• Een epos als actueel politiek statement

    Een epos als actueel politiek statement

    Nairi Zarjan heeft literair vorm gegeven aan het Armeense volksepos over de helden van Sassoen. Zoals alle volksverhalen is ook dit geleidelijk ontstaan. Het is gebaseerd op mondelinge overlevering van generatie op generatie, voortdurend aangepast en aangevuld. In de tweede helft van de 19e eeuw is het voor het eerst als geheel op schrift gesteld door een Armeense geestelijke. Dit past goed bij het in die tijd opkomende nationalisme, dat ook onder Armeniërs veel weerklank vond. Nairi Zarjan heeft zijn versie van het epos, geschreven in 1966, hierop gebaseerd.  Hoewel hij zijn best gedaan heeft zoveel mogelijk recht te doen aan het oorspronkelijke werk, heeft hij toch ook getracht het verhaal te verlevendigen.

    De Armeniërs zijn trots op hun zeer oude geschiedenis, waarvan de wortels, volgens sommigen, teruggaan tot 2492 voor Christus. Hun woongebied centreerde zich rondom de berg Ararat in het oosten van Turkije. Naast het feit dat het woongebied van de Armeniërs periodes heeft gekend van onafhankelijkheid is het ook vaak een speelbal geweest van machtige buurstaten. Momenteel rest er slechts een Armeense rompstaat in de Kaukasus als gevolg van de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Dat de Armeniërs als volk hebben overleefd, is te danken aan hun eigen taal, het eigen schrift en eigen godsdienst. Eind 19e eeuw werden er door de Turken op instigatie van sultan Abdul Hamid II grote slachtingen aangericht onder de Armeniërs en in 1915 werd dit nog eens dunnetjes overgedaan door de Jong-Turken. Het wordt wel beschouwd als de eerste genocide van de twintigste eeuw, waarvan ook de familie van Nairi Zarjan het slachtoffer is geworden.

    Het epos over de eigenwijze helden van Sassoen is een weerspiegeling van deze veelbewogen geschiedenis van Armenië. Er zijn verwijzingen te vinden naar conflicten met Arabieren, Perzen, Byzantijnen en kruisvaarders en het lijkt een Bijbelse inspiratie te hebben.

    Het epos vertelt het verhaal van vier takken van de stamboom van Sassoen, de bakermat van Armenië. De eerste tak is die van Sanasar en Balthasar, de tweede van Mehèr de Oudere, de derde van David van Sassoen en de vierde van Mehèr de Jongere. De stammoeder van het Huis van Sassoen is de beeldschone, als het licht van de zon schijnende Armeense prinses Tsovinar. Zij raakt onbevlekt zwanger door het drinken van water uit een toverbron en wordt moeder van een tweeling, de beresterke Sanasar als eerstgeborene en de half zo sterke Balthasar. Zij zijn de stichters van het Huis- en de bouwers van de burcht van Sassoen aan de bron van de toverbeek. Als Balthasar met zijn broer ruzie maakt over een liefdesbriefje  van prinses Goudhaar met de Veertig Vlechten aan Sanasar, loopt het niet uit op broedermoord zoals bij de bijbelse Kaïn en Abel, maar op een verzoening. Als gevolg hiervan biedt Sanasar, na samen met zijn broer prinses Goudhaar te hebben bevrijd uit een monsterachtige betovering, Goudhaar aan aan zijn broer met de woorden: ‘Als je wilt, mag jij Goudhaar wel nemen.’. Balthasar weigert dit aanbod. Dit is typerend voor het epos; het is seksistisch en macho qua karakter. Vrouwen zijn bloedmooi, meestal zwak, vilein of opofferend en beschikken over magische krachten, maar hebben niets te zeggen. Mannen zijn vreselijk sterk, opvliegend, dapper, betrekkelijk dom en alleen maar bezig met moord en doodslag: ‘De kalief riep zijn beulen bij zich en zei: “Gaan jullie hun daar eens even de keel doorsnijden.”’

    Aan David is verreweg het grootste deel van het epos gewijd. Hij vertoont veel overeenkomsten met de Bijbelse koning David. Net als deze begint hij zijn carrière als herdersjongen, is hij opvliegend van karakter en moet hij een tweestrijd leveren met de koning van Egypte, reusachtig van postuur. Geboren als kind van ouders die een eed hebben gebroken, wordt David zelf ook een eedbreker als hij verstrikt raakt in de netten van de, alweer, beeldschone jonkvrouw Chandoet. Hij haalt hierdoor de woede op zijn hals van de vrouwelijke sultan Zmushkik, met wie hij verloofd was en met wie hij al ringen had uitgewisseld. David wordt uiteindelijk, overeenkomstig de oude geschriften, gedood door zijn eigen dochter verwekt bij Zsmushkik.

    Ook zijn zoon Mehèr, uit het huwelijk met Chandoet,  blijkt niet bepaald voor de poes te zijn. Hij doodt  zijn ooms en toont zich in een gevecht de meerdere van zijn vader. ‘David voelde zich zwaar vernederd; hij kon zich niet inhouden en zei: “Mehèr, jij hebt dit gevecht met mij uitgelokt en je hebt mij tegen de grond gegooid; je hebt mij voor schut gezet. Ik heb Onze-Lieve-Heer aangeroepen en Hem gebeden dat jij nooit zult sterven en geen nakomelingen zult krijgen.”’ 

    Voortdurend speelt de magie der getallen een grote rol in dit epos. Zo viert Mehèr, op de sterfdag van zijn ouders, om boven genoemde vervloeking te vergeten feest met ‘veertig jonge mannen en veertig huwbare meisjes, en zij dronken zeven jaar oude wijn’.

