• IJzingwekkende kou

    IJzingwekkende kou

    De oostenwind joeg zaterdagnacht fluitend de sneeuw rond het huis. In de ochtend lagen bergen sneeuw. Er reden geen treinen, auto’s bleven op de plaats waar ze geparkeerd waren. We waren bereid thuis te blijven. Ik zette koffie. Vanaf de bank keek ik met mijn handen om mijn koffiekop naar de witte tuin, door niemand betreden. De winters van vroeger keken mee. Toen sneeuwdagen zich vulden met dromen, idealen, omdat er niets anders te doen was. Als mijn koffie op is leun ik voorover, denk aan een houtvuur. Vraag me af waarom ik in hemelsnaam de kachel heb verkocht. In Russische verhalen is er altijd een houtvuur. Ik denk aan het verhaal Jermolaj en de molenaarsvrouw van Toergenjev. Armina is een vrijgekochte lijfeigene, trouwde met de molenaar. Geen fijne man. Op een koude avond klopt een Russische heer met zijn jager aan bij de molenaar om een slaapplaats. Ze worden geweigerd. Slaan buiten hun kamp op. De jonge molenaarsvrouw komt erbij: ‘Op een omgekeerde tobbe zat de molenaarsvrouw voor het vuur en praatte met mijn jager. Zij steunde de ellebogen op de knieën en hield het hoofd in haar handen. Jermolaj legde spaanders op het vuur.’

    Ik vertel Mijn Lief dat de buren nu echt uit elkaar zijn, ik had het op Face book gezien. Dat hij niet meer wilde, is weg gegaan. Hoe moet dat nu met de kinderen zeg ik. De molenaarsvrouw in het verhaal van Toergenjev sprak over de koeien van de buren, er heerst een ziekte. ‘bij vader Iwan zijn beide koeien doodgegaan … De Heer zij genadig!’  Waarna het gesprek stilviel. Ik keek naar de besneeuwde tuin. Naast me ligt de bundel van Lamia Makaddam. Ik moet aangesproken worden, wakker gekust. Door Lamia Makaddam, die over ijzingwekkende kou spreekt, en winters die op elkaar lijken.

    ‘Om een mij onbekende reden
    wil ik jullie over een ijzingwekkende kou
    op een winteravond vertellen.
    Over het monster van de stilte.
    De duisternis hangt als wolken van stof onder het plafond.
    Ik raak mijn mond aan en vind mijn lippen niet
    en mijn stem lijkt mij verlaten te hebben.
    In de diepte slaapt warm geluk.
    Van wie is dit litteken?
    En wie echoot dit verdriet?

    Als ik op een dag poëzie schrijf
    is het omdat iemand huilde ver weg
    en ik met een vernietigende kracht schreeuwde
    omdat de deur de vingers beknelde
    van een kind ergens op de wereld.
    Dit verdriet is het enige wat ik met jullie kan delen.
    Het is wat ik met alle liefde deel. 

    Alle winters lijken op elkaar.
    Winters die op jou lijken en winters die niet op jou lijken.
    Winters die hier of aan de andere kant van de wereld zijn.
    Als je vingers trillen, schrijf dan niet op deze plek.
    En als het gemis in je hart woont,
    dan weet je dat tenminste iets het vult.
    Schrijf vanuit de duisternis
    die het leven minder wreed maakt.’ 

    Buiten sneeuwt het onophoudelijk, het is een mooie dag om gedichten van Lamia Makaddam te lezen.

     

    Uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf / Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali / 68 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, geeft wekelijks een kijkje in haar boekenkast.

     

     

     

  • Zwarte kraaien

    Zwarte kraaien

    ‘Simon zwoer me dat hij overdag had bijgeslapen, maar in bed kon het niet geweest zijn, want het controlerijstkorreltje op zijn hoofdkussen trof ik op precies dezelfde plaats aan als waar ik het had neergelegd voor mijn vertrek.’

    Ondanks het grauwe weer dat me de hele dag binnenhield, moest ik eruit voor het donker werd. Ik liep langs ingekuilde voederbieten, drassige graslanden, een gesloten Pannenkoekenrestaurant. Na de eerste kilometers waren mijn haren en brillenglazen nat van de miezer regen. Ik zette grote stappen onder de kale eikenbomen door. Zwarte kraaien vlogen schreeuwend op wanneer ik naderde, daalden in de volgende boomtop neer, vlogen weer op, zo joeg ik ze voort. Ik nam een foto van de opvliegende kraaien. Toen viel mijn mobiel uit, liep verder. Een fietser kwam me tegemoet. Een jongeman in een blauw/wit regenjack, knalrood hoofd (ik dacht ‘opgefokt’), witte oordopjes in. Toen hij me passeerde moest ik opzij stappen, even zag ik zijn priemende ogen. Hij gromde. Ik zei tegen mezelf, ‘Gromde hij nou?’ 

    Ik had te lang gelezen in Ik ben er niet van Lize Spit,  over Leo (Leontine) en Simon, die na een gehavende jeugd in elkaar gekropen zijn zoals een slak in zijn huisje, maar dan met zijn tweeën. Glibberig om elkaar glijdend, elkaar enkel goed willen doen, kwetsende zaken als vliegen voor elkaar afvangen. Tien jaar leven ze zo, dan krijgt Simon een psychose. Je leest over de aanloop ernaartoe, de piek, de behandeling, het eruit komen. Leo die daaromheen reddert, de boel in evenwicht probeert te houden. Wat niet lukt, het gaat geweldig mis met Simon.

