord verweten worden?

    Ga, als alles verloren lijkt naar een tweedehands boekwinkel. Loop de rijen boeken van a tot en met z langs, waarbij de onderste rijen op de knieën worden onderzocht op iets bruikbaars. Neem er af en toe een boek uit, als het je niets zegt, schuif het weer terug. Bij de V had ik beet, Geen kind en geen wieg van Kurt Vonnegut. Zijn Slachthuis vijf had me al eens opgevrolijkt. Ik las het eerste hoofdstuk, ‘De dag dat de wereld ten onder ging’. De verteller is een freelance schrijver die belang hecht aan hoe hij genoemd wil worden: ‘Jonas. Mijn ouders deden het, of tenminste bijna. Ze noemden me John.’ En dat zelfs als hij Sam had geheten, een Jonas zou zijn omdat hij altijd ‘op elk aangewezen ogenblik, op elke aangewezen plaats aanwezig was.’ Gek genoeg verwarde deze tekst me niet.

    Jonas begon materiaal te verzamelen voor een boek dat nooit geschreven werd. Hij wilde weten wat belangrijke Amerikanen deden op de dag dat de atoombom op Hiroshima viel. Het blijkt dat belangrijke mensen op dagen dat de ellende zich over de wereld stort, heel gewone mensendingen doen. Zoals een van de medewerkers aan de atoombom, de fictieve wetenschapper en Nobelprijswinnaar Dr. Felix Hoenikker. Deze was tijdens de aanval op Hiroshima gewoon thuis. Een man in pyjama die in zijn studeerkamer een sigaar rookte en speelde met een lus van vliegertouw. ‘[Hij] keek een tijdje naar dat touwtje en toen begonnen zijn vingers ermee te spelen. Zijn vingers maakten de figuur die ‘kinderwieg’ heet.’ En hij zong: ‘Schommel maar kindje hoog aan de tak, als de wind waait dan gaat de tak, krak. Als de tak breekt komt ’t wiegje ten val. Omlaag komt het wiegje, kindje en al.’ Waarmee hij zijn zoon aan het huilen bracht.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Tuinfeest

    Tuinfeest

    De Hongaarse schrijver György Konrád is vorige week op 86 jarige leeftijd overleden. In 1989 hoorde ik voor het eerst van deze schrijver door de vierdelige interviewserie Nauwgezet en Wanhopig. Wim Kayzer interviewde langdurig vier grote schrijvers uit de wereldliteratuur, waaronder György Konrád en Gabriel Garcia Marquez, met als doel de menselijke geschiedenis van de twintigste eeuw in beeld te brengen. Marquez zegde op zeker punt zijn medewerking op. Hij beleefde het dagenlange interviewen als een marteling, hij had al meer losgelaten dan in alle interviews die hij ooit gegeven had. Het was genoeg. Als je terugkijkt valt op hoe herinneringen het tot een bijzondere literaire vertelling maken. Van Konrád ging ik daarna de roman Tuinfeest lezen en de De bezoeker. Van de eerste herinner ik me een man in een lommerrijke tuin in een stoel, een lange tafel vol glazen op een grasveld, schalen met eten en personen die aan de man in die stoel voorbijtrekken. Dat van die tuin en die stoel zal waarschijnlijk niet kloppen, het is wat me bijbleef.

    Zondagochtend ontving ik het zkv ‘Lage landen’ van A.L. Snijders in mijn mailbox. Ik las dingen die ik niet helemaal begreep, toch ontsnapte me een, ‘fantastisch’ toen ik het uit had. Over een hoogopgeleide man die in een huis met drie daken woont en last heeft van ratten. Dan klopt er een onbekende aan, de hoogopgeleide man biedt hem onderdak. Ze spreken elkaars taal niet, ze communiceren in gebarentaal. De onbekende is goed in ratten doden. Na een half jaar zijn de ratten verdwenen. Hier neemt Snijders een sprong naar voren, ‘Nu sla ik dertig jaar over.’ De hoogopgeleide man is allang dood, in het huis met de drie daken zit een yogacentrum. Dan gaat Snijders weer terug naar het moment dat de laatste rat verslagen is, de onbekende vertrekt. ‘De rattendoder is teruggelopen naar Ulaanbaatar, waar hij een bedrijf is begonnen voor toeristen (…). In het halve jaar dat hij in ons land heeft gewoond (…), heeft hij geen woord Nederlands geleerd. [Wel] ontwikkelde hij een verfijnde gebarentaal die hem het recht verleende bij de Kamer van Koophandel in Ulaanbaatar geregistreerd te staan als kenner van de Lage Landen.’ Einde van het zkv.