    Deze Mehèr de Jongere is geboren met een druppel bloed in de palm van zijn hand, een verwijzing naar de stigmata van Christus. Ook verder bestaat er gelijkenis met Jezus. Hij maakt zich voortdurend zorgen om de slechtheid van de mensen op deze wereld. Aan het eind van het epos sluit Mehèr zich op in een rots, omdat de aarde zijn gewicht niet langer kan dragen (door de zonden van de mensheid die hij op zijn schouders torst?) en hij komt tweemaal per jaar weer tevoorschijn om te zien of de wereld al beter is geworden. Hij belichaamt de hoop van de Armeniërs op verlossing, ook nu natuurlijk nog een uiterst actueel thema voor de Armeniërs.

    Hoewel het verhaal vlot wegleest als een, helaas niet geïllustreerd, volkssprookje, blijft het niet echt boeien. Daarvoor zijn de in het verhaal vigerende figuren te eendimensionaal en mist het diepgang. Ook de voortdurende moord- en slachtpartijen gaan uiteindelijk vervelen. Vanuit politiek en historisch perspectief is het epos eigenlijk veel interessanter en in dit licht bezien is het in de bewerking van Nairi Zarjan en de vertaling van Anna Maria Mattaar zeker, ook voor ons in Nederland, toegankelijk gemaakt voor een breed publiek.

    De eigenwijze helden van Sassoen

    Auteur: Nairi Zarjan
    Vertaald door: Anna Maria Mataar
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 296
    Prijs: € 19,99

  • Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Bijtijds leerde ik me te vermommen in woorden, die eigenlijk wolken waren’.

    Naar Parijs gevlucht voor de Nazi’s had Walter Benjamin er tussen 1932 en 1938 behoefte aan zijn kinderjaren in Berlijn te boekstaven, niet zozeer, zoals hijzelf zegt, om autobiografische redenen als wel om filosofische. Hij begreep dat het afscheid van zijn geboortestad Berlijn wel eens definitief zou kunnen zijn en besloot in ruim dertig korte schetsen literair vorm te geven aan deze herinneringen. Hij probeert ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse’, beelden vervat in titels als ‘Loggia’s’, ‘De Telefoon’, ‘Tiergarten’ en ‘Verstopplaatsen’. Hij wil laten zien ‘hoezeer degene van wie hier sprake is (hijzelf), later de geborgenheid miste die zijn kinderjaren eigen was geweest’.

    Hoewel hij een te sterke biografische invalshoek tracht te vermijden door nergens beschrijvingen te geven van de fysionomieën van zijn gezinsleden en vrienden, ontkomt hij toch niet aan duidelijk autobiografische notities van een somtijds schrijnend karakter zoals in het verhaal ‘Overlijdensbericht’. Daarin vertelt hij hoe zijn vader hem op een keer – hij was een jaar of vijf – welterusten kwam wensen en hem, vrij gedetailleerd, vertelde van het overlijden van een neef, met wie hij weinig ophad. De kleine Walter luisterde nauwelijks, maar prentte zich wel zijn kamer in. Hij besluit: ‘Mijn vader was binnengekomen om niet alleen te zijn. Maar hij zocht mijn kamer op en niet mij. De twee konden geen derde gebruiken.’  Hierin zie je ook een van de stilistische instrumenten die Walter Benjamin hanteert om in zijn verhalen aansluiting te zoeken bij het magische wereldbeeld van het kind, nl. het als individu opvoeren van voorwerpen en verschijnselen uit de omgeving van het kind, in dit geval dus de kamer. Dit levert een soms huiveringwekkend indringend beeld op, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Ongelukken en misdaden’. Daarin schrijft hij: ‘Ook het kanaal, waarin het water zo donker en langzaam stroomde, als stond het op vertrouwelijke voet met alle treurnis, hield me telkens aan het lijntje. Tevergeefs was elk van zijn vele bruggen door middel van een reddingsboei verloofd met de dood.’  Dit zegt veel over de stemming van Walter Benjamin in Parijs.

    Zelf zegt hij zijn herinneringen te zien als een sprookje en daarin heeft hij eigenlijk wel gelijk, maar dan wel een sprookje van Grimm of, beter nog, van Winsor McCay in zijn psychoanalytische strip Little Nemo in Slumberland. Het psychoanalytische karakter van De kinderjaren sluit natuurlijk nauw aan bij de tijdgeest, waarin de denkbeelden van Freud en Jung, maar voor wat betreft Walter Benjamin, vooral Lacan een grote populariteit genoten.

    In het eerste verhaal, de ‘Loggia’s’, geeft hij eigenlijk zijn credo af: ‘Zoals een moeder die het pasgeboren kind aan haar borst legt zonder het te wekken, gaat het leven lange tijd om met de nog tere herinneringen aan de kinderjaren. Niets sterkte die van mij inniger dan de blik op binnenplaatsen met hun donkere loggia’s. Een daarvan [..] was voor mij de wieg waarin de stad de nieuwe burger legde. Het kwam voor dat de kariatiden die de loggia van de volgende verdieping droegen, hun plaats voor een moment verlaten hadden om aan deze wieg een lied te zingen dat weinig bevatte van wat mij later te wachten stond, …’, om even later droefgeestig te vervolgen: ‘Dat komt ook door de troost die van hun onbewoonbaarheid uitgaat voor iemand die zelf niet echt tot wonen komt.’ Het is ook een filosofisch sprookje: ‘De tijd verouderde in deze schaduwrijke ruimtes die op de binnenplaats uitkeken. En juist daarom was de morgen, als ik er in onze loggia op stuitte, al zo lang morgen dat hij meer op zichzelf leek dan waar dan ook. Nooit kon ik hier op hem wachten; altijd wachtte hij al op mij. Hij was er allang, alsof hij al over zijn hoogtepunt was, toen ik hem daar eindelijk opsnorde.’  En een melancholisch sprookje als de kleine Walter in de winter met een boek in zijn hand bij het raam staat te kijken naar de sneeuwjachten buiten: ‘De verre landen die me in die verhalen bezochten (Uit: Jongensboeken), speelden vertrouwelijk als vlokken om elkaar heen. En aangezien de verte als het sneeuwt niet meer naar de wijde wereld leidt, maar naar het binnenste, lagen Babylon en Bagdad, Akko en Alaska, Tromsö en Transvaal in mijn binnenste. De aangename lucht van de dikke pil, waarvan ze doordrongen waren, bracht ze door middel van bloedvergieten en gevaren zo onweerstaanbaar in de gunst van mijn hart, dat het de beduimelde boeken voor eeuwig trouw bleef.’ Maar ook een nachtmerrie vol horrorbeelden zoals in ‘De maan’: ‘Dan viel ik in slaap. Het maanlicht trok zich langzaam terug uit mijn kamer. En vaak lag die al in het donker als ik een tweede of derde keer wakker werd. De hand moest als eerste moed vatten om over de grafrand van de slaap te duiken, waar hij beschutting had gevonden voor de droom. Als dan het nachtlichtje hem en mij al flakkerend had gerustgesteld, bleek dat van de wereld niets meer restte dan een enkele verstokte vraag. Die luidde: waarom is er iets op de wereld, waarom is de wereld er? Tot mijn verbazing moest ik constateren dat de wereld niets bevatte wat me noodzaakte haar te denken. Haar niet-zijn zou me volstrekt niet problematischer hebben geleken dan haar zijn, dat het niet-zijn een knipoogje leek te geven.’

