• Als onmisbaar

    Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Oogst week 14 – 2025

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder

    In Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder vertelt Tessa Leuwsha op basis van onderzoek en verbeeldingskracht over het leven van de Surinaamse held, Boni. En niet alleen over hem. Ze brengt ook zijn moeder tot leven, die zichzelf in 1730 uit de slavernij bevrijdde. Haar zoon groeide uit tot de leider van de Marrons, die zich meer dan dertig jaar lang verzetten tegen het Nederlandse koloniale bewind. Leuwsha raakte als tiener gefascineerd door Boni nadat ze over hem had gelezen in Anton de Koms Wij slaven van Suriname. Haar onderzoek naar Boni betreft niet alleen zijn heldhaftige strijd in de achttiende eeuw, maar ook de invloed van zijn nalatenschap op Leuwsha’s leven nu. 

    Tessa Leuwsha (1967) is schrijver, documentairemaker en recensent. Ze heeft meerdere verhalenbundels en romans op haar naam staan en haar werk is genomineerd voor de Debutanten Prijs, De Vrouw & Kultuur Debuut Prijs, de Black Magic Woman Award en de De Inktaap Literatuurprijs. Naast boeken schrijft Leuwsha essays, artikelen en columns.

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder
    Auteur: Tessa Leuwsha
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld in 48 stukken

    Wat een verhuizing al niet teweeg kan brengen. Toen Menno Hartman (1971) zijn spullen in verhuisdozen moest stoppen zat er niets anders op dan zijn wereldkaart van de muur te halen. Hij knipte deze in 48 stukken. Met het idee dat je iets pas echt leert kennen als je het opdeelt, schreef hij bij ieder ervan een beschouwing. Deze zijn nu gebundeld in zijn boek De wereld in 48 stukken en gaan over geologie, poëzie, biologie, kolonialisme en kunst. Over cartografie, ontdekkingsreizen en meer. Een aantal ervan verscheen in een eerdere vorm op de blog van Tirade.

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Uitgeverij van Oorschot. Hij studeerde eerst voor leraar Nederlands en deed daarna de studie moderne letterkunde. Naast zijn werk als uitgever schrijft hij poëzierecensies voor het tijdschrift Awater. Ook geeft hij twee maal per jaar gastcolleges voor de masterclass redacteur/editor van de Universiteit van Amsterdam en is hij voorzitter van de stichting Dichter des Vaderlands. Hij zat in de redactie van de tijdschriften Bunker Hill en Tirade en richtte in 2001 Literair Nederland op, waarbij hij nog steeds betrokken is.

    De wereld in 48 stukken
    Auteur: Menno Hartman
    Uitgeverij: Hollands Diep

    God gokt niet

    In Sarah Neutkens’ God gokt niet praat Lucky met God, zijn vader. Dat levert interessante gesprekken op, bijvoorbeeld als het gaat over de vraag waarom mensen in militair uniform niet gewoon een pak dragen. God: ‘Weet je waarom ze dat niet doen, een pak dragen? Omdat ze zeggen dat ze nog iets te strijden hebben. Omdat ze zichzelf graag zien vechten.’ In haar boek stelt Neutkens heersende instituten aan de kaak vanuit een positie onder de tafel waaromheen de wereldleiders en Lucky, hun host, zich hebben verzameld. Iedere wereldleider is eropuit een wit voetje bij hem te halen, hij is tenslotte de zoon van God, hun de toespraken volgen elkaar snel op. Maar wat gaat het gezelschap onder de tafel doen? Mogen we meer verwachten dan alleen stiekem meeluisteren?

    Sarah Neutkens (1998) laat zich niet graag vangen in een beschrijving. Ze werkt aan talloze dingen, zoals ze zelf op haar website zegt, van ‘boeken, composities, kunstwerken, theaterprojecten en politiek activisme tot schrijven als journalist, wandelen, vrienden zien en stenen rangschikken op haar keukentafel’. God gokt niet is haar derde roman. Met Blote Man won ze de Pieter Boddaert Prijs. Ook ontving ze nominaties voor de PrixFintroPrijs en de Libris Literatuur Prijs en stond ze op de longlist voor de Bronzen Uil. 

    God gokt niet
    Auteur: Sarah Neutkens
    Uitgeverij: Het Moet
  • De geliefde die wel of niet blijft

    De geliefde die wel of niet blijft

    Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:

    ‘alles wat volgt is een leugen
     til niet te zwaar

     (taal is niet gemaakt om te dragen haha)

     maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
     midden in de pit van een zonsondergang

     (vermoeide zucht)

     warm en koel tegelijk
     daar gaan we
     terwijl het verdwijnend licht de vingers
     over jouw ruggengraat laat lopen’

    Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.

    Complex bouwwerk

    En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.

    ‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
     heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
     we zijn nog niet in het stormseizoen beland
     voor het gemak vergeet ik wat moet komen
     druk een gebed op jouw schouder
     het weer slaat om

     niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
     asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
     schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
     die ik opknoopte met mijn tong
     ik laat alles los’

    De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.

     Tuurlijk had ik hem graag gehouden 

     al was het maar voor de fluorescerende nachten
     waarin hij me vastpinde in bed
     de zon ging maar niet onder
     ik had het amper in de gaten
     ik lette niet op die giftige gloed
     zelfs de vogels waren stil

     hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
     en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
     ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
     hield die in de gaten ik telde
     onze dagen
     het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat

     Natuur en mensheid

    De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur. 

    Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.

    ‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
     dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
     en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
     die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
     als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’



  • Verrassende en wijsgerige roman

    Verrassende en wijsgerige roman

    In zijn fascinerende nieuwe roman Over het zwijgen bewijst de jonge, gelauwerde auteur Roelof ten Napel opnieuw dat hij een fijnzinnige en onderzoekende schrijver is. Roelof laat in deze korte roman de dichteres Marie Verhulp eindeloos over zichzelf en over de relatie met de mensen om zich heen nadenken. De lezer cirkelt vanuit allerlei invalshoeken mee rondom de vraag wie zij is. Marie is geen mens uit één stuk die een vlotlopend verhaal over zichzelf kan vertellen. Ze stelt iedere fixatie van haar persoonlijkheid uit. Ze is echter bepaald geen meeloper of windvaantje. Ze heeft een geheel eigen kijk op de dingen en doet aan continue introspectie. Ze noemt zichzelf een plaats waar gedacht wordt, waar indrukken zich vasthaken. In een metafoor: ze is een plek in de bocht van en rivier waarin allerlei door het water meegesleept materiaal blijft liggen.