    ‘Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt.’, zei György Konrád eens. Ik weet niet of Snijders zelf begreep waarom die sprong in de tijd gemaakt moest worden, hij sprong gewoon. En ik vroeg me af: waar ligt Ulaanbaatar, bestaat die stad eigenlijk wel? En wat moet dat yogacentrum erin (waar staat het, ik wil het huis met de drie daken zien). En als Ulaanbaatar bestaat, heeft het dan een Kamer van Koophandel? Mijn hoofd en de geschiedenis ligt door zo’n stukje van voor naar achter overhoop. Iets niet begrijpen, is een zegen. En weet je, Ulaanbaatar is gewoon de hoofdstad van Mongolië, en Tuinfeest van Konrád ga ik opnieuw lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

     

     

  • Lanterfanten

    Lanterfanten

    Het liefst lanterfanter ik mijn dagen door. Beetje bramen en appels plukken, taart bakken, boek lezen aan de keukentafel, jampotjes vullen, pakketje aannemen bij deur, koffie zetten, later een wijntje. Dagen die ik graag afwissel met gewoon een dag in bed, beetje schrijven, boek lezen (dat blijft) en dan komen er gedachten los. Over het nut der schijnbare nutteloosheid deze keer. In het aprilnummer van Het Liegend Konijn wijst Jozef Deleu, de bezorger van, ja, ik kan niet anders zeggen, het meest onvolprezen poëzietijdschrift, ons op het nut van de nutteloze kunsten. Bezigheden die economisch gezien niets opleveren en derhalve nutteloos zijn. Deleu schrijft dat in een tijd waarin alles wordt afgewogen, kunst in de marge van de maatschappij wordt bedreven. Dat dichters (goddank!) er in blijven geloven ‘dat in de orde van de levende wezens de mens de nutteloze dingen, zoals het schrijven van gedichten en het maken van kunst, moet blijven doen.’

    Wie naar kunst kijkt, ziet vaak een vervorming van de werkelijkheid, maar juist die vervorming maakt dat we -bij herhaaldelijk kijken- vastgeroeste beelden loslaten. Wie een gedicht leest, ziet een wereld zoals die nog nooit getoond werd. Waarna je de grote, serieuze realiteit (verlorenheid der dingen, tweespalt tussen culturen, leven en dood) met zachte hand kunt benaderen. Een kunstenaar kent geen vaste contracten of werktijden. Geconditioneerde kunst is een kunstje. Stel je voor dat de kunstenaar een vaste baan aanneemt, in de pas gaat lopen van het rendementsdenken. Waar halen wij, lezers dan onze inspiratie vandaan? Ik ben blij dat Deleu zijn dichters opport tot het schrijven van poëzie (geloof maar dat elke dichter, gearriveerd of beginnend, ervan droomt dat Deleu ook hun nest met dichterlijke schrijfsels aandoet, daar een keuze uitmaakt en opneemt in Het liegend konijn. Voor de eeuwigheid gebundeld, een tijdsbeeld van poëzie.

    Dan, wat mij steeds weer treft, ongelooflijk grof en vernietigend, maar zo schoon beschreven, is dit. De wereld opgetrokken uit poëzie:
    ‘Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
    een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
    daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
    daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
    grollen brakend een tiener op haar knieen – de boog
    kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’

    Wie bekommert zich om de dichter die weggestopt in een kamertje of bezemhok zijn strofen schrijft. Schrappen en herschrijven tot de dood erop volgt en het de wereld in kan (Pessoa). Wie betaalt de schrijver voor zijn dagelijkse brood, wie betaalt de moeder (ik denk aan Hagar Peeters nieuwe dichtbundel De schrijver is een alleenstaande moeder) die haar kind klaarstoomt voor de wereld? Dat zijn wij natuurlijk, lezers die het lanterfanten tot kunst verheffen en heilig geloven in een soort zelfvoorzienendheid van het leven. Poëzie, dat is opium voor de ziel. En het kost niet veel.

     

    Gedicht fragment van Hier en daar van Esther Jansma, opgenomen in: Het liegend konijn 2019/1.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Meesterlijk

    Meesterlijk

    We zitten in de tuin. De hemel kleurt roze, gekoelde wijn veroorzaakt druppels condens aan de buitenkant van het glas die op onze kleren druppen telkens wanneer we een slok nemen. We nemen het er van, ik ga voorlezen. Verhalen van Thomas Verbogt die, zo blijkt, niet allemaal met droge ogen tot een goed einde gebracht kunnen worden. Ik had ze al gelezen, me ermee vermaakt maar nu, bij het hardop lezen komt het slapstickachtige van sommige verhalen pas goed naar voren. In het verhaal ‘Uitslapen’, waarbij de schrijver, jawel, tracht uit te slapen, kom ik bij de passage waarin alles samenkomt. Terwijl de uitslaper nergens aan wil denken dat het uitslapen kan verhinderen, hoort hij de vuilniswagen. Denkt aan twee vuilniszakken in de gang, als hij ze nu niet aan de weg zet, gaan ze stinken. En hij probeert uit te slapen, dat lukt dus niet meer. Hij springt uit bed, kamerjas aan en haast zich op blote voeten met de vuilniszakken naar buiten. Eenmaal buiten glijdt de voordeur in het slot. Hij trapt in een stuk glas. Wiebelend op een been probeert hij met beide handen de gewonde voet naar zich toe te trekken. Als twee agenten hem naderen, komt het besef dat hij onder zijn kamerjas niets aan heeft.