    Vertaler Hans Driessen heeft met deze geheel nieuwe uitgave van De kinderjaren, op basis van het in 1981 in Parijs teruggevonden typoscript van de ‘Ausgabe aus letzter Hand’ (= een soort laatste wilsverklaring), een prestatie van formaat geleverd. De kinderjaren van Walter Benjamin behoren juist door de ‘sprookjesachtige’ benadering tot de meest huiveringwekkende, aangrijpende en altijd trefzekere ‘Kinderjaren’ in zijn soort. De goed gekozen foto’s uit het Berlijn van weleer, vormen een passende aanvulling op de tekst.

    Kinderjaren in Berlijn rond 1900

    Auteur: Walter Benjamin
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 17,50

  • Compilatie van eerder gepubliceerd werk

    Compilatie van eerder gepubliceerd werk

    ‘In Klein-Rome werd ons vanuit de biechtstoel krachtig aangeraden vooral veel te zwemmen en veel te fietsen, liefst zo vroeg mogelijk in de ochtend en overdag als de onkuise beelden en verlangens kwamen. Daardoor werd het wielrennen een bij uitstek katholieke sport.’

    Vlak voor de Tour de France van de zomer van 2015 komt bij uitgeverij Voetbal International in de serie Sportklassieker het boek Heldenlevens van Martin Ros uit. Het is een compilatie van eerder gepubliceerd werk van zijn hand uit 1987, nu in het voorwoord voorzien van een warme aanbeveling door de burgemeester van Utrecht in wiens stad dit jaar de Tour van start is gegaan. Marketingtechnisch dus niets aan de hand. Storend is wel het feit dat de uitgeverij kennelijk niet de moeite heeft genomen er nog even in corrigerende zin naar te kijken. Het boek wemelt van de slordigheden zoals: “Doorslag tot zijn uiteindelijke sympathie voor Koblet, door wiens tragische dood hij zich zeer geschokt zal worden, ……’ en: ‘Maar een beenbreuk,’ zegt Kübler, is mij meer waard dan de in zo’n stompzinnige tunnel.” Dit soort slordigheden getuigt van weinig liefde voor het boek en is een affront voor de lezer.

    Het boek is gebaseerd op twee pijlers; allerlei wetenswaardigheden omtrent toonaangevende wielrenners uit het verleden zoals de zesdaagse koning Gerrit Schulte en tourlegendes als Gino Bartali en Fausto Coppi, en de Roomse achtergrond van Martin Ros zelf. Alles beschreven in de geëxalteerde stijl, bekend van de radiopraatjes van Martin Ros en waarvan de titel Heldenlevens ons al een zeker vermoeden geeft. Bovengenoemd citaat geeft dit goed weer. Deze verwevenheid kan het boek ook een literaire dimensie geven op grond waarvan het de aandacht in deze rubriek verdient. Welnu, Martin Ros is zeker een vaardig verteller en hij weet de lezer bij tijd en wijle dan ook goed mee te nemen en als het ware te laten ruiken aan het benauwende ultramontaanse, verzuilde katholieke wereldje van Onze-Lieve-Vrouwe, paters en seminaries in de wijk Klein-Rome achter de Vituskerk in Hilversum. Hij slaagt er ook in zijn eigen Roomse verhaal in te bedden in die van zijn helden. Dit is zonder meer knap te noemen en maakt het boek ook alleszins lezenswaardig. Toch schuilt juist hierin ook de beperking. De geëxalteerde beschrijving van de heldendaden van zijn helden, maakt een echte inleving in zijn eigen verhaal moeilijk. Er blijft altijd een geromantiseerd scherm staan tussen de gevoelens van de echte Martin Ros, waarop hij de lezer wel een blik wil gunnen, gezien het gekozen thema van het boek, en de breedsprakige, weliswaar erudiete, maar veel te emotionele Martin Ros. Het boek mist juist drama omdat Martin Ros alles in veel te dramatische bewoordingen beschrijft.

    Toch vangt Ros in zijn boek wel iets van een tijdbeeld van vooral de jaren 50 en 60, de tijd waarin de radio nog een prominente rol speelde in de beeldvorming door de media en de doorbraak van de televisie, de tijd van het verzuilde Nederland en de hoogtijdagen van de Koude Oorlog waarin pater Henri de Greve in zijn wekelijks radiopraatje ‘Het Lichtbaken’ de communistische regering in Moskou kwalificeerde als het Vierde Beest. Voor wielerliefhebbers met een hang naar nostalgie en verheerlijking van het verleden biedt het boek volop leesplezier. Met literatuur heeft het echter weinig te maken.


