• Ruzie kan altijd nog

    Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Omdraaien

    Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Tomaten en Biesheuvel

    Tomaten en Biesheuvel

    Er was eens een vriendengroep die elkaar gevonden hadden in het korte verhaal. Van de zes vrienden was er een verhalenschrijver, waakte een ander over de juiste woordkeuze, was er een handelaar in verhalen, een verteller, een luisteraar en de zesde voorzag de opbouw van de verhalen van een kritische noot. Eens in de maand troffen ze elkaar in een huis met zes kamers in het Oosten van het land. Dan reisden ze daar met koffers vol verhalen, flessen calvados, wijn, en één paar schone sokken naar toe. Nadat ieder zijn spullen had uitgepakt, de calvados en wijn in de keuken op het drankflessenschap waren bijgezet, kookten ze gezamenlijk een maaltijd. Toen de tomaten gesneden waren, de eieren gekookt, schoven enkele vrienden om de keukentafel en werden de eerste glazen gevuld. De verteller, popelend om als eerste een verhaal te vertellen, vroeg: ‘Duurt het nog lang voor de aardappelen gaar zijn?’ Nog twintig minuten’, zei de handelaar in verhalen.

    En zo begon de verteller, die wachttijd ziet als een lege hand die gevuld moet worden, te vertellen. ‘Ik las in een  boek van fijnbladig papier een verhaal geschreven door een Angstkunstenaar. Een verhaal dat me deed beseffen dat je bij wat je ook onderneemt, op alles voorbereid moet zijn.’ ‘Begin nu maar’, zei de verhalenschrijfster, ‘anders zijn zo de aardappelen gaar’. Welnu: ‘Er waren twee pastoors van plan waren de St. Pietersberg bij Maastricht – bestaand uit een doolhof aan gangen waar zelfs gidsen niet verder dan dertig meter naar binnen durfden gaan – te onderzoeken. Op hun vrije dag gingen ze met een haspel, waarop vierduizend meter dun touw en wat kaarsen de berg binnen. Voor ze het gebergte betraden, ontstak een journalist van een landelijke krant, hun kaarsen. Welgemoed liepen ze door duistere gangen met flakkerende kaarsen, het dunne touw gestaag afdraaiend van de haspel. Na honderden meters wilde de ene pastoor weten hoe donker het nu zou zijn, zonder kaarslicht. Beiden blazen hun kaars uit. ‘Donker hè?’, zei de een. ‘Huu’, zei de ander, ‘Maar we moeten weer verder. Heb jij vuur, lucifers of aansteker?’ ‘Nee, ik rook niet.’ In het aardedonker vielen ze in een kuil, het dunne touw dat ze naar de uitgang moest leiden, knapte en ze stierven een langzame dood.

    Tijdens zulke dagen ontstond er bij de vriendengroep van het korte verhaal, het idee een prijs in het leven te roepen voor de beste korte verhalenbundel van het jaar. Een prijs om het verhaal onder de aandacht te brengen, die de winnaar en niet-winnaars op scherp moet zetten nog meer verhalen te schrijven. De prijs moest vernoemd naar de meest unieke verhalenverteller aller tijden, J.M.A. Biesheuvel, en zo geschiedde. In 2020, het vijfde jaar, viel er een hiaat (te weinig prijzengeld, keuze aanbod te klein), knapte het draadje van geloofwaardigheid (door schrijvers als Sanneke van Hassel, Thomas Verbogt te negeren) en zou de prijs een langzame dood sterven.

    Eert het verhaal en zijn verteller zoals uw vader en uw moeder en God in de hemel in de gedaante van Karel van het Reve, zou Biesheuvel kunnen zeggen. De prijs had hoe dan ook uitgereikt moeten worden.

     

     

    Geïnspireerd op het verhaal ‘Vier mannen’ uit de Angstkunstenaar (1987) in Verzameld werk 3 / J.M.A. Biesheuvel / Van Oorschot.