    De roman is opgebouwd uit korte hoofdstukjes met een titel die begint met het voornaamwoordelijk bijwoord ‘waarin’. Het zijn momenten uit haar leven, waarin ervaringen, gevoelens en gedachten van Marie beschreven worden die het bouwmateriaal zijn van haar persoon, maar nooit tot een afgewerkt geheel worden geassembleerd. Belangrijk is de betekenis van metaforen. Niets bestaat op zichzelf. Alles lijkt op iets anders of wordt door iets anders beïnvloed. Typerend is het veelvuldig gebruik van het voegwoord ‘alsof’. Ze vergelijkt zichzelf met mensen, kunstwerken, etenswaren, waarvan de metaforiek gebruikt wordt om een beeld te geven van het innerlijk van Marie. Zoals er bijvoorbeeld wit tussen woorden en zinnen zit, ruimte tussen twee hapjes eten op een bord, blauwe stukken tussen de wolken, zo is er leegte tussen de verschillende aspecten van haar identiteit. Die leegte is essentieel. 

     Zwijgen beter dan schrijven

    Marie Verhulp zocht als kind naar haar identiteit met behulp van het schrijven van gedichten. Het zijn voor zichzelf gemaakte notities waarin ze haar diepste zelf probeert te formuleren. Haar vader noemt haar notities gedichten en neemt ze serieus. Ook anderen doen dat, want haar bundels worden onderscheiden met de hoogst mogelijke prijzen. Na haar derde bundel zwijgt ze echter, twintig jaar lang. Aan de jongeman Herder, die een geschreven portret van haar probeert te maken, noemt ze diverse oorzaken van dat zwijgen. Maar de belangrijkste noemt ze hem niet. Marie is na drie bundels van mening, dat zwijgen beter is dan schrijven. Ze herinnert zich een wezenlijk moment. Wandelend in een bos liet ze, door op een tak te stappen en die te breken, een hert schrikken. Uit haar ooghoek zag ze een flits van een wegschietend hert. Deze ervaring heeft ze niet aan anderen verteld en ook niet opgeschreven. Daardoor bleef die ervaring van haarzelf en van niemand anders en kon ze er telkens naar terugkeren.

    Na twintig jaar zwijgen begint Marie opnieuw te schrijven. Ze verzamelt fragmenten waarin ze orde aanbrengt. Van tijdsvolgorde is nog steeds geen sprake. Het blijven brokstukken, ‘met leegte ertussen, maar samengehouden door een dwingend ritme en een hechte klank.’ De bundels zijn opnieuw succesvol. Daarmee is het verhaal echter niet voorbij, zo van ‘eind goed al goed’, want Marie gelooft daar niet in. Ze geeft les en denkt na, blijft een nauwkeurige observator die toevallig ook schrijft als weerkaatsing van wat ze opmerkt en ziet. En ze ziet heel veel en merkt veel op, telkens op zoek naar de nuance. 

    De vader en de filosofie

    Naast identiteit is opvoeding een belangrijk thema in deze roman. Wat heeft de opvoeding van een kind voor invloed op het latere functioneren? Marie’s vader stierf op jonge leeftijd. Hij stimuleerde haar en stond aan de wieg van haar dichterschap. Hij zorgde ervoor dat ze ‘bedachtzaam’ schreef en elk woord woog. Zijn plaats werd bij haar ingenomen door de filosofie. Ze leest filosofen als Pascal, Plato en Kierkegaard, die onder woorden brengen wat ze denkt of die haar aan het denken zetten. Maar zij ontwikkelt geen schabloon voor het leven en komt tot de overweging dat het zonder betekenis is of kan worden gezien. Als er af en toe iets van betekenis oplicht is dat al genoeg. Ze is wie ze in haar manier van denken. Toch zijn ook haar jeugd en opvoeding niet zonder wrijving geweest. Heel mooi is het dat ze die wrijving niet kenmerkt als het resultaat van bewuste handelingen, maar als het gevolg van een som van misverstanden. Haar oudere broertje Wouter sloeg haar, maar haar vader bemerkte dat zij hem nooit uit liet spreken. Het slaan was een ultieme poging om gehoord te worden. 

    Als docent geeft Marie op haar beurt weer door wat ze van haar vader geleerd heeft. Ze geeft een college met de titel ‘Ervaring als methode’. Wie zou niet zo’n college willen volgen van iemand als Marie die uiterst subtiel en gevoelig haar studenten begeleidt en met hen een intellectuele relatie aangaat om ze verder op weg te helpen. Zo legt ze bijvoorbeeld uit wat het verschil is tussen kennis en ervaring en hoe vanuit ervaring kennis kan ontstaan. Op welk moment wordt een beschrijving meer dan een eigen indruk? Hoe geeft ervaring waarheid prijs? Ervaring is de kennis van één enkel mens. Kennis is de herhaalde waarneming van vele mensen. Ze begint het college met een voorbeeld, een vraag. Wat is het verschil tussen een stoel en een kruk? De rugleuning. Neem je de rugleuning weg dan wordt een stoel een kruk. De studenten moeten inzicht als een delfstof leren zien, eigen ervaring als een groeve. En zo staat het boek vol met prachtige vergelijkingen en zinnen. 

    Originele observaties

    Heel bijzonder is Marie’s begeleiding van studente Rachel in wie zij veel herkent van zichzelf. Als ze beschrijft hoe Rachel denkt, lijkt het alsof ze een zelfportret schrijft. Ze omringt haar met goede raad en advies en is betrokken. Het is onvoorstelbaar dat zo’n jonge schrijver als Roelof ten Napel (1993) dit rijpe en wijze boek heeft geschreven.