     

  • Dit ben ik niet

    Dit ben ik niet

    Twee mensen, een man van 48 en een vrouw van 38, verdwalen onafhankelijk van elkaar tijdens een trainingswandeling in een bos in Jutland. Hij heet Roar. Zij is naamloos. Hij is de verteller, de ik-figuur. Na een toevallige ontmoeting gaan zij samen op zoek naar een uitweg. Tevergeefs. Zij is de sportiefste van de twee. Als hij pijn aan zijn voet krijgt, verzorgt zij hem. Tegen zonsondergang vinden zij een verlaten hut waar ze besluiten de nacht door te brengen. Zij vertelt hem haar levensverhaal: haar mislukte relaties, haar verblijf in de hippie-achtige setting van een woongroep. Van hem komen we in dat opzicht vrijwel niets te weten, behalve dat hij vrijgezel is. De volgende dag gaan ze weer op zoek naar een uitweg uit het bos, opnieuw zonder resultaat. Wel vinden ze een huisje, bewoond door kinderen en niet aanwezige of in ieder geval onzichtbare ouders. Zij besluiten zich niet aan de kinderen op te dringen en slapen in de schuur bij het huisje. Zij is inmiddels flink ziek geworden door het drinken van vervuild water en het eten van bedorven waar. Hij verzorgt haar zo goed mogelijk. De volgende dag blijkt dat ze niet ver van een bushalte zijn die hen naar de beschaafde wereld kan brengen.

    In die twee dagen en nachten is er veel gebeurd tussen deze twee mensen, maar wat precies, blijft onduidelijk en is misschien ook niet zo belangrijk. Haar levensverhaal staat centraal in het boek. Het boek is opgezet als een raamvertelling waarin de verteller zowel de proloog als de epiloog opent met de woorden: ‘. Ik sta niet zo achter een boom in het bos.’ en ‘. Ik zit niet zo met een slapende vrouw in het bos.’ Het gaat niet om hem, hij is slechts klankbord.

    Helle Helle staat bekend om haar minimalistisch realistische manier van schrijven. Met zo weinig mogelijk woorden tracht zij grote zaken te vatten. Het is geschreven in korte, trefzekere zinnen, bijna staccato. Gevoelens van liefde of het ontbreken daarvan worden nergens als zodanig beschreven, maar wel kenbaar gemaakt in de beschrijving van kleine dagelijkse tafereeltjes. Haar verliefdheid op Christian, een jongen uit haar woongroep, wordt duidelijk gemaakt aan het feit dat zij zich voortdurend in de spiegel bekijkt met in haar achterhoofd de gedachte: ‘Hoe zal hij vinden dat ik er uitzie?’ Zij zoekt haar eigen identiteit in zijn ogen. Als zij hem tenslotte zes jaar later bij toeval in Berlijn ontmoet, en hij met haar een relatie aangaat, treedt zij vooral binnen in zijn wereld met zijn zoontje, zijn bedrijf, zijn moeder, zijn huis en zijn spullen.

    Als de liefde later is bekoeld en haar eigen gevoelens en persoonlijkheid weer meer aandacht vragen, wordt dit duidelijk gemaakt aan de hand van de verkeerde cadeautjes die zij van hem krijgt en aan haar irritatie over zijn lach, die al te zeer lijkt op de lach van zijn moeder. Zij is zich steeds meer bewust van het feit dat zij eigenlijk zijn gevangene is en dat ontsnappen nauwelijks mogelijk is. Dit is eigenlijk het centrale thema van het boek. Het feit dat zij verdwaald is in het bos, lijkt dan ook geen toeval te zijn. Het is een poging te ontsnappen aan haar gevangenschap. Of dit voor de verteller, Roar, ook zo is, blijft onduidelijk. Hij lijkt een soort onpersoon, alleen maar noodzakelijk om haar verhaal te kunnen vertellen. Eigenlijk zegt hij het ook zelf door telkens te beginnen met: ‘.’

    Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama. Dit alles wordt nog versterkt door de absurde setting van de situatie in het bos. Helle Helle heeft een bijzonder boek geschreven dat het verdient gelezen te worden.

     

  • Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

    Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

    Ooit zei een vriend van Poetin tegen hem: ‘Ik ben cellist. Ik weet dat jij geheim agent bent, maar ik weet niet wat dat inhoudt. Wie ben je? Wat doe je?’ Nogal koel antwoordde Poetin: ‘Ik ben specialist in menselijke verhoudingen.’

    De biografie van Poetin begint met zijn bezoek aan de Britse koningin Elisabeth, een van de meest directe, nog levende afstammelingen van de laatste Russische tsaar. Hiermee illustreren de schrijvers, Chris Hutchins en Alexander Korobko meteen de opzet van het boek: de opgang van de volksjongen Vladimir Poetin, Vlad voor zijn vrienden, in de grote boze wereld.

    Als kind groeit Poetin op in een éénkamerappartement in een Kommunalka in Leningrad, een grauwe woonkazerne waar privacy een onbekend begrip is. Tamelijk klein van stuk, heeft hij keihard moeten vechten om zich staande te houden tussen de jongens van de buurtgangs. Een echte pitbull met een ijzersterk karakter, aldus een oude vriend. Later heeft hij zich bekwaamd in verschillende vechtsporten, vooral judo, onder het motto: ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’. Hij maakt carrière binnen de communistische Geheime Dienst, is geheim agent in Dresden als ‘De Muur’ valt, maakt, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, carrière in Leningrad, wordt door Jeltsin naar Moskou gehaald en schopt het vervolgens tot president van de nieuw opgerichte Russische Federatie. Vlad, de volksjongen wordt ontvangen door de hoge adel van het Britse hof. Vladimir Poetin, ex-vertegenwoordiger van een bewind dat verantwoordelijk is voor de moord op de tsarenfamilie kust de hand van koningin Elisabeth. Het lijkt wel een sprookje!

