• Een monument voor alle Russische ‘meisjes’

    Een monument voor alle Russische ‘meisjes’

    De Russische schrijver en vredesactivist Daria Serenko (1993) komt na haar afstuderen te werken in een kleine regionale bibliotheek, op een kantoor zonder ramen, maar met fotobehang vol tropisch groen en schuimende watervallen. Verscholen achter grote monitoren zitten, bijna onzichtbaar, ‘de meisjes’. Daria wordt één van ‘de meisjes’ waarop de instituties van de Russische bureaucratie zijn gebouwd. ‘De meisjes’ vormen de kruipolie van het hele staatsapparaat en zijn voor het functioneren daarvan volkomen inwisselbaar. De individualiteit wordt door de tandraderen van dat apparaat vermorzeld. De kalender van de menstruatiecyclus hangt naast die van de belangrijkste data uit de geschiedenis van Rusland. Dit beeld wordt in een prachtige tekening treffend gevisualiseerd door het raamwerk van de maanden van het jaar af te beelden als de spijlen van een cel waarachter ‘de meisjes’ gevangen zitten. Niet zonder een wrang gevoel voor humor schetst Serenko de krankzinnige werking van die bureaucratie in een treffende anekdote. Als kort voor de opening van een tentoonstelling van een beroemde kunstenaar in de galerie waar Daria inmiddels werkt het bericht komt dat de kunstenaar onverwachts is overleden en dat over een paar dagen de begrafenis zal plaatsvinden zodat de tentoonstelling helaas niet kan doorgaan, reageert haar leidinggevende totaal verbijsterd: ‘Overleden? Ik kan niet zomaar iets annuleren dat al naar het departement is gestuurd.’ Als Daria vervolgens antwoordt: ‘Maar ú annuleert het toch niet, dat doet de dood.’, krijgt zij te horen ‘De dood is geen geldig excuus, probeer er een herdenkingstentoonstelling van te maken’.

    Dun ijs is gevaarlijk

    ‘De meisjes’ worden voortdurend in de gaten gehouden en moeten voor elke kleinigheid verantwoording afleggen. Dat de angst een geïnstitutionaliseerd verschijnsel is en voortdurend levend gehouden moet worden, toont de volgende anekdote. Op een gegeven moment komt er een oekaze van het Ministerie van Noodsituaties met het bevel een bepaalde screensaver op alle schermen van de instelling te installeren. De screensaver toont een breed dal met een dichtgevroren, besneeuwde rivier. Een paar seconden gebeurt er dan helemaal niets. Daarna verschijnen er plotseling twee mensen in beeld van op de rug gezien. Zij lopen hand in hand naar de rivier. Daar staan ze even stil. Dan overschrijden zij een grens, stappen op het ijs en verdwijnen onder water zonder nog boven te komen. Boven in beeld verschijnt in grote cursieve letters: Dun ijs is gevaarlijk!  Met andere woorden: ‘Pas op dat je je houd aan de richtlijnen van de staat, anders loopt het niet goed met je af.’

    Niet klein te krijgen, ‘die meisjes’

    Toch zijn ‘de meisjes’ hun individualiteit niet echt kwijt en broeit er onderhuids ook verzet. Soms komt dat tot uiting door het initiatief van een van die rots-in-de-branding-meisjes, Oksana. Zij neemt als eerste ontslag. Daarna pas volgen de anderen, collectief. Aanvankelijk lijkt het goed te gaan met Oksana. Zij gaat samenwonen met haar vrouw, schrijft een roman en krijgt een prijs. Maar dan wordt een heel literatuurfestival waarop zij een lezing zou geven afgelast. Oksana wordt aan de schandpaal genageld als een perverseling, een lesbo, een pot en sodomiet, een heks en een bedreiging voor de traditie. Hoe ‘de meisjes’ ook proberen hun instituties te ontvluchten, de instituties halen ze altijd weer in en verzwelgen ze

    Een tweeluik

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee delen. In het eerste deel, ‘Meisjes en instituties’, geeft Daria Serenko een beschrijving van haar werkervaringen in overheidsinstellingen als bibliotheken, galeries en universiteiten na haar afstuderen.

    Deel twee gaat over haar leven in de gevangenis. Zij was aanhanger van Navalny en werd opgepakt tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Oekraïne. In de gevangenis krijgt zij te maken met het keiharde regime dat daar geldt, waarin lichamelijk geweld, seksuele intimidatie en eenzame opsluiting behoren tot het standaardrepertoire om mensen geestelijk te breken. Daar komt zij echter ook in contact met mensen uit sociale lagen van de bevolking die haar eigenlijk vreemd zijn. Zelf heeft zij een intellectuele achtergrond van mensen uit een universitair milieu waarin boeken en tijdschriften gelezen worden, en waarin gediscussieerd wordt over politiek. In de gevangenis zitten veelal mensen die een misdrijf hebben begaan, die gewend zijn van dag tot dag te leven en in wier leven dronkenschap en prostitutie de gewoonste zaken van de wereld zijn. Er zitten weinig ‘politieken’ in de gevangenis. Die worden dan ook vol wantrouwen bekeken. Als zij na haar eenzame opsluiting een paar volksvrouwen als celgenoten krijgt, moet zij eerst door dat wantrouwen heen breken. Dan ontstaat er begrip en uiteindelijk ook een band tussen de vrouwen.

    Requiem voor Rusland

    Steeds meer komt Daria Serenko er achter dat zij het leven in Rusland haat, dat zij het land haat dat gebouwd is op onderdrukking, op leugens en geschiedvervalsing, hoeveel pijn het ook kost om dit voor zichzelf te erkennen. Na haar vrijlating gaat zij, zoals zoveel Russen, in ballingschap naar Georgië.

    De situatie in het huidige Rusland is, zeker voor vrouwen, hopeloos, vooral na de dood van Navalny van wie Serenko een vurig aanhanger was. Ik wens mijn huis as is een vlammende kreet van verontwaardiging, pijn en wanhoop van een getormenteerde schrijver. Het is een hartstochtelijk requiem in woord en beeld voor de meisjes van Rusland, zoals zij haar seksegenoten werkzaam in alle geledingen van de Russische bureaucratie noemt. Persoonlijke anekdotes op de werkvloer en in de gevangenis zet zij kracht bij in wrange, maar ook ontroerende tekeningen en in beklemmende gedichten, die je soms tot tranen toe beroeren. Zo richt Daria Serenko in Ik wens mijn huis as een klein monument op voor, wat zij noemt, alle Russische meisjes.

     

  • Peultjes, prei en schorseneren

    Peultjes, prei en schorseneren

    De onlangs overleden Albanese schrijver Ismail Kadare wordt algemeen beschouwd als een van de grootste schrijvers van zijn tijd. In het communistische Albanië van diktator Enver Hoxha heeft hij getracht een modus te vinden om als kritisch schrijver actief te blijven zonder zich al te veel te vereenzelvigen met het regime. Hij deed dit door zijn politieke boodschappen te verpakken in legendes, volksverhalen, parabels, allegorieën, satiren en insinuaties. Hoewel hij op deze manier hoopte buiten schot te blijven van de censuur, is hem dit niet altijd gelukt.

    De geheime dienst

    Hoewel Kadare zijn boek Het Dromenpaleis situeert in het 17e eeuwse Istanbul, de hoofdstad van het multiculturele Ottomaanse Rijk, waar Albanië indertijd deel van uitmaakte, gaat het in werkelijkheid om het Albanië van Hoxha. De hoofdpersoon in het verhaal is Mark-Alem, een telg uit een aanzienlijke familie met Albanese roots. Het Dromenpaleis is een uiterst geheime en geheimzinnige instelling en een broeinest van politieke intriges. Daar worden de dromen van alle mensen in het rijk verzameld, geselecteerd, geanalyseerd en geïnterpreteerd, een soort geheime dienst avant la lettre. Elke dag worden de dromen met speciale bodes uit het hele rijk verzameld en afgeleverd bij het paleis. Zo komt de regering te weten wat er zoal leeft onder de bevolking. Elke vrijdag wordt er op de afdeling Meesterdromen één droom uitgekozen als meesterdroom. Deze wordt plechtig overhandigd aan de sultan. De meesterdroom kan, zoals overigens ook andere dromen, grote gevolgen hebben voor de situatie in het rijk. Dromen worden niet alleen beoordeeld op particulier niveau om te zien of iemand een mogelijk gevaar kan opleveren voor de sultan en zijn coterie, maar ook op meer algemeen niveau. Zo kan het zijn dat uit bepaalde gebieden in het rijk nogal wat nachtmerries en koortsdromen komen. Dit kan duiden op onrust onder de bevolking aldaar zodat er wat meer militaire aandacht nodig is.