    Mijn god, wat een stel, wat een boek, waarin je in het hoofd zit opgesloten van de een die onder de huid kruipt van de ander. Niets wordt aan de verbeelding overgelaten. Hoe meer ik vorder in dit boek, hoe meer ik snak naar verbeelding. Maar geen kans, genadeloos houdt de schrijver je in haar greep. Drukt ze je met de neus op een uitgeteerde en kwijlende Simon tijdens de eerste opnamedagen. Op Leo die in afwachting van het bezoekuur op de grond in de gang zit, rug tegen de radiator, trouw als een hond. De ijskoude voeten van Simon. (Ja, daar spreekt dan toch de verbeelding). Ik wil weten waarom het zo meedogenloos uitleggerig is. Bij ‘controlerijstkorreltje’, begint er iets te dagen, dat het enkel zo en niet anders geschreven had kunnen zijn. Wat je ook hoopt, want een schrijver die vijf jaar aan een roman heeft gewerkt, schrijft geen boek dat niet te lezen is. Weet dat elk boek zijn eigen lezing vraagt.

    Leo is hondstrouw, hoewel (en dat stemt hoopvol) ze de opname van Simon gebruikt in een serie columns die ze voor een vrouwenblad schrijft. Terwijl ik buiten loop denk ik aan Simon, hoe hij de ogen van de kat heeft uitgelepeld. Ik weet dat de fietser met de priemende ogen is door gefietst. Toch denk ik aan de mogelijkheid dat hij omkeert, me een klap verkoopt, of gewoon een mes in mijn rug, omdat ik daar liep. Alles kan opeens, de kraaien, de donkerte om me heen lijken een voorbode van iets. Ik zet er flink de pas in. Thuis droog ik mijn haren, pak het boek, lees verder waar Leo haar derde column schrijft. Hoe ze S. beschrijft in een net iets te kleine pyjama, het donker van zijn kamer. Dat ze onderweg naar huis door een groepje mannen gevraagd werd haar naam op de borst van  een van hen, bruidegom in spe te schrijven. ‘Dat laatste was verzonnen, maar ik kon niet anders dan overdrijven, schepjes eenzaamheid erbovenop doen, enkel zo controleerde ik de werkelijkheid, die groot en woest was en vaak verdrietig’. Dit boek schrijnt, zo weinig troost. Wat een boek.

     

     

    Ik ben er niet / Lize Spit / 570 blz. / Uitgeverij Das Mag 


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt naar een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Enige betekenis

    Enige betekenis

    Als ik over rellen, plunderen en vernielen hoor denk ik, sukkels. ’s Nacht zet ik me in een gemakkelijke stoel in mijn kamertje, lees Rachel Cusk alsof dat het enige is dat telt. Als kind ben ik wel eens tegen geldende regels in gegaan. Op de leeftijd waarop je nog denkt dat niemand je ziet, stopte ik in een winkel een zakje snoep in mijn jaszak. Ik weet nog hoe het knisperde, voelde me een houtenklaas, weet niet meer hoe ik buiten ben gekomen. Ik nam wel eens een schriftje weg bij de Hema. Eén keer een boek in een antiquariaat op een grijze januaridag. Januaridagen zijn sowieso dagen die het best zo snel mogelijk voorbij gaan. Er was niemand die me tegenhield, ik stak het onder mijn jas, eenmaal daar kon het niet meer terug. Er is nooit een weg terug. Vraag me niet wat me bezielde. Toegegeven, ik was in een bepaalde stemming, had teveel Strindberg en Büch gelezen, was beïnvloedbaar. 

    Ik heb ook wel eens het fietsen van een ander gesaboteerd, draaide het ventiel van de fiets van een buurjongetje open. Dat gaf een bepaald gevoel van macht. Daarop volgde een gevoel van ontheemding, ik kon er niet van slapen. In een interview zei Rachel Cusk dat in haar schrijven alles eindigt met de thuiskomst. Als je een geliefde verliest door dood of scheiding, ben je iets kwijt. Ze zei, ‘mij interesseert het Griekse idee dat het lijden eervol is. Dat je iets wint. De waarheid. Wat dat ook is.’ In die zachte stoel in de hoek van mijn kamertje, lees ik het laatste deel van haar scheidingstrilogie, Kudos. Over haar alter ego Faye die in het eerste deel van de trilogie gescheiden is, in het laatste hertrouwd. Ze omringt zich met verhalen van anderen, mensen die even met haar mee oplopen. Zoals de jongeman die op het literair festival schrijvers begeleidt haar vertelt dat het Griekse woord Kudos, ‘eerbewijzen’ betekent. 

    Een medepassagier in een vliegtuig vertelt over zijn dochter, als kind overgevoelig voor clichés. Wanneer er gasten waren, rende ze gillend het huis door. Ze speelde als kind hobo. Hij kon het niet aanhoren, vond het aanstellerig klinken. Tot hij haar bij een optreden op het podium ziet, perfect in balans. Hij begint te huilen, niet om haar spel, maar omdat hij nooit in haar geloofd heeft. Er is de eens gelukkige vrouw die haar vertelt dat haar leven in puin ligt, omdat ze moeilijkheden ontliep. ‘Als kind zag ik dat mijn zus, twee jaar ouder dan ik, altijd de ergste klappen opving, terwijl ik alles aankeek vanaf de veilige schoot van mijn moeder, en elke keer dat zij in de fout ging of iets verkeerds deed nam ik me voor het anders te doen als het mijn beurt was.’
    Ik lees Rachel Cusk alsof ik er enige betekenis in kan vinden over deze tijd. Zo die er is, is een ‘veilige schoot’ wel iets voor oproerkraaiers, thuis een gelegenheid tot beschouwen.