    Het gaat de schrijvers minder om Poetin politiek te duiden als wel om een beeld te geven van zijn persoonlijkheid en de opmerkelijke carrière die hij heeft gemaakt. Ook de titels van de hoofdstukken wijzen in deze richting. Zij hebben sterk het karakter van een avonturenroman, een jongensboek:

    1. Vlad de veroveraar
    2. Geheim agent en minnaar
    3. Tanks en toewijding
    4. Blair in het land van de sovjets
    5. Bloedbad in de achtertuin
    6. De jacht op Chodorkovski

    Hierin schuilt dan ook het aantrekkelijke van het boek. Wie wil nu niet wat meer weten over Poetin, die vrijwel dagelijks in de westerse media wordt afgeschilderd als een gewetenloze machtswellusteling, als een sluwe vos die, als leider van een van de machtigste landen ter wereld, niet alleen politiek volstrekt onberekenbaar is, maar vooral ook onbetrouwbaar? Het gevaar bestaat dat deze benadering enigszins hagiografisch wordt, dat Poetin te kritiekloos wordt neergezet als een echte mannetjesputter. Hoewel hij dat natuurlijk ongetwijfeld is, is het knap van de schrijvers dat zij ook oog blijven houden voor de schaduwkanten van zijn persoon.

    Het boek geeft een fascinerend beeld van een van de meest turbulente perioden uit de jongste geschiedenis: de ineenstorting van de Sovjet-Unie en, in het kielzog daarvan, van het hele Sovjetimperium in Oost-Europa, maar ook van de worsteling van het nieuwe Rusland om aansluiting te vinden bij de moderne wereld. Dit alles wordt geschetst aan de hand van de carrière van Poetin.

    Hij is, zoals zo veel Russen, bijzonder vaderlandslievend en ziet de KGB als voornaamste hoeder van dat vaderland: ‘Ik ga geheim agent worden: ‘dát zijn de mensen die de oorlog winnen, niet het leger. De soldaten zijn slechts dienaars, de spierkracht, maar niet de hersens.’
    Als agent van de KGB leert hij al snel dat de KGB bepaalt wat de wet is. Hij adoreert Andropov, ex-KGB-baas en de jong gestorven opvolger van de half seniele Sovjetbons Tsjernenko en bij de ineenstorting van de Sovjet Unie geldt zijn toewijding zeker niet het systeem, maar wel de KGB, het korps dat het vaderland beschermde. Poetin komt naar voren als een man met een groot gevoel voor kameraadschap, persoonlijke trouw, de laatste en enig overblijvende normatieve kracht om te overleven in een wereld die finaal is ingestort. Dit ervaart zijn beschermheer Sobtsjak, de burgemeester van het meest criminele wespennest van Rusland, Leningrad.

    Als KGB-agenten hem erin proberen te luizen, staat Poetin pal. Oude vrienden laat hij nooit in de steek. Hij creëert als het ware een coterie om zich heen van oude kameraden zoals bijvoorbeeld Medvedev, die door een persoonlijke eed van trouw aan elkaar gebonden zijn, feodaal bijna. Deze eigenschap brengt hem later ook in contact met de Russische president Jeltsin, die hem uiteindelijk naar voren schuift als zijn opvolger: ‘Als Poetins mentor kan ik jullie vertellen dat de democratie veilig is in zijn handen’.  Als wij westerlingen dit lezen, moeten wij daar een beetje wrang om lachen. De democratische opvattingen van Poetin zijn wel erg ‘Russisch’. Hij geldt vooral als een pragmatisch man, die bereid is moord te vergoelijken – en in ieder geval niet te beschouwen als iets dat in alle opzichten verwerpelijk is – zolang dit maar, in zijn ogen, het landsbelang dient. Een voorbeeld hiervan is de moord op de journaliste Anna Politovskaja, die al te vrijmoedig artikelen publiceerde over het Russische optreden in Tsjetsenië.

    Nu had Poetin ook bepaald geen eenvoudige klus te klaren. De economische chaos die Poetin erfde van Jeltsin was gigantisch. Diens ‘leningen voor aandelen programma’, waarbij Jeltsin bijna alle staatsbedrijven in de uitverkoop gooide om uiteindelijk waardeloze leningen te verkrijgen ter dekking van de uit de hand lopende staatsuitgaven, wekte de hebzucht van gewiekste en gewetenloze ‘Robberbarons’, oligarchen, zoals ze tegenwoordig genoemd worden. Poetin zag het als zijn voornaamste doel dit soort types de wacht aan te zeggen. Dit is hem ook gelukt. De meest bekende figuur onder hen is Chodorkovski, die een jarenlange straf moest uitzitten in Siberië. In hoeverre Poetin er werkelijk in geslaagd is deze Russische zwijnenstal echt uit te mesten, is de vraag. Maar goed, nu komen we toch weer te veel op het politieke vlak, terwijl het boek in essentie een beeld tracht te geven van de figuur Vladimir Poetin, van zijn karakter, zijn persoonlijkheid.

    Vanzelfsprekend zijn deze twee zaken niet van elkaar te scheiden, hooguit te onderscheiden. Naast zijn vaderlandsliefde, trouw, pragmatisme, hardheid en misschien zelfs een zekere gewetenloosheid springt zijn gevoel voor public relations in het oog. Bekend is zijn uitspraak: ‘Het enige verschil tussen een rat en een hamster is dat een hamster een betere PR heeft’. Hierin schuilt één van de factoren die westerse Kremlinwatchers vaak in verwarring brengt: Poetin voldoet niet aan het traditionele beeld van de vroegere Sovjetleiders. Hij kent het westerse gevoel voor pr uitstekend en maakt daar dan ook gebruik van op een manier die ons vaak onaangenaam verrast. Poetin is echt het type van wat met een mooi Duits woord genoemd wordt een ‘realpoliker’ die maar één doel nastreeft, nl. het behoud van de eigenwaarde van ‘moedertje Rusland’.