    De droom van de groenteman

    Door zijn machtige familie wordt er op Mark-Alem druk uitgeoefend een baan te nemen bij het Dromenpaleis. Geheel tegen de gebruiken van het paleis in krijgt hij meteen een baan op de afdeling Selectie, een van de hoogste afdelingen in de bureaucratische hiërarchie. Men heeft ‘buitengewoon hoge verwachtingen’ van hem. Die ‘hoge verwachtingen’ zorgen er voor dat hij ook later pijlsnel carrière maakt in de organisatie en al spoedig doorstroomt naar de afdeling Interpretatie. Voor het interpreteren van dromen is een goede kennis van de symboliek in dromen van wezenlijk belang. Tijdens zijn werk stuit hij op een droom van een Albanese groenteman waar een brug in voorkomt. De symbolische betekenis van het woord ‘brug’ in deze droom doet hem denken aan zijn familienaam Qyprilli, die taalkundig ook gebaseerd is op het woord ‘brug’. Grappig, of toch niet?

    Tijdens zijn gang door de verschillende afdelingen raakt Mark-Alem voortdurend de weg kwijt en dwaalt hij, zonder iemand tegen te komen, door de schaars verlichte krochten van het immense bouwwerk. Telkens als hij de wanhoop nabij is, vindt hij weer een ingang naar de afdeling waarnaar hij op zoek is. Contact met andere ambtenaren op zijn afdeling heeft hij niet. Iedereen werkt stil voor zichzelf aan de stapel dromen op zijn bureau. Alleen tijdens de pauze kan hij in contact komen met anderen. Daar hoort hij van iemand van de afdeling Kopiëer dat er ook isoleercellen in het gebouw zijn en dat in één van die cellen iemand al veertig dagen lang dag en nacht wordt ondervraagd naar aanleiding van zijn droom. Zijn dossier bevat inmiddels honderden pagina’s. Mark-Alem krijgt steeds somberder en angstiger gevoelens, zeker als hij voor de tweede keer dezelfde droom op zijn bureau aantreft van de Albanese groenteman. De huiveringwekkende kant van het Dromenpaleis krijgt hem steeds meer in zijn greep.

    Als hij op een familiebijeenkomst hoort dat zijn oom Kurt hoog opgeeft van het feit dat de Albanese familie Qyprilli de enige familie in het Rijk is waarover een echt epos is geschreven, iets waarop zelfs de familie van de sultan niet kan bogen, ziet Mark-Alem dat zijn andere oom, de grootvizier, somber begint te kijken, zeker als oom Kurt belooft de volgende keer te zorgen voor een Albanese groep rapsoden om het epos muzikaal ten gehore te brengen. Na een privégesprek met zijn oom, de grootvizier, die hem vertelt dat er soms sprake is van het bewust in omloop brengen van valse dromen, voelt Mark-Alem zich steeds meer een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de macht. Hij hoort dat zijn directeur verwikkeld is een machtsstrijd met zijn familie en hij vermoedt dat de droom van de groenteman, over de brug, op zijn bureau een provocatie moet zijn. In de daarop volgende dagen is er onrust in de stad met veel militair vertoon en wordt zijn oom Kurt gearresteerd. Mark-Alem is totaal geschokt als hij hoort dat de droom van de groenteman inderdaad de meesterdroom is die de afgelopen dagen gezorgd heeft voor alle onrust. Op zoek naar het dossier van de Groenteman in het Archief stuit hij onverwacht op een stoet bewakers die een lijkkist torst. Zou daar de groenteman in liggen wiens dossier uit niets anders blijkt te bestaan dan uit honderden pagina’s lange opsommingen van zaken als de prijs van peultjes, prei en schorseneren op bepaalde dagen in bepaalde seizoenen?

    De ander, dat ben jezelf

    Ismaïl Kadare heeft een indringend boek geschreven over het Albanië van Enver Hoxha, waar de angst te worden opgepakt door de geheime politie regeert en waar niemand veilig is. De situering in het labyrintachtige Dromenpaleis heeft sterke Kafkaëske trekken. De staat die het menselijk individu wil controleren door te regeren over zijn meest geheime gedachten, krijgt in dit boek gestalte in het Dromenpaleis. In onze huidige wereld zien wij deze controledwang vooral terug in dictatoriale landen als China. Maar ook in onze eigen Westerse wereld worden wij steeds meer beheerst door de angst voor de ander en neemt de invloed van geheime diensten sterk toe. Het boek van Kadare bevat een uiterst actuele boodschap en heeft een tijdloos karakter.

     

     

  • Een Olympische prestatie

    Een Olympische prestatie

    In zijn boek Russische Spelen wijst Rolf Bos erop dat het besluit de oude Olympische Spelen nieuw leven in te blazen duidelijk gestoeld was op militaristische gronden. Er was fysiek deugdelijker kanonnenvoer nodig. Zowel de Fransman Pierre de Coubertin als de Russische generaal Aleksei Butovski waren onthutst over de slechte lichamelijke conditie van ‘hun jongens’ tijdens respectievelijk de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en de Krimoorlog (1853-1856). Sport en politiek blijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was toen zo en is ook nu nog ontegenzeglijk het geval. Zo stelde president Macron de vorming van een nieuwe regering op basis van een overduidelijke verkiezingsuitslag uit tot na de Spelen in 2024, omdat hem dit politiek beter uitkomt, en is Rusland niet welkom op de Spelen vanwege de oorlog in Oekraïne. Rolf Bos maakt die verwevenheid tussen sport en politiek in een uitgebalanceerde studie over de Russische Spelen van 1980 inzichtelijk.

    De kleinheid van grote politiek

    De toewijzing van de Spelen aan Moskou heeft een politieke achtergrond. De verhoudingen tussen Oost en West zijn in 1974 veel minder gespannen dan in de daaraan voorafgaande periode, mede als gevolg van wat genoemd wordt de Cadillacdiplomatie tussen de partijleider van de voormalige Sovjet- Unie, Leonid Breznjev, en de Amerikaanse president Richard Nixon. Breznjev is dol op mooie auto’s en tijdens elke ontmoeting tussen de beide heren krijgt hij er weer een cadeau. Door zijn beschrijving van dit soort onthutsende details over de grote politiek weet Rolf Bos een heerlijke leessfeer te creëren. Hoewel de toewijzing van de Spelen behoort tot de competentie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en niet tot die van nationale regeringen, zou tijdens zo’n toponderonsje in 1974 over de vermindering van kernwapens overeengekomen zijn de organisatie van de Olympische Spelen van 1980 aan Rusland te gunnen en die van 1984 aan de Verenigde Staten. Dit handjeklap-spelen tussen wereldleiders onderling met schoffering van het IOC, werd natuurlijk niet officieel geboekstaafd, maar de aanwijzingen daarvoor blijken wel erg overtuigend te zijn.

    Voor de Amerikaanse president Carter ziet het er aan het eind van zijn eerste ambtstermijn in 1979 somber uit voor wat betreft zijn kansen op herverkiezing. Zijn populariteit is laag. De werkloosheidscijfers zijn hoog evenals de inflatiecijfers. De dollar daalt in waarde. Daarnaast is de Sjah als steunpilaar van de Amerikanen in Iran van het toneel verdwenen en vervangen door de Islamitische geestelijke Ayatollah Khomeiny en worden er al wekenlang Amerikaanse burgers gegijzeld in de ambassade in Teheran. Als dan in 1979 de Russen ook nog eens Afghanistan binnenvallen, is de maat voor president Carter vol en roept hij de internationale sportwereld op de Olympische Spelen in Moskou te boycotten. Hoewel de meeste westerse regeringen, behalve de Franse regering, gevolg geven aan deze oproep, geldt dit niet voor alle nationale Olympische Comités in die landen. Zo besluit het Nederlands Olympisch Comité (het NOC), evenals het Britse, de boycotoproep van hun regering niet te volgen en het aan de sporters zelf over te laten of zij willen deelnemen aan de Spelen of niet. De Bondsrepubliek voelt zich in die jaren nog niet bij machte een onafhankelijke koers van Amerika te varen. Dit geldt ook voor het West-Duitse Olympisch Comité ondanks het hartstochtelijke pleidooi van de gelauwerde Duitse schermer Thomas Bach. Sport blijkt eens te meer de barometer van de politieke verhoudingen te zijn.