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Tragedie

    Tragedie

    In 2013 begint Barack Obama aan zijn tweede ambtstermijn, maakt Koningin Beatrix bekend dat zij zal aftreden, wordt Kroatië lid van de Europese Unie, krijgt het Vaticaan een nieuwe paus, wordt het Rijksmuseum heropend, roept de Egyptische regering de noodtoestand uit, wordt de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk gereden, zijn in een voorstad van Damascus veertienhonderd doden gevallen door een aanval met zenuwgas, is in Zwolle een zeldzame sperweruil gespot, vindt er een aanslag plaats in een winkelcentrum in Kenia met zevenenzestig doden en worden in Angola in een nacht drieduizend families uit hun huizen verjaagd om plaats te maken voor een van de futuristische projecten van presidentsdochter Isabel dos Santos. Alleen van dit laatste werd geen melding gemaakt.

    Albertina de Fatima woont in 2013 al een kwart eeuw op het schiereiland Areia Branca in de baai van Luanda samen met duizenden anderen, vissers, arme stedelingen. Ze woont met haar familie in een huis dat ze omschrijft als een paleis, is er gelukkig. Ze weet niets van de plannen van presidentsdochter Isabel dos Santos, die het eiland wil omtoveren tot, ’Baai van Luanda’, voor recreatieve doeleinden. Op een nacht wordt het eiland bezet door politie, marine en leger, zeven dagen lang. Net als alle bewoners wordt Albertina haar huis uit gejaagd, opgejaagd. Huizen worden platgewalst. Waarna de bewoners met vrachtwagens vol van het eiland worden afgevoerd en aan een zwerversbestaan beginnen.

    ‘Luanda raast op volle snelheid in de richting van de Grote ramp. Acht miljoen mensen die schreeuwen en huilen en schaterlachen. Een feest, een tragedie. Alles wat er maar kan gebeuren, gebeurt ook. Wat niet kan gebeuren, gebeurt ook.’
    Na de krantenberichten over Luanda Leaks deze week, kon ik niet anders dan Het labyrinth van Luanda, van de Angolees/Portugees schrijver José Eduardo Agualusa erbij pakken. Een roman uit 2009, gesitueerd in Luanda 2020. In een land dat de burgeroorlog die van 1975 tot 2002 duurde, nog steeds niet te boven is. Waar chaos ruimte biedt aan verstrengelde belangen en arme bevolkingsgroepen niet meetellen. De wereld die Agualusa beschrijft in Het labyrinth is complex, bizar en wonderlijk en wordt op een of andere manier inzichtelijker gemaakt door de Luanda Leaks. 

    Albertina woont nu met vier andere families in een hutje van bij elkaar geraapte golfplaten op een oude vuilnisbelt in het centrum van Luanda. Het stinkt er, vliegen en ratten zitten overal. Als Albertina wil baden, wacht ze tot de mannen naar buiten gaan om te voetballen. Op het eiland waar ze woonde, woont niemand meer. Wat doet de tijd met misstanden uit het verleden vraagt een man zich af in Het labyrinth: ‘Alles is veranderd, zelfs het verleden. (…) Wat had u anders verwacht, je kunt geen nieuwe toekomst opbouwen zonder eerst het verleden te veranderen.’
    Wie de wereld wil leren begrijpen, wil weten hoe een Nederlands baggerbedrijf betrokken kon raken bij een Angolees schandaal, leest deze ingenieuze roman van Agualusa, naast de Luanda Leaks. Met het inzicht, komt de verandering.  