    Over het zwijgen verrast met originele observaties en intelligente doorzichten, zonder dat het belerend wordt. Het is een verademing, een antigif tegen oppervlakkige presentaties op sociale media, in een paar steekwoorden of foto’s. Oppervlakkige self-exposure is de kurk van ons sociale leven geworden. Marie woont liever in het uitstellen van dingen en heeft geen behoefte zichzelf in een paar woorden te presenteren, al is ze paradoxaal wel duidelijk herkenbaar voor anderen. Een persoonlijkheid verraadt zich altijd, evenals ieder boek van een schrijver het stempel van de schrijver verraadt, zo ook dit boek van Roelof ten Napel. De uitgestelde identiteit van Marie uit zich in voorzichtigheid en zorgvuldigheid ten aanzien van zichzelf en de dingen om zich heen. Ze annexeert de wereld niet, maar laat die doorklinken in haar woorden als dichteres en haar gedrag als docent.



  • Mozaïek van verhalen

    Mozaïek van verhalen

    De Nederlandse auteur Frank Nellen (1982) – schrijver en fiscalist – kreeg voor zijn tweede roman De onzichtbaren, de Boekhandelsprijs 2024, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2024 én voor de E. du Perronprijs 2022/23. Het kan niet op en dat is terecht, want het boek verdient het allemaal. Net als lezers. Heel veel lezers. Vanwege de zorgvuldige stijl waarmee de auteur de sfeer weet te treffen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Vanwege de manier waarop hij de twee totaal verschillende hoofdpersonen, een ik-figuur die luistert naar de naam Dani en zijn vriend Pavel, weet te treffen. Zoals hij in zijn debuutroman Land van dadels en prinsen ook twee totaal verschillende jongens, Simon en Youssef, neerzette. Vanwege de stijl die soms aan een jongensboek doet denken.

    Bijvoorbeeld in de scène met een monster à la Loch Ness dat de jongens in hun greep houdt. Wanneer ze hem hebben gevangen, blijkt het een meerval te zijn die ze naar het dorp brengen, waar hij ’s avonds met peterselie wordt opgediend. Een stijl die je dan weer eerder van een sprookje zou verwachten. Neem bijvoorbeeld de omschrijving van Dani’s en Pavels schooljuf Kravets: een blank, geplooid gezicht, samengeknepen ogen, mondhoeken die zo laag hangen dat ze haast over de vloer sleepten, een gerimpeld voorhoofd, haren op de kin.

    Een groteske figuur zoals we die uit de grote Russische literatuur kennen. Vanwege de sombere en naargeestige scènes, gelijk die in een lampenfabriek, die op een komische manier worden verteld, waardoor ze des te meer bijblijven. Vanwege surrealistische verhalen. Bijvoorbeeld over hoe Pavel aan zijn ene oog kwam. Door een onontplofte granaat uit de Tweede Wereldoorlog die de baan van een gouden ring kruiste die zo in zijn oog terecht kwam. Wie zal zeggen of het allemaal waar is, maar allemaal samen vormen ze een mozaïek van kleine verhalen en anekdotes, groots verteld, waarbij de schrijver veel aan de verbeelding overlaat.

    Neem bijvoorbeeld de manier waarop de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl wordt beschreven. Nellen duidt die aan met ‘een vroege zaterdagmorgen in april’ en met het feit dat het ‘warmer voelde dan andere jaren’. De lezer vult de gegevens aan (26 april 1986), maar het gebrek aan verdere informatie is vergelijkbaar met wat de bewoners toen wisten. Niets. Of foute informatie, zoals dat het om ‘een ernstige natuurramp’ nabij Pripjat zou gaan.

    Pavel

    Laten we beginnen met Pavel, een geëngageerd personage dat niet alleen iets ongrijpbaars over zich heeft, maar ook iets ongenaakbaars. Want hij leest onverstoorbaar boeken en niemand op de school van Pavel en diens vrienden, waaronder Dani en bijfiguur Igor, doet dat. Wat wil je ook met boeken over arbeiders, Lenin-pioniers of kosmonauten en tegen het kapitalisme. Ze doden de tijd niet, want die lijkt eindeloos en vol verveling; een constante onderstroom onder alle verre van vrolijke verhalen.

    Pavel heeft haast een Messiaanse uitstraling: ‘In Pavels bijzijn gebeurde er (…) niets onbetamelijks. Er werd niet gevochten, niet geraakt, niet gesjacherd. Langzaamaan werd de plek voor de zijgevel [van de school waar hij zich ophield en een boek leest, vS] het belangrijkste trefpunt van het schoolplein’. Er vormde zich een kring van jongens om hem heen die geen woord van hem wilden missen en uiteindelijk ook zelf aan het lezen sloegen. ‘Een boek in je handen was niet langer een rariteit. Het straalde verfijning uit, en bovenal bevrijding’. De tijd ging opeens snel voorbij.

    De inmiddels ouder geworden Pavel houdt in de universiteitsbibliotheek een rede tegen het communisme en trekt een goedkoop gipsen beeld van zijn sokkel, een daad die doet denken aan Jezus die in de tempel de tafels van de wisselaars omver wierp. Pavel verdwijnt op een gegeven moment van de universiteit en verzoekt later om zijn onderzoeksmateriaal en archieven te vernietigen, zoals Jezus zijn leerlingen verzocht te zwijgen. Uit angst voor de gevolgen.

    Zo’n personage met Messiaanse trekken lijkt ook, net als lerares Kravets, te zijn weggelopen uit de grote Russische literatuur. Bijvoorbeeld uit De gebroeders Karamazov van Dostojevski.

    Dani

    Dani woont met zijn moeder aan de ene kant van een dorpsweg in Taranivka, weesjongen Pavel aan de andere kant ervan bij zijn oudtante mevrouw Janovitsj. ‘In een huisje aan de voet van een metersdikke beuk’. Beide jongens zijn bevriend. Maar op een gegeven moment verliest Dani Pavel uit het oog. Tot hij hem op een radiostation verhalen hoort vertellen van gewone, alledaagse Sovjetburgers. Dani vindt hem terug in Kamp 451, vlakbij Nova Nolienka, ‘tussen de restanten van een verloren leefwereld’. Barrevoets. Als een handelaar in oud roest en oud papier. Waarbij het cijfer 451 een geestig detail betreft, dat naar van alles en nog wat kan verwijzen: Fahrenheit 451 (een dystopische roman, een film), het jaar waarin de Romeinen worden verslagen, een dakpan, een polsbandje en een artikel in het Burgerlijk Wetboek. De roman van Nellen zit vol met zulke grapjes.
    ‘De verhalen,’ zegt Pavel tegen Dani, ‘daarom ben ik hier’. ’s Nachts leest hij ze voor. Dani hoopt Pavel met zijn verhalen ‘terug te voeren naar de werkelijkheid’.