     

     

    Kudos / Rachel Cusk / 200 blz. / De Bezige Bij (2018) / vertaling Marijke Versluys


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Twintig jaar afwezigheid

    Twintig jaar afwezigheid

    Met enig uitstel van Blue Monday werd het pas dinsdag dat de sluier viel. Ochtendlicht wilde maar niet doorkomen, regen ruiste als een afweerscherm tegen enig ander geluid dat op een beginnen van de dag kon duiden op het afdak onder mijn slaapkamerraam. De krantenjongen liet verstek gaan, waar ik begrip voor had. Er gonsden woorden door mijn hoofd, demissionair en missionair. De laatste dagen veelvuldig gebruikt als was het een bal waarmee iedereen een schop in open doel wilde maken. Ook klonk het tot de verbeelding sprekende begrip, waterbedeffect door mijn hoofd. Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke met weinig woorden, zei het grote voorbeeld van A.L. Snijders, Epictetus al.

    Ik lees Thuis, van Marilynne Robinson. Er is een nieuw boek van haar verschenen, Jack. Nu vraagt eerder verschenen werk van haar om herlezing. Haar eerste boek Gilead, speelt ook rond Jack, vanuit het perspectief van de knorrige geestelijke, John Ames. In Thuis komt Jack na twintig jaar terug naar het ouderlijk huis. De verloren zoon, de aan drank verslaafde, die diefstallen pleegde, twintig jaar van de aardbodem verdween. Nu ik het opnieuw lees heeft die twintig jaar opeens aan betekenis gewonnen. Sinds mijn broer, die ik twintig jaar niet zag er niet meer is, zoek ik naar betekenissen. Twintig is nu het getal van nooit meer te overbruggen tijd. Als een gapend gat liggen die jaren tussen Jack en zijn vader, dominee Boughton, nu een oude man. Jack doet zijn best een goede zoon te zijn. Hij helpt hem naar bed, speelt piano voor hem, drinkt niet meer, maar goed komt het niet tussen hen. 

    Vader Boughton, die van al zijn acht kinderen het meest van Jack houdt, kan hem niet accepteren zoals hij is. De liefde van de vader is een eenrichtingsweg, zonder omkeren. Vanaf de andere kant kan Jack zijn vader niet vertellen dat hij in een andere staat een zwarte vrouw heeft, en een kind. Het is eind jaren vijftig, dat een witte man met een zwarte vrouw leefde was ondenkbaar. Jack is in Gilead om te onderzoeken of het een geschikte stad voor hem en zijn gezin is, om te wonen.

    Als hij aan het bed van zijn vader zit vraagt zijn vader, “‘Laat je hand eens zien, waar je die splinter in had.’
    ‘Dat geneest al.’
    ‘Laat eens kijken.’ Jack gaf zijn vader zijn hand, en de oude man nam hem in zijn handen, streelde hem en bekeek hem. ‘Er blijft wel iets van een litteken over.’ Dan: ‘Twintig jaar,’ zei hij, ’twintig jaar.’ Jack stopte zijn vader in bed, droogde de borden af, ging naar zijn kamer.”
    Thuis is e
    en zeldzaam mooie roman. Razend benieuwd naar die nieuwe roman, geschreven vanuit Jack, vanuit het perspectief van iemand die twintig jaar van de radar verdween, wat hem bewogen heeft. Er is een gretig willen weten, verbanden te leggen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

  • Hoe kan dat toch

    Hoe kan dat toch

    Er zetten zich allerlei dingen vast in mijn hoofd. De dreiging van een avondklok (waar komt dit vandaan, wie zei dit als eerste?). Dat Vicepresident Mike Pence, die vorige week nog zo kwaad was op Trump, gewoon met hem aan het werk gaat. Dat er geen persconferenties waren na de bezetting van het Capitool. Dat uitgevers geen boeken uitgeven omdat boekhandelaren ze niet verkopen kunnen. Dat de hamer niet meer werkt, festivals doorgaan zonder publiek, dat er een fittie is over badmatten en handdoeken. Hier aangekomen begreep ik dat enige afstand van lopende actualiteit noodzakelijk was. Er is een doofpot voor alle rafelige, misselijkmakende, kwalijke dingen. Geschiedenissen zijn er om onderzocht te worden, te zien hoe momenten van toen in het licht van nu betekenis krijgen. 

    Ik las over de geschiedenis van Marokko, een hartstochtelijk stuk van schrijver Asis Aynan, zoon van Berbers uit de Rif. Wist u dat het merendeel van de Marokkanen in Nederland, Riffijnse Nederlanders zijn? Ik niet, het doet iets keren nu ik het weet, er is een nuance aangebracht. Aynan onderzoekt zichzelf, zijn afkomst, de cultuur van zijn voorouders, hoe die verdween. Hij vroeg het zijn ouders die, eenmaal vertrokken uit de Rif, volgens de Islam gingen leven. ‘Vader, moeder, hoe kan dat toch? U weet toch dat iedere samenleving, iedere cultuur, net als het lichaam een samenspel van organen en ledematen is, net als de geest; een beetje religie, een beetje cultuur, net als de Marokkaanse stoofpot, van alles wat. Hoe kon u hier een leven inrichten waarin geen plaats was voor de dans, de liederen, de verhalen, de geschiedenissen, het bijgeloof van uw ouders? En laat ik de gedichten niet vergeten. Waar is de poëzie gebleven? Mierzoete gedichten, bijtende verzen, of rijmpjes die zelfs de grote God aan het lachen maken: God zij geprezen / neem de benen / Europa’s zegen / is beter dan uw regen.