     

    Het labyrinth van Luanda / José Eduardo Agualusa / vertaling Harrie Lemmens / Meulenhoff


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Omnibus 

    Omnibus 

    Het klinkt als een mantra door mijn hoofd, al weken. Steeds wil ik zeggen ‘weet je wat ik zou willen?’ Maar eerst moeten er koffiebonen gemalen, het espressopotje op het vuur gezet, havermelk schuimen, luisteren naar berichtgevingen uit de krant die vanaf de keukentafel worden voorgelezen. Er was een stil verheugen, alsof het een geheim was. Zoals een exceptioneel goed boek dat weinig bekend is, wel ‘best kept secret’ wordt genoemd. Ik denk eraan als ik een zwerver in het park tegenkom, of een vrouw alleen, die me op een bepaalde manier in haar verschijning bekend voorkomt, of een man die zichzelf in een huwelijk achterliet. Dan denk ik aan de verhalen van Sanneke van Hassel.
    Het verhaal van een Kaapverdische man, die zijn dromen in de jaren dat hij als buschauffeur in Nederland werkt, ziet vervliegen.  Naarmate hij meer verlangt naar zijn familie, het strand, de oceaan, waar hij opgroeide, hoe afweziger hij wordt.

    Alleen ging hij nog wel eens terug, hoefde hij maar een ticket te kopen, nu vier, voor zijn vrouw en twee kinderen. Op een dag komt er een oude vrouw de bus in. Ze heeft vingers als ‘stokjes’ en een ‘papierdunne huid’. Ze gaat naast hem staan, kijkt afwezig mee door de voorruit. Hij vraagt zich af, terwijl ze langs de buitenwijken rijden, of ze verlangt naar de velden van toen waar nu huizen staan. Hij verzint in haar een bondgenoot in het verlangen naar vroeger. Als hij ‘s avonds laat thuis komt, zegt zijn vrouw ‘Ik heb naar tickets gezocht.’ Maar het is te duur.
    Of dat verhaal over een buurt waar families met uiteenlopende achtergronden wonen. De boel staat op scherp, door de gebeurtenissen en door hoe de schrijver, zichzelf corrigerend, het vertelt.

    ‘Op straat, voor ons huis, lag een zwarte scooter op zijn zijkant. Ernaast stond een jongen jammerend voorovergebogen, met zijn handen op zijn knieën. Hij had donker haar, een smal postuur en hij droeg een wit trainingsjack. Een Marokkaan, dacht ik.’ En dan: ‘een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Verderop in het verhaal schrijft ze, ‘ wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen?’
    En er is dat bejaarde Amerikaanse stel, hun huwelijk versleten, dat naar Europa reist. ‘Nooit had hij behoefte in het verleden te graven. Tot vorig zomer, onder de magnolia vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Na afloop ging hij nog even in de serre zitten. In het schemerdonker, tussen de lege glazen van de gasten, stond de foto van zijn vader (…), de stuurse mond, de harde blik.’ Dan, met barse stem tegen zijn vrouw, ‘Ik wil erheen. Naar de stad waar mijn vader vandaan komt.’, en ze gaan.

    Wat ik dus wil zeggen, is dat ik droom van een omnibus met alle verhalen van Van Hassel. Zo’n kilo wegend verzamelboek, net als Alice Munro en Clarice Lispector, want zo goed zijn de verhalen van Van Hassel. Je wilt ze allemaal hebben.

     

    Citaten uit: Nederzettingen van Sanneke van Hassel / De Bezige Bij


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

  • Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • Hazenpad

    Hazenpad

    Toen er de laatste weken volop werd teruggeblikt, lijstjes werden gepresenteerd, er relletjes ontstonden rond het werven van stemmen voor beste boek van het jaar en het vooruitblikken loskwam, koos ik het hazenpad. ‘s Nachts zette ik me in de tuin, wachtend in de stilte op het gekwinkeleer van een vogel die elke nacht mijn nieuwsgierigheid wekte. Ik dacht een nachtegaal, maar weet niets van vogels. Overdag was ik met Belmiro Borba, een man zonder bestemming uit Belo Horizonte. We gingen samen uit, waren met zijn vrienden in het park, voerden filosofische, door drank aangespoorde gesprekken. Het was kerstavond 1934 en we namen de tram naar Calafate, naar zijn huis, een fazenda van zijn familie waar Belmiro woont met zijn twee stokoude zussen. De een wordt op gezette tijden opgenomen in een inrichting, de ander zet tijdens de maaltijden een kartonnen scherm voor haar bord om haar broer niet te hoeven zien.

