• Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Van nare pestkop, heulend met de Duitse bezetter, tot uitgedoofde dementiepatiënt – dat zijn nog maar twee van de levens die in de biografie van Hugo Claus door Mark Schaevers besproken worden. Zijn onderwerp wekt niet veel sympathie op bij de lezer. Gelukkig maakt Schaevers het niet mooier dan het is en krijgen we in De levens van Claus een zuiver en volledig beeld van een van de grootste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. 

    Hugo Claus’ zelfgekozen dood vond plaats op 19 maart 2008. Het was zijn eer te na de ziekte van Alzheimer haar fysieke en geestelijke sloopwerk te laten afmaken, ‘hij wilde niet in duisternis sterven, maar waardig in het licht,’ aldus Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer, die bij de euthanasie aanwezig was. Claus’s einde en de deerniswekkende maanden van aftakeling die eraan voorafgingen, worden door Schaevers zeer uitvoerig beschreven. De vraag die Schaevers zich te weinig stelt is of alle bijeengegaarde biografische details even relevant zijn. Zo vermeldt hij wat Claus in zijn dagboek schrijft na een etentje bij een bevriend advocaat: ‘Ik at: 1 meter geroosterde darm, gevuld met gerookte tong, ham en hart (na 3 vodka’s) met vijf glazen wijn, daarna wat gebakken darmen (die te keurig geschrobd waren, het beestachtige was totaal zoek) toen gebakken grouse (Schotse sneeuwhoen of korhaan) met frites en appelmoes en een halve liter Gevrey-Chambertin, daarna twee flinke stukken vla (gemaakt van mastellen en peperkoek) en een flinke brok geflambeerde pudding. […] Vanmorgen broeierig en broos in het hoofd.’

    Onmatig karakter van een brute jongen

    Tijdens de verbouwing van (alweer) een nieuw woonadres in de Provence logeren Claus en zijn vrouw Veerle de Wit, ‘in Le Mas de Curebourse, een achttiende-eeuws koetshuis in de boomgaarden bij L’Isle-sur-la-Sorgue. De keuken was er prima – heel Frans, kokkin met de toque op de kop’. Zou het eerste citaat nog kunnen gelden als indicatie van Claus’ onmatige karakter, het tweede lijkt pure bladvulling. 

    Maar goed, Schaevers pakt het werk nauwgezet aan en presenteert een nuchter, chronologisch feitenrelaas. Van de levens die hij beschrijft liegt het eerste, over Claus’ jeugd tijdens de oorlogsjaren, er niet om. Een klasgenoot: ‘Claus was een onaangename kerel. Hij was ambetant. Hij nam mijn potlood af. En hij had een reukske, zijn kleren stonken.’ Een buurmeisje noemt hem later een ‘lokale verschrikking’. ‘Hij was een brute jongen met veel geweld in zijn lijf.’ Als stoere puber in een Vlaams-nationalistisch en daarom Duitsgezind gezin zou hij graag naar het oostfront zijn gegaan, maar daarvoor was hij te jong. In plaats daarvan trad hij toe tot de NJSV, een uiterst rechts, radicaal-nationalistisch scholierenverbond, vergelijkbaar met de Hitler Jugend. Het is niet de fraaiste fase in het leven van Claus. Erg open is hij dan ook nooit geweest over zijn oorlogsverleden. Zoals hij trouwens graag mythes, vaagheden en aperte leugens over zichzelf rondstrooide.

    Schaevers citeert de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, die het mythologiseren van het verleden ‘zelfs een van [Claus’] belangrijkste drijfveren’ noemt. Claus beleefde zijn wereld volgens Schaevers ‘als een claustrofoob universum’. ‘En was erover schrijven niet de beste manier om te pogen zich van alle klemmen te ontdoen?’ Het resultaat is een versnippering van zijn persoonlijkheid, of – in Claus’ eigen woorden – ‘een bombardement van veranderingen’, met als resultaat ‘een man in scherven’. Ook qua activiteiten: dichter, romanschrijver, kunstcriticus, dramaturg, regisseur, librettist, vertaler, filmer, scenarist, tekenaar, schilder.