    Uit liefde voor de sport

    Toch heeft Rolf Bos geen louter politiek boek willen schrijven. Hij laat zich kennen als een echte sportliefhebber. Met een gevoel van meeleven beschrijft hij hoe individuele sporters zich jarenlang hebben voorbereid op de Spelen en nu plotseling door een twijfelachtige politieke beslissing hun droom in rook zien opgaan. Het onrecht wordt diep gevoeld, dat de morele verontwaardiging over de Russische inval wel gaat ten koste van de individuele sporters, maar niet ten koste van grote bedrijven die flink verdienen aan de Spelen. Met veel warmte en respect verwerkt Rolf Bos in zijn boek het verhaal van de Nederlandse zilveren medaillewinnaar op de marathon Gerard Nijboer. We volgen hem tijdens zijn training langs de grachten van het roerige Amsterdam ten tijde van de kroning van Beatrix en overal de leuze ‘Geen woning, geen kroning!’, langs het beeld van Rembrandt, naar Ouderkerk, langs de oude Joodse begraafplaats en de polder De Ronde Hoep. We lezen over het drama van het 14-jarige zwemtalent Conny van Bentum die het in haar glorietijd moet opnemen tegen de afgevaardigden van de Duitse Doping Republiek en het juryschandaal rond de Roemeense turnster Nadia Comâneci en haar van woede briesende trainer Béla Károlyi. Tenslotte besteedt Bos ruim aandacht aan de mogelijkheden die journalisten hebben om in vrijheid hun reportages te maken in een stad die tevoren is ontdaan van bedelende kinderen en ander ongewenst volk. Hij beschrijft hoe journalisten als Mart Smeets en Barend en Van Dorp hun werk trachten te doen, hoe Alexander Munninghof op bezoek gaat bij Jelena Bonner, de vrouw van de beroemde dissident Andreï Sacharov in Moskou en hoe André Naber in het geheim per trein op bezoek probeert te gaan bij Sacharov zelf in de verboden dissidentenstad Gorki.

    Tussen droom en werkelijkheid

    Bos heeft een rijk boek geschreven, uitstekend gedocumenteerd en benaderd vanuit verschillende invalshoeken. Het gaat om de interactie tussen grote politiek en de weerslag daarvan op de individuele sporter, maar ook over moraliteit. De Olympische gedachte houdt in dat sport iets is voor iedereen, ongeacht politieke kleur, etnische afkomst, genderneutraal, rijk en arm. Sport zou de vertolker van vrede moeten zijn. Oorlogen worden stilgelegd en iedereen strijdt met elkaar op basis van gelijkwaardigheid. In zijn boek beschrijft Bos het verschil tussen droom en werkelijkheid, maar betoont hij zich een pleitbezorger van de droom. Kortom, Rolf Bos heeft een prachtig boek geschreven.

     

     

  • De kracht van fictie

    De kracht van fictie

    ‘Maar deze nacht, in de Moezelvallei, met de trein die fluit en mijn kameraad uit Semur, ben ik twintig jaar en lap ik het verleden aan mijn reet.’ Deze verzuchting slaakt de twintigjarige Jorge Semprun in 1943 tijdens de vierde nacht in de treinwagon waarin hij met 120 mensen zit opgesloten met, wat pas later zal blijken, bestemming Buchenwald. In De grote reis legt de Spaanse schrijver Jorge Semprun in een autobiografisch memoir over zijn ‘reis’ verantwoording af van wat hij gezien en ervaren heeft. In de wagon beseft hij dat hij dit niet nu, maar pas later, na vijftien jaar misschien, kan doen. Semprun vertelt zijn verhaal vooral via gesprekken, die hij in de treinwagon heeft met een Franse jongen uit Semur, die tegen hem aangeklampt staat in de opeengepakte wagon en die hij heeft leren kennen in het kamp in Compiègne.

    Zijn boek, De grote reis, zal pas in 1962 in druk verschijnen. Hij heeft er dan wel al jaren aan gewerkt. Uit zijn beschrijving van het overlijden van een oude man onderweg in de treinwagon blijkt hoezeer zijn denken over leven en dood zich tijdens de reis heeft ontwikkeld. De oude man komt te overlijden ondanks pogingen van de jongen uit Semur hem te helpen. ‘“Het zal wel iets met het hart zijn”, zegt de jongen uit Semur. “Het is een heel gewone gebeurtenis, een hartaanval, het had hem ook aan de oever van de Marne kunnen overkomen, terwijl hij zat te hengelen.”’ Deze geruststellende gedachte over de dood werpt Semprun in een indrukwekkende vertelling verre van zich af. Door de oude man in een laatste opflakkering van levenskracht te laten zeggen: ‘Geven jullie je er wel rekenschap van?’, laat hij zien dat de oude man natuurlijk niet is gestorven aan een hartaanval, maar is vermoord en dat het zijn plicht is dit verhaal te vertellen aan het nageslacht. Fictie geeft Semprun de vrijheid om datgene wat hij wil vertellen zo sterk mogelijk te laten overkomen. Hij heeft immers een boodschap.

    Wie is Jorge Semprun

    Semprun komt uit een familie die zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog schaart aan de kant van de Republikeinse regering in haar verzet tegen de fascistische generaal Franco. Zijn vader is ambassadeur van de Spaanse Republiek in Den Haag. Na de overwinning van Franco en de erkenning van zijn regime door de Nederlandse regering keert het tij en gaat de familie Semprun in maart 1939 in ballingschap in Parijs. Als de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, sluit de achttienjarige Jorge zich aan bij het communistische verzet. In januari 1943 wordt hij in de buurt van Auxerre gearresteerd door de Gestapo en, na een kort verblijf in een doorgangskamp in Compiègne, op transport gesteld naar, wat later blijkt, kamp Buchenwald.

    Leren om te begrijpen en begrijpen om te leren

    In De grote reis doet Semprun in zijn gesprekken niet alleen verslag van zijn reiservaringen in de wagon, zijn activiteiten in het verzet, zijn arrestatie en zijn ervaringen in de kampen in Auxerre en Compiègne, maar ook van de intens gevoelde kameraadschap met zijn medeverzetsstijders en zijn filosofische inzichten gebaseerd op intensieve studie van de geschriften van de grote marxistische denkers. Semprun is in die tijd nog een echte marxist. Dit blijkt heel duidelijk in zijn weergave van het prachtige en principiële gesprek met de Franse gevangenenbewaker in Auxerre over het begrip ‘vrijheid’. Semprun wil de lezer meenemen in zijn denken, hij wil hem iets leren. De roman geeft hem de vrijheid zijn getuigenis vorm te geven. Het opvoeren van, wat hij later zelf zal erkennen, de gefingeerde jongen uit Semur is een stilistische truc. Hij doet dienst als praatpaal, kameraad en leerling. Bepaald indrukwekkend is het te zien hoe Semprun oog heeft voor zowel het grote lijden van de mens als het kleine, individuele lijden.

    Een voorbeeld van het grote lijden is zijn huiveringwekkende verslag van de aankomst in Buchenwald van het kindertransport uit Polen aan het einde van de oorlog. Een prachtig voorbeeld van het individuele lijden geeft hij in zijn verhaal over de Joodse vrouw, die hij in 1941/42 ontmoet in Parijs, als zij verweest zoekend om zich heen kijkt en hij haar aanklampt met de vraag of hij haar misschien ergens mee kan helpen. Hij ziet als het ware de dood in haar ogen, die ver aan hem voorbij kijken, in haar verleden, lijkt het wel. Als hij haar na de oorlog opnieuw tegenkomt ontdekt hij, wat hij eigenlijk al weet, dat zij een kampnummer heeft en een overlevende is van Auschwitz. Op zijn vraag of zij zich nog iets herinnert van hun ontmoeting eertijds, reageert zij zeer afhoudend, terwijl je eigenlijk zou denken dat zij inmiddels een band hebben door hun gemeenschappelijke kampervaringen. Echter, hij kan haar niet begrijpen, omdat hij geen Jood is en vrienden heeft.