    Onbereikbare liefdes zijn de gasoline waarmee Belmiro zijn dagen doorkomt. Verliefd op de mythe die hij zelf gecreëerd heeft rond het meisje Carmélia. Belmiro kan enkel op deze wijze de liefde aan, zo gauw deze fysiek wordt, verliest hij het bewustzijn. Liever droomt hij. ‘Toen ik een keer ‘s middags onder de luifel bij de voordeur zat, lichamelijk zeer verzwakt, zag ik haar zelfs het ijzeren tuinpoortje openduwen en naar me toekomen. (…) We praatten lang met elkaar, eindeloze uren, (…). Ze droeg een witte jurk, die haar lichter maakt en haar maagdelijke aanzien versterkt. Wat is deze liefde kuis! Geen lust of verlangen, geen sensuele voorstellingen.’ Carmélia trouwt uiteindelijk met een jongeman uit haar jeugd en gaat op huwelijksreis naar Europa. Belmiro overweegt,  ‘Als ik nou eens naar Rio ging om de afvaart bij te wonen, gewoon onverschillig, is dat geen idee?’ Waarna hij zichzelf direct op de vingers tikt: ‘Nou ja zeg, seu Belmiro, alleen al de gedachte om naar Rio te gaan sluit onverschilligheid uit. Blijf nou maar rustig in de Rua Erê en maak jezelf niks wijs.’  

    Toch gaat hij. Onder het mom van een zakenreisje reist hij naar Rio, ziet van een afstand het jonge stel de loopplank opgaan. Waardoor hij zich geërgerd afvraagt of hij naar Rio was gekomen om ‘dat’ te zien. Twee ‘doodgewone’ reizigers. Er gebeurde niets. ‘De aarde beefde niet, de zon werd niet verduisterd.’  Het is het leven op afstand dat Belmiro voor me inneemt. In zijn dagboek is er sprake van een onderzoekende geest, soms schimpend. Ja, dat is Belmiro, overdag is hij een timide, introverte jongeman van achtendertig, in zijn dagboek is hij een relativerende, soms nukkige oude man. Dagboekschrijven is voor hem een project, ‘Wie wil mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’ Laten we gaan schrijven, onszelf overtreffen. Maar  lees eerst dit geweldige boek.

    Het was het roodborstje dat wanneer het ’s nacht wakker wordt direct aan het zingen slaat. Roodborstjes roeren zich net als Belmiro, het best in eenzaamheid.

     

     

    Ambtenaar Belmiro / Cyro dos Anjos / vertaald door Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Kerstpudding en mistletoe

    Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Bladeren

    Bladeren

    Wat ik jongeren die niet lezen zou willen zeggen: een boek hoeft niet helemaal gelezen te worden, je mag er ook in bladeren. Weet dat woorden zinnen vormen die tot fragmenten uitgroeien die blad na blad een verhaal, een boek, een roman worden. Weet dat het lezen van een woord, een zin genoeg kan zijn om gegrepen te worden. Het woord dat je dwingt verder te lezen is iets anders dan iemand die tegen je zegt dat je moet lezen, of je met een leeslijst opzadelt. Met zoveel boektitels op een lijst zou ik me ook geen raad weten. Alsof je uit de garderobe van je ouders een outfit moet aanmeten zonder te weten wat een outfit precies inhoudt. Dat anderen denken te weten wat goed voor je is, brengt je helemaal in de weigerstand. Dus neem het heft in eigen handen, laat niemand je zeggen wat je moet lezen, bepaal gewoon zelf dát je wilt lezen. Hoe te beginnen?