    De vader van Aynan kwam in de jaren zestig vanuit de Rif naar Nederland. De Rif was een gebied waar honger heerste, oogsten mislukten als gevolg van mosterdgasaanvallen in de twintiger jaren vorige eeuw, het gif zat in de bodem, in bronnen. Hier komt het boek Hongerjaren van schrijver Mohamed Choukri bij me op, dat opeens een andere betekenis krijgt. Wat zijn we plat van geest als we de verbanden niet zien. Aynan schrijft over wat er kwijtraakt wanneer je alles achterlaat. In het geval van zijn ouders was dat hun taal, het Berbers, tradities, hun eigen geloof. Dan wil je in een ander continent iets nieuws opbouwen, maar Koning Hassan had lange armen, tot in Nederland legde hij zijn onderdanen op hoe te leven. ‘(…) eigenlijk moest de gehele cultuur van het volk verdwijnen. Het weerzinwekkende project dat die culturele genocide moest volbrengen droeg de naam het Zuiveren van de Marokkaanse Tong. Marokko moest een nieuw Arabisch koninkrijk worden, waar alle macht in de autocraat Hassan samenkwam.’ Aynan schrijft met een vurigheid die overslaat. Lees dit essay, ontdek dat we meer overeenkomen dan verschillen. Mèt recept voor erwtensoep, want ook in de Rif eten ze snert, heet het tamarakt.

     

     

    Eén erwt maakt nog geen snert, Het Rifgebergte, de dubbele nationaliteit en andere misverstanden / Asis Aynan / 71 pag. / Uitgeverij Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

     

     

     

     

  • Lehmann een nieuwjaarsgeschenk

    Dit prille, frisse jaar werd op de vierde dag bezoedeld door bekentenissen van een falen. Minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge, die de startdatum voor het vaccineren almaar uitstelde, bekende dat het in Nederland toch eerder had gekund. Het is ingewikkeld, sommige dingen wil je niet weten, het boetekleed, de pathetiek. Beter is het over de eigenzinnige Louis Lehmann te lezen, een dichter die niets van poëzie wilde weten. Een man die veel was, niets beloofde, de tango danste als geen ander en in de jaren tachtig altijd bereid was een leeg moment in een radioprogramma van de VPRO op te vullen. Zonder enige voorbereiding fietste hij dan naar de opnamestudio aan de Amstel, praatte daar over muziek en componisten. Ik herinner me die programma’s, de stem van Lehmann, hoe hij sprak, haperend. Je dacht, Wat is dit?, begon mee te stamelen, vroeg je af waar het heen ging. Lehmann klonk alsof hij niet wist waar hij heen ging. Hoorbaar zocht hij naar een vorm, doorzocht al pratende zijn geest als begaf hij zich in een ongeordende archief. In het zoeken begon hij soms gesneuvelde zinnen opnieuw, tot ze de zin werden die hij gebruiken kon.

    Een nieuwjaarsgeschenk, ik had in jaren er geen ontvangen, en hop, daar lag er eind december een in de brievenbus. Een prachtig ingenaaid boekje, kleurrijke omslag, onderwerp Louis Lehmann, waarvan dit voorjaar de biografie verschijnt. Een voorproefje, met teksten van Lehmanns weduwe Alida Beekhuis, radiomaker Wim Noordhoek, over Lehmanns relatie met de illustere uitgever Geert van Oorschot door Jaap van der Bent. Een heerlijk boekje waar je zo in verdwenen bent. Er staan gedichten van Lehmann in, tekeningen. Het voorwoord door de redactie is ondertekend met, ‘Rafimazo. Sozudagi!’ Wie zijn dat?, vraag je je af, is het een zelfverzonnen nieuwjaarsgroet? Nee, het zijn de vier lettergrepige woorden die uit Lehmans mond kwamen toen een psychiater hem naar zijn relatie met zijn ouders vroeg, woorden zonder betekenis.

    ‘Die woorden werden een tic.’, schrijft Wim Noordhoek. ‘Ze kwamen in allerlei gesprekken naar boven, vaak ongelegen. Tenslotte tikte hij ze uit, om er vanaf te komen. Vellen vol. Later las hij ze voor op de radio. Dat werd wat saai. Waarop hij zei: ‘Ik kan ze zingen ook.’ Hij zong ze op een melodie van Ellington. En inderdaad, er was er niet een bij die iets betekende. Ra-fi-ma-zo. So-zu-da-gi…’ Zoals gezegd, een heerlijk boekje. Voor wie niet wachten kan, een typisch Lehmann gedichtje: ‘Het is troosteloos / te kijken naar een waslijn / met een oneven aantal sokken // En soms, als het vochtig weer is / hangen ze er / dagenlang, dagenlang.’

    Ik kan me voorstellen dat Hugo de Jonge, die op het punt van kruisiging staat, een Louis Lehmann zou willen zijn. Een man met gevoel voor humor en gekke situaties, die dingen vergat, van zijn eigen gedichten zei: ‘Hee… heb ik dit geschreven. Merkwaardig.’ En dan doorging, improviserend. Misschien is dat voor De Jonge wel het beste, gewoon improviseren, pianospelen, de tango leren dansen.