    Verandering van koers na de oorlog

    Claus schakelt na de oorlog wonderlijk snel over naar dat heel andere facet van zijn persoonlijkheid, het kunstenaarsschap. Ook de biograaf lijkt opgelucht te zijn de zwarte oorlogsbladzijden om te kunnen slaan. Claus werpt zich op de beeldende kunst en schrijft zijn eerste serieuze verzen. Als prille twintiger vertrekt hij naar Parijs, waar hij aansluiting vindt bij een opwindend gezelschap van avant-garde kunstenaars als Corneille, Karel Appel, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hans Andreus. Hij maakt er kennis met het surrealisme, publiceert zijn eerste verhalen en waagt zich aan het schrijven van toneelstukken. Het verblijf in Parijs en zijn omgang met al die boeiende, eigenaardige geestverwanten wordt mooi door Schaevers beschreven, zoals hij überhaupt de hele dikke biografie door een aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus is. Schaevers is een ingewijde die zich nochtans niet op zijn persoonlijke nabijheid bij zijn onderwerp laat voorstaan en op een prettige manier op de achtergrond blijft. 

    Eenmaal erkend als buitensporig talent en veelzijdig kunstenaar gaat het hard met de carrière van Claus. Als dichter breekt hij door met De Oostakkerse gedichten, geworteld in zijn West-Vlaamse geboortegrond (‘land van mest en mist’), zoals die in feite in heel het oeuvre van Claus zijn weerklank vindt. Zo komt zijn proza pas echt goed op gang als hij de zangerigheid van de streektaal erin verwerkt. Toch verloopt Claus’ carrière als kunstenaar bepaald niet zonder horten en stoten. Regelmatig voelt hij zich geblokkeerd of ‘uitgebloed’ – door te hoge ambities, een hardnekkig gevoel van miskenning, gebrek aan inspiratie en een fatalistische levensvisie. Claus is een moeilijk mens, die hoge eisen stelt aan zichzelf en aan anderen. Hij brandt de debuutroman van zijn (toen nog) vriend Simon Vinkenoog radicaal af: ‘Er spreekt geen sensibiliteit uit, geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan.’

    Schaevers voegt hieraan toe dat Claus’  conclusie ook iets zegt over wat hemzelf voor ogen stond als schrijver: ‘…wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt?’ Hoewel kritisch op zichzelf kon Claus slecht tegen kritiek van anderen. Ook al deed hij voorkomen alsof het hem niet raakte, ‘in werkelijkheid leed hij eronder dat hij zo’n dunne huid had’, aldus Schaevers. Claus maakt een hele lijst ‘van de zgz progressieven die mij met al hun rancune – want anders kan het niet zijn – bespat hebben’. Zo noopt Claus in de loop van zijn leven vele collega’s, getrouwen en vrienden afstand van hem te nemen. 

    Imponerende en charismatische verschijning

    Hoewel rancuneus, onberekenbaar, onevenwichtig, ijdel en recalcitrant was Claus ook charmant, trouw en onderhoudend genoeg om altijd het middelpunt te zijn van een grote vriendenschaar. In het boek staan foto’s van Claus in gezelschap van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Fons Rademakers, Remco Campert, Kees van Kooten, Tom Lanoye, Henny Vrienten, Guy Mortier en de Belgische premier Guy Verhofstadt. Claus’ imponerende verschijning en zijn magnetisch charisma zogen alle aandacht naar hem toe, waar hij ook was. Hij had op vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De levens van Claus doet zijn vele amoureuze allianties (vaak meerdere tegelijk) uitvoerig uit de doeken. Makkelijk was het niet altijd om levensgezellin te zijn van de overweldigende auteur. Net zo onbestendig en onrustig als in zijn vele relaties was Claus ten aanzien van zijn woonsituatie. Tientallen verhuizingen komen in de biografie voorbij, en vele daarvan uitgebreid beschreven. 