    Misschien schuilt er wel veel waars in de uitspraak van een vriend van Poetin, een zakenman in Londen, die zegt: ‘Vladimir Poetin is niet meer een moordenaar dan bijvoorbeeld Winston Churchill dat was.’ Een uitdagende stelling om  over na te denken, wellicht…… Maar hoe het ook zij, Chris Hutchins en Alexander Korobko zijn erin geslaagd het juiste evenwicht te vinden tussen een goed geschreven, gedegen biografie over een van de belangrijkste politieke figuren van onze tijd, gebaseerd op goed onderzoek zonder te vervallen in hetzij naïeve bewondering, hetzij virulente afwijzing. Een complicerende factor is gelegen in het feit dat er juist in de periode na de verschijning van dit boek zoveel is gebeurd dat de beoordeling van Poetin door de westerse wereld kleurt.

     

  • ‘De waarheid is de beste leugen’

    ‘De waarheid is de beste leugen’

    Plaisir d’amour ne dure que’un instant, chagrin d’amour dure toute la vie.’ Omdraaien moet je die spreuk, ook wanneer je die toepast op het geschreven woord. Verdriet om de literaire wereld duurt maar even, de liefde voor de literatuur duurt een leven lang. (blz. 125)

    Guus Bauer is, aldus zijn boezemvriend en initiaalgenoot Gerbrand Bakker, een vreemde snaak, een duizendpoot die, naast talloze recensies en columns, ook een roman heeft geschreven: Het geheim van Treurwegen, een historische roman over Willem Maria Treurwegen die zich afspeelt ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Bauer maakt vrienden is een bewerkte weergave van zijn columns geschreven voor www.tzum.info onder het pseudoniem ‘Inktslaaf’. Het is opgebouwd uit een serie uiteenlopende anekdotes en belevenissen, soms geclusterd rond titels als ‘Sterren zakken door I t/m V’ of ‘Bezigheden Buitens Huis Hebbende I t/m V’, een jaren 50 titel verwijzend naar het roemruchte advertentiespel. Buiten het feit dat het boek talloze observaties bevat aangaande het geschreven woord zelf en het literaire wereldje dat daarvoor verantwoordelijk is, wijst de titel van het boek op het autobiografische karakter ervan.

    In zijn voorwoord maakt Bakker melding van de kluskwaliteiten van Bauer, die daarover zelf in ‘De waarheid is de beste leugen’ verder uitweidt. Tussen het stukadoren en het vernieuwen van de afvoer door is hij bezig een nieuw plot te bedenken voor een roman of verhaal over de Maginotlinie, de Moorse tijd op het Iberisch schiereiland of het dilemma van zijn naamgenoot, Gustav A. Bauer, de Duitse ondertekenaar van het door hemzelf vervloekte Verdrag van Versailles als afsluiting van de Eerste Wereldoorlog. ‘Leve de verbeelding!’, roept hij uit, ‘maar eerst even het cement mixen!’  Dit is Bauer op zijn mooist: aards, lyrisch, betrokken en, een aardige vent, die, anders dan de titel van het boek misschien suggereert, eigenlijk nergens mensen hard aanvalt.

    Zelfs Peter R. de Vries krijgt alle credits voor zijn speurwerk als hij, misschien wat vilein,  diens literatuurbeleving samenvat in zijn door Bauer als ‘onnavolgbaar’ gekwalificeerde opmerking: ‘Ik lees geen fictie want die vind ik niet geloofwaardig.’ Hierin schuilt een van de belangrijkste thema’s van het boek, nl. ‘De verbeelding aan de macht’. Voor Bauer ligt de waarheid juist in de fictie, de uitvergroting van de werkelijkheid met het sprookje als een van de krachtigste literaire vormen. Waarheid en moraal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mensen ontlenen er soms zelfs de zin van het bestaan aan. In dit verband is zijn pleidooi voor KANTLIJN ontroerend.  KANTLIJN is een Amsterdamse schrijfclub voor dak- en thuislozen onder begeleiding van professionals vanuit de gedachte dat je mensen beter kunt aanspreken op hun talenten dan op hun problemen. Bauer refereert daarbij aan KANTLIJNschrijver Frans die op een vraag van een interviewer antwoordt: ‘Ja, ik vind, eh, schrijven makkelijker dan leven, maar ik moet schrijven, dus moet ik ook blijven leven. Een eenvoudige filosofie, die geheel aansluit bij mijn adagium: ‘Genoeg is meer dan veel!’ Daarmee wil ik dit ook afsluiten.’  ‘Geweldig!’, aldus Bauer, ‘De literatuur uit de salons terug naar de straat. Word vriend van KANTLIJN! ‘(blz. 137)

    Bauer stelt zich in zijn boek voortdurend op aan de kant van de underdog, of het nu gaat om zijn belevenissen op het Boekenbal, tijdens literaire voordrachten of op spreekavonden voor boekenclubs. Vandaar ook zijn bewondering voor de lef en eigenzinnigheid die spreekt uit ‘In mijn vreemde land’, het dagboek van Hans Fallada, geschreven in een Duitse gevangenis in 1944, voor de auteur en uitgever, Suhrkamp, die alle stormen trotseren. ‘Hij ontdekte hoe het was om ellendig lang rond te hangen op de gang bij de redacties, om op opdrachten te azen en zoveel mogelijk regels in de wacht te slepen…..’ Hij spiegelt zich graag aan de freelancer Fallada, maar klinkt nergens verbitterd.

    Bauer is een moralist die zich druk maakt over de hoeveelheid pulp die voortdurend over ons wordt uitgestort in de vorm van literaire thrillers, op feiten gebaseerde Peter R. de Vriesboeken, terwijl hij natuurlijk ook wel inziet dat gedichten en literatuur vaak alleen maar kunnen worden uitgegeven dankzij de hoge verkoopcijfers van voornoemde boeken. Hij doet dit in wat ouderwets aandoende Reviaanse zinnen (‘.. dewelke …’), die zorgen voor een zekere afstandelijkheid. Zo heeft hij het voortdurend over de ‘treurbuis’, waar hij de televisie bedoeld. Ook klinken er reminiscenties door aan Tjeempie, of Liesje in Luiletterland van Remco Campert als hij het een aantal malen heeft over: ‘… zei de Grootste Schrijver van Nederland..’ en ‘… Enige Veel Verkopende Schrijvers ….’

    Bauer maakt vrienden is een bundel columns die lekker weglezen, de mondhoeken laten krullen tot een innemende glimlach vol mededogen voor de mens aan de zelfkant van de samenleving, maar bovenal een mooi zelfportret van de tobbende recensent, columnist en schrijver.

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Huub Bartman

    Favoriete boeken van de afgelopen tijd

    1. Land, land! ……, door Sandor Márai, uitgeverij Wereldbibliotheek
    2. 
    De gouden vlieger en Anna, door Dezsö Kosztolányi, uitgeverij Van Gennep

    Onlangs heb ik een bezoek gebracht aan Boedapest, een parel aan de Donau waar ik nog nooit geweest was. Om een beetje in de sfeer te komen heb ik, op advies van een goede vriend, het boek van Sándor Márai gelezen, Land, land!….. Het is een autobiografisch werk waarin hij een beeld geeft van de lotgevallen van de stad en haar bewoners gedurende de laatste vier jaar van zijn leven in Hongarije. Daarna vertrekt hij naar Amerika, met bloedend hart. Hij beschrijft de intocht van de Duitsers in 1944, de bevrijding door de Russen en de eerste paar jaar van het communistische bewind. Michaël Zeeman schrijft over hem op 22 december 2000 in de Volkskrant: ‘Sándor Márai heeft geprobeerd op de puinhopen van dat oude leven een nieuw leven te stichten – en juist dat maakt hem interessant.’

    Over dit boek valt dan ook veel meer te zeggen dan mij in dit korte bestek is toegestaan. Márai was voor mij vooral een perfecte gids om me te verdiepen in de geschiedenis van Boedapest door het bezoeken van de plekken waarover hij schrijft, de literaire cafés en salons, de pleinen en straten. Maar wat mij het meeste getroffen heeft tijdens het lezen van zijn boek is het gevoel dat ik even werkelijk contact had met Márai. Dit kwam door de grote en bijna tedere aandacht die hij geeft aan het leven en werk van een andere Hongaarse schrijver, Dezsö Kosztolányi van wie ik toevallig kort tevoren een tweetal boeken had gelezen, namelijk De gouden vlieger en Anna. De gouden vliegerAnna
    Daarover was ik zo enthousiast dat ik onmiddelijk twee andere boeken van hem heb aangeschaft. Kosztolányi, ‘de elegantste van de Hongaarse schrijvers, de meester ook van Márai’ zoals de moderne Hongaarse schrijver Peter Esterhazy hem typeert. Hoewel zij elkaar niet veel spraken, woonden Márai en Kosztolanyi in hetzelfde huis. Met de conciërge en diens vrouw bouwde Kosztolanyi een speciale band op. Zij stond model voor zijn romanfiguur ‘Anna’. Márai schrijft: ‘Het gebeurde bijna nooit dat Kosztolanyi ons huis passeerde zonder even bij de congiërge naar binnen te gaan. Ze zaten daar met z’n drieën, ze aten niet en dronken niet, zaten alleen te praten. Wat voor eenzaamheid, welke innerlijke ballingschap ontvluchtte hij door naar de congiërgewoning te gaan? Hij was een schrijver, een ‘stilist’; later werd de schrijver-die-uitsluitend-schrijver-was een ‘formalist’ genoemd. In die tijd begon men minachting te krijgen voor stijl. [….] Ze eisten dat hij stelling nam. Kosztolanyi haalde zijn schouders op want hij wist …. […] Zou hij dáárover hebben gesproken in de conciërgewoning, met de huismeester en zijn vrouw, het model van Anna Édes? De gesprekken werden later tot een roman – de enige Hongaarse maatschappelijke roman die de klassestrijd liet zien zoals het zou moeten: zonder ‘socialistisch realisme’, in zijn fatale, menselijke realiteit.’ Prachtig!!!!

    De officier3. De officier, door Robert Harris, uitgeverij Cargo
    Tenslotte wil ik nog even wijzen op een ander mooi boek, van een heel ander gehalte weliswaar, maar ook heel mooi, namelijk De officier van Robert Harris. Het is een historische roman, uitstekend gedocumenteerd, over de Dreyfusaffaire, die zich eind 19e eeuw afspeelde in Frankrijk en waardoor op pijnlijke wijze het virulente antisemitisme aan de kaak gesteld werd in de hoogste kringen van het Franse leger en de politiek. Het boek is heel spannend en eigenlijk lees je het in één adem uit. Prachtig ook!!!!

     

  • ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    Door de waterspiegel is de laatste roman van Tomas Lieske, een inmiddels gearriveerd Nederlands schrijver van gedichten, verhalen en romans wiens werk met diverse prijzen is bekroond. Vaste thema’s in zijn werk zijn spelen met tijd en ruimte, de oorlog, liefde en dood en de stad Leiden. De intrigerende titel verwijst naar het karakter van de roman, naar de zichtbare werkelijkheid van het leven boven de waterspiegel die onlosmakelijk verbonden is met de onzichtbare werkelijkheid onder de waterspiegel. Zo zijn alle hoofdfiguren getekend door- en dus geketend aan hun verleden: de naamloze ik-figuur, de schijnbare hoofdpersoon Sebastian, zijn geliefde Eva en de Hongaar Antal Szabo.

    Het verhaal is opgezet als een raamvertelling. De werkelijke hoofdpersoon, de ik-figuur, is een, als kind door zijn ouders in de steek gelaten, door de oorlog vreselijk gehandicapte man die zich niet meer zelfstandig kan voortbewegen, blind en door brandwonden verminkt. Hij overleeft als een soort plant en vindt zichzelf na de oorlog terug in een tehuis voor zwaar gehandicapte jongens in een onwerkelijk land als Liechtenstein, waar de tijd volledig lijkt te hebben stilgestaan. Dit opvanghuis, in de brochures ‘de villa’ genoemd, heeft ‘iets van doen met Wiedergutmachung en idealisme’ en wordt bestierd door een dame, door de jongens gekscherend mevrouw Heydrich genoemd naar de gelijknamige nazibeul. Doorgaans werden veel van deze jongens, die door de oorlog alles verloren hadden, geadopteerd, maar hij niet. Dit kwam, volgens mevrouw Heydrich, door zijn handicap en verminking, maar dat vond hij maar een liefdeloos verhaal. Hoewel hij in werkelijkheid wel een naam heeft, geeft hij er de voorkeur aan om als een naamloze door het leven te gaan: ‘Een schaduw en een gedachte zijn ook naamloos’. Zijn leven begint kleur te krijgen als hij Sebastian ontmoet met wie hij zich vereenzelvigt. De vraag blijft in het midden of Sebastian niet een geheel door hemzelf verzonnen figuur is om zin te geven aan zijn vegetatieve bestaan.

    Sebastian zwierf langs de Rijn op zoek naar zijn geliefde en komt langs in het tehuis om hem zijn verhaal te vertellen en weer verder trekken. De ik-figuur vertelt het verhaal van Sebastian in een aantal vertelsessies door aan zijn mede-lotgenoten in het tehuis om hun treurige bestaan wat te verluchtigen. Soms geeft hij het met zijn eigen fantasie wat meer kleur. Daar hebben de jongens en hijzelf ook behoefte aan. Dit maakt het verhaal compleet en zo krijgt het zijn eigen logische waarheid. Het gaat immers niet om de officiële werkelijkheid, maar om de mythische versie.

    De ik-figuur laat ons kennismaken met Eva, Sebastian en Antal Szabo. De setting is een villa aan de Traunsee, een idyllisch oord in Oostenrijk, de mooiste plek op aarde en net zo onwerkelijk als de villa in Liechtenstein. Sebastian maakt daar zijn opwachting in een schitterend hagelwit adelborstuniform. De ik-figuur constateert: ‘Wat Sebastian zelf niet begreep en wat zijn ouders in hun trots weigerden te zien, was het bizarre in de combinatie van deze adelborstuitmonstering en zijn grote, donkere, droeve kijkers. Alsof hij wel de opleiding met succes had voltooid, maar nu al wist dat hij als eerste zou sneuvelen.’ Aan de ene kant lijkt het een niet bestaande setting, een droomwereld, schijnbaar zonder verleden, maar in werkelijkheid is niets zo voelbaar als juist dat verleden. De blinde en zwaar gehandicapte ik-figuur droomt zich, in de persoon van Sebastian, een wereld, waaraan hij nooit zal kunnen deelnemen. Eva wervelt als een sprookjesprinses door de villa, maar kan haar verleden als oorlogswees van Joodse afkomst niet van zich afschudden. Antal Szabo, redder van Eva, voor wie hij ook seksuele verlangens koestert, en verrader van haar ouders aan de Duitsers, wordt geconfronteerd met zijn verleden in de vraag van Sebastian: ‘Waarom bent u nazi geworden?’ en zelfs de villa blijkt bij nadere beschouwing niet zo mooi als het lijkt, maar verkeert in ernstige staat van verval. De droom van Sebastian valt in duigen als hij toevallig ziet dat zijn sprookjesprinses, Eva, de smerige puistenrug van de Heydrich-adept, Antal Szabo, moet verzorgen, iets dat zij kennelijk vrijwillig doet.

    Als Eva Sebastian later in Leiden komt opzoeken, is deze niet meer gekleed in zijn smetteloos witte uniform. Het sprookje is eigenlijk voorbij, hoewel nog niet helemaal. De ik-figuur, Sebastian, neemt Eva nog even mee in zijn droom van een toekomst als zij vanuit de trein een oude, vervallen toren zien staan, die Sebastian wil omtoveren tot een idyllisch slot waarin zij samen gaan leven en weeskinderen adopteren om deze een gelukkig leven en een fijne toekomst te bezorgen. Als Eva hem later aan deze belofte herinnert, blijkt hij van niets meer te weten. Ook letterlijk groeien Sebastian en Eva steeds meer uit elkaar. Als Sebastian voor zijn werk aan een dam in Spanje onverhoopt getuige is van een verkrachting door Nederlandse arbeiders van een jong meisje uit een dorp dat door de bouw van de dam onder water zal komen te staan, grijpt hij niet in, maar onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheid, die verdwijnt met het dorp onder de waterspiegel. Vanaf die tijd zwerft hij rond, komt niet meer thuis, laat Eva in onzekerheid achter en zal haar nooit meer terugzien. Op zijn zwerftochten  komt hij terug bij de villa waar het allemaal begon. Daar treft hij de gehate Antal Szabo aan, de verpersoonlijking van het kwaad, van de vader van de ik-figuur, die Eva van hem wil overnemen en met wie hij een indringend gesprek heeft over de waarde van zijn liefde voor Eva die uiteindelijk, na de gebeurtenissen in Spanje, door hem lelijk in de steek is gelaten. Dat gesprek loopt uit op een vechtpartij waarin hij alles geeft voor Eva. Nadien blijft hij rondzwerven en komt op een van zijn tochten langs het opvanghuis van de ik-figuur, aan wie hij zijn verhaal vertelt.

    Tomas Lieske heeft een bijzonder boek geschreven, dat je niet na één keer lezen goed in beeld hebt. Het heeft een ingewikkelde structuur waarin voortdurend diverse werkelijkheden in elkaar overvloeien. Het is een razend knap gecomponeerd boek dat toch goed leesbaar is, omdat Lieske een prachtig gevoel voor taal heeft en helder schrijft. Het is lezen en herlezen. Dit kan zowel gezien worden als een compliment, maar ook als een bezwaar. Persoonlijk vind ik het een compliment. Het boek blijft ook intrigeren vanwege de psychologische gelaagdheid en diepgang. Steeds ontdekt de lezer weer nieuwe elementen die fascineren. Dit boek is een grote aanwinst voor de Nederlandse literatuur en verdient het wat meer in het licht gezet te worden.