    De onzichtbaren

    Veel uit de werkelijkheid blijft onzichtbaar. Het gif van de Sovjet-Unie is onzichtbaar, net als dat van Tsjernobyl, maar het bestaat wel degelijk. De spionnen van de Sovjet-Unie zijn onzichtbaar, maar ze zijn er wel. De onzichtbaren zijn de mensen in de werkkampen, de sanatoria. Pavel geeft ze een stem. Of liever: de ene mens maal miljoenen, want het communisme kent aan een individu nauwelijks betekenis toe.

    De titel doet denken aan de roman De onzichtbaren van Roy Jacobsen, waar het om Noorwegen gaat. Beide landen zijn niet of nauwelijks te verlaten of in gedachten achter te laten. Is het bij Jacobsen de natuur die haar eigen loop neemt, bij Nellen is het het communisme met zijn al even ijzeren wetten. Wat blijft zijn dromen over een ander leven. Bijvoorbeeld door het lezen van boeken zoals eerst Pavel doet en later de andere schoolkinderen, of door het omverwerpen van goedkope beelden. Toch blijkt er in het eentonige leven op het eiland en in Oekraïne eind jaren tachtig veel te veranderen met het wankelen van de Sovjet-Unie en de dreiging en meer dan dat die er nog steeds – ook voor Noorwegen – van uitgaat.

     

     

  • Oogst week 15 – 2024

    Mocht er iemand langskomen

    Trilogieën te over. Van jongeling Thomas Korsgaard (1995) verschijnt dit jaar in Nederland Mocht er iemand langskomen. Korsgaards debuut werd direct een bestseller in Denemarken en Noorwegen. Het eerste boek in de zogeheten Tue-trilogie scharen critici onder het sociaal-realisme, maar het gaat zijdelings ook over Korsgaards eigen leven. Een hard, geïsoleerd bestaan op het platteland, herkenbaar en humoristisch neergezet.

    Hoofdpersoon Tue leeft met een gefrustreerde vader en ongelukkige moeder op een boerderij, die zo goed als zieltogend is. Ontluikend is daarentegen zijn seksualiteit, zijn gevoel voor dromen en zijn verlangen naar de stad. Deze motieven en verhaalonderdelen kennen we ook wel van Nederlandse romans, natuurlijk. En juist daarom zal Korsgaards verhaal hier vast goed scoren. Aan het talent van de Deen zal het niet liggen: de Boghandlernes Gyldne Laurbaer heeft hij al op zijn naam staan: de jongste winnaar ooit van deze onderscheiding.

    Mocht er iemand langskomen
    Auteur: Thomas Korsgaard
    Uitgeverij: Ambo Anthos

    Over het zwijgen

    Roelof ten Napel (Joure, 1993) schrijft poëzie, essays en romans. Voor Dagen in huis ontving hij de Grote Poëzieprijs en kreeg hij nominaties op zijn naam voor de Joost Zwagerman Essayprijs, de C. Buddingh’-prijs en de Poëziedebuutprijs. Zijn dichtkunst reikt tot ver over onze landsgrenzen, maar ook menig theater brengt zijn werk onder de aandacht: zijn roman Het leven zelf werd bewerkt voor toneel. Over het zwijgen, zijn derde roman, gaat over een dichteres die twintig jaar terug ophield met dichten. Maar waarom?

    Marie Verhulp, zo heet ze, doceert tegenwoordig filosofie en bezoekt congressen, musea, concerten en kroegen. Via haar notities, observaties en overwegingen laat Ten Napel de lezer kennismaken met Verhulp, die met veel verschillende, interessante geesten in gesprek raakt. Over het zwijgen is daarom een zinderende roman vol indrukken en innerlijke monologen. Langzamerhand krijgt het portret van deze Marie vorm. Tragisch genoeg lijkt ze zich af te vragen of mensen ook zónder verhalen zouden kunnen leven.

    Over het zwijgen
    Auteur: Roelof ten Napel
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Mam, ik ben geen crisis

    Ismail Mamo (1996) vlucht in 2016 uit Syrië voor ISIS. Hij staat dan op het punt geneeskunde te studeren. Vanaf het moment dat hij voet zet op Nederlandse bodem, leert hij zichzelf de taal aan. Twee jaar terug kreeg Mamo nationale bekendheid in een filmpje waarop hij aan andere vluchtelingen bij Ter Apel kleding uitdeelt. Zijn eigen kleren. Hierdoor mag hij dezelfde avond bij programma Op1 zijn verhaal doen, wat hij smakelijk en gevoelvol doet. Toeval of niet: inmiddels is hij student aan de toneelacademie in Arnhem.

    Mam, ik ben geen crisis gaat over alle lichte en donkere kanten van de mens, wanneer die op de vlucht slaat. In tijden van zelfbehoud en angst floreren natuurlijk egoïsme, opportunisme en ellebogenwerk. Vooral wanneer kwaadwillende, louche mensenhandelaren grotendeels bepalen welke wending je lot neemt. Hoe nijpend de situatie voor vluchtelingen ook is, toch dringt hun wanhoop niet tot het grote publiek door. Daarom zijn verhalen als deze, van Mamo en lotgenoten, zo belangrijk.

     

    Mam, ik ben geen crisis
    Auteur: Ismaîl Mamo
    Uitgeverij: Das Mag
  • Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Dido Michielsen had veel succes (na een aantal biografische werken) met haar eerste roman Lichter dan ik, het verhaal van een Indonesische oermoeder (de ‘njai’) die haar kinderen, die zij had met een Hollandse man, moest laten opvoeden door anderen. Onlangs verscheen het vervolg, Engel en Kinnari, dat zich overigens ook separaat laat lezen. Misschien is dat zelfs beter, want wie haar eerste roman las, weet het antwoord op de vraag die de hoofdpersoon in deze tweede roman bezighoudt.
    Die hoofdpersoon, Louisa, en haar zus Pauline, zijn Indische meisjes van wie de Hollandse vader naar Nederland is vertrokken en hen heeft achtergelaten als pleegkinderen bij een hem bekend echtpaar. Hun Javaanse moeder kennen ze niet. Ze zijn schoolgegaan bij strenge nonnen en op hun dertiende en vijftiende jaar uitgehuwelijkt. 

    Verlangen naar de oermoeder

    Het verhaal begint in 1900 als Louisa met haar man J.A. (ze noemt hem naar zijn voorletters omdat haar dat doet denken aan het geluid van ezels) verhuisd is van Batavia naar Buitenzorg, de standplaats van de Gouverneur-Generaal. J.A. is Controleur 2e klas bij het Binnenlands bestuur en in die functie veel op pad. Louisa vindt het een saaie stad, vol statusbewuste ambtenarengezinnen. Zij is inmiddels moeder van drie tieners met wie het contact moeizaam is. Ze haat haar twintig jaar oudere Indische echtgenoot en verlangt naar haar Javaanse moeder die zij nooit gekend heeft.  Dat laatste begrijpt niemand in haar omgeving: Indische mensen willen hun oermoeder, meestal een inheemse ‘njai’, altijd zo snel mogelijk vergeten. Louisa heeft meermalen aan haar pleegouders, oom Arnold en tante Lot, gevraagd wie haar moeder was, maar die hebben dat nooit willen zeggen. Oom Arnold zelfs niet op zijn sterfbed, daar waakte tante Lot voor.
    Zus Pauline woont op Sumatra met haar man en kinderen en heeft geen problemen met haar bestaan als Indische vrouw. Aan haar kan Louisa haar onvrede wel per brief kwijt. En die onvrede is groot en knaagt aan haar. 

    Ontsnappen middels boeken

    In Buitenzorg treft Louisa Cato, een Indische vriendin uit de tijd dat ze op de nonnenkostschool zaten. Toen was Cato een brandal, een rakker, maar nu ze getrouwd is met een totok (blanke Hollander) die een hoge post in het gouvernement bekleedt, is ze een heel ander mens geworden, zeer klassenbewust en pijnlijk ondergeschikt aan haar horkerige man. Soms ziet Louisa tijdens gesprekken nog een glimp van haar oude vriendin terug, maar steeds vaker krijgt ze de indruk dat Cato zich boven haar verheven voelt door haar huwelijk met een totok.
    Om de Buitenzorgse verveling te verdrijven neemt Louisa een leestrommel en probeert met enkele Indische vrouwen uit de buurt een leesclub te beginnen. Om vervolgens te ontdekken dat die vrouwen niet geïnteresseerd zijn in literatuur. De één wijdt zich liever aan haar gezin, de ander ziet het lezen alleen als een middel om status te verwerven, de derde houdt zich overal buiten.

    Louisa komt pas tot leven als de al wat oudere en rijke Chinese vrouw Yoe Leng naast haar komt wonen, vergezeld door een knappe Javaanse secretaris die zij ‘Pang’ noemt (afkorting van Pangeran, een adellijke titel die hij mag dragen). Ondanks de waarschuwing van haar man dat zij niet moet omgaan met zo’n Chinese, want die hebben een lage status, bezoekt Louisa haar buurvrouw vaak. Als deze haar vraagt mee te gaan voor een bezoek aan Pekalongan op Midden-Java waar zij een batikbedrijf heeft, doet zij dat maar al te graag (J.A. is dan op reis en kan het niet verbieden). 

    Een affaire

    Hier verandert het verhaal van een opeenstapeling van ergernissen en onderdrukte woede van toon. Louisa wordt tijdens die reis van het ene moment op het andere verliefd op de mooie Javaanse secretaris die haar bekent liever niet bij zijn bijnaam Pang genoemd te willen worden en eigenlijk Dimas heet. Hij gedraagt zich als een echte heer, maar laat haar wel weten waar zijn slaapkamer is. En de betoverde Louisa gaat daar op een avond naar binnen en leert er de echte liefde kennen.
    ‘Dimas is man en vrouw tegelijk, hij streelt en masseert haar overal, maar schroomt niet om zijn eigen verlangens na te jagen en te tonen. Hij daagt haar uit hetzelfde te doen. Ze ontdekt dat haar plezier niet alleen in haar borsten en tepels te vinden is, maar evengoed in haar tenen en vingers. Haar nek, haar rug, billen en knieholten zijn onontdekte gebieden, elke centimeter tussen haar benen is vatbaar voor ongekende sensaties.’

    Na terugkeer in Buitenzorg bezoekt Louisa Dimas vaak clandestien in het buurhuis. Dat geluk duurt enige tijd, maar dan volgt de harde werkelijkheid: Dimas kondigt aan te vertrekken om lid te worden van een groep Indonesische intellectuelen die een betere behandeling van de inheemsen willen eisen bij de overheid. En Louisa wordt op het matje geroepen door Cato en haar man omdat bekend is geworden dat zij zich afgeeft met de Chinese Yoe Leng. 

    Als Yoe Leng en Dimas uit haar leven vertrokken zijn en Louisa weer moet wennen aan haar leven met haar man J.A. kantelt er iets in haar gevoelens voor hem. Uit het gesprek met Cato en haar man heeft ze begrepen dat die vanuit grote hoogte neerkijken op haar Indischman J.A., die wel goed is in zijn vak maar het toch nooit verder zal brengen dan Controleur 2e klas. Ze kijkt nu met  andere ogen naar hem, ziet hem als een ook in het leven teleurgestelde halfbloed. Als hij overlijdt, na als hartpatiënt enkele jaren door haar verzorgd te zijn, vertelt  een Javaan bij zijn overlijden dat J.A. één van de weinige ambtenaren was tegenover wie de inheemsen zich durfden te uiten. Dan krijgt zij spijt dat zij hem zo gehaat heeft: hij was meer een lotgenoot dan ze dacht.

    Haar bestemming

    De kennismaking met het boek Door Duisternis tot Licht van Raden Adjeng Kartini brengt nieuw leven in haar. Ze opent een kostgangersbedrijf in Batavia. Het contact met Yoe Leng en Dimas wordt hersteld. En ten slotte brengt het overlijden van tante Lot, haar pleegmoeder, het antwoord op de vraag die haar leven al zo lang beheerst: wie was mijn Javaanse moeder? Dat antwoord kan hier niet onthuld worden maar bepaalt wel de rest van Louisa’s leven. Het verhaal eindigt in 1942 als Japan de kolonie bezet heeft en iedereen met gemengd bloed min of meer zelf kan bepalen (want het is niet te controleren) of hij méér dan vijftig procent Nederlands bloed heeft, en dus als Nederlander de interneringskampen in moet, dan wel meer dan vijftig procent Indonesisch bloed en daar buiten mag blijven. Welke keuze Louisa maakt laat zich raden.

    Dido Michielsen heeft zich goed verdiept in de bijzonderheden van het leven in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling tot diep in de jaren dertig. Geen detail van kleding, gedrag of gewoonten in het Nederlands-Indië van die tijd blijft onvermeld en dat gaat wel eens ten koste van de vlotheid van het –  overigens goed geschreven – verhaal. Maar voor wie precies wil weten hoe het was in ‘Tempo Doeloe’ is dit natuurlijk eerder een voordeel dan een nadeel.

     

     

  • Oogst week 11 – 2021

    Ik zeg Emily

    De poëziebundel Ik zeg Emily is het debuut van Yentl van Stokkum, waarin een jonge dichter een bezoek brengt aan het graf van Emily Brönte (1818-1848, de middelste van de gezusters Brönte, die onder andere Wuthering Heights schreef). De verteller raakt bezeten door de vroeg gestorven Emily, haar leven en werk, en lijkt een verbond aan te willen gaan met de ziel van de dode dichter.

    ‘het verlangen naar Emily is simpel
    en ik wil de associatie vermijden met woorden als
    kwetsbaar ode oprecht liefdevol romantisch romantiek (…)’

    Daartoe reist de verteller naar het graf van Emily Brönte in Scarborough (‘mag ik zeggen dat het graf tegenvalt’). Het ‘hier en nu’ klinkt door in hoe de reis wordt beschreven: de verteller raakt niet alleen aan Emily en haar historische belang, maar ook aan hoe het is om nu vrouw te zijn, bijvoorbeeld in ‘advies voor een jonge alleen reizende vrouw’.

    Yentl van Stokkum (1991) is toneelschrijver en dichter. Ze schreef al voor Hard//hoofd, er is werk van haar opgenomen in de bundel NYX van de feministische uitgeverij Chaos en ze begon tijdens het Slow Writing Lab waaraan ze deelnam met het schrijven van poëzie over Emily Brönte.

     

    Ik zeg Emily
    Auteur: Yentl van Stokkum
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Een Alpenroman

    Goed nieuws voor degenen die verzuchten dat er tegenwoordig nog maar zo weinig Vestdijk wordt gelezen: Een Alpenroman is heruitgegeven. De roman deed bij verschijning in 1961 nogal wat stof opwaaien: Vestdijk beschrijft in zijn roman de lesbische liefde tussen de Nederlandse Lucie Ebbinge en Duitse Anna Brandner, die serveerster is in het hotel, in feite kuuroord, waar Lucie verblijft te Oberstdorf. Vestdijk beschrijft hun liefde zeer gedetailleerd, wat hem op onbegrip bij recensenten kwam te staan. Er werd geschokt gereageerd op de lesbische liefde van Lucie en Anna: ‘Dit boek is ziek, zo ziek.’ (Algemeen Handelsblad);  ‘verboden vorm van geslachtelijke liefde’ (Trouw). Maar niet enkel die liefde analyseert Vestdijk: maatschappelijke tegenstellingen en religieuze waarden en belangen spelen eveneens een belangrijke rol.

    Een Alpenroman verscheen voor het eerst bij De Bezige Bij, en is nu door Uitgeverij kleine Uil opgenomen in de zogenoemde Regenboogreeks, met daarin ‘klassiekers uit de lhbt-literatuur’.

    Een Alpenroman
    Auteur: Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Kleine Uil, Uitgeverij

    Klara en de Zon

    In Klara en de Zon van Kazuo Ishiguro is het titelpersonage een ‘Kunstmatige Vriendin’, ofwel: een robot, nauwelijks van een echt mens te onderscheiden, met dezelfde zachtheid en toewijding. Dat Klara de wereld anders waarneemt – technisch gesproken – maakt niet dat ze niet naar menselijk contact smacht en wacht tot iemand haar meeneemt om deel te laten uitmaken van het eigen gezin. Dat laatste gebeurt: ze komt terecht bij de ziekelijke tiener Josie. Wanneer Josie zelf niet in staat is om haar rol binnen het gezin te vervullen, wordt Klara zo geprogrammeerd dat zij dat voor haar kan doen. Daarmee worden thema’s als genetische manipulatie, A.I. en big data aangesneden. Over de verhouding van Klara en de Zon tot de tijd waarin we leven, stelde Ishiguro in een recent interview met The Guardian het volgende:

    ‘“What happens to things like love in an age when we are changing our views about the human individual and the individual’s uniqueness?” he asks. “There was this question – it always sounds very pompous – about the human soul: do we actually have one or not?”’

    Ishiguro won in 2017 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn The Remains of The Day werd bekroond met de Booker Prize en verfilmd met Anthony Hopkins in de hoofdrol.

    Klara en de Zon
    Auteur: Kazuo Ishiguro
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Boekhandelsprijs voor ‘Lichter dan ik’ van Dido Michielsen

    Dido Michielsen heeft met haar roman Lichter dan ik de Nederlandse Boekhandelsprijs gewonnen. Michielsen schreef eerder non-fictie werk dat werd uit gegeven door De Bezige Bij. Vorig jaar debuteerde ze bij Holland Diep met een roman die gebaseerd is op het leven van haar betovergrootmoeder in Indonesië. Het verhaal gaat over Isah, een jonge vrouw die eind negentiende eeuw opgroeit in de kraton, het vorstenverblijf in Djokja. Ze wordt huishoudster van een Hollandse officier, met wie ze een verhouding krijgt waaruit twee dochters voortkomen. Als de officier alsnog met een Nederlandse vrouw trouwt laat hij haar en de kinderen simpelweg achter en moet Isah grote offers brengen om haar kinderen te onderhouden.

    De Boekhandelsprijs bestaat sinds 2015 en wordt jaarlijks toegekend aan een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, een boek dat volgens de boekhandelaren om zijn inhoud en thematiek meer aandacht verdient. De prijs is gelijk aan boekhandelsprijzen die in andere landen al langer bestaan, zoals in Duitsland de Deutscher Buchpreis en in Amerika de National Book Award. De winnaar wordt gekozen door, zoals de naam doet vermoeden, boekverkopers uit het hele land. De prijs bestaat uit een publiciteitscampagne en een geldprijs van 7.500 euro.

    Hoewel er oorspronkelijk bij de Boekhandelsprijs geen genomineerden zijn, ontstond er dit jaar een lijst van vijf titels die voor de prijs in aanmerking kwamen: Ish Ait Hamou, Het moois dat we delen, Dido Michielsen, Lichter dan ik, Marijke Schermer, Liefde, als dat het is, Machteld Siegmann, De kaalvreter en Manon Uphoff, Vallen is als vliegen.

    De prijs werd op 20 februari in boekhandel Scheltema te Amsterdam aan Dido Michielsen uitgereikt. Van Lichter dan ik wordt een speciale luxe boekhandelsprijs-editie gemaakt, waarna een landelijke advertentiecampagne volgt.

    Eerdere winnaars van De Nederlandse Boekhandelsprijs waren Onder de paramariboom van Johan Fretz (2019), Wees onzichtbaar van Murak Işık (2018), Het smelt van Lize Spit (2017), Alleen met de goden van Alex Boogers (2016) en Birk van Jaap Robben (2015).

     

    Lees de recensie van Lichter dan ik die op 16 oktober 2019 op Literair Nederland verscheen.

     

  • Gepassioneerde vriendschap tussen twee jongens

    Gepassioneerde vriendschap tussen twee jongens

    Land van Dadels en Prinsen is het debuut van Frank Nellen, en gaat over de Parijse jongeman Simon, die een korte en intense vriendschap beleeft met de Algerijns-Franse Youssef. Samen bekwamen zij zich in parcours (klim en rensport) en verkennen Parijs aldus via de daken. De jongens genieten een enorme vrijheid. Maar tegelijkertijd is het ook een verhaal over de teloorgang van de onschuld van beide personages.
    Er wordt gekeken vanuit het perspectief van Simon, afgewisseld met dat van diens vader, Tulard, een psychiater uit de betere arrondissementen van Parijs. Terwijl Simon een innige en levensbepalende vriendschap voor Youssef koestert, begint zijn vader deze jonge Algerijn te haten. Youssef blijft voor het gehele bestek van de roman een ondoordringbare figuur. Dit laatste lijkt een centraal motief voor dit boek: zowel in liefde als in haat blijft, voor de Westerling, deze jonge en krachtige Algerijn een vreemdeling. Werkelijke herkenning blijft uit.

    Geen vertegenwoordiger eigen etniciteit

    Nellen lijkt bewust te spelen met deze riskante materie, getuige een motto dat uit Edward Said’s studie uit 1978 Orientalism is overgenomen en waarin Said stelt dat er binnen de Westerse verbeelding geen ruimte is voor een oorspronkelijke weergave van het Oosten. Inderdaad wijst Youssef op cruciale momenten enige aanspraak op zijn (religieuze) identiteit af. Binnen deze roman kan niemand het woord nemen namens de vreemdeling, en als de vreemdeling dat uiteindelijk aan het slot van dit boek alsnog doet, weigert hij op zijn beurt de vertegenwoordiger te zijn van zijn etniciteit. Hier spreekt uit Nellen’s roman een progressieve sensitiviteit. Tegelijkertijd, echter, heeft Nellen een voorliefde voor de stijlfiguur van Michel Houllebecq, met name voor de wijze waarop Houllebecq binnen de respectabele romanvorm ruimte creëert voor een lelijke, conservatief-reactionaire moraal. Liefhebbers van deze specifiek Franse smaak ‘existentieel nihilisme’ zullen hier dan ook veel te genieten vinden, al is het bittere in de stijl van Nellen veel minder diep doorgedrongen.

    Exotisme en xenofobie

    Het perspectief van Simon en zijn vader Tulard jegens Youssef is dan ook telkens vertekend door exotisme en xenofobie. Vader en zoon zijn beiden selectief in hun waarneming van Youssef. In dit boek pakt dit zeer goed uit, want het is middels deze selectieve en troebele waarneming dat Nellen toch een mooie, geloofwaardige en solide gedaante aan Youssef geeft. Het is juist omdat Youssef niet beantwoordt aan de stereotype beelden die op hem geprojecteerd worden, dat zijn figuur tot leven komt als een eigen persoonlijkheid. Youssef is ootmoedig maar niet onderdanig, is mooi maar niet opvallend knap, en hij is sterk maar geen krachtpatser.

    Het zelfbewustzijn van de Westerling wordt telkens bemiddeld én vertroebeld door deze vreemdeling die zelf in zekere zin vrij blijft van deze dialectische bespiegelingen. Dit wordt zeer mooi geïllustreerd in de sleutelpassages in de Bibliothèque nationale de France, waar Simon en Youssef wekenlang ’s nachts kamperen. Youssef’s intense aanwezigheid, zijn spontaniteit of vrijheid van zelfbewustzijn, begint hier te resoneren met het beeld van een monnik die leest bij kaarslicht alleen. Dat Nellen aldus opnieuw een exotisme gebruikt en tegelijkertijd blootlegt – de bon sauvage – toont de open structuur van dit boek: Youssef’s karakter komt tot stand door én verzet zich tegen het oriëntalisme uit het klassieke boek van Said.

    Autochtone Fransen en immigranten

    De gepassioneerde vriendschap tussen de twee jongens – het hoofdverhaal van de roman – wordt afgewisseld met het verhaal van Simon’s vader, Tulard, en het sociologische onderzoek dat deze enkele jaren later, gedreven door nieuwsgierigheid naar de rol van Youssef in het leven van zijn zoon, uitvoert naar de mentaliteit van Noord-Afrikaanse immigranten in de Franse samenleving. Echter, dit onderzoek resulteert in een onoverkomelijke tegenstelling tussen autochtone Fransen en immigranten. Het boek eindigt met een gitzwarte noot. Nellen’s roman blijft dubbelzinnig over de vraag of de lezer zich deze les moet aantrekken, want enige verlichting wordt geboden door een inzicht dat Simon eerder bereikt: het zogeheten Thatcher-effect. Dingen zijn vaak anders dan ze lijken en schijn bedriegt. Opnieuw noopt het boek tot nadenken over herkenning en miskenning. 

    Deze roman leunt, soms opzichtig, op een grondige kennis, studie, of mogelijk fictieve invulling van Parijs en de Franse koloniale geschiedenis. Een voorbeeld hiervan is Tulard’s reeds genoemde studie naar de immigrantenmentaliteit, die een voorname plek inneemt in het boek en de beschrijving waarvan, vanwege de context van de Franse laat-koloniale periode en het thema van de zelfmoord, een sfeer oproept als uit een roman van Camus. Een mooi boek dat zich op verschillende manieren laat lezen, als een roman over sociale herkenning, maar ook over de unieke vrijheid van de grootstedelijke beoefenaars van de klim- en rensport parcours, of over de ontluikende mannelijkheid van opgroeiende tieners. Deze thematische ambitie is zeker onderscheidend voor Land van Dadels en Prinsen.

     

  • Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Dido Michielsen is schrijfster van enkele biografische werken, waaronder het verhaal van Derk Sauer en zijn vrouw in Moskou en (samen met haar man Auke Kok) het leven van de Joodse familie Van Cleeff voor, tijdens en na de oorlog. De zeer goede documentatie en voorbereiding viel recensenten bij deze non-fictie-boeken op. Ook in haar eerste roman Lichter dan ik is op elke pagina te merken dat Michielsen een zeer grondige studie heeft gemaakt van haar onderwerp. Wat het verhaal, de geschiedenis van een njai, zeer overtuigend maakt.

    Huishoudster en bedgenoot

    Nederlanders die in de tropen verbleven als militair, koopman of ambtenaar, lieten in de 19e eeuw zelden een vrouw overkomen uit het moederland om hun leven mee te delen. Meestal kozen zij voor een njai, een concubine, een vrouw van het land. Zij werd zijn huishoudster en bedgenoot en niet zelden baarde zij zijn kinderen. In de stamboom van Indische mensen is altijd de oermoeder een njai, vaak een lege plek omdat zij naamloos in de geschiedenis is verdwenen. Het kon ook anders gaan. Dat de blanke trouwde met zijn njai kwam heel weinig voor, maar een langdurige relatie tot de dood was mogelijk. Zeker als de blanke zelf sterk verindischt was. Meestal eindigde de relatie als de man terugkeerde naar Nederland. De njai ging dan weer naar de kampong, al dan niet met haar kinderen. In de kampong werd ze geminacht omdat ze zich verkocht had aan een blanke. Haar kinderen hadden vanwege hun lichtere huidskleur geen leven. Soms erkende de man de kinderen als de zijne en nam ze mee naar Nederland, daar had de njai niets over te zeggen. Over deze wereld gaat Lichter dan ik.

    Zij mogen meer

    Michielsen heeft het verhaal de vorm van een gesproken autobiografie gegeven. De inmiddels zestigjarige Isah vertelt over haar leven als njai aan Tjanting Wiggers, een njai van een latere generatie. De man van Tjanting Wiggers behoort tot de uitzonderingen die met hun njai getrouwd zijn en heeft haar leren lezen en schrijven. Als zij Isah ontmoet, moedigt haar man haar aan om Isah’s verhaal op te schrijven. Isah wil graag haar verhaal vertellen om toch iets na te laten aan haar verre kinderen en kleinkinderen. Isah, geboren in 1850, groeit op in de kraton van de sultan van Jogya, waar haar moeder kleermaakster is. Als kind maakt zij kennis met de standsverschillen en strikte gedragscodes aan dat hof. Als haar speelkameraadje Karsinah haar lievelingsaapje Soeko, dat ze van haar oom heeft gekregen, wil hebben, haalt een hofbediende het op en kan zij daar niets tegen doen: Karsinah is een prinsesje, want directe en erkende dochter van één van de zonen van de sultan, en zij niet. Haar moeder legt het haar uit: ‘Zij mogen meer dan anderen. Ze mogen meer dan jij, omdat jij geen prinses bent. Karsinah mag zeggen dat ze Soeko wil hebben, omdat ze boven jou staat. Er is nog veel meer dat zij kan besluiten, zul je ontdekken. Daar kun jij niets tegen doen.’

    Uiteindelijk afgedankt

    Iedereen aan het hof had zijn eigen plek: ‘Een dun, onzichtbaar web van rangen en standen liep door alles heen, en naarmate je ouder werd, openbaarde dit zich aan je. En dan besefte je als volwassene dat je gevangen zat tussen de verstarde lijnen en niets meer kon bewegen, tenzij je jezelf er met geweld van bevrijdde.’ Als Isah zestien is en haar moeder haar wil uithuwen, neemt zij het besluit zich te bevrijden uit de starre wereld van de kraton. Ze maakt kennis met een Nederlandse militair en wordt zijn njai. Ze is zijn geliefde en leert ook het huishouden te bestieren. Alhoewel zij zich moet gedragen als een bediende zodra haar man gasten heeft, vindt zij dit leven toch veruit te verkiezen boven een gedwongen huwelijk in de kraton. Zij beseft steeds meer dat het bestaan van een njai eigenlijk geheel afhangt van de luimen van haar meester. Als ze hem twee dochters baart, verdwijnt die vrees. Ten onrechte, blijkt later. Haar militair trouwt alsnog met een Nederlands meisje en dankt haar en de kinderen af.

    Hiërarchie in huidskleur

    Méér over Isah’s bittere leven onthullen zou zonde zijn, want Isah is een geboren verteller die met grote precisie het beschermde, maar aan strikte regels gebonden leven in de kraton schildert, en de lokkende koloniale wereld daar buiten. De blanke barbaren waar men in de kraton op neer kijkt zijn daar de baas. Dat ook deze wereld aan strikte regels gebonden is zal Isah door schade en schande leren. Dat haar huidskleur haar in de onderlaag van deze koloniale hiërarchie plaatst, merkt ze al snel. Dido Michielsen, zelf nazaat van een njai, heeft in Isah een geloofwaardig slachtoffer geportretteerd van zowel de koloniale als de autochtone Javaanse maatschappij. Daarmee vult zij knap de lege plek in die njai’s vaak in de stambomen van Indische families hebben. Haar fictie-debuut is een indrukwekkende en ontroerende roman.