    Die uitvoerigheid, ook in andere onderwerpen, is een aspect dat het boek soms parten speelt. Zeker, De levens van Claus is een boeiende, goed geschreven, meeslepende biografie. Maar Schaevers heeft een beetje hetzelfde euvel als Claus zelf: onmatigheid. Hij ontspoort hier en daar in zijn zucht naar volledigheid. Gerrit Komrij schreef over Claus’ roman Schola Nostra, ‘Het lezen ervan maakte op mij de indruk van het moeten uitzitten van Wagners Ring der Nibelungen.’ Zo erg is het zeker niet, maar enig kordaat redactioneel snoeiwerk zou de biografie beslist ten goede gekomen zijn. 

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Oogst week 7 – 2019

    Hugo Claus

    De liefhebbers zullen blij zijn: bij de Vlaamse uitgeverij Polis is weer een boek over een van de grootste schrijvers van België verschenen. Het is Hugo Claus, Familiealbum dat gaat over de familie van Hugo Claus (1929-2008).

    Het boek bestaat uit drie delen. Het eerste gaat over de jaren tussen 1929 en 1939, toen hij op kostschool zat en zijn familie eigenlijk nauwelijks kende. Het tweede deel gaat over de periode tussen 1939 tot 1944, zijn middelbare schooltijd die hij thuis doorbracht, en het laatste deel gaat over de tijd vanaf 1945 tot en met 1955 over zijn leven in Oostende, Parijs en Italië waarin hij optrok met kunstenaars en schrijvers en zelf acteur wilde worden.

    Volgens de uitgeverij wil het boek ‘meer licht werpen op de periode van en na de Tweede Wereldoorlog en op de turbulente jaren met zijn eerste vrouw Elly Overzier en de experimentele schilders en schrijvers in Parijs en Italië in de eerste helft van de jaren vijftig.’

    Hugo Claus, Familiealbum is geïllustreerd en voorzien van een bibliografie en register.

     

    Hugo Claus
    Auteur: Georges Wildemeersch
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis (2018)

    Hugo Claus, de jonge jaren

    In het kader van het verschijnen van Hugo ClausFamiliealbum is het interessant ook stil te staan bij Hugo ClausDe jonge jaren dat al een aantal jaar geleden, in 2015, is verschenen bij Polis.

    In Hugo ClausDe jonge jaren, een biografie, worden de jeugdjaren van Hugo Claus tussen 1942 en 1949 beschreven. Het gaat vooral over dezelfde jaren als de autobiografisch geïnspireerde roman Het verdriet van België. Wat beiden, leven en werk, gemeen hebben, is de indrukwekkende ervaring die de Tweede Wereldoorlog voor de puber is geweest.

    Beide boeken zijn geschreven door Georges Wildemeersch (1947) die tot 2013 gewoon hoogleraar Nederlandstalige letterkunde aan de Universiteit Antwerpen was, in 1996 het Studie- en Documentatiecentrum Hugo Claus oprichtte en veel over Claus gepubliceerd heeft.

    Hugo Claus, de jonge jaren
    Auteur: Georges Wildemeersch
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis (2015)

    De kracht van angst

    Deze week is bij Uitgeverij Pluim De kracht van angst: lessen van een oorlogscorrespondent voor het dagelijks leven van Hesna Al Ghaoui verschenen.
    Al Ghaoui (1978) is oorlogscorrespondent in het Midden-Oosten. Zij weet wat angst is. Want op de vraag: Hoe komt het dat je niet bang bent?’ antwoordt zij dat zij vaak doodsbang is. Maar dat ze ermee heeft leren omgaan en geleerd heeft om die emotie de baas te blijven. Dat is belangrijk want als je dat niet kan, verandert angst in paniek en bij paniek raak je de controle kwijt.
    Als je je angst geaccepteerd hebt en geleerd hebt om ermee om te gaan, kan je volgens Al Ghaoui de emotie sturen en er zelfs een positieve draai aangeven.

    Aan de hand van haar vele ervaringen, – ze betrekt ook haar ervaringen als moeder – laat Al Ghaoui de lezer via psychologische experimenten en gesprekken met psychologen zien hoe angst werkt en hoe je ook in het dagelijks leven je angsten onder controle kunt krijgen.