    Misschien hebben je ouders een boekenkast, snuffel daar eens in (kom je gelijk te weten wat de verlangens van je ouders zijn, dat kun je aflezen aan hun boeken) en anders ga je gewoon naar een boekenwinkel. Daar loop je langs de kasten (niet ingaan op de vraag of ze kunnen helpen, je kunt het zelf) en laat je ogen over de ruggen van de boeken gaan. Wat helpt is als je een beetje in de put zit, een beetje down bent. Oriënteer je op kleur, naam of titel van een boeken. Als een boek je aanspreekt (ja, boeken kunnen spreken), neem die eruit. Open het, lees een stukje, dat kan het begin zijn, een eerste zin zoals deze: ‘Nu ze bij elkaar zitten zijn ze niet meer zo bang.’ Of blader verder, vind een fragment als: ‘Met haar vingers graaft ze in de grond, in haar mond. De aarde knerpt tussen haar tanden, maar het smaakt niet vies. Woedend gebaart mama achter het raam: Wat doe je daar? Je lijkt wel gek! maar zo ontheemd voelt ze zich dat het knarst tot in haar ziel.’

    Knarsen tot in de ziel, dat zegt je iets, al vond je het eerst belachelijk (wie eet er nu zand?) Maar, als je eerlijk bent, wil je weten waarom iemand dat doet, en hoe het verder gaat met degene die het knerpen van zand tussen haar tanden tot in de ziel ervaart. Je bladert verder en leest over een innerlijke strijd naar vrijheid, naar een erkennen van wie je bent, in een taal die je niet helemaal begrijpt. Dat geeft niet, je hoeft niet alles te begrijpen, als je de passie maar voelt. Hoe woorden en meningen iemand gevangen kunnen zetten. En dat niets zo fijn is als lezen over dingen waar jezelf mee worstelt. Pak gewoon een boek, de rest gaat vanzelf.

     

    Citaten uit: Wind / Gerry van der Linden / Uitgeverij Auteursdomein


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Witgekalkte muren

    Witgekalkte muren

    Ik kan opeens verlangen naar leegte, naar een kamer met witgekalkte muren, kaarsrechte boekenkasten en een stoel. In de keuken een fornuis, een tafel en een plank aan de muur voor spullen. Geen zesendertig koffie- en theebekers maar zes borden, een steelpan,  een soeppan en wat waterglazen, ook geschikt voor wijn of andere dranken. In de rest van de ruimte een radslag kunnen maken, alleen zijn met mijn gedachten.
    Dan niet denken aan de zolder die volstaat met dozen met boeken, prullaria en mappen, veel mappen met ik weet niet wat. Daartussen kampeerspullen, (wat een behoorlijk compact woord is maar in wezen een bijeenraapsel van slaapzakken, matjes, bekers, borden, touwen, haringen, hamers, zaklampen), vloerkleden, manden met kerstspullen (die ik altijd in maart wil wegdoen, maar weet dat ik daar in december last mee krijg), en sjaals die van niemand zijn maar waarvan je niet weet of er ooit eens iemand zal zeggen een sjaal kwijt te zijn, en dat jij weet: ‘Hé, die ligt bij mij op zolder.’ Dat de dingen dan voor even weer kloppen.

    Begin vorige eeuw startte Albert Kahn een groot project. De filantroop wilde een wereld in verandering in beeld brengen. Het samenbrengen van verschillende culturen door middel van afbeeldingen was voor Kahn een soort wereldvredesmissie. Hij stuurde verschillende mensen de wereld over om foto’s te maken, waaronder zijn chauffeur Alfred Dutertre, de verteller in een roman van Lia Tilon.
    ‘Hij hield me voor dat ik foto’s maak van een wereld in overgang. Hij gelooft dat onze tradities het anker vormen dat wij nodig hebben bij ruwe zee. Zichtbaar vergenoegd met zijn nautische vergelijking. Tradities bieden houvast en geven vorm aan ons bestaan. Hij zei dat het belangrijk is te begrijpen wie eenieder is – waar hij vandaan is gekomen. Ik geloof dat hij bang is dat wij het verleden vergeten.Wat een drieste gedachte: een chauffeur uit Parijs die de afkomst komt tonen van de Amerikanen en Chinezen! Hij zegt dat hij ook op zijn andere zakenreizen zal laten fotograferen en deze autochromes zal exposeren. Zodat men elkaar kan leren kennen. Ik weet het werkelijk niet. Vragen veel gebeurtenissen dan niet om vergetelheid? Omdat ze anders blijven groeien? Woekeren en de vruchtbare grond verarmen?’