     

     

    Het air van man, die niet begrepen is. Over dichter Louis Lehmann (1920-2012) / Nieuwjaarsgeschenk dec. 2020 / genummerde oplage van 600 exemplaren / AFdH uitgevers / Boekverzorging Martien Frijns / Redactie Jaap van der Bent & Paul Abels


    Inge Meijer is een pseudoniem, omhelst het monotone leven, wast haar mondkapjes.

     

     

  • Monotoon leven

    Monotoon leven

    Ik ging eropuit die tweede dag na de lockdown, alleen uiteraard. Liep over zandwegen met kuilen volgelopen met regenwater. Zag een torenvalk in de top van een kale boom. Hij spreidde vleugel voor vleugel zijn veren breeduit, pikte erin met zijn snavel, schudde zijn staartveren, koesterde zich in het zonlicht. Ik kon behoorlijk dichtbij komen, ook een torenvalk verlegt zijn prioriteiten, wordt roekeloos als het licht op hem schijnt. Toen vloog hij met veel misbaar omhoog, van me weg. Verder lopend, kwamen er gedachten in me op die het gevolg waren van wat ik op de radio had gehoord. Ik denk nooit aan wc papier, nu drong het zich aan me op, moest ik dat nu bij de Action halen, om de supermarkten te ontlasten? Dat had iemand van de retail gezegd, het klonk logisch. En of ik voor mijn koffie dan naar de Hema zal gaan, en kaarsen, zijn die essentieel? Ik vroeg me opeens af of ik mijn krant nog wel bij de supermarkt kon halen, zo niet, waar dan als de Primera alleen open is voor postpakketjes. 

    Ik dacht: zal ik iemand een boek sturen, ik heb er genoeg. En als ik dan binnen ben bij Primera, ach, dan pak ik gewoon een krantje mee. Toen zag ik beelden van die meneer in het journaal voor me, met dat pak printpapier van de Hema onder zijn arm. Dan denk ik, Andy Warhol, dat in de toekomst iedereen zijn 15 minuten van beroemdheid zal hebben. In die toekomst leven we nu, zaak is het hoofd koel te houden. Thuis kwam Pessoa erbij, die over alles geschreven heeft, ook over essentiële zaken en roem. In het geweldige Kroniek van een leven dat voorbijgaat, vertaald en samengesteld door Michaël Stoker, lees ik in Een brief aan een toekomstig genie, ‘Roem is een vorm van onbeleefdheid. Jezelf voortdurende in de kijker spelen is verachtelijk. De werkelijk superieure mens is zich geheel bewust van zijn superioriteit zonder oog te hebben voor de superioriteit die anderen in hem zien of in hem missen.’ Een nadenkertje, gaat het over de blinde vlekken in het beeld dat ieder van zichzelf creëert? Verdraaid, naast dichter, filosoof, is Pessoa ook therapeut. 

    In wat Pessoa ‘een overdenking voor toekomstige generaties’ noemt, gaat hij uit van de gedachte dat het leven in essentie monotoon is. ‘Geluk bereik je daarom vooral door je in aanvaardbare mate aan te passen aan de monotonie van het leven. Door onszelf monotoon te maken, stellen we ons gelijk aan het leven, hetgeen, kortom, voluit leven is. En voluit leven betekent gelukkig zijn.’ Een vorm van geluk die ik verdragen kan, want, ‘Zich overgeven aan monotonie betekent alles steeds als nieuw ervaren. De burgerlijke blik op het leven komt overeen met de wetenschappelijke blik, want alles is feitelijk steeds weer nieuw: vóór vandaag is er immers nooit een vandaag geweest dat exact zo was als de dag van vandaag.’ Maar schreef Pessoa, ‘Het moge duidelijk zijn dat de burgerman niets van dit alles zal toegeven. Als hij tot een dergelijk inzicht zou zijn gekomen, dan zou hij niet gelukkig kunnen zijn.’ Ach, die discrepantie tussen gelukkig zijn en gelukkig zijn. Vrolijk kerstfeest allemaal en moge het een monotoon 2021 worden!

     

     

    Kroniek van een leven dat voorbijgaat / Fernando Pessoa / 351 blz. / vertaling en samenstelling Michaël Stoker / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, wast haar mondkapjes.

  • Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid, galanterie is een manier om de regie over te nemen van andermans leven. Schrijfster Frida Vogels heeft daar niets mee. Daarom lees ik haar boeken zo graag, om het eigene, niets conform de regels der omstandigheden.
    Deze zomer verscheen er zomaar nieuw werk van haar. Over de vader van haar man, Artenio (Ennio). Vogels vertrok in 1954 naar Milaan, waar ze in een studentenhuis haar man ontmoette. Ze stond te wachten op haar koffie toen een donkere jongen naast haar kwam staan, ook koffie bestelde. Bij het afrekenen betaalde hij gelijk haar koffie. Dat stoorde haar, dat ongevraagd met haar bemoeien. ‘Het ergerde me, en ik liep zodra ik mijn koffie op had zonder te bedanken weg.’ 

    De vader, Salvatore De Matteis werd door zijn aangetrouwde familie ‘behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet.’ Salvatore ging tot zijn twaalfde naar school, werd wijnbouwer, las later boeken van Marx, Engels, Rosa Luxemburg. Liep met notitieboekjes op zak, die hij maakte van ‘blaadjes papier van verschillende soort en grootte die hij met naald en draad aan elkaar naaide.’ Als hij zeventig is, hen in Bologna opzoekt, laat Ennio hem een wiskundetijdschrift zien waarin een artikel van hemzelf staat. Zijn vader wil er een exemplaar van meenemen voor de bibliotheek van San Severo. Ennio vindt dat belachelijk, ‘dat leest niemand’. Zijn vader vindt dat als het gepubliceerd is, er belangstelling voor is. Waarop Ennio’s zegt, ‘Als ik het overlees, begrijp ik het zelf niet eens meer.’