    Joris Luyendijk schreef het voorwoord en noemde het ‘een boek over angst waar je juist minder bang van wordt.’

    De kracht van angst
    Auteur: Hesna Al Ghaoui
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim (2019)
  • Meeklappen en lachen

    Meeklappen en lachen

    Het is natuurlijk dom om zonder na te denken mee te klappen met het Concertgebouwpubliek na het extatische, derde deel van de zesde symfonie van Tsjaikovski, terwijl je donders goed weet dat er nog een langzaam vierde deel volgt. Maar het is tamelijk onschuldig. Ernstiger wordt het als je mee lacht om een anekdote waarbij je, als je die meteen goed tot je had laten doordringen, had kunnen weten dat het een racistische ondertoon heeft. Of wanneer je je mond houdt wanneer iemand, die nadat je vertelde dat je een Talmoed-cursus volgde, om uitleg vraagt, serieus meent dat ‘ze’ daarom (vanwege het argumenteren ?!) in het Midden-Oosten ruzie met elkaar hebben. Je kunt niet ontkennen dat het kwaad in ieder mens, dus ook in mij, zit.

    Ik moet denken aan de zogenaamd zweverige schrijver Frederik van Eeden. Hij nam het initiatief tot het oprichten van de Forte Kreis, een kring van denkers en doeners die in 1914 de wereld van de ondergang probeerde te redden. Tot die kring behoorden mensen als Martin Buber, Romain Rolland, Walther Rathenau, Wassily Kandinsky en Alfred Adler. Wel wat veel joden, vond iemand toen. Waarop Van Eeden zei: ‘U bent dronken. In deze omstandigheden is het misschien beter om eerst uit te slapen.’ Dit valt te lezen in de onlangs gepubliceerde studie De zieners van Guido van Hengel.

    Ik wil het boek graag lezen maar op dit moment ben ik bezig met een dikke pil: Macbeth van Jo Nesbø waarin hij een donkere wereld buiten mij beschrijft; eentje die mijn eigen zwarte kant moet beteugelen? Wie zal het zeggen. Misschien lezen mensen daarom wel detectives en thrillers en kijken ze naar krimi’s op de televisie.
    Dick Bruna wist die donkere wereld raak te vangen, toen hij naast zijn onschuldige, witte Nijntje ook een zwarte beer ontwierp. Het werd het icoon van alle spannende Zwarte Beertjes van Uitgeverij Bruna; de ontwerpen zijn te zien op de tentoonstelling De donkere kant van Dick Bruna (t/m 19 augustus a.s. in de Kunsthal Rotterdam). Ik zag er een folder van liggen bij een expositie in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, waar t/m 2 september prachtige foto’s van Maria Austria te zien zijn.

    Een foto die me trof was een portret van de schrijver Hugo Claus (1958) waarop hij en profil voor een spiegel staat. Op het gezicht van de ‘echte’ Claus valt een donkere schaduw. Vanaf haar opleiding in Wenen is deze licht- en schaduwwerking de kracht geweest van Austria’s werk. Claus’ spiegelbeeld is lelieblank. Het treft je als een mokerslag, maar het wil níet zeggen dat kunst daarmee ook maar iets goed wil praten. Het stelt gewoon vragen, voor zover je het ‘gewoon’ kunt noemen. Zoals ook het langzame slotdeel van Tsjaikovski’s zesde symfonie, de Pathétique,  dat doet.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Oogst week 11

    Henriëtte van Eyk

    Stof genoeg over Henriëtte van Eyk (1897), de inmiddels bijna vergeten schrijfster van o.a. De kleine parade, een serie verhalen waarin ze op satirische wijzen de ‘hogere stand’ op de korrel neemt. Ze kent die wereld oorspronkelijk van binnenuit, maar groeit uiteindelijk op in armoede.
    Vóór de Tweede Wereldoorlog trouwt ze met journalist, schrijver en verzetsheld Jean de Nève. Een huwelijk dat na de oorlog ontbonden wordt.
    Zelf gaat ze ook in het verzet. Haar contacten uit het verzet liggen o.a. ten grondslag aan haar latere betrokkenheid bij de oprichting en het bestuur van uitgeverij De Bezige Bij.