    Nu denk ik erover foto’s te maken van mijn spullen. Foto’s zeggen meer dan de werkelijkheid laat zien. Dat heeft te maken met de onbeweeglijkheid van de tijd. Ik kan er de witgekalkte muren mee behangen. Dat wat je ziet, is wat je ziet. De lichtval, de opstelling en het perspectief geven me ruimte te ontdekken waar ik vandaan kom. Foto’s als gedachten die de woorden hebben losgelaten, zoals gedachten beelden zijn waar later pas woorden bijkomen.

     

    Lees de prachtige roman  Archivaris van de wereld van Lia Tilon, over de missie van Albert Kahn om wereldvolkeren via fotobeelden te verenigen.


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Brieven

    Brieven

    Er is een schriftje weg, er staat iets in dat ik nodig heb, denk ik. Ik zoek een zinsnede, een opgeschreven waarneming die iets op gang moet brengen. In mijn ergernis dat ik het niet kan vinden, stoot ik mijn teen tegen een grote zwarte koffer. Gevuld met honderden met de hand geschreven brieven en postkaarten. Brieven die pas na mijn dood gelezen zullen worden door anderen. Nu schrijven we e-mails die worden opgeslagen in een cloud waar niemand tegenaan loopt. Ik las een boek waarvan elk hoofdstuk zich laat lezen als een e-mail, puntsgewijs, in ingedikte taal, als is er geen tijd te verliezen. Een met de hand geschreven brief brengt gedachten op gang, werkt ideeën uit. We schreven brieven, en wachtten daarna weken op een wederhoor. Geïntrigeerd door hoe mensen op internet corresponderen, schreef de Braziliaanse schrijver Michel Laub een roman. Zijn gedachten over wat we allemaal via internet vrijgeven, hoe weinig besef er is wat ermee gebeurt, werkte hij uit in Het donderdagtribunaal.

    Hoe het is als je leven onder een digitaal vergrootglas wordt gelegd. Brieven die online geschreven zijn lopen kans door anderen gelezen te worden. Waarom zou je e-mails van anderen willen lezen? Wraak is er een, domweg nieuwsgierig een tweede. Gewoon even kijken wat de ander zoal doet op internet.
    José Victor en Walter zijn sinds hun jeugd vrienden van elkaar. Ze zijn van de generatie ‘80, toen aids de seksuele vrijheidsbeleving in zijn greep hield. José Victor houdt van vrouwen, Walter van mannen, beiden hebben wisselende contacten gehad. Seksuele veroveringen worden in hun e-mailwisseling in oneliners neergezet, hiv besmettingen op de hak genomen. Ze zijn als jongens onder elkaar, de grootspraak, onderbroekenlol, niet voor derden bestemd. Dan stuit de ex-vrouw van José Victor op de mailwisseling, (als vond ze een koffer met brieven onder het bed) en begint te lezen.

    Ze komt te weten dat Walter al jaren seropositief is (daar maken ze grappen over in hun mails). Ooit heeft de ex, kort voor ze José Victor ontmoette, onbeveiligde seks gehad met Walter. De schrik slaat haar om het hart. Ze voelt zich toch al bedrogen omdat haar man voor een andere vrouw koos, uit wraak zet ze enkele van hun e-mails online. De vrijgegeven berichten werken als een roddel, ze ontberen de context en verspreiden zich snel. José Victor wordt verguisd door vriend en vijand. Dan zegt hij zijn baan op en begint een zelfonderzoek.
    Dat vriend Walter in de jaren tachtig besmet raakte, dit geheim hield, laat nog weer eens zien wat een schande er kleefde aan de diagnose aids, aan homo zijn. Laub laat in tegenstelling tot wat nog wel gedacht wordt, zien dat ieder mens met het aidsvirus besmet kan worden, ongeacht geaardheid. Verrassend boek.