    Tijdens een redactievergadering hadden we het erover hoe plat taal kan zijn. Zegswijzen als ‘helemaal goed’, of ‘Ik doe wel een belletje,’ zijn niet aan ons besteed. Van de aanspreekvorm ‘Hé buuf’ gruwden we en bij ‘heb je een momentje’ gaven we niet thuis. Zeiden we, serieus. Het werkte wel aanstekelijk. Ik kon nog net ‘zullen we nog een bakkie doen?’ voor me houden, gevolgd door ‘moet je net mij hebben. In de verhalenbundel Olifant van zeep van Thomas Verbogt komt het allemaal voor. Verbogt ontmoet mensen die hem vragen, ‘heb je nog leuke dingen gedaan’, of ‘dit is toch niet de afspraak’. Op het moment dat hij zijn bloedende voet omhoog houdt vraagt een van die agenten dan ook, ‘Wat zijn we precies aan het doen?’ Toen begaf mijn stem het, ik zag het voor me en moest overnieuw beginnen met lezen.

    Verbogt is goed in het samenbrengen van een veelheid aan onhandige dingen, goed gebruiker van nietszeggende taal. Ook kleine gebeurtenissen, die in seconden afspelen worden bij hem beleefbaar gemaakt (het vallen van een vaas uit Rome, herinneringen die daarmee loskomen). Wie lacht kan zo in huilen uitbarsten. De achttien verhalen in Olifant van zeep geven een beeld van een schrijver in zijn zestiger jaren die in het onhandige een zeker bestaansrecht zoekt. Met zinnen die een heel tijdsbeeld neerzetten: ‘En zo liepen we naar het huis waar hij een kamer had gehuurd, bij een hospita van wie hij in de late avond tot acht uur in de ochtend maar één keer naar de wc mocht.’ Thomas Rosenboom zei eens dat Verbogt een schrijver is die ‘een heel groot publiek’ verdient. Dat wil ik nog eens benadrukken. Wij vermaakten ons meesterlijk met Verbogts verhalen, zoveel beter dan Netflixen.

     

    Olifant van zeep / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam ( juni  2019).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Tussenman

    Tussenman

    Dimitri Verhulst schreef over de verhouding van een eenzame man met een jonge weduwe. Het speelt aan een groot meer. Dat het in Zweden is, hoorde ik in een interview met de schrijver, die ooit voor de liefde daarheen verhuisde. De liefde ging, de schrijver bleef, tot hij  weer naar België verhuisde, naar Gent om precies te zijn. De schrijver wisselt, net als de Mattis in zijn roman even vaak van geliefde als van woonstee. De schrijver en Mattis kruisen elkaars paden in De pruimenpluk, een roman over je terugtrekken uit de wereld. En waarin eenzaamheid het denken over vergankelijkheid aanspoort.

    Jeroen Brouwers is niet ver weg in deze roman. Het allenig leven in het blauwe huis aan het meer, roept de sfeer op van huize Krekelbos te Rijmenan, waar Brouwers in de jaren zeventig zijn schrijverscarrière grondde. De hang naar zelfvernietiging. De lege drankflessen – door Brouwers aan de takken van een boom in het Krekelbos gehangen zodat de wind er klingelende geluiden mee voort zou brengen – verwacht je elk moment rond het huis aan het meer te zullen aantreffen. Maar Mattis drinkt wijn uit kartonnen pakken, leeft van diepvriesmaaltijden en wordt ‘tussenman’ van weduwe Elma.

    Een bijvrouw is een soort bijzaak voor een man, vaak omwille van de voortplanting. Er is het Bijbelverhaal waarin Sara haar man, Abraham de slavin Hagar schenkt als bijvrouw. Omdat Sara onvruchtbaar is en zij haar man een erfgenaam wil bezorgen. Een bijman bestaat niet; onvruchtbaarheid werd toegedicht aan het vrouwelijk falen. Een man die een liefdesrelatie aangaat met een weduwe – die de nagedachtenis van haar overleden man koestert en het graf met deze enige echte zal delen – is een tussenman.
    ‘De eeuwigheid was voor twee gereserveerd. Op een dag zou zij dus bovenop Erik komen te liggen. (…) Wat Elma met mij doorbracht was wachten. Ik was haar tussenman. Haar verstrooiing in de antichambre.’