    Een meesterwerk

    Het onlangs bij uitgeverij Schokland in de serie Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven boek De grote reis van Jorge Semprun is maatschappelijk en literair gezien een meesterwerk. Maatschappelijk gezien omdat Semprun als getuige een beeld schetst van het verbijsterende en mensonterende kwaad dat fascisme heet, wat de gevolgen van wegkijken kunnen zijn en waarvan wij weten dat de uitwassen daarvan, ook wat ons betreft, niet ver weg zijn. Literair gezien omdat Semprun een hoogst originele verteltechtniek toepast, kenmerkend voor zijn hele oeuvre. Zo schrijft hij niet alleen over zijn gesprekken met de jongen uit Semur, die natuurlijk gaan over zijn verleden in het verzet en hun belevenissen in de trein, maar houdt hij ook bespiegelingen over de bevrijding en de jaren daarna. Het boek is immers pas in 1962 gepubliceerd.

     

     

  • Over de gele soepterrine

    Over de gele soepterrine

    Plotseling was zij weg als presentator van het populaire televisieprogramma Heel Holland Bakt, Martine Bijl, getroffen door een hersenbloeding. Het programma werd overgenomen door André van Duijn. Martine Bijl maakte carrière als zangeres van het Nederlandse luisterlied, als actrice, schrijfster en cabaretier, maar bij het grote publiek was zij de laatste jaren vooral bekend van de reclame en als presentator van bovengenoemd programma. Zij was getrouwd met Berend Boudewijn, jarenlang een bekende persoonlijkheid in de Nederlandse amusementswereld. Na een ziekbed van een kleine vier jaar overleed zij in mei 2019. In zijn boek Wie houdt je warm in de winter?, waarvan de titel ontleend is aan een van haar gedichten, reflecteert Berend Boudewijn op zijn leven na haar dood. Het boek is absoluut geen larmoyante onderdompeling in zijn verdriet over haar gemis. Het is veeleer een liefdevolle bespiegeling van een man, zelf in zijn laatste levensjaren, op zijn leven met en zonder haar.

    Vergeetwoorden

    Berend Boudewijn valt als het ware met de deur in huis door zijn boek te beginnen met de constatering: ‘Daar zit meneertje dan in zijn grote huis, alweer drieënhalf jaar alleen. Zo zat hij te denken. Zo zag hij zichzelf zitten denken.’ Hij deelt met de lezer zijn persoonlijke kijk op zijn leven. Door in zijn relaas consequent te kiezen voor het hij-perspectief zorgt Boudewijn voor de nodige distantie tussen zijn gevoelens en de weerslag daarvan op de lezer. De toon is beschouwend, soms licht spottend of ironisch als hij de draak steekt met zichzelf of zijn omgeving. Juist deze licht relativerende afstandelijkheid zorgt ervoor dat zijn boek niet alleen een ontroerend inkijkje geeft in de zielewereld van de oude Berend Boudewijn, maar tevens een kleinood oplevert van een meer algemene strekking en dat is prachtige literatuur. Zijn toonzetting sluit naadloos aan bij de lieve, soms zelfs vileine en ironische toon die wij kennen van Martine Bijl en waaraan zij een groot deel van haar populariteit te danken heeft. In deze zin is het boek wel degelijk ook een ode aan Martine Bijl.

    Berend Boudewijn getuigt via de taal van zijn diep gevoelde zielsverwantschap met Martine Bijl. Dit wordt nog versterkt door het gebruik van wat Frits Spits in zijn programma De Taalstaat vergeetwoorden noemt zoals ‘gebelgd’ en ‘blohartig’. Gelukkig is de dosering hiervan heel zorgvuldig en zit het de leesbaarheid niet in de weg. Dat Berend Boudewijn en Martine Bijl beiden furore hebben gemaakt in de wereld van het amusement laat zich duidelijk aflezen uit het gebruik van korte, heldere zinnen zoals kenmerkend zijn voor cabaretteksten en luisterliedjes. Hij sluit het boek dan ook passend af door te refereren aan zijn openingszin: ‘Zo ziet meneertje zichzelf zitten denken in zijn grote huis.’

    Een hoop vragen

    De overpeinzingen in het boek hebben een vaak nostalgisch, weemoedig karakter. De tekening op de kaft van Marion Vrijburg, die doet denken aan de grote reclameposters van de Rotterdamsche levensverzekeringsmaatscappij van 1830, accenteert dit mooi. De alom aanwezigheid van de overleden Martine in zijn huis valt af te lezen aan de titels van haar boeken, de dofzwarte, ooit drooggekookte ketel die decoratief staat te wezen op het AGA-fornuis, de gele soepterrine zo sfeervol uitgestald op het witte servies achter de ruitjes van de ouderwetse inbouwkast in de keuken, de geur van haar kledingstukken, de inrichting van het huis, haar zorgzame gerommel in de tuin, de lege plek naast hem in bed. Ook in zijn relatie met vrienden en kennissen laat het gemis zich kennen, wat leidt tot gevoelens van eenzaamheid. Vaak blijkt zo’n relatie niet één op één te werken, maar is ze gekoppeld aan hen samen. Het gemis staat ook oprechte belangstelling voor de zorgen van de ander in de weg waardoor zo’n vriendschap erodeert. Wat voor man zou hij geweest zijn als hij Martine nooit had ontmoet? Hoe moet hij nu verder? Wat voor man is hij nu nog?

    Herinneringen aan zijn ouderlijk huis, aan andere verliefdheden vóór Martine komen boven drijven. Hoe zou zijn leven dan verlopen zijn? Hoe zien de anderen hem nu? Is hij een zielige, oude man in hun ogen? Moet hij trachten zich tegen dit beeld te weer te stellen door zich sterker voor te doen dan hij in werkelijkheid is? Zal hij nu eindelijk het laatste boek dat Martine bij zich had toen zij van de trap viel, gaan lezen? Dat boek met dat kleine bloedspoortje van de val er nog op: Biografie van een eigenwijze kunstenaar.Het zijn allemaal vragen die iemand zich stelt om de balans van zijn leven op te maken na een groot verlies. Het feit alleen al dat Berend Boudewijn dit boek heeft geschreven maakt duidelijk dat voor hem de balans positief is. Het schetst een beeld van een rijk, zorgzaam en liefdevol leven. De literaire kwaliteit van het boek zorgt ervoor dat het het persoonlijke beeld overstijgt en een ereplaatsje verdient temidden van de autobiografische geschriften van bekende Nederlandse persoonlijkheden.

     

  • Hommage aan een schrijver van fijne kinderboeken

    Hommage aan een schrijver van fijne kinderboeken

    De wonderbenen van Umberto is een heruitgave van een boek uit 1965. In 1966 is het gekozen tot beste kinderboek van het jaar, een voorloper van de Gouden Griffel. Het is, aldus de huidige uitgave, bestemd voor jongens en meisjes van acht jaar en ouder, al werd het in 1965 ongetwijfeld gezien als een typisch jongensboek. Ton Oosterhuis is een gevierd kinderboekenschrijver en wordt door de Volkskrant bij zijn overlijden in 2017 geëerd met de titel ‘Homo Universalis van rode snit’.

    […]

    Een absolute meerwaarde bij het boek vormen de tekeningen van de jonge Peter van Straaten. Volgens sommigen gaat tekenen voor een groot deel over de kunst van het weglaten. In die zin is het prachtig om te zien hoe hij nog zoekende is naar de vaste vorm die zijn latere tekeningen kenmerken. Zo bezien is dit boek niet alleen een hommage aan Ton Oosterhuis, maar ook aan Peter van Straaten.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Verstrekkende betekenis van de Mauthausen Cyclus

    Verstrekkende betekenis van de Mauthausen Cyclus

     Hoe mooi is mijn geliefde
     Met haar doordeweekse jurk

     Met een kammetje in haar haar.
     Niemand wist dat zij zo mooi is.
     Meisjes van Auschwitz,
     Dachau meisjes
     Hebben jullie mijn geliefde gezien?