    Het schriftje vind ik dan eindelijk tussen andere schriftjes op mijn werktafel, ik lees de zin: ‘Het internet versnelt de tijd die we hebben, roem en vernietiging gaan langs dezelfde weg.’ Ja, dat brengt wel iets op gang.

     

    Het donderdagtribunaal / Michel Laub / vertaling Harrie Lemmens / Ambo|Anthos (2018)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Strijkend licht

    Strijkend licht

    We zitten aan de keukentafel, binnen is het zestien graden. We roosterden granen en noten in een koekenpan, maakten koffie. Naast me op tafel de verhalen van William Trevor. Op de radio ‘Het spoor terug’. Over Ernest Shackleton, die in 1914 een expeditie naar Antarctica ondernam. De expeditie eindigde niet zo best. Shackleton was een romanticus, schreef en droeg gedichten voor aan zijn bemanningsleden. Toen hij zeventien was, wilde hij indruk maken op een meisje en meldde zich voor de Discovery-expeditie van Robert Falcon Scott, een reis naar het toen nog vrij onbekende Antarctica. Het werkte, na drie jaar kwam hij terug, een jaar later, in 1904, trouwde hij met haar. Hoewel Scott beroemder werd dan Shackleton, wordt de laatste geroemd om zijn organisatietalent. Nog schijnen de Britten te zeggen: ‘Zit je in een hopeloze situatie, geef me dan Shackleton.’

    Je kunt nooit helemaal weten wat iemand beweegt de dingen te doen die ze doen. William Trevors verhalen vertellen niet wat er gebeurt. In het verhaal ‘Afzondering’, duwt een kind in een nauwelijks beschreven beweging, haar moeders minnaar van de trap. Haar vader is Egyptoloog, een dromer, ongrijpbaar. Zonlicht strijkt over de keukenvloer, buiten is het koud.

    Op de radio de holle knallen van houten spanten die breken, een ijzige wind, er is schipbreuk. Shackleton laat een kamp opslaan op het pakijs. Het is min dertig graden, er worden tenen geamputeerd, vallen met een klikkend geluid in een emmer, (ik hoorde het echt). De kou in de keuken is opeens te verwaarlozen. Met de verhalen van Trevor in mijn hoofd veroorzaakt dit een heen en weer schakelen tussen twee manieren van zijn. Daartussen sluimeren gedachten, doen zich mogelijkheden voor die nooit overwogen waren.

    In een sfeer van wijkende werkelijkheid en sluimerende gedachten, moet ook bij de jonge vrouw uit het titelverhaal ‘Heilige beelden’, de gedachte ontstaan zijn dat ze haar vierde kind dat ze verwacht tegen betaling aan haar kinderloze vriendin zou kunnen afstaan. Dan zou haar man, die prachtige beelden maakt, dit kunnen blijven doen in plaats van als wegwerker te gaan werken. De vriendin is verbijsterd, ‘Ze trilde op haar benen en moest gaan zitten, (…) “Ik denk niet dat ik je goed begrepen heb”, zei ze, ofschoon ze beter wist.’ Het leek de jonge vrouw een mogelijkheid, een optie om twee hunkerende zielen te helpen. Zelf zou ze, als ze erover heen was, wel weer zwanger worden.

    In het verhaal ‘Afzondering’ komt Shackleton ook voor. ‘Ernest Shackleton was een hoogst opmerkelijk man,’ zegt de vader van het meisje die haar moeders minnaar van de trap duwde. ‘Misschien wel de nobelste van al die mannen die zich hebben onderscheiden (…). De geheimen die ze voor elkaar hadden, de kwalen die ze verborgen hielden, hun gebeden, hun teleurstellingen. Wat een ontbering, maar ook wat een geesteskracht! We zitten vreemd in elkaar, wij mensen, vinden jullie ook niet?’ Daar schrijft William Trevor prachtige verhalen over, over mensen en hun raadselachtige beweegredenen.

     

    Heilige beelden / William Trevor / vertaling Sjaak Commandeur / Meulenhoff (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.