    ‘Hoe bedoel je dat, dat je het zelf niet begrijpt?’ vroeg zijn vader argwanend.
    ‘Omdat het moeilijk is. Ontzettend moeilijk! Je moet je erin verdiepen om het te kunnen begrijpen.’
    ‘Oja’, zei zijn vader, gerustgesteld, ‘het zal geen gemakkelijke lectuur zijn.’
    ‘Om dat mee te nemen naar San Severo is idioot,’ zei Ennio.
    ‘Je weet nooit hoe het te pas zou kunnen komen,’ zei zijn vader. ‘Bijvoorbeeld, als een Sanseverese jongen die vooruit wil komen in de wereld zich een idee wil vormen van de nucleaire wetenschap. Dan zou hij jouw artikel kunnen lezen om een indruk te krijgen.’
    ‘Dat is onzin!’ zei Ennio kwaad, ‘je weet niet wat je zegt!’
    ‘Net als iemand die in een diepe put kijkt,’ vervolgde zijn vader. Hij boog zich een beetje voorover. ‘Het is niet dat hij in die put wil afdalen. Hij wil er alleen maar eens in kijken. Hij denkt: nu wil ik wel eens zien hoe griezelig deze put is.’ Hij richtte zich weer op, grinnikend.’

    Fijn opgetekende gesprekken, waaruit een beeld ontstaat van een man die een eigen gedachtegoed ontwikkelde, eenvoudig en aantrekkelijk. Dit boekje is een ware kleinood, waarin hier en daar ook wat over haar huwelijk wordt losgelaten. Zo vroeg Ennio haar na drie weken kennismaking ten huwelijk, waarop ze prompt ‘ja’ zei. ‘Het heeft daarna nog jaren soms moeizaam leven met ons tweeën gekost voor ik mijzelf ervan kon overtuigen dat die Pavlov-reactie het juiste antwoord was geweest.’ Dat zijn mooie berichten vanuit Bologna, dat al die bezwaarlijke moeilijkheden waarover we lazen in De harde kern en Dagboeken, niet umsonst waren. Stemt moedig voor de moeilijke huwelijken onder ons.

     

     

    De vader van Artenio / Frida Vogels / 100 blz. / Van Oorschot (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft na de laatste persconferentie nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

     

  • Broosheid en de beer

    Broosheid en de beer

    Zondagnacht was het min vier graden. Ik werd er telkens even wakker van, voelde dan aan mijn neus, die als een thermometer de omgevingstemperatuur opnam, en tjee, wat was die koud. Waarna ik onder het dekbed kroop, mijn neus  in een holletje van duim en wijsvinger warmde, verder sliep. ’s Morgens waren bomen, struiken, de auto’s in de straat met een laagje rijp bedekt. Tijd voor mijn rode, knielange trui, dacht ik. De dikste die ik ooit kocht, het minst gedragen. Ik zocht in elke kast. Dingen die je niet vaak gebruikt of nodig hebt, raken ergens achterop, tot ze op onverklaarbare wijze verdwenen zijn. Net zoals mensen uit je leven verdwijnen, al zitten ze nog zo goed geborgen in je geheugen. Pas als ze gestorven zijn, komen ze tevoorschijn, als toegift. De laatste tijd lees ik met meer dan gewone belangstelling over familie. Over broers die anders zijn, onbegrijpelijk onhandig zijn.

    Charlotte Mutsaers schreef na de dood van haar broer de roman Harnas van hansaplast. Ze heeft haar broer jaren niet gezien als ze hoort dat hij dood gevonden is, in bed, onder ontluisterende omstandigheden. Ze schrijft dat ze woest wordt als ze aan haar broer denkt, ‘Die bij de geringste tegenwerking een driftbui kreeg, in katzwijm viel of dreigde met zelfmoord. Rotzak die je was, rot op. Waarom zou ik me voor zo’n Kleingeist uit gaan sloven; ik houd toch van grandeur?’ Maar dan smelt ze, denkt, ‘godverdegodver, kon hij het ook helpen?’
    In Big Brother van Lionel Shriver leidt de broer van Pandora een onverantwoord leven. In de jaren dat ze elkaar niet zagen, is hij ongelofelijk dik geworden, en dakloos. Ze neemt hem voor een verblijf van een maand in haar gezin op. Kostbare meubels en haar huwelijk sneuvelen onder zijn gewicht. Pandora trekt met haar broer in een motel om hem 80 kilo te laten afvallen. Voor dit boek stond Shrivers eigen broer model nadat ze hem een keer met kerst bij haar ouders trof, kwaad werd om zijn door overeten verknalde leven. 

    Esther Gerritsen schreef over een broer en zus die geen contact meer met elkaar hadden, tot hij belt om te zeggen dat zijn been geamputeerd moet worden, door verwaarloosde diabetes. Woest is ze, dat hij het zover heeft laten komen. Toch laat ze alles uit haar handen vallen om bij hem te zijn. Maar het mooiste wat ik las over broers en zussen is het geweldige boek Opgebouwd uit hetzelfde, Broers en zusters in de literatuur van Jan Fontijn. Hoewel het uitgangspunt de zusterrelatie is (Fontijn had er zes), biedt het boek nieuwe zienswijzen. Zoals, ‘Een kind registreert al vroeg wat er thuis aan de hand is (…). Een goede ouder speelt daarop in. Gebeurt dat niet dan is de beer los. De relatie tussen broer en zuster is broos. Er hoeft maar iets te gebeuren of zij gaat kapot.’ Zo simpel is het, de broosheid en de beer. Nu verder.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • Verhalen verzinnen

    Verhalen verzinnen

    In het noorden lijkt alles kouder, stugger, grijzer. Het land van Domela Nieuwenhuis en Troelstra. Mijn grootvader was een sociaal-anarchist, die, toen hij eenmaal bij ons inwoonde omdat niemand hem wilde hebben, me elke zaterdag een gulden in de hand drukte. Me aansprak met ‘wicht’ en zei: ‘Niks zeggen’, terwijl hij loeihard mijn hand dichtkneep. En weg moest ik. Dat was Groningse humor, begreep ik later. Spannend was het wel, zo’n man die enkel sprak als hij het ergens niet mee eens was, zijn zachtgekookte eitje te lang gekookt had. Hij was directeur geweest bij de Gasfabriek, in de oorlog saboteerde hij Duitse acties. Maar daar had hij het nooit over. Ik lees over zulke stugge mannen in Canisius, een novelle van zompige modder, tochtige verblijven, armoede, alcohol en pakken wat je pakken kunt. Ellende is een prikkel om te gaan fantaseren, ‘iemand die niets is wil iemand worden’, (parafraseer ik Wim Brands). Dat is geen liegen, dat is iets van je leven maken, omdat dat leven niets voor je in petto had, verzin je een leven. 

    Het verhaal gaat over Petrus, geboren na een verkrachting, een bastaard, simpel van geest. Door noodlottige omstandigheden in de eerste oorlogsdagen, trekt hij te voet van noord naar zuid Nederland. Hij komt in een haven te werken, waar de jongens hem willen hem testen door hem in elkaar te slaan. Als verweer roept Petrus dat als ze hem iets doen zijn oom, baas van de pooiers in Groningen, ze zou weten te vinden. ‘Hij ratelde een absurd verhaal af over Groningse pooiers die op paarden het noorden doorkruisten en die de rijken bestalen om het geld te verdelen onder de hoeren. … het werkte… En zo ontdekte Petrus zijn grootste talent: het verzinnen van verhalen.’ Zijn verhalen vormen zijn leven, brengen hem naar de verkeerde kant van de geschiedenis. Hij komt in Duitsland, wordt opgeroepen voor de Wehrmacht. En hij gaat naar het oosten om de Russen tegen te houden. Hij ziet enkel wat hem wordt opgelegd, nooit het grote geheel. Na de oorlog voelt hij wroeging, schuld over de wereld waarin hij zich heeft laten opnemen.

    Deze Petrus is een oom van de schrijver die eind jaren negentig spoorloos verdween in Antwerpen. Het laatste wat hij van hem te weten kwam was uit een Vlaams tijdschriftartikel. Dat hij dompteur was geweest in het Russisch staatscircus, daar een arm verloren had. Aan de andere kant waren er de gegevens dat hij een collaborateur was. De schrijver had zijn oom wel eens ontmoet, omschrijft hem als een ‘zachtmoedige dwaas’ met een witte baard. ‘Hij was een sterk verhaal in levende lijve, en als hij zijn leven verzon, waarom zou ik dat dan niet mogen, dus ik was vastbesloten zijn verhaal te herschrijven.’ En dat deed hij, het is een geweldig verhaal geworden van een jongen die zich verstoten voelt, een man die geen keuzes maakt. God wat een tijden, wat een rauw verhaal, uit het noorden, met compassie geschreven.

     

     

    Canisius / Lammert Voos / 142 pag. / Uitgeverij AFdH (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • Een beetje

    Een beetje

    Er is een kamer van drie- bij drie en een halve meter vrijgekomen. Een nieuwe kamer moet passend gemaakt worden, gelijk een nieuwe jas. Wennen aan de stugheid van de stof, de mogelijkheden, het gewicht ervan op je schouders. De muren van het kamertje zijn lichtblauw en wit, de vloer met kurk belegd. Ik zet een tafel en een stoel midden in het kamertje, sluit de deur. Laat het een beetje koud, maak er geen te leuk kamertje van. Schuif de tafel tegen de muur. Plaats een tweede tafeltje in de hoek naast het smalle raam, uitzicht op blinde muur. Houd het hoofd koel, pot met bloemen mag. Een laag ladekastje komt aan de andere kant van het raam. Plant erop, papier, boeken ernaast. Een waterkoker in de vensterbank. Er is nog een fauteuil, om in te lezen, of gewoon, lekker te zitten, (Stop!, dat zouden we niet doen). Loop de trap af, naar buiten, lucht, ruimte, kom terug. Haal ladekastje, plant, boeken, waterkoker, stoel, schrijfsels, kaarsen en dergelijke uit het kamertje. Begin opnieuw. Zet de tafel in het midden, stapel boeken en schriften tot stahoogte, laptop erbovenop. Koester de leegte.

    Wat me bijblijft na het lezen van het boek Salinger, de documentaire in boekvorm, is het belang dat hij hecht aan afzondering. Hij bouwde een bunker in zijn tuin, weerde alle media. Je kunt het overdrijven, maar alleen zijn is een vergeten goed. We zoeken elkaar op, kijken Netflix, checken doorlopend de mailbox, social media, onze staat van zijn. Een lege kamer is een goed tegenwicht.
    ‘Het ergste dat het kunstenaarschap voor u zou kunnen betekenen is dat het u de hele tijd een beetje ongelukkig maakt.’ laat Salinger de kunstdocent in het verhaal ‘De Daumier-Smith’ grijze periode’ zeggen. Daarna las ik het egodocument, Mijn jaar met Salinger van Joanna Rakoff, drie jaar na het overlijden van de schrijver gepubliceerd. Fans en nieuwsgierigen voelden zich voor de gek gehouden, ze hoopten iets over een liefdesrelatie met de schrijver te vernemen. Dat viel tegen.