    Ik zoek naar verbanden. In de liefde is het verlangen de ‘enige’ te willen zijn, dodend. Gelukkig voor ‘altijd’ en ‘eeuwig’. Eeuwig als van nooit meer anders. Wie houdt dat vol. Het liefst zou Mattis op de vlucht slaan voor elke menselijke hang naar gezelligheid. ‘(…) het geluk zat mij nog wat ongemakkelijk. Het vooruitzicht stilletjes weg te teren had me zeker niet over de hele lijn onprettig geleken. Ik zag er best iets in om nog eventjes, niet te lang, schimmig over de aardbol te struinen. Als een hotelgast die niemand nader hoeft te kennen.’

    Het zou de loop van het verhaal goed passen wanneer Mattis opnieuw alleen achterbleef, (hij haalt nogal wat onverkwikkelijke strapatsen uit om zijn nieuwe lief te ontweduwen). Dat Verhulst hem laat kiezen voor een leven waar constant water bij de wijn (uit kartonnen pakken) wordt gedaan, ligt niet in die lijn, en dat prikkelt. Een verdraaid mooi werkje.

     

    De pruimenpluk / 151 p. / Uitgegeven bij Pluim.


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover.

     

     

  • Aanstekelijk

    Een op de drie jongeren houdt niet van lezen, de helft van alle scholieren leest nooit een roman of lang verhaal. Romans gaan volgens hen over één onderwerp en die verhalen, ja die zijn te lang, dat vinden ze vervelend. Dit staat in een leesoffensief dat deze week gepresenteerd werd door de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad. Schrijver Jacques Vriens zei desgevraagd in een nieuwsprogramma op radio 1: ‘Wat een kletskoek. Er zijn zoveel verschillende boeken. Die juf of meester, die moeten het doen en als die niks met boeken hebben, ja, dan… Je zegt toch ook niet: ik reken maar niet met de kinderen want ik hou niet zo van rekenen?’

    Het was de zaterdag net voor de hittegolf losbarstte en de katten nog niet voor dood op de keukenvloer lagen dat recensenten en redacteuren van Literair Nederland naar Utrecht afreisden voor de jaarlijkse recensentenborrel, dit keer bij antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Een jaarlijkse ontmoeting van literatuurliefhebbers die enkel over boeken spreken, wat literaire roddels (Horrortheater van Arie Storm) delen, vragen naar het laatst-gelezen-boek (Grand hotel Europa), het wat-lees-je-nu-boek (Asymmetrie, Lisa Halliday) of het lang-geleden-gelezen-boek (Anna, Dezsö Kosztolányi). Met een glas in de hand en de blik, steeds weer verschietend van gesprekspartner naar de boeken rondom.

    Zo kwamen we bij de niet-meer-gelezen schrijvers, zoals Vestdijk, en hoe dat toch kan. Het was amper uitgesproken of er sprong, (bij wijze van spreke) een deel van de Anton Wachter reeks uit de boekenkast. Er werd gelachen, gememoreerd aan die andere wachters, uit Ivoren wachters. Over het verrotte gebit van lyceumleerling Philip Corvage, die zijn tanden breekt op de bast van walnoten die hij onderweg naar school kraakt. Gezien de vorm van de walnoot, gelijk de hersenen, zou het eten van walnoten de geestelijke denkkracht bevorderen liet Philip anderen geloven. Wie het leest wil het ook graag geloven. Een meesterlijk boek, net zoals De koperen tuin nog steeds in vervoering brengt, overtuigden we elkaar. En dan de poëzie van nog zo’n vergeten schrijver, Hans Warren.

    Voor jou

    ‘Ben jij het die dit leest? Heb je niet
    je astrakan muts afgezet, en vallen nu
    je zwarte krullen warm naar het papier?
    Slaat het licht van deze bladzij
    op in de goudspikkels van je ogen,
    glimlach je gelukkig, nu je merkt
    dat ik dit weet, en breng je ook
    je donkere lippen zo dicht bij de woorden
    dat het lijkt of je ze gaat kussen?
    Leg je, toch even onzeker, je vinger
    tussen de bladzijs, druk je het boek
    tegen je borst, waar het ritselt
    door het bonzen van je hart?
    Ben je nóg mooier nu, kijk je door het raam?
    wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven.’

    Kijk, hoe mooi dit is. Als elke leerkracht nu de dag gewoon begint met een gedicht een wereld te scheppen die verlangens wekt. Verlangens die de geest voeden, zoals de walnoten in Ivoren wachters van Vestdijk. Laten we  dan gelijk boekwinkels zien als ontmoetingsplaats, waar de een de ander aansteekt. Vergeet niet je kind mee te nemen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.