    Dit is een fragment uit één van de vier gedichten van Jacovos Kambanellis, door Mikis Theodorakis op muziek gezet en bekend als de Mauthausen Cyclus. Zondag 28 januari was het Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust. Het projectkoor Mazi verzorgde die dag een uitvoering van de Mauthausen Cyclus in de Remonstrantse Kerk, een 17e eeuwse schuilkerk
    in Alkmaar niet zichtbaar vanaf de openbare weg en een passende locatie voor een uitvoering van de Mauthausen Cyclus. Het zaaltje zat vol oudere mensen. Waarom waren er geen jonge mensen? Verdwijnt een begrip als Mauthausen langzamerhand steeds meer uit ons collectieve geheugen? Zal dit ook gelden voor Dachau en Auschwitz? Tijdens het concert betrapte ik mij op de gedachte dat er onder de toehoorders, ongetwijfeld gegrepen door de schoonheid van de muziek en verbijsterd door de bezongen verschrikkingen van de holocaust, totaal verschillende gedachten leven ten aanzien van de gebeurtenissen in de Gazastrook. Bizar dat juist Israël zich hedentendage voor de rechtbank moest verdedigen tegen de beschuldiging van genocide. Tijdens de nabespreking van het concert ging het echter alleen over de schoonheid van de muziek en de prachtige vertolking daarvan door Mazi. Misschien wel goed ook. 

    Voor mij is de de Mauthausen Cyclus nauw verbonden met de jaren van mijn politieke bewustwording. De militaire staatsgreep in Griekenland kreeg veel aandacht in Nederland en leidde er zelfs toe dat een vakantie naar Griekenland door menigeen werd gezien als collaboratie met het militaire bewind. Mijn belangstelling werd gewekt, ik ging lezen over Mauthausen, Dachau, Bergen-Belsen en Auschwitz.

    Auschwitz, dat was het concentratiekamp waarheen dr. Stoppelman (1914-1994) in 1944 na verraden te zijn in de onderduik, op transport werd gesteld. Stoppelman overleefde het kamp en was een van de belangrijkste getuigen in het proces tegen kamparts Mengele. Na de oorlog was zij kinderarts in het Binnengasthuis in Amsterdam waar ik als kind eens was opgenomen. Ik zie haar nog voor me. Een kleine vrouw met een vriendelijke uitstraling, grijs haar in een knotje, een bril op en vol belangstelling voor haar patiëntjes. Altijd droeg zij een witte doktersjas met korte mouwen, het getatoeëerde nummer op haar arm duidelijk zichtbaar. Pas later begreep ik dat dit het kampnummer was uit Auschwitz. Mijn vader vertelde mij dat zij, bij mijn aanmelding als patiënt, vroeg of de naam Bartman geschreven werd met één of twee ‘ennen’.

    Lange tijd zijn mijn herinneringen aan haar naar de achtergrond verdwenen tot ik plotseling in de Volkskrant (29 januari 2022) een paginagrote foto van haar zag staan. Ik was er diep door geschokt, zeker na lezing van haar aangrijpende levensverhaal van de hand van Ellen de Visser. Ik heb haar naam opgezocht op het Holocaustmonument in Amsterdam, wat grote indruk op me maakte. Haar naam daar op die muur te zien gaf voor mij betekenis aan al die namen op die muur. Men moet zich ervoor hoeden te verdrinken in grote aantallen. Je moet de eenling blijven zien. Later ben ik met mijn dochter afgereisd naar Vilnius in Litouwen en heb daar de massa-executieplaatsen bezocht bij Paneriai. We waren met stomheid geslagen, mijn dochter is mij toen dichterbij gekomen. Onlangs werd ik daar weer aan herinnerd bij het lezen van het hoofdstuk De grote begraafplaats van de Joden in het boek Duister Europa van Robert D. Kaplan, over de ontwikkelingen in wat hij noemt, Groot-Roemenië. 

    De Mauthausenliederen hebben een verstrekkender betekenis. De liederen, destijds vertolkt door Maria Faradouri, vonden een enorme weerklank in Griekenland. Na de Tweede Wereldoorlog raakte Griekenland als eerste betrokken bij de Koude Oorlog. Stalin en Churchill speelden eind 1944 in het geheim handjeklap en maakten op de achterkant van een lucifersdoosje de afgespraak dat Stalin voor 90% zijn gang kon gaan in Roemenië, Hongarije, Bulgarije en Joegoslavië, terwijl Engeland het voor het zeggen zou hebben in Griekenland. Griekenland raakte verzeild in een burgeroorlog (1946-1949) tussen enerszijds de communisten en anderszijds de door Engeland en Amerika gesteunde conservatieve regering. Een regering die zwaar leunde op ex-fascisten die nauw hadden samengewerkt met de Duitsers en gruwelijk hadden huisgehouden onder het grotendeels uit communisten bestaande verzet. De Engelsen en Amerikanen hadden hier geen moeite mee. Immers, ex-fascisten waren de beste anti-communisten.

    Deze gebeurtenissen zijn aangrijpend op familieniveau beschreven door Periclis Sfyridis in zijn boek Blauwe en rode ziel. In het jaar van het verschijnen van de Mauthausen Cyclus in 1967, vond er in Griekenland een militaire staatsgreep plaats. De Mauthausenliederen werden verboden, Theodorakis gearresteerd. Hij verdween zoals zovele anderen, in de kerkers van het kolonelsregime. Zo werden zijn liederen verzetsliederen en werden in gevangenissen gezongen en geneuried. Theodorakis kreeg een heldenstatus, niet alleen in Griekenland, maar ook in Nederland. Waar de roerige jaren zestig met zijn anti-Amerikaanse inslag door de dagelijkse tv-beelden van de oorlog in Vietnam een aanvang namen. Tegen deze achtergrond moet de impact van de Mauthausenliederen op mij gezien worden.

     

     Meisje met je bange ogen
     Meisje met je ijskoude handen
     als de oorlog voorbij is,
     vergeet me niet.
     Vreugde der wereld,
     kom naar de poort
     Laten we elkaar kussen op de weg
     Laten we elkaar omhelzen op het plein

     


     

    Misschien is deze column over het leven van Marie Stoppelman ook interessant om te lezen.

     

  • Wie ben ik?

    Wie ben ik?

    In Zing voor me morgen stelt Deniz Kuypers opnieuw zijn familieachtergrond centraal. Draait het in het vorige boek, De atlas van overal, om zijn Turkse vader, in Zing voor me morgen duikt Kuypers dieper zijn Nederlandse verleden in en tracht hij de achtergrond van zijn moeder, Lucia, te ontrafelen.
    Het veel geroemde De atlas van overal heeft geleid tot een breuk met zijn ouders. In dat boek komt zijn vader er niet zo goed vanaf. Zijn vader is als buitenlandse werknemer naar Nederland gekomen waar hij genoodzaakt is werk te verrichten ver onder zijn niveau. In Nederland is hij getrouwd met Lucia, bij wie hij twee kinderen heeft. Daarnaast onderhoudt hij een gezin in Turkije, waar hij regelmatig heen gaat. Lucia weet hiervan. Dit gespleten leven leidt ertoe dat zijn vader zich eigenlijk nergens thuis voelt. Dit veroorzaakt veel ruzie en geweld in het gezin.

    De atlas van overal heeft voor veel ophef gezorgd binnen de Turkse gemeenschap van zijn vader. Zijn vader is erop aangesproken. Het wordt in die kring gezien als een boek waarin de vuile was van de familie wordt buiten gehangen, waardoor de hele gemeenschap besmet raakt.

    In Zing voor me morgen opent Kuypers met een compilatie van de correspondentie die hij met zijn moeder heeft gevoerd over zijn vorige boek. Zijn moeder biedt haar excuses aan voor wat zich allemaal in het gezin heeft afgespeeld en erkent dat er veel dingen zijn misgegaan in zijn jeugd. Zij verontschuldigt zich daarvoor met een verwijzing naar haar eigen kinderjaren. Daarnaast wijst zij op de overeenkomst tussen zijn eigen leven en het leven van zijn vader. Beiden zijn immigranten in een ander land. Zijn vader vanuit Turkije in Nederland en hij vanuit Nederland in Amerika. Dit heeft Deniz Kuypers geïnspireerd tot het schrijven van Zing voor me morgen.