    De mannen uit de titel Henriëtte van Eyk; vrouw tussen vier mannen zijn haar vader die na het faillissement van zijn bank voorgoed uit haar leven verdwijnt, haar ziekelijke broer Bert die ze verzorgt, haar eerste man Jean de Nève en ten slotte Simon Vestdijk met wie ze een vrolijke spannende verhouding krijgt. Ze zet uiteindelijk een punt achter die relatie omdat ze vindt dat hij haar aan het lijntje houdt.

    Aukje Holtrop schreef haar biografie.

     

     

    Henriëtte van Eyk
    Auteur: Aukje Holtrop
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Hugo Claus. Familiealbum

    In 2015 verscheen van Georges Wildemeersch (1947, tot 2013 gewoon hoogleraar Nederlandstalige letteren aan de Universiteit Antwerpen) een biografie over de jonge Claus, Hugo Claus. De jonge jaren. Hierin gaat het om de periode 1942-1949.

    In Hugo Claus. Familiealbum gaat het over de familie van Hugo Claus, een familie die de jonge, in kostscholen opgenomen Hugo voor zijn elfde levensjaar niet of nauwelijks heeft gekend. Een groot deel van Claus’ werk handelt over de gemengde gevoelens waarmee hij in het familieleven staat. Maar hij putte ook inspiratie uit de honderden verhalen die de familieleden, onder wie in het bijzonder zijn moeder en zijn broers, hem met grote gretigheid vertelden en die hij zorgvuldig in dagboeken, agenda’s en werkschriften vermeldde.

    Het boek beoogt ook meer licht te werpen op de duistere periode van en na de Tweede Wereldoorlog (Claus was lid van de Nationaal-Socialistische Jeugd) en op de turbulente jaren met Elly Overzier en de experimentele schilders en schrijvers in Parijs en Italië in de eerste helft van de jaren vijftig.

    Auteur: Georges Wildemeersch
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis

    Verdwaaltijd

    De Vlaamse Kathy Mathys (1972) is literair en culinair journaliste. Zij schrijft over Engelstalige literatuur voor De Standaard der Letteren en zat in de jury’s van de AKO Literatuurprijs en de Gouden Uil. Daarnaast schrijft zij over eten.
    In april 2015 verscheen haar eerste boek: Smaak. Een bitterzoete verkenning.

    Haar roman Verdwaaltijd gaat over Marcia die een relatie begint met een Amerikaanse schrijver die aan een memoir werkt over zijn verdwenen ex-vriendin. De man laat weinig los over zijn verleden en Marcia wordt steeds nieuwsgieriger naar de vrouw. Emma, Marcia’s beste vriendin, keert terug naar haar geboortedorp waar ze poseert voor een jonge kunstenaar. Ze heeft de plek niet meer bezocht sinds ze haar ouders en zus verloor en vraagt zich af wat er nog rest van haar oude leven.

    […] ‘Kay en ik groeiden niet op in de buurt van het woud of de oceaan. Zelfs op de dagen dat de wind hard zijn best deed, zaten we te ver weg om de zeelucht te ruiken, of het hars. In de buitenwijk van de middelgrote Californische stad waar we woonden, was de horizon slechts op één plek zichtbaar, bij het hoogste punt van een hellende straat. Daar werd Kay gevonden door haar moeder, Clara, toen ze op haar vierde voor het eerst verdween. Ze zat doodstil op haar driewieler, kijkend in de verte. Ik weet nog hoe Kay lachte toen ze me dit verhaal vertelde. We waren tieners, fietsten naast elkaar naar school. Ze reed als een clown, haar knieën staken aan beide kanten uit en soms liet ze het stuur los, wat me altijd nerveus maakte. Om haar te straffen verstopte Clara de driewieler.’ […]

    Verdwaaltijd
    Auteur: Kathy Mathys
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis

    Johann Sebastian Bach

    Maarten ’t Hart is een groot liefhebber van Bach.