    Wel kwam Rakoff te werken bij het literaire agentschap die de belangen van Salinger behartigde. Ze is dan drieëntwintig, net afgestudeerd, een van haar taken is de fanmail voor Salinger af te handelen. Ze had nog nooit iet van hem gelezen. In dat jaar leert ze zijn werk, de invloed van zijn werk kennen, het was haar jaar met Salinger. Goed geschreven ook.

    Soms krijgt ze Salinger aan de lijn. De eerste keer dat ze hem telefonisch sprak ging zo:
    ‘Met Jerry! riep de beller. ‘Met Joanna’, zei ik.
    ‘MET WIE SPREEK IK?’ vroeg hij. ‘Met Joanna,
     ik ben de nieuwe assistente,’ riep ik uit volle borst.
    ‘Aangenaam Suzanne, ik wil je  baas graag spreken.’ De bazin is er niet, Joanna vroeg of hij maandag teruggebeld wil worden. ‘Maandag is goed,’ zei hij. ‘Nou, heel aangenaam kennis met je te maken, Suzanne. Ik hoop dat we elkaar een keer zullen ontmoeten.’
    Hij klinkt als een bijzonder aardig man, geweldig schrijver van intens trieste verhalen.

     

    Citaat uit: Negen verhalen / J.D. Salinger.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekt verhalen.

     

     

  • Ramen open

    Ramen open

    Het liefst houden we vast aan oude gewoonten, ventileren we meningen die net zo vastliggen als een voorgeschreven computerprogramma. Al kent een computerprogramma zijn update’s die het geheel bijwerken naar een nieuw functioneren. Een computer blijkt veranderlijker van aard dan de mens. De mens laat zich moeilijk dwingen. Deze en meer gedachten over de beperkingen van de mens, werden aangezet door de Gutmensch scheurkalender 2021. Een scheurkalender over vluchtelingenbeleid, de opkomst van extreem rechts. Ik wil niets weten van extreem rechts, ik ben zo iemand die denkt dat als je het er steeds over hebt, het werkelijkheid wordt. Struisvogelpolitiek, daar ben ik goed in. Zo’n kalender schudt de boel dan flink door elkaar. De eerste dagen van het jaar op de scheurkalender zijn vrij onschuldig. Adriaan van Dis opent het jaar op vrijdag 1 januari met, ‘Mijn bijbel kent maar één zin: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Zo’n mantra maakt voor hem het leven dragelijk. En wat Van Dis doet als er weer en boreale wind opsteekt? Dat leest u maar als u de scheurkalender in huis heeft.

    Op woensdag 13 januari, de dag dat Emile Zola zijn open brief ‘J’accuse…!’ gepubliceerd zag, tekst en uitleg op de keerzijde van het kalenderblaadje. Op 26 maart een tekst over menselijkheid, van een dochter wier vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat, desondanks niet wilde dat zijn dochter, toen de verslagen Duitse troepen door de straten liepen, zij ze uitjouwde. En dan ga je door, want deze scheurkalender is toch zoiets als een boek, er zit een lijn in. En die lijn is heftig, over mensenrechten, klimaatbewustwordingen, uitgezet worden. Elke dag iets om over na te denken, dingen binnen te laten komen. Er is een ‘Wereld Emoji Dag’, met ‘emoji’s voor de typische migrantenervaring’ zoals een overlopend toilet, kapotte slipper, pot met eten op kampvuur, doorzakkende tent in de regen, zakje rijst,… En de vermelding dat vluchtelingen eigenlijk geen mobiel behoren te hebben, want: minder sympathie vanWesterse burgers. Jaja, doordenkertjes over hoe we in elkaar steken.

    Voor vrijdag 25 juni een West-Aziatische fabel, over hoop, dat gaat zo,

    ‘Het bos werd steeds kleiner,
    maar de bomen bleven op de
    bijl stemmen. Want de bijl was
    slim. Zijn steel was van hout.
    Met dat argument wist hij de
    bomen ervan te overtuigen dat
    hij een van hun was en aan hun
    kant stond.’

    Zondag 28 november wordt de geboortedag van Stefan Zweig gememoreerd. Ook dat Zweig een wetmatigheid benoemde, dat ‘mensen in hun eigen tijd op aarde niet in staat zijn om het begin van grote, bepalende historische bewegingen te herkennen’. Toch zou je denken dat het onderhand eens tijd wordt dat uit al die vluchtelingen ervaringen een les te leren is. En dat je de dingen die belangrijk zijn, dingen die je nìet mag vergeten dagelijks onder ogen moet krijgen om enige verandering teweeg te kunnen brengen. Daar is een scheurkalender uitermate geschikt voor. Elke dag een gedachte, een argument, feiten en context voor een menswaardig leven. Kom maar op 2021, met deze Gutmensch Scheurkalender zetten we deuren en ramen open, weg met de angstvalligheid. 

     

     

    Gutmensch Scheurkalender 2021 / samenstelling Linda Polman / met medewerking van zo’n honderd auteurs / Illustraties en vormgeving Saskia Kunst en Saskia Pfaeltzer / uitgever Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.