    Graven in het verleden

    Kuypers gaat op zoek naar gegevens over het leven van zijn overgrootmoeder Levina, zijn oma Nel en zijn moeder Lucia. Hij duikt daarvoor in de archieven, zoekt contact met familieleden en doet onderzoek op locatie. Daar waar de feiten verborgen blijven in de schoot van het verleden, permitteert Kuypers zich de vrijheid hier op eigen wijze invulling aan te geven en, omdat hij zeer beeldend kan schrijven, levert dit een meeslepende zoektocht op. Hij ontdekt een patroon in de levens van de drie vrouwen. Alle drie zijn ze ongewenst zwanger geraakt van een man die al een ander gezin blijkt te hebben.

    In het eerste hoofdstuk laat Kuypers je meeleven met de strijd die Levina moet voeren om zich als alleenstaande moeder overeind te houden in het leven aan het begin van de twintigste eeuw, zonder sociale wetgeving en afhankelijk van de almacht van de kerk. Geheel in de beste traditie van de sociale roman uit die tijd beschrijft Kuypers hoe Levina, uitgekotst door haar familie, ten einde raad aanklopt met haar dikke buik bij Beth Palet, een kerkelijke stichting voor de opvang van ‘gevallen vrouwen’, op de Prinsengracht in Amsterdam. Als zij daar, na haar bevalling, besluit weg te gaan, laat zij haar zoontje Jan achter in het tehuis. Om de pijn van het afscheid te verlichten heeft Levina ervoor gezorgd zich niet te veel aan haar zoontje te hechten. Zij kan op dat moment niet voor hem zorgen. Later, als het haar beter gaat, wil zij hem ophalen. Omdat zij gehoord heeft dat kinderen in Beth Palet regelmatig verwisseld of weggegeven worden, heeft zij, in haar wanhoop, de baby met een keukenmes gestoken in zijn hiel. Aan het litteken dat hij hieraan overhoudt hoopt zij hem later te kunnen herkennen.

    In het tweede hoofdstuk staat oma Nel centraal. Haar leven speelt zich af in de tijd vlak vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Nel heeft zich ontwikkeld tot een sterke, onverzettelijke vrouw, die, na de nodige tegenslagen in haar leven, heeft besloten haar eigen boontjes te doppen. Zij heeft geleerd zich niet primair door haar gevoelens te laten leiden.

    Van historicus naar socioloog en psycholoog

    Als Kuypers in de eerste twee hoofdstukken vooral als betrokken onderzoeker naar voren komt, is dat in het derde deel veel minder het geval. Daarin gaat het om zijn eigen relatie met zijn moeder. De toon is persoonlijker en emotioneler. Dit deel heeft een bespiegelend karakter. Hij reflecteert op het leven van zijn moeder en daarbij ook op dat van zijn vader. Hoe moet hij zich verhouden tot deze mensen, en misschien nog veel belangrijker, hoe moet hij zich verhouden tot zichzelf, tot zijn eigen verbroken relatie in Amerika? Het zijn existentiële problemen waarmee iedere immigrant worstelt. Deniz Kuypers maakt duidelijk dat er achter deze persoonlijke vragen ook meer algemene vraagstukken schuilgaan van vooral culturele aard die betrekking hebben op de machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen. Prachtig is zijn reflectie op de vraag of het beeld dat hij heeft van zijn moeder, waarin zij zich totaal niet herkent, eigenlijk niet meer is dan een projectie van hemzelf.

    Een prachtig boek

    Deniz Kuypers heeft een prachtig boek geschreven vanuit een zeer persoonlijk invalshoek. Je ziet hem wandelen over de grachten en aanbellen op de adressen waar Levina en Nel hebben gewoond. Je ziet hem zitten in Beth Palet, terwijl hij zich tracht te verplaatsen in de gevoelswereld van Levina. Je ziet hem snuffelen in de archieven op zoek naar informatie over Levina en Nel. Door het professionele karakter van zijn zoektocht creëert hij ook de nodige distantie. Het leesgenot wordt tenslotte nog versterkt door het historische decor waartegen zijn zoektocht zich afspeelt.

     

     

  • ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’

    ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’

    In Ten oosten van de Middellandse Zee schetst Abdelrahman Munif een deprimerend beeld van het leven in, vermoedelijk, Saoedi-Arabië. Hoewel zijn boek al in 1975 is verschenen, heeft het niets aan actualiteit ingeboet. Het is dan ook zonder meer prijzenswaardig dat het boek in Nederland werd uitgegeven, niet alleen vanwege de beschrijving van het ijzingwekkende karakter van een politiestaat, maar vooral ook vanwege de literaire schoonheid van het boek. Het is werkelijk prachtig.

    ‘Feest’

    Na vijf jaar de meest afschuwelijke martelingen te hebben ondergaan die zijn gezondheid hebben verwoest, breekt Radjab. Zijn laatste ankers zijn weggeslagen. Zijn moeder, ‘een rots harder dan alle andere rotsen’, is overleden en zijn vriendin, ‘zijn hoopvolste verbinding met de vrije wereld’, gaat trouwen met een ander. Radjab, opgepakt tijdens een demonstratie, bekent en tekent een verklaring waarin hij zich bereid verklaart te spioneren onder studenten. In ruil daarvoor wordt hij vrijgelaten en mag hij zich in Frankrijk door een arts laten behandelen. Na twee maanden moet hij terugkomen en zal hij zijn eerste opdracht krijgen. En, ‘denk erom, ook in het buitenland weten we je te vinden’, wordt hem helder duidelijk gemaakt. Hij is nu een verrader, niet alleen in de ogen van zijn kameraden in de gevangenis, die vermoeden dat hij getekend heeft, en in de ogen van de buitenwereld, maar vooral in zijn eigen ogen.

    De nacht na zijn vrijlating zal het, zoals de gewoonte is, ‘feest’ zijn in de gevangenis. ‘Feest’ betekent in het jargon van de bewakers dat zijn vroegere maten ongelimiteerd gemarteld zullen worden om hen te bewegen het ‘goede’ voorbeeld te volgen van Radjab. Gebroken komt Radjab aan in het huis van zijn zus, Aniesa, voortaan zijn enige venster op de wereld. Na een verblijf bij haar van een paar dagen, vertrekt Radjab met de Aischylos, een Grieks schip, naar de vrije wereld ten westen van de Middellandse Zee. Hij heeft zijn geheime aantekeningen over zijn verblijf in de gevangnis aan Aniesa in bewaring gegeven en haar moeten beloven brieven te schrijven.

    Ten westen van de Middellandse Zee

    Munif voert de Aischylos op als een levende entiteit met wie Radjab voortdurend in gesprek is. De Aischylos is vernoemd naar de beroemde Atheense tragedieschrijver uit de klassieke Oudheid, die de strijd van de vrije Griekse wereld (d.i. het Westen) tegen de tirannieke Perzen (d.i. het Oosten) in een tragedie heeft vervat. Op de Aischylos reflecteert hij op zijn leven, zijn jeugd, zijn moeder, zijn vernederingen en martelingen in de gevangenis, het lot van zijn kameraden en van Aniesa en haar man en kinderen. Radjab speelt met de gedachte een boek te schrijven over het leven in de gevangenis, en naar Genève af te reizen om internationale aandacht voor zijn ervaringen te vragen. Dat lijkt hem het enige dat hij kan doen om in het reine te komen met zijn verraad. In Frankrijk ondergaat hij een medische behandeling bij een arts, die, als Radjab zijn hart bij hem uitstort, lijkt te begrijpen wat hij in de gevangenis heeft doorgemaakt. De arts blijkt echter meer met de verwerking van zijn eigen verdriet bezig te zijn als hij vertelt dat hij zelf zijn hele familie verloren heeft in de oorlog en hem adviseert zijn verdriet om te zetten in haat. Na drie maanden is Radjab nog steeds niet terug. Via een tussenpersoon hoort hij dat zijn zwager inmiddels is opgepakt. Aniesa smeekt hem naar huis terug te keren. Kennelijk is zijn bekentenis door het regime inmiddels doorgespeeld aan de pers, want als een student hem vraagt: ‘Heb jij niet in de bak gezeten en ben je niet vrijgelaten nadat je in de pers hebt verklaard dat ….?’, antwoordt Radjab stamelend: ‘Ze hebben me vrijgelaten omdat ik ziek was. Ze hebben me met geweld gedwongen te bekennen.’ Hij wist echter dat hij loog. Er kwam helemaal geen geweld aan te pas toen hij tekende. Ze waren voorkomend en vriendelijk geweest. Ze hadden zelfs tegen hem geglimlacht. ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’, raast het door het hoofd van Radjab. Een voor een verlaten de studenten dan de zaal.