    In zijn voorwoord van Johann Sebastian Bach vertelt ’t Hart dat er zoveel niet bekend is over deze grote componist. In Johann Sebastian Bach bespreekt hij een aantal biografische onduidelijkheden in het leven van Bach, probeert hij aan te tonen dat Bach rond 1730 in een crisis geraakte vanwege zijn huiselijke omstandigheden, geeft hij zijn visie op de cantates, de concerten, het Wohltemperierte Klavier, de andere klaviermuziek, de Matthäuspassion, de kamermuziek, en op de omvangrijke literatuur over het fenomeen Bach.

    Hij eindigt zijn voorwoord met:

    […] ‘Ik kan alleen maar schrijven over Johann Sebastian Bach, die mij als kind met de bewerking van het koraal Wohl mir, dass ich Jesum habe uit cantate 147 onder zijn hoede heeft genomen en van wie ik houd boven alles, met heel mijn hart, heel mijn ziel, heel mijn verstand en al mijn kracht.’

     

    Johann Sebastian Bach
    Auteur: Maarten 't Hart
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Een schrijven ten afscheid

    Een schrijven ten afscheid

    ‘Schrijven is voor mij de betrachting de woorden zo precies mogelijk te kiezen om de resonanties die ze in zich dragen te kunnen laten weerklinken.’ Aan het woord is Erwin Mortier, die in Omtrent liefde en dood (een knipoog naar Hugo Claus’ Omtrent Deedee?) afscheid neemt van de recent overleden Vlaamse schrijver Jef Geeraerts en zijn vrouw Eleonore Vigenon, die al enkele jaren jaren eerder was gestorven. De beschrijving van zijn literatuuropvatting mag wel vrij letterlijk worden genomen, want de lezer krijgt duidelijk de indruk dat Mortier heeft geschaafd en gepolijst tot hij een uiterst verfijnd en geconcentreerd requiem kon voorleggen aan zijn lezerspubliek.

    Is dit ‘kort boekje’, zoals de auteur het zelf noemt, therapeutische literatuur, bedoeld om het verlies van zijn dierbare vrienden van zich af te schrijven? Ja en nee. Het boek speelt ongetwijfeld een rol in het persoonlijke rouwproces van Mortier, die zijn man Lieven citeert: ‘Schrijf ze ten afscheid […] Anders zal je misschien wel nooit meer schrijven. Het zal je in de weg zitten.’ Toch slaagt Mortier erin om dit boek boven zijn persoonlijke ervaring uit te tillen en een gevoelige snaar te raken bij de lezer: ‘Ik heb altijd geschreven vanuit de hoop dat zich in de woorden een onpersoonlijke ontmoeting zal voltrekken tussen een lezer die mij niet kent en mijzelf, ik die de lezer niet ken.’ In dat opzicht is hij met glans geslaagd. Zo beschrijft hij op even herkenbare als originele wijze hoe Geeraerts steeds meer wegkwijnt na de dood van Eleonore: ‘Stap voor stap werd de eenzaamheid waarin hij zich terugtrok dichter en dichter, een glazen bol die niemand, hijzelf niet, noch het tiental vrienden dat hem van nabijheid voorzag zonder al te respectloos te willen overkomen, kon of durfde te doorbreken; een moeilijke evenwichtsoefening voor iedereen.’ Ook de scène in het crematorium waar Eleonore werd verast, en die Mortier de gelegenheid biedt om het knagende gevoel te verwoorden dat er iets grondig fout zit met de manier waarop we tegenwoordig afscheid nemen van onze doden, beklijft: ‘De dood moet zichtbaar worden, gezien en verhaalbaar. De armzaligheid van met zijn vijven rond haar kist te staan, in dat kale crematorium, maakt me, bijna acht jaar later, nog altijd kwaad.’

    Mortier is opvallend mild voor Geeraerts, een behoorlijk controversiële schrijver die vooral met zijn Gangreen-cyclus schandaal schopte in het Vlaanderen van de jaren zestig. Geen wonder, want met Black Venus, het eerste deel uit die cyclus, liet hij de ietwat ingeslapen Vlaamse literatuur op haar grondvesten daveren. De spruitjesgeur werd overstemd door zwoele tropenlucht: Geeraerts liet zich door zijn jarenlange verblijf in Congo inspireren tot een schandaalroman over kolonialen die de tijd doodden met de jacht op groot wild, sloten drank en stomende seks met complexloze zwarte vrouwen. Het leverde hem veel kritiek op: sommigen zagen in Geeraerts een pornograaf, anderen een racist of seksist.

    Mortier heeft het zelf over het contrast tussen de Jef Geeraerts die uit zijn Afrika-romans naar voren komt en de zachtaardige, erudiete man die hij kende, en merkt daarbij op dat zijn boeken ‘een stilzwijgen verbraken dat het karakter van een omerta droeg, juist omdat hij er zichzelf in opvoerde als een onderdeel van de hele machinerie van de onderdrukking en de uitbuiting; een man die van dat hele systeem walgde, maar er tegelijk ook van profiteerde, het morele failliet ervan belichaamde en ons herinnerde aan wat we liever wensten te vergeten.’

    Mortiers stelling dat de heisa over Geeraerts’ boeken wijst op ‘een lacune in ons nationale geheugen’, op het onverteerde koloniale verleden van België, houdt steek. Maar zijn stelling dat Het zevende zegel, het vierde en laatste deel uit de Gangreen-cyclus, niet Geeraerts’ beste boek was en dat hij zichzelf erin te zeer vrijpleitte van de neergang van zijn eerste huwelijk, is een knoert van een understatement. Wie het ooit las, zal het zich herinneren als een vileine karaktermoord waarin Geeraerts lelijk natrapte naar zijn ex.

    Er was ook die documentaire op de Vlaamse televisie over de reis die Geeraerts in 2010 maakte naar Bumba, de streek in Congo waar hij in de jaren vijftig koloniaal ambtenaar was. Oude Congolezen kenden nog steeds zijn bijnaam ‘Mambomo’, wat zoveel betekent als ‘de man die veel slaat’. Over de lijfstraffen die Geeraerts liet opleggen aan mensen die hun werk niet naar behoren deden, zei hij dat ze hem niet kwalijk werden genomen, op voorwaarde dat ze rechtvaardig waren. Iedereen is natuurlijk een kind van zijn tijd. Geeraerts voerde ook verzachtende omstandigheden aan: hij werd gebrainwasht aan de koloniale hogeschool, bracht graag tijd door met Congolezen en beschouwde ze nooit als een minderwaardig ras. Toch klinken zulke uitspraken tegenwoordig vrij choquerend.

    Mortiers mildheid moet wellicht worden begrepen in het licht van zijn debuut Marcel uit 1999, een familiegeschiedenis over een oom die als SS-vrijwilliger aan het oostfront sneuvelde. In Omtrent liefde en dood wordt ernaar verwezen: ‘Opgroeien met verwanten wier ziel levenslang de striemen vertoonde van hun eigen bezwaarde verleden heeft me ontdaan van elke aanvechting om zelf ook nog eens de zweep tevoorschijn te halen en pijn met nog meer pijn te bestrijden. Wie de doden wil geselen, kastijdt zichzelf.’ We kunnen hem geen ongelijk geven. Erwin Mortier gaf zijn dierbare vrienden het waardige afscheid dat ze verdienden.

     

     

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Claus, vertaler pur sang

    Claus, vertaler pur sang
    Begin dit jaar overleed Hugo Claus, vermaard als schrijver en als veelzijdig kunstenaar. Maar evengoed – of misschien: meer nog- is Claus een fabuleuze, soms ook mysterieuze vertaler. In vier bijdragen wordt geprobeerd te achterhalen wat het geheim is achter zijn teksten. Verder neemt Henri Bloemen de vertaalwetenschap flink de maat. Hij bespreekt een boek van Mona Baker en vraagt zich af of haar positie, die hij aanvecht, symptomatisch is voor de gehele vertaalwetenschap. Voorts, ter relativering en vermaak: metatalige reflectie en complottheorie, maar dan Vertaliaans en zuurstofarm.

    Filter
    Tijdschrift over vertalen
    jaargang 15, aflevering 3