• Verschil tussen gewone vuilnis en kunst

    Verschil tussen gewone vuilnis en kunst

    Een vriend van Onno Schilstra, net als hij beeldend kunstenaar, kon aan een tentoonstelling deelnemen door op een kunstbeurs een lege verkoopstand neer te zetten, een sokkel zonder beeld erop te plaatsen of een exact bepaalde ruimte tussen schilderijen wit te laten. Hij creëerde daarmee volgens Schilstra ‘betekenis-opwekkende stilte, leegte en afwezigheid’. Je zou die creaties volgens hem een visueel beletselteken kunnen noemen, zoals de drie puntjes waarmee een tekst op schrift wordt onderbroken of beëindigd. Iemand die dat in de literatuur betekenisvol toepaste is bijvoorbeeld Céline in Reis naar het einde van de nacht. Zo’n beletseltekening noemt Schilstra ook het veelvuldige ‘eh’ in gesproken zinnen van zijn vriend. Dat ‘eh’ staat niet voor twijfel, maar is een manier om de creatieve verbeelding van de luisteraar aan te spreken.

    Onno Schilstra (geboren in 1961 in Zierikzee) is beeldend kunstenaar en maakt muziek. En met Eh is hij nu ook schrijver. Hij ontleende de titel aan de manier van spreken van zijn vriend en kent er ook de betekenis aan toe die hij daaraan gaf: het aanspreken van de verbeelding van de lezer. Grafisch gebeurt dat in het boek door het vele gebruik van wit en de presentatie in een exact bepaald jasje: er zijn drie (!) soorten teksten die strikt van elkaar gescheiden zijn. Ze wisselen elkaar in strakke regelmaat af. Eerst is er een mini-essay waarbinnen de alinea’s zijn gescheiden door, jawel, drie puntjes, dan een korte, cursief gezette, tekst die vaak aforistisch is, en als derde een historische gebeurtenis of een persoonlijke herinnering die bij de auteur opkomt naar aanleiding van het besproken thema..Die trits herhaalt zich in Eh telkens weer, waarbij de pagina’s met essayistische teksten zijn genummerd, maar de andere twee niet. Zo volgt de vormgeving van het boek de inhoud en is het op zichzelf een voorbeeld van beeldende kunst.

    Doolhoven

    Eh is verschenen in de reeks Extase van uitgeverij In de Knipscheer, waarin talentvolle essayisten de kans krijgen te debuteren. Met die pretentie mag de vraag gesteld worden of Schilstra dat inderdaad is: een talentvol essayist. Voor we die vraag beantwoorden eerst iets over het karakter van de verschillende stukken.
    Schilstra schrijft sterk associatief. Beginnend met een beschrijving van driehonderd op de Bijbel geïnspireerde zandsculpturen die hij in 2019 bezocht in Elburg, – het was de eerste keer dat hij zo’n sculptuur van zo dichtbij zag, – filosofeert hij in de volgende tekstjes en teksten over zand en zandsculpturen in de geschiedenis, in de kunst en in films en dartelt tussendoor van gedachten over doolhoven en labyrinten naar zijn eigen leven met vaartochten, reizen en muziekoptredens, naar literatuur die hij gelezen heeft (zoals de Reis naar het einde van de nacht met zijn drie puntjes), langs liedteksten van vooral Bob Dylan en mijmert hij over opvattingen over moderne kunst, ‘hoge’ kunst en volkskunst, enzovoort. Die uiteenlopende paden kruisen elkaar in dat ‘eh’ van de titel: ze zijn bedoeld om de lezer verder te laten fantaseren op het punt waar hij ophoudt.

    Kunstenaarsstront

    Maar is Schilstra daarmee een talentvolle essayist? Afgezien van enkele teksten die zo particulier zijn (over de wederwaardigheden met zijn geliefde kotter bijvoorbeeld) dat ze lang niet alle lezers zullen interesseren, laat Schilstra zien dat hij wel kan schrijven. Onder de aforistische gecursiveerde tekstjes vinden we een paar kernachtige: ‘Doolhoven beloven ons dat blind dwalen op den duur toch tot een beloning zal leiden. Ze lijken vooral bedoeld om een schijn van structuur te geven aan de chaos waarin wij leven’.
    Het interessants zijn de paar keren dat Schilstra losgaat over moderne kunst en de ultrarijken der aarde die de prijs daarvan opdrijven door kunstobjecten te verhandelen waar niemand de zin van snapt. In die teksten zit ironie en humor. ‘De economie van de hedendaagse beeldende kunst’, schrijft hij, ‘rust nog altijd op het fundament van het kenners-principe. Moderne connaisseurs heten “curatoren”. Een curator is iemand die zich bezighoudt met het herkennen van kwalitatief hoogwaardige kunst, om daarmee tentoonstellingen samen te stellen. Curatoren kunnen het verschil zien tussen twee vuilnishopen: welke van de twee is hoge kunst en welke van de twee is gewoon vuilnis? In het tijdperk waarin hoge kunst zich graag vermomt als kunstenaarsstront, schrijven curatoren lange filosofische teksten waarin zij de diepzinnigheid van de drollendraaiers filosofisch analyseren, verklaren en bejubelen’.

    Maar zijn die wat langere stukken (overigens meestal niet langer dan één, twee of drie pagina’s, waarbinnen associatief van de hak op de tak gesprongen wordt) essays? In etymologische zin – het Franse ‘essai’ betekent oorspronkelijk probeersel – wel, maar in literaire of wetenschappelijke zin hebben ze toch te weinig om het lijf. Het zijn bij Schilstra bijna altijd stellingen, persoonlijke opvattingen of gedachtesprongen die nooit ingebed zijn in argumenten of een brede onderbouwing. Ze ontlokken de lezer hier en daar een glimlach of een frons, maar zijn te fragmentarisch om te blijven boeien.

     

  • Meer dan een oorlogsverhaal

    Meer dan een oorlogsverhaal

    Het achterhuis is het best verkochte Nederlandstalige boek aller tijden. Hoewel de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog bekend zijn, geeft de Holocaust nog altijd stof tot nadenken. In de verhalenbundel Wat ons raakt vertelt Niek Bremen het verhaal van een Sittardse Jodin. Waar Anne Frank in ’s lands beroemdste oorlogsdagboek de verteller is, kruipt Bremen in de huid van ik-figuur Dini Wolff. Een zware klus, waar stilistische uitglijders dreigen. Want hoe drukt een adolescent uit de jaren ’40 zich precies uit? Gelukkig krijgt de lezer niet eenmaal het idee dat hier eigenlijk Bremen spreekt, op een paar uitstekend getimede Bijbelse toespelingen na. Bovendien wil Wat ons raakt  niet alleen de open deur intrappen ‘dat de oorlog zo heftig was’. De vraag is namelijk niet of we dat wel weten, maar wie er destijds voor kozen zo weinig mogelijk te weten. 

    Naast, of feitelijk via de lotgevallen van Dini Wolff introduceert Bremen enkele dieptepunten van menselijke waardigheid. Oftewel: hoe klein kan een mens zijn? In tien andere kronieken portretteert de bundel even interessante als alledaagse personages die in Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon hadden kunnen figureren. De een is alcoholist, ‘studeert’ filosofie op kosten van zijn succesvolle zus en vergooit zijn carrière in de Limburgse mijnen; de ander koopt een schilderij van drieduizend euro om een boorgat in zijn muur te bedekken en maakt zich belachelijk tussen een stel Utrechtse snobisten; de grootste schlemiel is de vadsige zoon van een NSB’er, die geen meisje kan krijgen: ‘Jij bent een moffenjong. (…) Ze hadden jullie allemaal op moeten hangen.’

    De vloek

    Tijdens zijn werk als stadsgids in Sittard stuitte Bremen op Dini Wolffs gedenkteken, een gouden Stolperstein. Zoals Willem Wilmink zijn legendarische Ben Ali Libi wijdde aan Michel Velleman, de vermoorde goochelaar, zo reconstrueert Bremen Dini’s leven in een eervol saluut. Haar overdenkingen springen van een bijtende ironie naar koelbloedig realisme, waar de wanhoop met flitsen doorheen schiet. Max Wolff, haar vader, is voor de invasie veekoopman en kan dan nog niet bevroeden dat zijn familie als vee naar Polen zal worden gedeporteerd: ‘Er waren zoveel mensen in gepropt dat bijna iedereen moest staan. Verschillende mensen hadden een pan bij zich, waaruit water werd gedronken. Die pan werd ook voor andere dingen gebruikt.’ Op de vlucht bij familie Fleischeuer in Oirsbeek geeft Dini de uniciteit van het Joodse volk een grimmige lading: ‘Ik voel me vreemd en uitverkoren.’ Verkozen door God of Göring, dat blijft ongewis: ‘Toen ik geboren werd, was ik zeker al schuldig.’

    Aanvankelijk wordt slechts mondjesmaat gezinspeeld op de Nederlandse nalatigheid bij de razzia’s. Des te confronterender is de vraag die in Het Achterhuis achterwege blijft: ‘‘‘Waarom laat iedereen toe dat wij gedeporteerd worden?’’ –‘‘Mensen proberen te overleven door niet op te vallen, Dini. Zou jij je leven voor een ander riskeren?’’ ‘‘Wij zijn toch ook Nederlanders?’’ hield ik vol. ‘‘Joodse Nederlanders (…), en dat is toch een verschil. Onze regering in ballingschap stelt zich laks op.’’’ Daarmee moet de joodse bevolking het doen. Als een door God verlaten martelaar ondergaat ze de haat van nazi-Duitsland. In Auschwitz wordt het lot van voorvader Simson andermaal voltrokken bij Dini: ‘Hij pakte een tondeuse en maaide een baan dwars over mijn hoofd. Een koudegolf trok door mijn hals toen het kille ijzer over mijn slapen schuurde. (…) In het gebarsten glas zag ik mijn hoofd terug, zo wit als van een dode.’ Deze keer schiet God niet te hulp voor een laatste krachtsinspanning.

    Niet de hemel- maar de grondbestormer

    De ultieme verpersoonlijking van onbeduidende mensen moet Calimero zijn. ‘Ik is klein en zij zijn groot.’ In het verhaal ‘Herinnering’ volgen we Philip: uitvreter, flets dichtertje, maar allerminst een titaan. Eerder een grondbestormer. Na zijn HBS-diploma te hebben behaald gaat hij niet in de Limburgse mijnen werken, zoals vader wil, maar op kosten van zus Anne in Nijmegen studeren. Zijn alcoholinname stijgt, zijn toch al lage zelfbeeld verschrompelt: ‘Ik verliet de kamer alleen om drank en eten te kopen van het geld dat Anne stuurde.’ Laat Anne nu net degene zijn die hem weer uit zijn misère sleurt; hij wordt mijnwerker voor negenhonderd gulden per maand. Philip is niet de enige slapjanus. Ook Zuid-Limburgers, door de diknekken boven de rivieren geregeld ‘calimero’s’ genoemd, wordt een spiegel voorgehouden: ‘Zijn we te bescheiden? Durven we niet met de vuist op tafel te slaan? (…), zodra ze merken dat hun baas een Hollander is, spreken ze met de dolste keelverdraaiingen.’

    In zijn voorwoord merkt Bremen op dat hij de mens op zijn kwetsbaarste momenten wil vatten. Die belofte overtreft hij: de mens zinkt diep, heel diep weg in lelijkheid. Of het nu gaat om een Maastrichtenaar die al of niet zijn vriendin van de trap af duwt, een eigenheimer die vriendschap wil kopen of een kustbewoner die als zoon van een NSB’er iedereen kwetst: het bestaan trekt alle façades van wellevendheid weg, zeker zodra er alcohol in het spel is: ‘Naast haar stond een meisje met kort zwart haar en zo plat als een dubbeltje. Het was zo’n meisje dat overal commentaar op heeft, omdat mannen haar niet aantrekkelijk vinden,’ aldus een seksueel gefrustreerde Karel. De mooiste metafoor die de kleinheid illustreert, is de beschrijving van het aftandse complex waar Marie Claire woont, de door Karel begeerde dame: ‘Een rotte kies in de straat.’ Tegenover al die verrotting is een fris briesje meer dan welkom. Ook dat biedt Wat ons raakt.

    De Stolperstein van Bremen

    In oorlogsverhalen is goedkoop sentiment misschien wel de grootste afknapper. Films met aanzwellende vioolmuziek, kolderiek camping-Duits en theatraal met het hoofd schuddende verzetsstrijders overspoelen de bioscopen. Wat ons raakt weerstaat die verleiding: Bremen raakt ons ontegenzeggelijk, maar richt zijn pijlen niet op de onderbuik. Liever schotelt hij ons een wonderlijke combinatie voor van gitzwarte nationale historie, niet waargemaakte dromen en een lachwekkende nietszeggendheid. Over dit laatste zei Hendrik Marsman niet voor niets dat de waarachtige kunstenaar juist in het zeer alledaagse het bijzondere ontdekken kan. 

    Zelfs de sluiting van de plaatselijke Aldi weet Bremen te verdichten tot een lezenswaardige gebeurtenis, zij het met een onmetelijke lulligheid: ‘De medewerkers van de Aldi zijn breed inzetbaar. Als de caissière niet hoeft af te rekenen, vult ze de voorraad aan of eet een boterham. Het maakt haar niet uit wat ze doet, als het maar zes uur wordt.’ Op zijn vraag waarom de buurtsuper sluit, klinkt het verslagen: ‘‘‘Ons wordt niets gevraagd’’, (…) en ze verwijderde een fles azijn die tussen de sportsokken lag.’ Wat ons raakt is geen fles azijn tussen de sportsokken. Het is een prachtige Stolperstein tussen de soms logge bakstenen van bestsellers.

     

     

  • Oogst week 50 – 2021

    Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu

    De Britse classica en hoogleraar Mary Beard schrijft over de oudheid, geldt als de bekendste classicus ter wereld en heeft al vele boeken gepubliceerd. Ze treedt regelmatig op in de media en maakt daarmee de oudheid bekend bij een breed publiek. Nu is er haar boek Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu. Het is een verrassend verhaal over tweeduizend jaar kunst- en cultuurgeschiedenis dat laat zien hoe macht eruitziet, wie er in de kunst worden herdacht en waarom.

    Volgens Beard hebben Romeinse heersers als de meedogenloze Julius Ceasar en de driftige Domitianus tweeduizend jaar model gestaan voor de beeldvorming van de machtigen en de rijken.

    In hoofdstuk 2 vertelt Beard dat in 2007 een ploeg Franse archeologen uit de Rhônebedding een marmeren buste opdregde waarvan ze aannamen dat het Caesar was. ‘Sindsdien is de kop onderwerp geweest van tientallen krantenartikelen en minstens twee tv-documentaires,’ schrijft Beard. ‘Over het belang van de vondst en over de vraag of het beeld inderdaad is wat wordt beweerd zijn archeologen en historici het nog steeds niet eens. De sceptici wijzen erop dat de kop uit de Rhône er toch echt heel anders uitziet dan de Caesar op de munten uit zijn tijd […] De voorstanders van de theorie leggen juist de nadruk op bepaalde overeenkomsten tussen de kop en kenmerkende trekken op de muntportretten…’.

    Twaalf keizers - De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Atheneum

    De lunchroom

    In De lunchroom van Hans Muiderman probeert een man aan een tafeltje in een lunchroom een memorie te schrijven over zijn grootvader. Nadat hij jeugdherinneringen heeft laten passeren dwaalt hij in gedachten rond in zijn grootvaders lege huis en constateert dat de herinneringen onvolledig en vervormd zijn. Wat hij niet meer weet verzint hij erbij.

    Hans Muiderman is sinds 2010 full time schrijver. Begonnen als docent film aan de Theaterschool in Utrecht met lessen scenarioschrijven en filmanalyse schreef en redigeerde hij publicaties over media, kunst en cultuuronderwijs. Eerder publiceerde hij gedichten, schreef liedteksten, regisseerde cabaret en stond zelf op het podium. Hij is medeoprichter van Elders Literair, een platform voor literatuur, beeldende kunst, fotografie, film en architectuur. En hij is columnist bij Literair Nederland.

    Muiderman schrijft romans, korte verhalen en reisverhalen waarin herinneringen het steeds terugkerende thema vormen. Zijn hoofdpersonen hebben vaak een leegte in zich die zij proberen op te vullen met herinneringen, niet zelden aangevuld met fantasie. Want volgens Muiderman zijn herinneringen vals en vervormd en altijd een constructie van de verbeelding.

    De lunchroom
    Auteur: Hans Muiderman
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Verzamelde verhalen

    De Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926-1973) was een van de belangrijkste Duitstalige schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Ze studeerde filosofie, debuteerde met gedichten en schreef ook verhalen. Van de romantrilogie Doodsoorzaken voltooide ze alleen het eerste deel, Malina. Voor ze de andere delen kon afmaken overleed ze ten gevolge van een brand in haar appartement. Er zijn alleen fragmenten van deel III gepubliceerd.

    Uitgeverij Koppernik brengt de Verzamelde verhalen uit, met daarin dag- en weekbladpublicaties en ongepubliceerde verhalen die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Het boek bevat eveneens Bachmanns eerste verhalenbundel Het dertigste jaar waarin de nadruk op het intellect ligt. Ook de bundel Simultaan is opgenomen, waarin een aantal personages uit de romancyclus Doodsoorzaken voorkomt. In deze verhalen is er een grotere rol weggelegd voor liefde en gevoel.

    In Bachmanns werk gaat het vaak over destructieve krachten, en vrouwen komen er bij haar doorgaans slecht af. Niet zelden gaan ze ten onder in fysiek of emotioneel geweld. Bachmanns literatuur is droefgeestig. De dood ziet zij als ‘het enige toevluchtsoord voor de ontzettende krenking die het leven is.’ Deze scherpzinnige schrijfster paart diepe psychologische inzichten aan onverschrokken taalgebruik dat haar een eigenzinnige stem geeft.

    Verzamelde verhalen
    Auteur: Ingeborg Bachmann
    Uitgeverij: Koppernik
  • Madeleine of de herinnering als tegenwoordige tijd

    Madeleine of de herinnering als tegenwoordige tijd

    In En dan nog de liedjes van Helen Knopper is de tijd een caleidoscoop. Het gaat de verteller om de aanwezigheid van al het geleefde leven – van haarzelf en bij vlagen ook dat van haar ouders. Zij draait aan de caleidoscoop, de kralen zijn er in alle kleuren, en ze schikken zich keer op keer opnieuw. Caleidoscopisch is ook de relatie van Knoppers nieuwe roman tot haar andere boeken. In haar eerder werk beschreef zij steeds een episode uit het leven van een vrouw die misschien wel maar misschien ook niet op haarzelf leek, nu beslaat de vertelling haar hele leven tot en met het achtenzestigste jaar, de tegenwoordige tijd in deze roman. En toch, als ze zichzelf neerzet als de jonge Madeleine in de derde persoon, is dat geen terugkijken, maar schrijven over een blijvend heden. 

    De methode doet denken aan die van schrijvers als Annie Ernaux, die in De jaren, (Les années) het vroeger naar het heden brengt door middel van voorwerpen en beelden die niet zozeer de herinnering oproepen, maar de textuur van de herinnering ‘zijn’. Met haar rollator snelt ze aan Proust voorbij: haar Madeleine is niet de drager van een herinnering, zij is de herinnering.

    De dingen zien

    En passant haalt ze ook nog een associatie met Stendhal of een regel van Lorca aan, maar de meest opvallende draai maakt ze bij het aanschouwen van oude foto’s. Dan verruilt ze haar eigen laconiek-geestige vertellerstoon voor de stem van haar moeder of een ander familielid die de tijd van voor haar geboorte kent. Als in een intentionele stijlbreuk worden de zinnen stug en hoekig, het is een taal van horen zeggen die hoort bij de beelden in de doos die met gemak weer dicht kan. 

    In haar autobiografische film Les Plages d’Agnes zegt de bejaarde cineast Agnès Varda: ‘Ik herinner me terwijl ik leef’. Op eenzelfde manier meandert Knoppers verteller door wat ze heeft meegemaakt, zich bewust van haar ouderdom en de bijbehorende gebrekkigheden, maar zonder eraan toe te geven. Voor zichzelf is ze zoals ze zich herinnert. Haar lichaam mag haperen, maar aan haar geheugen mankeert niets. 

    Nu is zij een aspirant-kunstenaar in het wilde Amsterdam van de jaren zestig, daarna weer het meisje uit Bussum dat christelijke jongens verleidt, om vervolgens dertig, veertig, uiteindelijk vijftig jaar over te slaan om een langgerekt ommetje te maken naar haar eigen Nieuwmarktbuurt. Daar aangekomen levert ze commentaar op oude liefdes en vrienden die ze dacht uit het oog te hebben verloren en toch weer doorzakkend in de stamkroeg terugvindt. ‘De dingen zien zoals ze zijn. Daar gaat het geloof ik om,’ schrijft ze bij wijze van een terloops statement. 

    De andere comeback

    Er zit ironie in de koppige trots waarmee Knopper haar verteller zich laat verzetten tegen het idee dat haar tijd voorbij is, een ironie die zich tijdens haar carrière als schrijfster heeft bewezen. Ze debuteerde in 1965 en was de daaropvolgende decennia productief als schrijfster maar ook als vertaalster. Ze gold lange tijd als een vergeten schrijver, in die hoedanigheid werd ze in 2006 door Joris van Casteren geportretteerd in Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf

    Dat was een voorbarige conclusie, want tien jaar later had ze met Het loopt het ademt het leeft, weer volop de aandacht van critici en lezers. Een comeback, heette het. Niet veel later kreeg Knopper een hartstilstand en stierf bijna – bijna, want, zoals ze in En dan nog de liedjes beschrijft, ze knapte toch weer op. Dat is pas een echte comeback te noemen. 

    Met een innemende levenskracht schrijft ze verder in haar teder-sarcastische proza. Zonder een oordeel te vellen doorziet ze de onvolkomenheden van anderen even goed als die van haarzelf. En dan nog de liedjes geldt als een geestdriftig protest tegen iedereen die ouderen wegzet als passief en hulpeloos. Dat protest krijgt ruggensteun van haar leitmotiv: het geleefde leven als een voorlopig voortdurend heden. Aan de lezer de schone taak zich tot dat idee te verhouden.
    ‘Wat is waarheid?’ vraagt Knoppers verteller aan haar boezemvriendin Mandy. ‘We zitten er middenin,’ antwoordt Mandy, waarop zij zegt: ‘Om claustrofobisch van te worden.’

     

    Kijk hier voor: Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf / Joris van Casteren.

     

  • Intiem en openhartig verslag

    Intiem en openhartig verslag

    Geen enkele ziekte kent een vast verloop. Als het noodlot toeslaat bij Arjan Sevenster krijgt hij te horen dat hij uitgezaaide prostaatkanker heeft. In de twee jaren die hem nog vergund zijn schrijft hij verslagen over zijn ziekte in De wind van morgen. Tevens blikt hij daarin terug op zijn verblijf in Japan, op een vriendschap met de dichteres Vasalis en peinst hij over zijn nalatenschap. Dit maakt het boek behalve tot een kroniek van een slopende ziekte ook tot een proces van acceptatie. Het is een zeer intiem relaas waarin de auteur constant herhaalt ‘ik ben het proces’ en probeert in het hier en nu te leven. 

    De ziekte zet alles op zijn kop in het leven van Sevenster. Opeens krijgt hij een andere tijdlijn waarin hij afhankelijk is van het succes van behandelingen en de planning van dokters. Op het moment van de diagnose heeft de dichter en wiskundige al een bundel gedichten uitgebracht. Gedurende zijn ziekte komt er met behulp van zijn vrouw Lydia een laatste bundel uit. Tussen de verslagen door schrijft hij gedichten die zijn gevoelens en emoties reflecteren en waarin hij herinneringen ophaalt. Er is zeker angst voor de dood maar ook een poging om te genieten van wat er nog rest. Onder het motto “pantha rhei” ondergaat Sevenster behandelingen, chemo’s en immuuntherapie. Momenten van vrede en acceptatie worden afgewisseld door worstelingen met de naderende dood die van verre vriend tot goede buur wordt.

    Troost uit Japan

    Het verslag van de ziekte is openhartig en soms pijnlijk om te lezen. In het eerste bericht schrijft de auteur dat het ‘geen poging is om wat mij is overkomen mooier te maken’. Hij blijft gedurende het hele proces helder verslag doen van de geleidelijke achteruitgang, zijn gedachtes en observaties hierover. Daartussendoor reflecteert hij over zijn eigen afhankelijkheid of de toegenomen hulpvaardigheid van bekenden. Zo geeft de ziekte ook nieuwe inzichten en een uitgesproken tijd om terug te kijken op zijn leven, waarna hij concludeert dat hij ‘zich geen beter leven had kunnen wensen.’ 

    In dat leven was veel ruimte voor zijn grote passies: de wiskunde en Japan. Levendig vertelt hij over zijn eerste colleges en hoe hij terechtkwam bij de lessen Japanse grammatica van professor Vos, en daarna de reis naar Japan met zijn vrouw Lydia. Japan is voor de auteur een magische plek gevuld met herinneringen aan meditatie in hartje Tokio, uitzichten op de berg Fuji en ontmoetingen met markante personages. Sevenster ontleent veel troost aan die herinneringen. Daarnaast put hij inspiratie uit het zenboeddhisme als hij breed citeert uit zen-anekdotes en boeddhistische parabels. Al overschaduwt de ziekte het leven, Sevenster blijft proberen onder alles iets van een voorjaar te ontwaren. Dat wordt lastig als de pijn en gebreken steeds meer toenemen, want het verloop van de ziekte en het succes van behandelingen geven weinig reden tot optimisme. 

    Rekenschap

    Zelf hoopt de auteur dat ‘de kroniek niet verzandt in het dagboek van een gepensioneerde die verslag uitbrengt van het wel en wee van zijn kleinkinderen.’ Niets is minder waar, Sevenster blinkt uit in scherpe observaties van personen en situaties. Daarnaast geeft hij door zijn kwetsbaarheid een onvermijdelijk kijkje in het leven van een terminale patiënt, zodat je niet anders kunt dan meeleven. Dit neemt niet weg dat er in het boek veel wordt gerept over bloedwaardes en andere vrij technische aspecten van behandelingen. Dit jargon is niet meteen begrijpelijk voor leken.

    Sevenster probeert zo lang mogelijk mee te doen aan het normale leven. Hij maakt een laatste gedicht voor zijn vrouw, geeft een interview, en de nieuwe bundel Bloemen in de regen wordt uitgebracht. Als de pijn bijna ondraaglijk is zegt hij: ‘Het is goed geweest.’ Op 2 februari 2019 overlijdt hij op 73-jarige leeftijd. In zijn gedichten is Sevenster verbonden met het verleden, blikt hij terug op de dood van zijn moeder of kijkt hij vooruit naar wat zijn overlijden voor zijn vrouw zal betekenen. Op ontroerende wijze legt hij rekenschap af en ordent hij zijn emoties. Hij heeft weinig woorden nodig om je met zijn fijnzinnige poëzie te raken.  

    Confronterend boek

    Het proces van een ziekte kan herkenbaar zijn voor anderen die weer moed kunnen putten uit de houding van de auteur. De wind van morgen bevat een les in wat het leven de moeite waard maakt voor iemand die alles moet loslaten en achterlaten. Dit intieme en openhartige verslag van een aftakeling maakt het wel tot een zeer persoonlijk en confronterend boek. De titel verwijst naar een Japanse uitdrukking: Ashita wa ashita no kaze ga fuku. Wat vertaald kan worden als: De wind van morgen waait morgen. Het is geen laat maar waaien waar de titel op doelt, het is een diepe acceptatie van de dingen zoals ze zijn. 

     

  • Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Maryse Condé geeft zwarte identiteit een menselijk gezicht

    Dit jaar werd de Nobelprijs voor Literatuur niet uitgereikt. Als alternatief werd een respectabele prijs in het leven geroepen: the New Academy Prize for Literature (Alternatieve Nobelprijs voor Literatuur). Deze prijs werd toegekend aan de Afro-Caribische Maryse Condé, geboren op Guadeloupe in 1937. Condé is een weldaad voor de Cariben én de rest van de wereld. Zij beantwoordt als geen ander uit de archipel aan de eisen die aan hedendaagse auteurs gesteld kunnen worden: ze schept personages met wie lezers zich wereldwijd  kunnen identificeren om hun menselijk handelen, denken en voelen. Die personages zijn grillig, ontembaar en overschrijden steevast etnische grenzen. Condé rukt zich in haar literatuur los van voorgebakken groepsidentiteit. Zij weet overtuigend de veelzijdigheid van ervaringen en van nieuwe  identificatiemogelijkheden onder woorden te brengen. Het gelauwerde werk van Maryse Condé vormt zodoende een scherpe kritiek op voormalige en hedendaagse zwarte-identiteitsbewegingen.

     

    Nuancering

    Vanaf haar eerste roman Hérémakhonon (1976) heeft Condé systematisch ingehakt op het ongenuanceerde verheerlijken van de zwarte etniciteit. In het verlengde ligt het geselen van het evenzo ongenuanceerd aanscherpen van wrok tegen alles wat westers en blank is. Zij ondermijnt krachtig de etnisch gekleurde ‘zwarte eenheid’ die is gebaseerd op een ellendig verleden en op verbittering. De Afro-Caribische banden met Afrika worden door Condé scherp geproblematiseerd in haar eerste roman en in de roman Une saison à Rihata  (1981). ‘Ik heb me vergist, vergist van voorouders. Ik heb mijn heil daar gezocht waar het niet te vinden was,’ concludeert de hoofdpersoon in Hérémakhonon: een eenheid op etnische basis is een illusie. Van de ellende in je verleden is niet het geluk in je toekomst te maken.

    In Moi, Tituba, sorcière (1986) worden aspecten van de westerse, in het bijzonder joodse beschaving, in een alleszins gunstig licht geplaatst en tegenover gerechtvaardigde kritiek op weer andere aspecten. Enerzijds worden mensenrechten door dik en dun verdedigd, anderzijds is er intolerantie en discriminatie.  Condé’s bestseller, de dubbeldikke roman Ségou (1984/1985), onderspoelt het door literaire en wetenschappelijke stereotyperingen dichtgegroeide beeld van de slavernij. Zij realiseert dit door in detail de invloed van het Arabische expansionisme en van de Afrikaanse collaboratie bij de slavenhandel – plundering, verkrachting, verkoop, terreur, opstanden en wat dies meer zij – te beschrijven. Zodoende vervreemdt Condé haar lezers van het vertrouwde en maakt ze vertrouwd met het vreemde.

     

    Vergissing

    In Traversée de la mangrove, uit 1989, wordt het Afro-Caribische nationalistische denken en het gebrek aan tolerantie en inlevingsvermogen onder de scherp geslepen loep gelegd en verschroeid. Of, zoals dat in de Nederlandse vertaling Tocht door de mangrove (1991) heet:  ‘Net als jullie was ik er heel lang van overtuigd dat je nationalistisch moest eten, nationalistisch moest drinken en nationalistisch moest naaien! Ik verdeelde de wereld in twee kampen: wij en de klootzakken! Nu heb ik ontdekt dat dat een vergissing is. Een vergissing!’  De hoofdpersoon Francis Sancher – met een praktisch onontwarbare Europese, Latijns-Amerikaanse en Caribische achtergrond – bezit ‘meer menselijkheid en geestelijke rijkdom dan al onze creoolse praatjesmakers bij elkaar.’

    Condé verliest vanzelfsprekend de rampzalige processen in het verleden en heden niet uit het oog: de middle passage, de slavernij, de contractarbeid, de martelingen onder de handen van koloniale overheersers en wat al niet meer. Ze begaat echter niet de fout alle blanken uit het verleden schuldig te verklaren en die van het heden en de toekomst op de koop toe.

    Wat van evenredig groot, zo niet van groter belang is, begaat zij niet de fout om alle AfroCaribische mensen uit het verleden tot willoze slachtoffers of zondeloze martelaars van een systeem te maken en daarmee die van het heden en de toekomst over een kam te scheren. Bij Condé zijn intriges, haat, begrip, liefde, lafheid, vooroordelen, veroordelingen, moed, afgunst en al het ander aan menselijke eigenschappen geen selectief etnisch gebonden grootheden maar aspecten van complexe mensen en hun complexe samenlevingsvormen.

     

    Het valse leven

    De complexiteit van het menselijk handelen heeft Condé evenzo meeslepend in beeld gebracht in La vie scélérate (1987), waarvan onder de titel Het valse leven (1993) een Nederlandse vertaling is verschenen. Deze roman is een koestering van de Cariben en zijn mensen door de acceptatie  van alle mogelijke eigenaardigheden, extremiteiten en groteske aangelegenheden – als vanzelfsprekend opnieuw ongeacht de etnische achtergrond. Het valse leven heeft een indrukwekkende reikwijdte en diepgang door de beschrijving van vier generaties, hun sociale mobiliteit, hun geografische spreiding, hun zeer uiteenlopende en veelvuldig tegenstrijdige aspiraties, hun onderlinge relaties en hun banden met derden, en een schier eindeloze reeks aan dikwijls zeer weerbarstige menselijke kenmerken.

    We krijgen het Caribische samenleven voorgeschoteld in een speurtocht van Coco naar de geschiedenis van haar familie. Coco, geboren in 1960, behoort tot de jongste generatie van deze familie. Die speurtocht gaat met meer of minder bereidwillige hulp van familieleden terug tot aan haar in 1948 overleden overgrootvader Albert Louis. Albert zwoer ooit als jongen van twaalf, dat hij niet zou leven en sterven op de suikerrietplantages zoals zijn vader. Het oudste, tastbare levensteken dat Coco van Albert aantreft, is een door hem ondertekend contract  van ‘dinsdag 14 maart 1904’ om twee jaar mee te werken aan het graven van het Panamakanaal. Met de ontberingen van Albert,zijn  overlevingsstrategieën, idealen, teleurstellingen en succesvolle ondernemingen wordt de roman op de rails gezet en begint een meeslepende tocht door de twintigste eeuw en naar uiteenlopende delen van de Cariben, elders in de Nieuwe Wereld en in Europa.

    Vooral door haar grootvader Jacob, een van Alberts zonen met een niet minder intrigerende levensloop dan zijn vader, besluit Coco uiteindelijk dat verleden op schrift te stellen, feitelijk dus de roman.
    ‘Het zou het verhaal worden van heel gewone mensen, die een heel gewoon leven leidden, maar ondertussen wel bloed aan hun handen hadden. (…) Dat verhaal moest ik vertellen, het zou mijn eigen monument voor onze doden worden. Een heel ander boek dan de ambitieuze boeken waarvan mijn moeder had gedroomd, Zwarte revolutionaire bewegingen en meer van dat soort dingen. Een boek zonder grote beulen of roemrijke martelaars. Maar dat toch zijn gewicht aan mensenlevens in de schaal zou leggen. Het verhaal van mijn familie.’ Het verhaal van families zoals er talloos vele zijn, wereldwijd.

     

    Mangrove

    Met het te boek stellen van de geschiedenis van haar familie wordt door Coco geen enkele poging ondernomen om het heden tot Afrikaanse ‘roots’ te herleiden. De geschiedenis van de Caribische mensen heeft meer overeenkomsten met het onontwarbare wortelstelsel van mangroven. Coco leert dit te accepteren, inclusief de grillige en soms uitgesproken weerzinwekkende vertakkingen in het modderige verleden. Het moet dan ook niemand meer verbazen dat de rol van zowel AfroCaribische mensen als blanken in Het valse leven door Maryse Condé aanzienlijk genuanceerder wordt opgetekend dan we in teksten tegenkomen die door zwart identitair  gedachtegoed zijn gevoed, zoals de historische Négritude, Black Power-beweging en het Rastafarianisme of zoals de hedendaagse roep om safe spaces. om het vertrek van de zwarte Zwarte Piet en het felle dekoloniseringsdebat. Met deze roman geeft Condé aan Coco, haar familie en zodoende eenieder in de Cariben én daarbuiten een stem die onverbloemd en zonder afkeuren verwoordt wat dat verleden behelst aan identificatiepunten. Die zijn zowel in als buiten de eigen regio te vinden, binnen en buiten de eigen etnische groep. Voor een benauwd nationalisme met uitgesproken etnische contouren – van welke ‘kleur’ dan ook – heeft Condé geen enkele plaats ingeruimd. Ze zou erop blijven hameren, steeds weer verrassend uitdagend verpakt. Dit maakt haar werk tot wereldliteratuur en een zegenrijk geschenk voor ieder om tot zich te nemen.

    Met haar oeuvre heeft Condé een overweldigende bijdrage geleverd aan het doorgronden van wie wij als mens zijn. Ze deed dit met overtuigende kracht, met gepaste pretenties en vertrouwd  met onvermijdelijke beperkingen. ‘Er ligt nog zoveel terrein braak,’ zoals Jacob opmerkt, ‘Vol brandnetels, guineagra en manzelsmarie die naar je kuiten klauwen.’
    Het verleden laat zich ook niet voor eens en altijd vastleggen en eenduidig interpreteren. Dat hoeft ook niet en moet ook niet gewild worden. Dit voorkomt het slaafse buigen voor versteende voorstellingen van het verleden en laat meer ruimte voor een creatieve invulling van de toekomst – een toekomst zonder etnische enclaves.

     

    NOOT: Een tiental van Maryse Condé’s romans werd in vertaling uitgegeven bij ‘In de Knipscheer’.
    In november zal er van Condé’s succesvolste boeken Ségou: De aarden wallen (1984) en Ségou: De verkruimelde aarde (1985) een herdruk verschijnen bij ‘In de Knipscheer’.

     


    foto Marijke Schweitz

    dr. Aart G. Broek (1954) is letterkundige en sociaalwetenschapper. Hij werkte langdurig op Curaçao en publiceert over sociaal-culturele, literaire en historische onderwerpen betreffende de Caraïben. Een verzameling van zijn essays zijn bij In de Knipscheer uitgegeven onder de titel Het zilt van de passaten; Caribische literatuur in de twintigste eeuw.

     

     

  • Oogst week 42 (2018)

    Een Bijlmerliedje

    Een mooie oogst deze week: een coming of age roman van Diana Tjin; de laatste – en naar gezegd wordt zijn beste – roman van Charles Dickens; een familiegeschiedenis door Bart Meuleman en de jeugdherinneringen van de Franse schrijfster Alba Arikha.

    Cartograaf en schrijfster Diana Tjin debuteerde in 2017 met de historische roman Het geheim van mevrouw Grünwald. Haar tweede boek Een Bijlmerliedje is een coming of age roman over het meisje Sheila dat opgroeit in de jaren zeventig in de Bijlmer, waar ze op tienerleeftijd met haar ouders en drie broers is komen wonen. Een verhaal over het belang van vriendschap, rivaliteit, het verlangen mee te tellen en het zoeken naar erkenning als meisje met een Surinaamse achtergrond. Een prettig leesbaar verhaal, dat ook een mooi beeld schets van het Amsterdam in die jaren, de eerste metro, de verlatenheid van die grote flatgebouwen in de Bijlmer.
    In fragmentarische hoofdstukken schetst Tjin de ontwikkeling van een jong meisje waarbij elke ervaring, levensles op speelse wijze gerelateerd worden aan een muzieknummer uit die tijd. Zoals onder andere: ‘Both Sides Now’ van Joni Mitchel, ‘Take Time to Now Here’ van Percy Sledge en ‘To Love Somebody’ van Nina Simone.

    Een Bijlmerliedje
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Onze wederzijdse vriend

    Een naar het buitenland geëmigreerde Engelse jongeman krijgt bericht dat zijn vader, die ook wel de Gouden vuilnisman genoemd wordt, is overleden. Hem komt een enorme erfenis toe, mits hij trouwt met een door hem onbekende, en door zijn vader uitgekozen bruid. De jongeman vertrekt per boot naar Londen en sluit tijdens de zeereis vriendschap met een bootsman. De jongeman neemt de bootsman in vertrouwen en vertelt hem van zijn erfenis en de daaraan verbonden voorwaarde.
    Na aankomst in Londen zoeken zij samen onderdak en spreken af om onopvallend op zoek te gaan naar de bruid, om haar te kunnen gadeslaan. Maar de bootsman heeft andere plannen en wil de erfgenaam vergiftigen om dan zijn plaats in te nemen.

    Dan ontwikkelt zich een verhaal met een keur aan personages zoals we die kennen in de verhalen van Dickens. Zoals een wees, een goedhartige arme vrouw, een sluwe arbeider, een geheimzinnig figuur, een gierigaard, het zit er allemaal in. En zoals gezegd, volgens velen overtreft dit werk alle voorgaande werken van Dickens.

    Onze wederzijdse vriend
    Auteur: Charles Dickens
    Uitgeverij: Athenaeum

    Hoe mijn vader werd verwekt

    Bart Meuleman (1965) is toneelschrijver, regisseur en dichter en schreef met Hoe mijn vader werd verwekt zijn tweede roman. Zijn vader werd als baby bij zijn moeder weggehaald omdat ze ongetrouwd zwanger werd. Naar aanleiding van een foto die hij vindt van een vrouw met zijn vader als kind op schoot: – ‘Het was een oude vrouw zoals er duizenden zijn, maar in haar kwade ogen en aan haar grauwe vel zag ik op slag al het slechte waartoe ze in staat was geweest. Ik zag het des te beter omdat op haar schoot, in een wollen truitje en met glimmende schoentjes met riempjes, mijn vader zat, met een blik, verschrikt, die mij vreemd was.‘ – besluit hij op onderzoek te gaan naar zijn grootmoeder.

    Als jong meisje werd zij na de Eerste Wereldoorlog vanuit de Kempen naar Brugge gestuurd om in een gegoede familie de huishouding te doen. Ze raakt zwanger en het kind wordt onder de hoede van een bejaarde engeltjesmaakster gesteld. Aan de hand van materiaal dat Bart Meuleman in de archieven vindt, vermengd met zijn verbeelding geeft hij deze jonge vrouw een stem.

    Hoe mijn vader werd verwekt
    Auteur: Bart Meuleman
    Uitgeverij: Querido

    Herinneringen aan een verloren wereld

    Alba Arikha studeerde vele jaren piano voordat ze zich tot het schrijven wendde. Ze heeft inmiddels vier boeken geschreven en is in vijf talen vertaald. Herinneringen aan een verloren wereld (2012) is haar derde boek en speelt zich af in de jaren tachtig in Parijs. Het appartement waar Alba Arikha en haar zus opgroeiden was het centrum van literaire en artistieke ontmoetingen. Samuel Beckett was haar peetoom, haar vader was de schilder Avigdor Arikha, haar moeder de dichter Anne Atik.

    Arikha’s eigen herinneringen spelen zich af tegen de geschiedenis van haar Joodse familie in oorlog en ballingschap en de altijd aanwezige nagalm van de holocaust. Ondertussen probeert ze zich als opgroeiende tiener halsstarrig te ontworstelen aan haar afkomst.

    Het boek werd in The New Yorker geselecteerd als een van de beste boeken van 2012.

    Herinneringen aan een verloren wereld
    Auteur: Alba Arikha
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Schuld en boete

    Schuld en boete

    Er zijn musicologen die zeggen dat componisten door de bank genomen pas met hun derde symfonie op hun best zijn. Ze hebben het genre dan afgetast en weten wat ze kunnen doen en laten. Iets soortgelijks lijkt op te gaan voor Iraida van Dijks debuut; het schijnt of ze in het derde hoofdstuk de berg beklommen heeft en op de toppen van haar kunnen is aangekomen.
    De eerste twee hoofdstukken lijken te lijden aan grammaticale onhandigheden en zijn wat stroef geschreven. Des te groter is de verrassing van het derde. De vraag is al lezend of en hoe dit zich dan doorzet en of de auteur het niveau kan handhaven. Maar nog meer vragen komen boven: schreef een schrijfster als Harper Lee in haar debuut ook niet stroef en onhandig, en zijn het misschien stijlmiddelen om iets te willen zeggen? Of raakt de lezer al lezend aan dit taalgebruik gewend? Vragen te over, en antwoorden die overdenkend langzaamaan bovenkomen.

    Het verhaal
    Het verhaal is gegoten in de vorm van een ‘memoir’ – fragmenten uit het verleden die met moeite zijn opgedolven en samengevoegd. Scherfstukken die worden verteld door verschillende stemmen, springend van heden (tot 2014) naar verleden (vanaf 1962). Het zou teveel en een te heftig verhaal zijn geweest voor één alwetende ik-persoon. En wat is alwetend in dit verband?
    Het verhaal leunt op een belangrijke gebeurtenis uit de Surinaamse geschiedenis: het sluiten van de Afobakadam in 1964, waardoor het Brokopondostuwmeer ontstond. Dat was de plaats waar de moeder van Alex, de hoofdpersoon werd geboren. De bewoners werden verdreven, heilige plaatsen kwamen onder water te staan.
    Alex zoekt vanuit een bootje naar goud. Maar dat niet alléén; zijn moeder, Béate, afgekort Bé, gaf hem de opdracht op zoek te gaan naar zijn afkomst. Waar hij gaandeweg op stuit, zijn familiegeheimen. Ze zuigen hem leeg, zoals de boot soms in de zuiging van een kolk terecht komt: ‘Met bonzend hart roeit hij tot de korjaal weer op veilige afstand van het rode gat komt en bindt hijgend de boot vast aan een van de kale takken die boven het water uitsteken.’ Eén woord keert telkens terug als een geheim dat moet worden ontraadseld: Dembeston.

    De plaats
    Het blijkt de inmiddels in het water verdwenen plaats te zijn waar moeder is geboren, en het is een bezwering als door een geest: ‘Met haar wijsvinger toont ze de weg. Ze kijkt hem recht in de ogen. “Dembeston, Dembeston”, zegt ze dwingend.’ De plaats ook waar verschillende verkrachtingen binnen de familie plaatsvonden.
    Het komt allemaal terug in nachtmerries en dromen, vol vragen en inzichten, en in gesprekken met de geesten van de voorouders. Niet dat er ooit een antwoord komt. Het verhaal dat Alex van zijn vader hoort en aan zijn grootmoeder ontfutselt, is als een biecht. Zijn moeder gaf hem de opdracht de geschiedenis van de Marrons (de afstammelingen van Afrikanen) en de familie te vertellen.

    Schuld en boete
    Met het fragmentarische, en niet-chronologisch opgeschreven verhaal staat de schrijfster, die afstudeerde aan de Schrijversvakschool in Paramaribo, in de recente traditie van de Surinaamse literatuur. Het is Astrid Roemer, winnares van de P.C. Hooftprijs 2016, die deze fragmentarische aanpak ook bezigde en daarmee brak met de traditionelere stijl van in Nederland bekende Surinaamse auteurs als Cynthia McLeod, Bea Vianen en Ellen Ombre. Waar ze niet mee breekt, is de aandacht voor de tradities van Suriname, zoals geestverering en dergelijke.
    Blijft de vraag naar de op het eerste gezicht grammaticale onhandigheden en een zekere stroefheid. Zoals een autochtoon, die op een gegeven moment, ver voorbij de eerste twee hoofdstukken, zegt: ‘En jij wist je ook geen houding, ongemakkelijk op één plek wiebelend. Weet je nog? De geur van smeerolie, vermengd met die van muskietenkaars. Die brand ik de hele dag, boy, anders dengue, malaria, van alles.’ Dit taalgebruik, dit taaleigen – want dat is het – blijkt gaandeweg niet alleen het voertuig van het verhaal, maar ook de uitdrukking ervan; die eerste twee hoofdstukken waren alleen maar een ouverture om ons in die taal, in het drama dat volgt te trekken. Een taal, die niet alleen is geworteld in Suriname, maar ook in alle hevigheid, soms door punten tussen elk woord te zetten, uitdrukking geeft aan de heftigheid van het verhaal en de moeite die het kost om het te vertellen.
    Als je dit beseft, rest alleen meer bewondering voor dit debuut. En schaamte dat je als Nederlander toch nog zo ver van de Surinaamse vertelcultuur blijkt af te staan. Schuld en boete, dat is het thema van dit boek. En de opdracht aan een lezer die uitziet naar het volgende boek van Van Dijk-Ooft.

  • Volop stof voor discussie

    Volop stof voor discussie

    Succesvol, energiek, beroemd. Jonker is een eigenzinnige architect, een echte bouwer. Nadat zijn vader is overleden bevindt hij zich zonder het te weten op een keerpunt in zijn leven. Zijn lievelingsoom gedraagt zich op de crematie heel anders dan gebruikelijk en Jonker gaat gealarmeerd op onderzoek uit. Langzaam maar zeker wordt hem duidelijk dat er in zijn familie een vete sluimert die het gevolg is van de politionele acties in Indonesië. Alles wat vanzelfsprekend was en waar hij om bewonderd werd, lijkt zich vanaf dat moment tegen hem te keren.

    De aanleiding voor Els Launspach – theaterwetenschapper, docent en dramaturg – om dit boek te schrijven vormde de correspondentie tussen haar ouders in Nederland en haar oom in Indonesië ten tijde van de politionele acties in Indonesië, die tussen 1945 en 1949 plaatsvonden. Zij wilde de morele en emotionele kortzichtigheid van Nederlandse politici in de jaren veertig als uitgangspunt nemen voor een roman.

    Net als de schrijfster weet ook Jonker de hand te leggen op de correspondentie tussen zijn ouders in Nederland en zijn oom in Indonesië. Na het lezen van de brieven realiseert Jonker zich dat hij hierin de oorzaak kan vinden van de familievete. Die ontdekking doet hem beseffen dat de wereld heel anders in elkaar zit dan hij altijd dacht. De groeiende onzekerheid van Jonker is voelbaar. Hij is niet het type dat gewend is te twijfelen aan zichzelf. Des te mooier is dus de wanhopige poging waarop hij zich probeert vast te houden aan het rotsvaste geloof dat alles vanzelf weer wordt zoals het was. Maar de afbrokkeling is onomkeerbaar.

    Soms lijkt de docent in Launspach de overhand te krijgen. Zo komt Jonker er door het lezen van de correspondentie achter dat zijn vader zich schuldig heeft gemaakt aan betrokkenheid bij het directief onderhandelen van de Nederlandse overheid ten tijde van de politionele acties in Indonesië. De uitleg van dit belangrijke gegeven had wat minder expliciet gemogen. Desalniettemin is dit op de geschiedenis gebaseerde feit vernuftig aan de oorsprong van Jonkers crisis gekoppeld. Immers, Jonker blijkt zich ook schuldig te maken aan directief onderhandelen, zonder dat hij zich daarvan bewust was. Dat besef vindt hij vreselijk, want als hij één ding niet wilde, was het wel op zijn vader lijken. Confronterend, jazeker. Want het is niet anders: hij is wie hij is.

    Dit boek heeft iets ongrijpbaars: Jonkers leven schudt op zijn grondvesten, het verhaal klopt, het is beeldend geschreven, er zit een interessante historische lijn in, aan alle details is gedacht en er is zorgvuldig research gedaan… het is wel erg veel. Alle verschillende verhaallijnen leveren op zichzelf al genoeg stof op voor een boek. De politionele acties in Indonesië en de rol van de Nederlandse overheid. Een man die een crisis moet doorstaan, doordat hij erfelijk belast is met iets wat hij zelf verafschuwt. De ondergang van een succesvol architect. Het valt dan ook niet mee om alle verhaallijnen bij te benen: voordat je je in iemands geest hebt geworteld, is het boek je alweer twee stappen vooruit.

    Voor de lezer die er graag zijn eigen verhaal van maakt, maait de schrijfster door haar gedetailleerde vertelwijze veel gras voor de voeten weg. Dat is misschien wel de verklaring voor het ongrijpbare van dit boek: er is weinig ruimte voor eigen invulling. Het boek zou een uitstekende basis zijn voor een film- of toneelscript. Een boeiende film, dat wel, vol dubbelzinnigheden en subtiele metaforen.

     

  • Oogst week 23

    Wat kwam er binnen op de redactie van Literair Nederland? In de Oogst elke week een kort overzicht.

    Door Carolien Lohmeijer

    Els Launspach geeft les aan de Theaterschool in Amsterdam. Tekstanalyse, dramatische structuur, opbouw van de personages, dieptewerking en historische achtergronden. Ook schrijft zij (jeugd)romans en essays. Jonker gaat over de succesvolle architect Jonker Duivendal die plots merkt dat belangrijke opdrachtgevers zijn eigenzinnige aanpak niet langer waarderen en zijn familie hem laat vallen. Gealarmeerd gaat hij op onderzoek uit. Hij begint brieven te lezen die zijn moeder Beth heeft bewaard, in de hoop iets te vinden waardoor hij de situatie gaat begrijpen. Langzaam wordt hem duidelijk dat het familieconflict een gevolg is van de politionele acties in Indonesië. Hij kan die ontdekking echter niet met zichzelf verbinden.
    Jonker, Els Launspach, Uitgeverij In de Knipscheer, 336 pagina’s, € 19,50

     

    Viva l'ItaliaIn zijn inleiding van Viva l’Italia schrijft Italiëliefhebber Johannes van der Sluis over de grote aantrekkingskracht van Italië op toeristen. Maar: ‘Dat de realiteit soms de fantasie logenstraft, wordt vooral door buitenlanders voor lief genomen of genegeerd, het is immers Italië. De corruptie, de georganiseerde misdaad – geromantiseerd in films –, de xenofobie, de vervuiling, de kitsch van de Italiaanse televisieprogramma’s, de schaamteloze lelijkheid en letterlijke en figuurlijke duisternis van de stedelijke periferie; de charme wint het van de schaduwzijden.’

    Verderop vertelt hij: ‘In korte misdaadverhalen in Viva l’Italia, waarbij ‘misdaad’ ruim moet worden opgevat, en die zich afspelen in de twintig regio’s van het land, komen bekende facetten van Italië voorbij, maar het is vooral een onderzoek naar het eigene van de verschillende regio’s, het onbekende, het perifere en soms duistere. De schaduw in plaats van de zon dus.’
    Viva l’Italia, Johannes van der Sluis, Uitgeverij Kleine Uil, € 15,-

     

    Een volstrekt nutteloos mensOok in de verhalenbundel van Jori Stam zijn ogenschijnlijk onschuldige situaties niet altijd wat ze lijken: van absurde taferelen in polderdorpen tot misantropie en waanzin in de stad.

    Jori Stam (1987) schreef met Een volstrekt nutteloos mens zijn debuut. Eerder publiceerde hij verhalen in verschillende literaire tijdschriften. Hij groeide op in de polder en studeerde Nederlandse taal en cultuur in Amsterdam. Zijn verhalen verschenen in verschillende literaire tijdschriften.
    Een volstrekt nutteloos mens, Jori Stam, Uitgeverij Atlas Contact, €19,99

  • Het besloten universum van Cor Gout

    Volgens Wim Brands, de presentator van het televisieprogramma Boeken, zijn er veel onbekende schrijvers in Nederland die meer aandacht verdienen. Cor Gout, die onlangs zijn verhalenbundel Korenblauw uitbracht, is één van hen.

    Gout is een veelzijdig kunstenaar. Hij schrijft niet alleen verhalenbundels, maar publiceert ook poëzie, zingt in een band en maakt programma’s voor radio en televisie. Je zou Gout een hedendaagse homo universalis kunnen noemen, die in de geest van Goethe en Leonardo Da Vinci op meerdere terreinen zijn creatieve persoonlijkheid tot uiting laat komen.

    De verhalen in Korenblauw zijn van wisselende kwaliteit. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze teruggrijpen op het verleden van Cor Gout, die in het naoorlogse Scheveningen opgroeide, een rustige, welvarende plaats aan de rand van de grote stad. De Duitse bezetting is echter nooit ver weg. ‘Ze waren gebleven, in en rond het park, de Duitsers, als geestelijke verstekelingen’, schrijft Gout in het verhaal ‘Van Stolkpark, verboden gebied’. Hij doet verslag van verlaten en vergeten villa’s, waar ooit Joodse families woonden. In het verhaal loopt hij er rond als jongen, op zoek naar spanning en avontuur. Gout heeft een formidabel geheugen; de kleinste, veelzeggende details weet hij op een beeldende, levendige manier te beschrijven. ‘De Lero-lijn was een benzolproduct en werd geleverd in een kwartliterblikje met afsluitbare dop, alsof het een verfblikje betrof. Het spul rook onaangenaam en zou na jaren een groot deel van de collages bederven’. In het langere verhaal ‘Zelfportret in collages’ wordt verteld hoe hoofdpersoon Patrick op latere leeftijd een intiem beeld krijgt van zijn mysterieuze vader. ‘Zelfportret in collages’vormt een van de hoogtepunten uit de bundel omdat Patricks vader een kant blijkt te hebben die Patrick niet had verwacht. Of het verhaal nou is verzonnen of daadwerkelijk is gebeurd doet er niet toe; vooral de ontknoping is een gouden vondst.

    Maar de meeste verhalen in Korenblauw ontberen de scherpte en de verrassende wending die ‘Zelfportret in collages’ zo goed maken. Verhalen als ‘Suze’ of de ‘De fascinatie voor de barvrouw, het serveerstertje en de lokettiste’ weten de anekdote niet te ontstijgen. Het zijn grappige, vermakelijke en soms filosofisch getinte herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en karakteristieke personen, maar ze missen een urgentie. Waarom wil Gout deze verhalen vertellen? Voor lezers die een indruk willen krijgen van de ‘veilige’, overzichtelijke jaren vijftig (toen de lokettistes in het postkantoor nog achter glas zaten en in de lerarenkamer nog de krant gelezen werd), heeft deze bundel veel te bieden. Voor andere, met name jonge lezers, is Korenblauw oneerbiedig gezegd een bundel knap vertelde verhalen uit grootvaders doos.
    Dit had Gout voor een deel kunnen voorkomen door zijn woordkeus aan te passen. Zo komen woorden als ‘billijken’, ‘onheus’ en ‘armetierig’ voorbij. Woorden waar je makkelijk hedendaagse synoniemen voor kunt gebruiken, zodat je niet het gevoel krijgt dat je eerst een laag stof op het boek moet wegblazen. De tekeningen van Hélène Penninga geven de verhalen meer speelsheid mee, maar versterken tegelijkertijd het gedateerde karakter van het boek. Het besloten universum dat Gout heeft geschapen is aantrekkelijk, maar hij weet de lezer nog niet helemaal te verleiden.
    Korenblauw
    Cor Gout
    152 blz.
    € 23,50
    Uitgeverij In de Knipscheer