    Aantekeningen uit het dodenhuis

    Radjab besluit naar huis terug te gaan. Hij blijkt opnieuw te varen met de Aischylos. Nu is het echter geen vriend die hem de vrijheid brengt, maar een stom schip dat hem terugvoert naar de kerkers. Terug in het liefdevolle huis van zijn zus Aniesa en haar kinderen stort hij zich op het lezen van Aantekeningen uit het dodenhuis van Dostojevski. In deze aangrijpende roman doet Dostojevski verslag van zijn verblijf in een Siberisch strafkamp. Al snel wordt Radjab opnieuw gearresteerd, gemarteld en uiteindelijk, meer dood dan levend, blind afgeleverd bij zijn zus, die hij wil dwingen zijn papieren met aantekeningen te verbranden. Kort daarna komt hij te overlijden.

    ‘Tranen zijn de laatste korrels aarde waarmee een dode wordt geëerd.’

    Munif vertelt het verhaal afwisselend vanuit het perspectief van Radjab en van Aniesa. Het wordt daardoor geplaatst in een tedere en liefdevolle context en verzacht het beklemmende karakter ervan. Bovendien wordt de solidariteit met Radjab nog eens versterkt door de onvoorwaardelijke steun van het gezin van Aniesa, zijn zwager Hamid voorop. De solidariteit van Aniesa gaat zelfs zover, dat zij, tegen de uitdrukkelijke wil van haar broer in, zijn papieren niet verbrandt, maar bewaart en het land uit smokkelt om ze in het buitenland in hun oorspronkelijke staat te publiceren ter nagedachtenis aan Radjab.

    Door de Aischylos zo’n prominente rol te geven in het verhaal als aanspreekpunt voor Radjab krijgt het verhaal een meer filosofische diepgang door zijn worsteling met begrippen als verraad en eigenwaarde.

     

  • De Russische Proust

    De Russische Proust

    Schrik niet van de openingszin van het meesterwerk Bedrog van de Russische schrijver Joeri Felsen. Het is een schitterende zin, maar ook voer voor echte taalliefhebbers. Het is tevens een van zijn kortste zinnen: ‘In mijn leven is al het uiterlijke – sociaal contact, een kennissenkring, mijn dagindeling – dor en vervelend, waardoor het weinige dat nog zou kunnen sprankelen samen met mijn laatste, krachteloze streven naar vervoering is verzonken in een uitzichtloze sluimertoestand die mij belet de treurige moed op te brengen om mezelf in de ogen te zien, of om, desnoods zonder daar consequenties aan te verbinden, berouw te voelen, of om blijk te geven van spontane, menselijke, robuuste warmte.’ Of je haakt nu af of je leest wellustig door in de wetenschap dat je een bijzonder boek in handen hebt. Maar…, 

    Joeri Felsen is geboren in 1894 in een welgestelde, Joodse familie in Sint-Petersburg met goede contacten aan het hof van de tsaar. Op de vlucht voor de revolutionaire woelingen in 1917 vestigt hij zich met zijn familie eerst op het familiebezit in Riga, vervolgens in Berlijn en uiteindelijk in Parijs, het centrum van de Russische diaspora. Daar publiceert hij ook zijn roman BedrogHij werd beschouwd als een van de grootste talenten uit de Russische diaspora en werd al snel in één adem genoemd met iemand als Nabokov. Voordat zijn talent volledig tot wasdom kon komen, werd het in 1943 in de knop gebroken in de gaskamer van Auschwitz.

    Vermoedelijk autobiografisch

    Bedrog is geschreven in de vorm van een dagboek en, vermoedelijk, sterk autobiografisch. Het is een liefdesgeschiedenis die zich afspeelt ergens in de jaren twintig in Parijs. Wanneer precies blijft onduidelijk, Felsen geeft nergens een feit waaraan je informatie kunt ontlenen over waar een en ander zich precies afspeelt in Parijs. Ook de naam van de dagboekschrijver blijft in raadselen gehuld, waardoor het vermoedelijk autobiografische karakter versterkt wordt. Het draait om zijn liefde voor Leelja Gerd, een gescheiden vrouw.

    Leelja is het nichtje van mevrouw N., een kennis van hem uit zijn Berlijnse jaren. Leelja is van plan naar Parijs te komen en mevrouw N. vraagt hem haar te chaperonneren: ‘U zult daar geen spijt van krijgen’. In de vijf dagen voor haar aankomst in Parijs vormt hij zich een beeld van haar dat groteske vormen aanneemt. Hij is al bij voorbaat hopeloos verliefd en stelt alles in het werk om haar verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Als zij eindelijk arriveert, wacht hij haar op bij de trein met een ruiker rode rozen. Leelja voldoet geheel aan de voorstelling die hij zich van haar gemaakt heeft op basis van de gegevens van mevrouw N. Zijn verliefdheid krijgt nu vleugels, maar Leelja bepaalt al meteen het speelveld. Als een echte gentleman dringt hij zich niet op, maar omringt haar met alle noodzakelijke zorg. In zijn dagboek onderzoekt hij voortdurend de zuiverheid van zijn liefde voor Leelja.

    Analyse van gevoelens

    Hij sublimeert zijn gevoelens en verafgoodt ondertussen Leelja, die niets fout kan doen. Leelja lijkt hem eigenlijk maar een saaie vent te vinden en zoekt steeds openlijker elders haar heil. Zij bedriegt hem voortdurend waar hij bijstaat. Hij beschrijft de wanhoop van zijn gevoelens in zijn dagboek en vraagt zich af wat hij kan doen. Hij zoekt toenadering tot twee andere vrouwen en ziet zelf heel goed dat er, wat hem betreft, geen sprake is van liefde, dat hij ze bedriegt en speelt met hun gevoelens. Hij raakt jaloers op zijn mededingers en zint op wraak, maar zodra hij slechts een kleine liefkozing van Leelja krijgt, is hij op slag al zijn kwaadaardige gedachten weer kwijt. Kortom, hij is een speelbal van Leelja geworden. Hij ziet het zelf, maar is niet in staat er iets aan te doen. Als het uiteindelijk tot een heftige woordenwisseling komt, bekent zij hem: ‘Ja, ik haatte u. Zo’n ziekte bestaat: irritatie die uitgroeit tot haatgevoelens voor degene die het lef heeft je lief te hebben en van wie je je niet kan ontdoen – tenzij je die liefde beantwoordt.’ Hij komt tot de conclusie dat liefde blind maakt en er om vraagt bedrogen te worden. 

    Het gaat in dit boek eigenlijk niet om het verloop van het verhaal. Het gaat om de analyse van zijn gevoelens en zijn daaruit voortvloeiende gedrag, het tot op het bot rationeel fileren van zichzelf om te komen tot een bevredigende perceptie van wat voor hem liefde is, wat hem de bijnaam ‘de Russische Proust’ oplevert. Bedrog is door het zeer waarschijnlijk autobiografische karakter een voorloper van wat later gaat heten ‘bekentenisliteratuur’.  Het is een feest, en beslist geen straf, om elke zin tweemaal te lezen en het boek als geheel driemaal. 

    Alle lof voor dit boek komt ook toe aan de vertaler, Hans Boland. Als ‘postpaard van de beschaving’ – de eretitel voor vertalers is van Poesjkin – heeft hij een formidabele klus geklaard door de onmogelijk lange zinnen van Felsen om te zetten in wondermooi Nederlands. Het is ook zijn boek geworden. 

    Brandende actualiteit

    Aan de vooravond van de oorlog die hem zou leiden naar de gaskamer in Auschwitz diende Joeri Felsen zijn critici van repliek, die zeiden dat de gruwelijke tijd waarin zij leefden zich niet leende voor het schrijven over liefde, sentiment of individuele nood, met de uitspraak: ‘Ik ben fysiek niet in staat te vechten en mijn enig redmiddel is de kunst van het observeren, maar ons doel is hetzelfde: de mens en de ziel veilig te stellen.’ Juist als emigrant en slachtoffer van een bestaan in onvrijheid wordt zijn wapen gevormd door in vrijheid te schrijven over individuele normen en waarden, die het leven betekenis geven. Dit maakt Joeri Felsen tot een buitengewoon actuele schrijver. Zijn opvatting dat kunstenaars juist in tijden van opkomende dictaturen de taak hebben op te komen voor de soevereiniteit van het individu, sluit nauw aan bij het denken dat Maxim Osipov en zijn vrienden verenigt rondom het onlangs opgerichte tijdschrift The Fifth Wave, waarin zij een platform bieden aan het vrije woord van Russische schrijvers in ballingschap.

     

     

  • Een held op sokken?

    Een held op sokken?

    Elke Viking is drengr, althans behoort drengr te zijn. Stoer, sterk, manmoedig en voor de duvel niet bang. Dat is Einar, de zoon van jarl Eirik, het stamhoofd van Lilleby en dat gaan Ivar en Magnilde zeker ook worden. Alleen Sigi niet. Sigi is niet drengr en lijkt ook nooit drengr te worden. Sigi is argr: een lafaard en schijtebroek.

    Tijdens een vergadering in het langhuis van de jarl wordt besloten dat Sigi nog één kans krijgt om te bewijzen dat hij wel degelijk drengr is.

    Illustratie: Aron Dijkstra

    Aron Dijkstra heeft niet alleen een klein meesterwerkje in woorden afgeleverd, maar ook in beelden. Elk hoofdstuk wordt ingeleid door een getekende runensteen waarop kort de inhoud van dat hoofdstuk staat vermeld. Als de lezer dit eenmaal heeft ontdekt, gaat hij vanzelf de stenen trachten te lezen met behulp van het bijgevoegde register.

     

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • De kracht van de traditie

    De kracht van de traditie

    De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella is het vervolg op een eerder in 2018 verschenen boek van Michiel van Diggelen getiteld De exodus van Hendrik Peter Scholte. Van Diggelen is duidelijk gegrepen door de figuur van dominee Hendrik Peter Scholte. Hij heeft een diepgaande studie van hem gemaakt op basis van jarenlang onderzoek. Van Diggelen heeft er niet voor gekozen zich te beperken tot een zakelijke biografie. Hij heeft geprobeerd Scholte te portretteren als een man van vlees en bloed en zich de vrijheid gepermitteerd invulling te geven aan gevoelens en gedachten van Scholte en zijn vrouw, die hij niet aanwijsbaar in de bronnen heeft kunnen terugvinden, maar die hij wel meent te kunnen afleiden uit de bronnen. Het gevolg is dat Van Diggelen in zijn roman een menselijk monument voor Hendrik Peter Scholte heeft opgericht, zodanig dat diens nabestaanden hem daarmee hebben gecomplimenteerd. Zij leefden in de waan dat Scholte een wat kille, stijle figuur is geweest. Hoewel ook Van Diggelen Scholte tekent als een zeer principiële, weinig plooibare man, ziet hij ook de oprecht warme, zelfs romantische kant van de man.

    Mozes

    Gaat Van Diggelen in zijn eerste boek vooral in op Hendrik Peter Scholte als een van de leidende figuren in de Afscheiding van de Nederlands Hervormde Kerk in 1834, in De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella gaat hij in op de rol van Scholte als leider van de landverhuizers naar Amerika. Na het overlijden van zijn vrouw in 1844 is Scholte hertrouwd. Hij besluit in 1847 een nieuwe start te maken door met zijn gezin te emigreren naar Amerika waar hij, bevrijd van de knellende banden van kerk en staat in Nederland, een nieuwe geloofsgemeenschap hoopt te stichten volgens zijn eigen denkbeelden. Hij weet zijn jonge echtgenote over te halen mee te gaan door haar een groot huis te beloven en de vrijheid om met vriendinnen te musiceren. Ook mag haar zus en hartsvriendin mee. Van Diggelen schetst haar als een weerbare, creatieve vrouw met een eigen mening, maar wel opgegroeid in het besef van gehoorzaamheid aan haar man. Scholte voelt zich geroepen als een ware Mozes zijn ongeveer 800 volgelingen de Atlantische Oceaan over te leiden. Eenmaal aangekomen in het Beloofde Land vestigen zij zich in de net nieuw gevormde, voormalige Indianenstaat Iowa. Daar stichten zij een Christelijke kolonie. Scholte geeft het de naam Pella, naar het toevluchtsoord van de door de Romeinen in het jaar 70 n.C. uit Jeruzalem verdreven Joden.

    Bevlogen, principieel en open-minded

    Zijn vrouw en kinderen functioneren als contrapunten in de roman. Zijn vrouw als het gaat om kwesties die hun persoonlijk leven betreffen. Zijn kinderen als het gaat om algemene vraagstukken die in die tijd spelen in Amerika. De kolonisten gingen zich immers vestigen in een gebied dat tot voor kort nog van de Indianen was. Bovendien moesten de blanke inwoners van Iowa nog kiezen of zij slavernij wilden toestaan in hun pas gevormde staat of niet. Iowa bevindt zich in de frontlinie van de discussie die een paar jaar later zal leiden tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Interessant is te zien dat de Democratische Partij, in tegenstelling tot tegenwoordig, als conservatief te boek stond en de belangen behartigde van de Zuidelijke slavenhouders, terwijl de Republikeinse Partij progressief was en de belangen behartigde van de Noordelijke industriëlen en zich juist scherp keerde tegen de slavernij. Aanvankelijk kiest Scholte voor de Democraten, hoewel hij eigenlijk de slavernij principieel afkeurt.

    Uiteindelijk schaart hij zich toch achter Lincoln en de Republikeinen. Zoals hijzelf in 1830 ten strijde is getrokken tegen de Belgische scheurmakers tijdens de opstand tegen koning Willem I, zo roept hij nu de jongemannen van Pella op zich te melden voor de strijd tegen de Zuidelijke scheurmakers. De opstand is immers gericht tegen het door God gestelde gezag van de Unie. Scholte is politiek actief en betoont zich geen gevangene van het verleden zoals veel van zijn volgelingen en in zekere zin ook zijn vrouw. Hij heeft gekozen voor Amerika en gaat daarvoor. Hij zoekt toenadering tot andere emigranten, past zich aan aan de Amerikaanse gewoonten en gebruiken en stimuleert het aanleren van de Engelse taal. Als een echte pionier ziet hij kansen en gebruikt die ook. Zo richt hij een krant op en opent hij een eigen bank voor de gemeenschap.

    Een ontroerend moment voor hem persoonlijk en voor de hele gemeenschap is het afleggen van de eed op de Amerikaanse grondwet waardoor de pioniers echt Amerikaanse staatsburgers zijn geworden. Toch heeft Scholte het niet altijd gemakkelijk. Zijn volgelingen blijken, net als Scholte zelf trouwens, karaktervolle mensen, eigenzinnig en soms ronduit wantrouwig. Dat zit natuurlijk in de aard van hun beweegredenen om te breken met de hervormde kerk en daarvoor zelfs te emigreren. Ook Scholte zelf wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen zijn gevoel een geroepene door de Heer te zijn en zijn overtuiging dat zijn leiderschap gebaseerd moet zijn op de eigen verantwoordelijkheid van de leden van de gemeente. Zo komt Scholte ook in Pella, net als in Nederland, in botsing met de kerkenraad. Zijn denkbeelden stroken niet altijd met de opvattingen van de landverhuizers, zeker niet als hun eigenbelang op het spel staat.

    Liefdevol

    Van Diggelen heeft een mooi, liefdevol boek geschreven. Hij steekt zijn bewondering en sympathie voor Hendrik Peter Scholte niet onder stoelen of banken, zonder overigens in een vorm van hagiografie te vervallen. Het is veeleer gebaseerd op de kracht van de traditie waarin ook Michiel van Diggelen geworteld is. Door zijn portret van Scholte geeft hij niet alleen kleur aan de protestantse pioniersgemeenschap van Iowa, maar ook aan het pioniersbestaan in een van de meest cruciale perioden in de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika.