• Jurk

    Jurk

    Het was een uitzonderlijk drukke en vreemde maand geweest. We hadden juichend een nieuw mens verwelkomd, we hadden huilend een ander moeten laten gaan. Het was dan ook niet verwonderlijk dat mijn ogen langzaam dichtvielen toen ik aan tafel zat te lezen. Toen ik ze weer opendeed, lag ik languit op de bank, waren boek en bril op de grond gegleden, en de rode jurk die ik gedragen had, was vervangen door een zwarte. Nu ben ik al heel lang een hardnekkig slaapwandelaar en heb ik vaker rare dingen gedaan als ik ’s nachts rondspookte, maar was ik werkelijk naar boven gegaan om me om te kleden in mijn slaap? En waarom? Volgens een artikel uit 2017 in de Libelle zou zwarte kleding geassocieerd worden met zelfverzekerdheid, aantrekkelijkheid en intelligentie; rode jurken daarentegen met arrogantie en een gebrek aan intelligentie. Wat mijn activiteiten tijdens het slaapwandelen betrof, wilde ik liever geen conclusies verbinden aan deze informatie; ik kon beter van lectuur veranderen dan van kleding.

    Ik raapte Orlando van Virginia Woolf op, dat ik aan het lezen was, maar daar kon het niet aan liggen: ik was niet van geslacht veranderd, alleen van jurk. Ik dacht aan jurken en kleuren, aan betekenis en symboliek, aan Roodkapje, aan Medea, die de trouwjurk van haar rivale Glauke in brand zette. Ik dacht aan Le rouge et le noir van Stendhal, aan het meisje in de rode jas dat als een brandpunt in de zwart-wit film Schindler’s list verschijnt tijdens een razzia in het Poolse Krakow en wier rode jas later op een kar te zien is tussen de opgestapelde doden. Ook dacht ik aan ‘scharlaken zonden die wit als sneeuw zouden worden, al waren zij rood als karmozijn’. Maar het hielp niet.

    Ik heb nooit een bevredigende verklaring gevonden, totdat ik later een gedicht van Anne Vegter tegenkwam, waaruit duidelijk bleek dat het aan de jurk zelf lag. 

    ‘Showen en trippen’

    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
    te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
    je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk geluid te maken dat dieren overstemt
    om aandacht te vangen van een geschminkte koningin.
     
    Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
    te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
    te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
    Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

    Vegter vertelt nergens welke kleur de jurk had. En een wade is wit. Maar ik ben een beetje huiverig geworden voor jurken van welke kleur dan ook. Voorlopig trek ik maar een oude spijkerbroek aan, altijd goed.

     

    Gedicht uit: Spamfighter / Anne Vegter / Querido (2007)


  • Dooie hond

    Dooie hond

    Er was een beroemde Amerikaanse auteur van wie ik nog nooit iets gelezen had, maar iedereen riep dat ik dat beslist moest doen. Daarom besloot ik om zijn meest geprezen werk aan te vragen bij een verre bibliotheek. Dat moest wel, want de bibliotheek in ons dorp richt zich voornamelijk op gezinnen met kleine kinderen en vertegenwoordigers van grote doelgroepen, dus is het doorgaans behelpen met het verzamelde werk van Nijntje en De Cock (met c-o-c-k) van Baantjer. Een paar dagen later kon ik het boek ophalen. De achterflap loog er niet om: ‘De favoriete auteur van andere auteurs’, ‘Een zuiver en diepzinnig hoogtepunt in het oeuvre van een van de grootste schrijvers die ik ken’, en ‘Als je maar één boek in je leven leest, laat het dan dit zijn’. Gretig begon ik te lezen.

    Toen ik ongeveer een derde van het boek gelezen had, wist ik het al: ik vond er he-le-maal niets aan. Toen ik op de helft was, nog minder. Ik heb het boek teleurgesteld weggelegd en me afgevraagd waar het aan lag. Als iedereen zich over dit boek uitliet in halleluja-achtige superlatieven, mocht ik dan vertrouwen op mijn eigen oordeel? Ja, want hoe het ook uitviel, het was in ieder geval oprecht. Dat je de achterkant van een roman niet serieus kunt nemen, is me wel duidelijk: al die aanprijzingen, die lofzangen, die extatische litanieën, ze dienen alleen om het boek te slijten, maar vertellen niets over de werkelijke inhoud. En waar ik ronduit een hekel aan heb, zijn de citaten uit recensies van vooraanstaande kranten over eerdere boeken van de auteur, waar ik dus niets wijzer van word. Was ik jonger, dan had ik nog een ander boek van dezelfde schrijver gelezen, maar met heel veel boeken om nog te lezen en steeds minder tijd kreeg hij geen herkansing meer. 

    Iedereen vroeg me in de dagen daarna of ik het ook zo’n geweldig boek had gevonden. Bevestigend antwoorden zou het gemakkelijkst zijn, dat sloeg meteen de discussie dood en dan was ik overal vanaf. Maar ik vond het geen goed boek, laat staan geweldig, en liegen gaat me niet goed af. Dus zei ik nee, en dan werd er ogenblikkelijk een stap naar achteren gedaan: ik behoorde niet tot de ingewijden, maar tot de barbaren. Terwijl Remco Ekkers toch duidelijk zegt dat we kunst niet allemaal op dezelfde manier ervaren: 

    Kunst

    Er liep een meisje
    met een dooie hond
    aan een riem door
    het museum, zij sleepte

    hem de trap af
    langs de schilderijen
    over zijn wollen poten
    tilde hem soms op

    streelde zijn oren.
    Haar meedravende zus
    besteedde niet de minste
    aandacht aan de hond.

    Geen achterflap, noch de aanbidding van gevestigde namen, of de angst om niet tot de club te mogen behoren, mag uitmaken wat je wilt lezen en wat niet. En laat niemand je ooit vertellen wat je mooi moet vinden. Dat maak je zelf uit. Klinkt De Cock en de geur van rottend hout soms niet intrigerend? Nou dan.

     

    Gedicht Remco Ekkers uit: ‘Van muis tot minaret’, 1989


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Heerlijk boek zeer geschikt voor in het onderwijs

    Heerlijk boek zeer geschikt voor in het onderwijs

    Anders dan bij haar eerdere boeken Hoe lees ik? en Hoe lees ik korte verhalen? heeft Lidewijde Paris dit boek niet de titel gegeven van een gebruiksaanwijzing, maar is het eerder een verontschuldiging die de veronderstelde moeilijke kanten van een gedicht wil afzwakken. Op de titel, Een gedicht is ook maar een ding volgt per hoofdstuktitel een aantal bijvoeglijke bepalingen als: ‘dat het hart beroert’;  ‘dat zich voor alles leent’; ‘waar hard aan gewerkt is’ en nog andere. Aan de hand van ruim honderdveertig voorbeelden legt Paris uit wat een gedicht kan zijn, voorbeelden die ze gekozen heeft omdat ze die zelf mooi vindt of omdat ze goed illustreren wat ze wil uitleggen. De gedichten nemen ons mee dwars door de tijd, beginnende bij ‘hebban olla uogala’, van Van Alphen naar Vasalis, en eindigend bij Kouwenaar, maar moderner dan de Vijftigers wordt het niet. Dat is geen bezwaar: de geciteerde gedichten zijn alle herkenbaar voor de lezer die zich vaker met poëzie bezighoudt en de beginnende liefhebber krijgt meteen het puikje van de poëtische canon voorgeschoteld. 

    Om poëzie te leren begrijpen, zegt Paris, moet je een ‘innerlijke antenne’ hebben die je vertelt wat je mooi vindt, maar je moet ook weten waar je op moet letten. Daarom vertelt ze per hoofdstuk over een aspect van de technische kant van poëzie: de ontwikkeling van het metrum, de functie van rijm en ritme, rijmschema’s, maar ook behandelt ze de stromingen in de poëzie en geeft ze een kijkje in de keuken van de dichter. 

    Waardevol naslagwerk

    Dit boek is een kleine ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse poëzie die niet alleen heel prettig leest, maar ook een waardevol naslagwerk is. Paris trekt je mee in de bevindingen van haar speurtocht naar voorbeelden van gedichten die haar uitleg ondersteunen. Ze analyseert de gedichten op een heel persoonlijke wijze en plaatst elk gedicht in zijn tijd binnen de historische en literaire context en eventueel de achtergrond van de dichter. Zo weet ze bij het Lied van Heer Halewijn verbanden te leggen met de Sirenen van Homeros, De rattenvanger van Hamelen en de huidige reclame op de televisie. Het zijn deze zijpaadjes die het boek zo aantrekkelijk maken. Paris maakt het ook voor iedereen mogelijk die zijpaadjes te kunnen volgen door gedichten en citaten uit het Middelnederlands en ook uit latere eeuwen waar nodig te vertalen in modern Nederlands. 

    De dichtkunst in Nederland heeft een lange weg afgelegd, schrijft Paris. Ze doet uit de doeken hoe de moderne dichters de regels van de poëzie lieten varen, maar nog steeds op de schouders staan van hun traditionelere voorgangers. In de moderne poëzie zijn herkenbaarheid en betekenis niet altijd de belangrijkste elementen: klank, ritme en de poëtica van de dichter spelen ook een rol. En de drang om te begrijpen moet soms worden losgelaten: ‘Als je iets niet begrijpt, heeft dat een reden,’ aldus Paris. Soms heeft de dichter het zo gewild en er met opzet voor gezorgd dat zijn gedicht niet te begrijpen is.

    Begrijpen van poëzie

    Paris stelt dat er drie dingen aan te pas komen om een gedicht te begrijpen: het gedicht zelf, de context en de achtergrond van de dichter en zijn poëtica, maar ook de lezer zelf met al zijn ervaringen en herinneringen, die steeds weer aan verandering onderhevig zijn. Want wat je vroeger zo mooi vond, kan nu tegenvallen en andersom. Ze illustreert dat met heel persoonlijke voorbeelden, waarmee ze haar poëzietheorie, om het zo maar eens te noemen, dicht bij de lezer brengt. 

    Hoewel het een prachtig, enthousiast geschreven boek is, zijn er toch een paar kanttekeningen te plaatsen: Paris stelt met betrekking tot het gedicht Oote van Jan Hanlo dat ‘iets een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is.’ Dat is twijfelachtig: een gedicht mag zich dan wel onttrekken aan traditie, regels en verwachtingen, maar alleen de bewering van de dichter dat iets een gedicht is, trekt ook veel geschreven tekst de poëzie binnen waarvan je in de verste verte niet zou durven beweren dat het er thuishoort. Niet elk versje wordt een gedicht door het zo te noemen, niet elk boodschappenlijstje is poëzie. 

    Het zou ook interessant zijn geweest als Paris een hoofdstuk had gewijd aan ‘foute’ gedichten, waar het online van wemelt en in overlijdensadvertenties en poësiealbums. Wel haalt ze het gedicht Zwarte hoofden van Jan Prins aan, dat volgens haar tegen het randje van kitsch aan ligt. Eens legde ze de kwestie van kitsch en kwaliteit voor aan dichter Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Ze vroeg hem of er een gedicht is dat hem ‘ongelooflijk dierbaar is, maar dat verouderd, truttig traditioneel, sentimenteel, helemaal niet goed of misschien zelfs kitsch is?’ Tot haar verbazing kende Kouwenaar veel van dat soort gedichten: de situatie en het moment waarop je het gedicht voor het eerst las bepaalden de dierbaarheid, kwaliteit had daar vaak ‘geen snars’ mee te maken. Paris en Kouwenaar bedachten toen het plan om alle dichters bij Querido (waar Paris uitgever was) te vragen naar hun ‘geheime foute gedicht’. Het kwam er niet van, Kouwenaar overleed en ze waren vergeten elkaar ‘- stom, stom, stom! –’ te vertellen wat hun geheime foute gedicht was. Maar het zou mooi geweest zijn als Paris niet  aansluitend had vertelt wat haar keuze zou zijn geweest en vooral: waarom dat gedicht? Het zou een goed voorbeeld kunnen zijn van het verschil tussen kunst en kitsch, tussen kwaliteit en knutselwerk, waarmee veel lezers geholpen zouden zijn. Een laatste opmerking betreft de zetduivel die talloze malen heeft toegeslagen in dit boek: letters en woorden die zijn weggevallen, of juist dubbel in een zin terechtgekomen zijn, en de letteromkering waardoor het ‘gestolen brood’ in een gedicht van Martin Veldman, De jongen I, verderop in de tekst van Paris een ‘gesloten brood’ wordt. Je vraagt je af wat de juiste versie is.

    Aanpak bij het begrijpen van poëzie

    Maar dat zijn niet meer dan kanttekeningen bij een heerlijk boek, dat ook heel goed in het onderwijs te gebruiken zou zijn. Paris doet er voor het plezier nog een quiz bij, waarin beginregels van bekende gedichten moeten worden afgemaakt en ze heeft ook een begrippenlijst van literaire termen opgenomen, evenals een aantal handige vragen bij het lezen van gedichten, die de lezer zichzelf kan stellen. Ze raadt aan dicht bij je eigen gevoel te blijven: raakt het gedicht je op de een of andere manier, kun je er troost, herkenning, of een andere emotie in terugvinden? Daarna kun je nagaan of je er meer van wilt begrijpen. Daartoe heeft Paris een ‘Klein noodplan van aanpak bij het begrijpen van gedichten’ toegevoegd aan hoofdstuk 6 (maar de hoofdstukken zijn niet genummerd) dat heel geschikt is om als docent samen met leerlingen te behandelen. In dat geval zou het wel wenselijk zijn om ook werk van jonge, moderne dichters op te nemen.

    De speurtocht van Paris naar de ontwikkeling van Nederlandstalige poëzie door de eeuwen heen is een reis die ze niet alleen maakt, maar samen met de lezer als reisgenoot, waarbij ze onderweg op tientallen mooie bezienswaardigheden in de vorm van gedichten wijst en laat zien hoe er gekeken moet worden naar details, technieken, vorm en inhoud. Maar bij dit lezen, staat het genieten voorop. 

     

  • Volle planken

    Volle planken

    Toen de Grote Schoonmaak voorbij was en alle dozen met boeken van de garage weer het huis in werden gesjouwd, wezen mijn huisgenoten mij er voorzichtig op dat dit een uitgelezen gelegenheid was om te bepalen welke boeken terug mochten op de planken en welke ik kon missen. Na mijn aanvankelijke verontwaardiging ben ik uiteindelijk bezweken, niet voor hun argumenten, maar voor de wanhoop die me beving bij de aanblik van alwéér een doos. Het kwam bijna zo ver met me dat ik geen boek meer kon zien, zoals in het gedicht van Jana Beranová: 

    ‘Boekenschat’

    Als ik wakker word, wrijf
    ik eerst een paar boeken
    uit mijn ogen, slalom dan
    tussen wankele leestorens
    de trap af naar de kamer
    waar de boeken samen-
    troepen. Onderweg naar
    mijn bureaustoel, pak ik
    een stapel van de vloer en
    leg die op tafel, wat op de
    stoel ligt verplaats ik naar
    de vloer, maar zodra ik
    van de stoel opsta en naar
    de tafel wil lopen, leg ik
    die stapel weer terug op
    de stoel en de stapel van
    de tafel op de al op de
    vloer opgestapelde stapel.

    Boeken tot in de verste
    hoeken – ik haat ze maar
    o Heer, alstublieft bewaar
    ze voor ik mijn slaap als
    een vliegtuig kaap en
    vanuit de lucht de hele
    zooi voor de ratten gooi.

    Ik verdeelde mijn boeken in stapels en het was verontrustend te zien hoe snel de stapel met afgedankte boeken groeide. Want een vreemde, wilde razernij beving me toen ik eenmaal een begin had gemaakt, een bevrijdende waanzin als die waardoor de studenten uit De verborgen geschiedenis van Donna Tartt waren bezeten toen ze als uitzinnige Maenaden, een onschuldige boer aan stukken reten. Weg, alles moest weg, Anna Blaman, wie las haar nog? Hup, aan de kant met haar. Arthur van Schendel, wat moest ik er nog mee? Weg! Naar de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel. 

    Later, toen ik weer bij zinnen was, had ik spijt als haren op mijn hoofd. Onvermijdelijk waren een aantal boeken op de verkeerde stapel beland waardoor ik nu een stel geliefde titels ben kwijtgeraakt, titels die ik nooit had willen missen. Het voelt alsof ik een stuk van mezelf kwijt ben. De overgebleven boeken werden lukraak door haastige handen op de planken gezet, ‘bien étonné de se trouver ensemble’, zoals dat heet, Eline Vere naast The Exorcist, Isaak Babel naast J.K. Huysmans. Ik wist altijd waar elk boek stond, de kamer, de kast en de plank kon ik noemen, nu lijken ze me vreemd te zijn. Wat wel weer een voordeel heeft, vergeten schatten komen weer onder de aandacht en lijken ongelezen. Maar de lege plekken in de kasten hinderden me en gaven me een schuldgevoel. Horror vacui maande me om ze zo snel mogelijk op te vullen. Gelukkig gaf de man van de boekenmarkt mij toestemming om een dag in mijn eentje in de opslag door te brengen. Ik ben weer gelukkig met mijn volle planken, ik wel. 

     

    Uit: Tussentonen (2004)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Berustend wachten in een benauwend niemandsland

    Berustend wachten in een benauwend niemandsland

    De vierde bundel van Froukje van der Ploeg, Nachtvangst, roept onmiddellijk een van de beste albums van Bob Dylan in herinnering: Blood on the tracks, ook wel Dylans echtscheidingsalbum genoemd omdat het gaat over de pijn en het verdriet die de scheiding van zijn toenmalige vrouw Sarah teweeg bracht. Dylan ontkende later dat persoonlijke ervaringen ten grondslag lagen aan de teksten, maar de eenzaamheid, de boosheid en de bitterheid die uit de songs spreekt, doen anders vermoeden.

    Dat geldt ook voor de bundel van Van der Ploeg, waarin het lyrisch ik, die autobiografisch lijkt te zijn, eveneens een echtscheiding achter de rug heeft. Die schijnt niet zonder slag of stoot verlopen te zijn: in het gedicht 23 juli, 02:23 staat de veelzeggende versregel: ‘Ik denk / aan escalatie, straatverboden, ontzeggingen, kapot / glas, een spoor bloed.’ Ook uit andere gedichten krijg je de indruk dat er in het huwelijk geweld gebruikt werd: ‘dit gaat niet vanzelf voorbij’ in het gedicht Uitgesproken doet denken aan de tv-spotjes van SIRE over huiselijk geweld. Al eerder werd er geconstateerd dat ‘de akte van berusting met een andere pen wordt getekend dan de huwelijksakte’. De bundel is dan ook doortrokken van een bitterheid en een tristesse, waarin het lyrisch ik berustend wacht alsof ze vastzit in een niemandsland waarin ze niet meer voor- of achteruit kan gaan.

    Stofje in het heelal

    De titel van de eerste afdeling is GJ1214b. Dit is een zogenaamde exoplaneet, die om een andere ster draait dan de zon. De dichter beseft dat we slechts een klein onderdeel zijn van iets groters; onze dagelijkse wereld is een stofje in het heelal. De mens staat machteloos tegenover de gebeurtenissen en kan niet zelf zijn koers kiezen. Uit de gedichten spreekt het verlangen om zelf het leven te kunnen sturen door in het hier en nu te blijven, niet achterom te zien en niet vooruit te kijken, maar door afstand te nemen en te relativeren.

    OVERZICHT

    Kijk: hier zijn we nu Halverwege. Sommigen van ons verlaten
    mannen voor vrouwen, verkopen huizen voor ze af zijn
    sluiten anderen buiten en staan weer op een schoolplein.

    We zijn de mensen geworden die er verstand van hebben
    verleiden met weinig tekens, bestellen personen als pizza’s
    sommigen van ons zien dingen van dichtbij onscherp worden.

    Voor een van ons is de dichtstbijzijnde ander een astronaut
    op vierhonderd kilometer boven zich in rondjes om de aarde
    iemand probeert slaapkamerbeloftes te ontbinden in de
    rechtszaal.

    Loslaten, zeggen we tegen de buurvrouw, want de angst van wat kan
    is erger dan het moment zelf, onze stemmen zijn laag geworden.

    Vrolijk is anders

    Niet alle gedichten gaan over het lyrisch ik of over de dichter zelf. In de derde afdeling Hoofdzaken zijn gedichten opgenomen die zijn geschreven vanuit het perspectief van een ander: er worden portretten geschetst van een gescheiden vader die zijn dochter weer ziet, een dementerende vrouw die ‘wil onthouden wie [ze] was’, en zelfs een dode vrouw die haar vroegere minnaar toespreekt vanuit haar kist. Het is ironisch te bedenken dat deze gedichten over scheiding, afscheid, zelfmoord, ziekte en dood onder Hoofdzaken gerekend worden door de dichter, alsof er niets anders in het leven is dat de moeite waard is. Het zegt wel iets over de teneur van deze bundel, vrolijk is anders. 

    In de afdeling Insomnia staan vijf gedichten die alle in de vroeger ochtenduren van de zomermaanden juli en augustus geschreven zijn. In een van de gedichten, 26 juli, 03.15, geeft de dichter aan dat haar leven tot stilstand is gekomen, ‘het dagelijks leven dat almaar wacht / op beginnen / en niet weer die droom waarin niets vooruitkomt.’ Uitgesproken is de titel van de laatste afdeling waarin de aanleiding tot de scheiding centraal staat, met titels van gedichten als Geduld, Te lang en Overval. Uitgesproken slaat zowel op het bevestiging van de scheiding als een aspect van de voorbije relatie. Het is ook de afdeling waarin naar verandering van de situatie gestreefd wordt:

    Ik had iets nodig dat me overnam, groter
    dan de ruimte waar mijn ex zat, lichter
    van kleur, iets dat mijn grenzen opzocht, iets
    dat dingen vloeibaar maakte, oprekte, opnieuw
    uitvond, de realiteit veranderde

    (Uit AMOR FATI 3

    Mooi in deze strofe van het gedicht is het verrassende gebruik van de enjambementen, maar ook de aanduiding van het in beweging komen na een periode van stilstand. 

    Er is hoop

    In elke afdeling, behalve in Insomnia, is een gedicht opgenomen getiteld Lieve Imke, gedateerd in respectievelijk september, oktober en november, met als standplaats Amsterdam, maar de laatste afdeling bevat een brief aan Imke die in augustus is geschreven, in de Franse plaats Dole. Waar de eerste drie briefgedichten nog getuigden van verslagenheid, is de laatste brief in de zomer in Frankrijk opgewekter en gewaagt van een nieuw begin: ‘Mijn vader stelt me steeds mannen voor met een kalm karakter / en zonder gelaagde geheimen’. Al eerder werden terloops aanwezige mannen vergeleken met dat wat de kat binnenbrengt: de verklaring voor de Nachtvangst uit de titel van de bundel. Er is sprake van een acceptatie, de troost van de alledaagsheid en een berusting die niet meer voortkomt uit wanhoop. Er is hoop.

    Froukje van der Ploeg heeft in deze bundel haar emoties goed onder controle en houdt haar stemmingen met vaste hand in toom door haar parlando taalgebruik, dat vlak en toonloos is en waarin het temmen van het verdriet de overhand heeft. Soms komt dat te kalm, te berustend over en zou je willen dat ze een keer uitschiet, maar dat gebeurt niet. Het gedicht Doldrums  (Doldrums zijn zones rond de evenaar met relatief rustig weer en lage luchtdruk) illustreert dat:

    Mijn hersens zijn glad
    windstil water, ik drijf
    door de dagen, geen vlaagje

    in de ruimtes waar ik woon
    een vast vestjesklimaat alleen
    een trui als de aankleders samen zijn

    de vloer, de lakens, mijn haar
    de tegels in de badkamer, puree
    appelmoes, vla, glad, glijdt

    nergens een haakje, splinter
    drempel of kronkel waar iets
    aan kan blijven hangen.

    De emoties in deze gedichten zijn zodanig geserreerd dat een splinter of een haakje welkom zou zijn, in ieder geval iets waar je als lezer ‘aan kan blijven hangen.’

     

  • Ik kan veel hebben

    Ik kan veel hebben

    Op het station in ons dorp keek ik de ganzen na die in formatie overvlogen en dacht daarbij aan de auteur T.H. White, van Arthur, Koning voor eens en altijd, die elk jaar eerbiedig zijn hoed afnam als hij de vogels zag gaan. Maar de dame die plotseling naast me opdook en me zag kijken, zei: ‘Daar gaan ze, en ze nemen de zielen van de overledenen mee. Die helpen ze over te gaan, net als de kraaien.’ Ze bewoog heftig met haar hoofd. ‘En ik kan ze zien,’ besloot ze, ‘die zielen, en dat is niet altijd gemakkelijk, hoor.’ Ik knikte braafjes, maar wachtte tot zij in de trein was gestapt en ging zelf in een ander treinstel zitten. Het was tenslotte de dag vóór Halloween met twee dagen daarna Allerzielen en ik had in dit duistere jaargetijde geen zin in een seance onderweg of een sessie met het ouija-bord. 

    Toen ik in Utrecht op een bus zat te wachten, kwam er een sjofel geklede man naast me zitten die aankondigde: ‘Mevrouw, ik ga me voor de trein gooien.’ Ik had hem erop kunnen wijzen dat hier alleen bussen stopten, maar dat leek me flauw. Ik vroeg hem naar de reden en hij zei dat hij die dag jarig was, maar dat helemaal niemand hem gefeliciteerd had. Dat deed ik dus maar, omstandig en welgemeend en ik gaf hem wat geld om een taartje van te kopen, in de hoop dat dit zijn voornemen zou verijdelen. Toen mijn bus wegreed, zag ik hoe de man gebaarde naar een wachtende jongen om zijn oortjes uit te doen, opdat hij zijn verhaal nog een keer kon vertellen. 

    Eenmaal in de binnenstad aangekomen dronk ik een kop koffie in een café, waar ineens een jongeman binnenstormde die zich breeduit tegenover me posteerde en schreeuwde dat hij manisch-depressief was en dat hij zojuist uit het ziekenhuis kwam waar hij de afgelopen vijf weken was opgenomen. Ik gaf toe dat dat niet leuk was en bood hem een kop koffie aan om hem te kalmeren. Zelf kon ik wel wat sterkers gebruiken na drie keer op één dag zo’n ontmoeting met aardige, maar speciale mensen, ieder behept met zijn eigen obsessie. Ik dacht aan het gedicht van Erik Bindervoet, met zijn sneer naar de dichter Rutger Kopland en diens gedicht over jonge sla. Ik dacht dat elk van deze drie mensen een dichter kon zijn.

    Kropland

    Ik kan veel hebben maar
    Dichtende psychiaters vertrouw ik niet.
    Het zijn de gekken
    Die gedichten moeten maken.
    De mensen die het niet weten
    Hoe het zit.
    Wat er aan de hand is.
    Welk pad ze moeten gaan.

    Ik wist heel goed welk pad ik moest gaan: naar de recensentenbijeenkomst van Literair Nederland in het antiquariaat van Hinderickx en Winderickx op de Oude Gracht. Daar aangekomen heb ik de hele avond met aardige, speciale mensen over hun obsessie gepraat, die ook de mijne is: over schrijvers, gedichten, boeken. 

     

    Uit: De mond van de waarheid, (2013)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Een monoloog zo gespannen als een veer

    Een monoloog zo gespannen als een veer


    Woord vooraf door de redactie
    Een boek kan verschillende reacties oproepen, en een enkele keer zijn die zo tegengesteld aan elkaar dat het interessant is te onderzoeken hoe dat komt. Vooral als aangeven wordt dat een boek ook heel anders gelezen kan worden. Om recht te doen aan beide zienswijzen, vroegen we nog een recensent naar dit boek te kijken dat eerder hier werd besproken door Reinier van Houwelingen.



    De boeken van Uitgeverij Vleugels worden op het omslag niet voorzien van een jubelende toelichting op de inhoud, noch van ronkende aanprijzingen van bekende collega-auteurs of vooraanstaande dagbladen. Ook staat er geen afbeelding op die de lezer moet lokken. De dialoog tussen schrijver en lezer wordt niet verstoord door externe factoren; het boek moet voor zichzelf spreken. Dat geldt ook voor
    Het geheugen van de lucht van Caroline Lamarche, in vertaling van Katelijne De Vuyst, met zijn strak en sober uitgevoerde uiterlijk.

    Deze kleine roman van 76 pagina’s was oorspronkelijk geschreven als theatermonoloog en is dat gebleven in die zin dat er slechts één persoon aan het woord is, die over haar persoonlijke ervaringen vertelt. Het boek is ingedeeld in twee delen. Eigenlijk zou je als lezer met het laatste deel moeten beginnen. Hierin vertelt de naamloze vrouw  – naamloos omdat ze symbool staat voor alle vrouwen – dat ze ruim twintig jaar geleden verkracht is, waardoor het eerste deel van de roman in een heel ander licht komt te staan. Veel verhaalelementen die eerst onbeduidend of onbegrijpelijk leken, krijgen hierdoor gewicht en betekenis en ook het motto vooraan in het boek, ontleend aan schrijfster Unica Zürn (1916-1970), is nu van groot belang geworden: ‘Alleen de monoloog kan de waarheid onder woorden brengen – wie zou het wagen zijn geheim aan de ander te vertellen?’ 

    Terugkerende droom als traumaverwerking

    De vrouw in het verhaal waagt dat in ieder geval niet, en zeker niet aan de man met wie zij zeven jaar een relatie had en die zij nu Vantoen noemt, een afkorting van ‘man van toen’. Hij was er wel van op de hoogte, maar reageerde alleen met: ‘Een paar jaar geleden werd je verkracht, toch?’ De enige manier waarop zij haar traumatische ervaring kan verwerken, is in een steeds terugkerende droom waarin ze haar jongere ik dood in een ravijn ziet liggen, onbereikbaar. 

    De gecompliceerde verhouding met Vantoen ontstond na een huwelijk met een andere man waarover verder niets verteld wordt en waaruit twee dochters werden geboren, zoals slechts terloops vermeld wordt. Vantoen ontpopte zich als een megalomane egoïst, die alleen hield van seks, literatuur en zijn eigen schrijfsels, waarmee hij beroemd hoopte te worden. In zeven jaar vond hij niet één keer het juiste moment om aan zijn moeder te vertellen dat hij een relatie had. Hij dreigde regelmatig met het plegen van zelfmoord om haar te chanteren en een schuldgevoel aan te praten, maar in plaats van de hand aan zichzelf te slaan, mishandeld hij de naamloze vertelster, die daarop naar het ziekenhuis gaat om in een attest te laten vaststellen dat ze mishandeld is. Maar aangifte doet ze niet, omdat zij dat na haar verkrachting wel deed en door de politie zeer onheus werd behandeld. Pas als ze Vantoen in zijn slaap ziet liggen alsof hij dood is, kan ze de moed verzamelen om hem te verlaten.

    Slachtoffer wordt medeplichtige

    Hierna begint deel twee van het verhaal, waarin de vrouw vertelt over de verkrachting, waarbij ze bedreigd werd met een mes, over haar angst, haar lijden, maar vooral over de macht die een ander tijdelijk over haar kon uitoefenen door middel van een wrede daad die haar eigenwaarde en zelfvertrouwen voorgoed deed verdwijnen. Zo zeer zelfs, dat zij er niet meer over durft te praten en haar enige getuige de lucht is: ‘Het geheugen van de lucht bewaart al onze gebaren, al onze woorden en zelfs de gebaren en woorden waarvan we uiteindelijk afzien’. 

    Als zij op het politiebureau aangifte doet, vraagt de dienstdoende agent: ‘Bent u klaargekomen? We moeten dat weten voor het onderzoek.’ Als ze, in verwarring gebracht door deze vraag, iets onduidelijks stamelt, krijgt ze het advies met niemand hierover te praten. Van slachtoffer wordt ze tot medeplichtige en schuldige gemaakt. Eerder deed Vantoen dat al, en ook de moeder van de vrouw legde in haar opvoeding de nadruk op onderwerping, inschikking, aanpassing, zowel op school als later: ‘”Je moet laten begaan, nooit nee zeggen tegen je man”, had mijn moeder me op mijn veertiende geleerd, “maar maak je geen zorgen, het is een vervelend moment dat al met al snel voorbij is.”’

    Uiteindelijk raakt de vrouw er zelf ook van overtuigd dat ze medeplichtig is aan de verkrachting en dat het haar schuld was: ze had die rode jurk niet moeten aantrekken, door een andere straat moeten lopen, ze had zich moeten verzetten. 

    Een wezen zonder macht

    Lamarche laat op overtuigende wijze zien hoe diep een gewelddadige gebeurtenis als verkrachting ingrijpt in het leven van de vrouw, waardoor het heden, maar ook alles in het verleden in het teken is komen te staan van die verkrachting. Vandaar de talloze beelden, symbolen, cursiveringen en verwijzingen die in het eerste deel van de roman in eerste instantie geen belang leken te hebben en pas achteraf wijzen op wat haar is overkomen. Hoe beladen het onderwerp ook is, het taalgebruik wordt nergens sentimenteel of overladen; de vrouw doet niet aan zelfbeklag of tranen. Zo sober en strak als het uiterlijk van deze roman, zo ingehouden en beheerst is de inhoud, een verhaal zo gespannen als een veer. 

    Er vindt een soort van catharsis plaats op de laatste bladzijde van het boek, als de vrouw ziet hoe een jongetje door zijn moeder door elkaar gerammeld wordt en hoe ze hem afsnauwt. De vrouw zegt: ‘Ik oordeel niet. Ik stel gewoon vast dat het kind op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats aanwezig was. Een wezen zonder macht. Een wezen dat je helemaal in je macht hebt. […] Op dat moment heb ik begrepen wat me was overkomen.’ Met deze bewustwording sluit de roman. De dode vrouw uit de terugkerende droom kan beginnen voorzichtig uit het ravijn te klimmen.

    Het geheugen van de lucht is hier te bestellen.

     

  • Naar bed

    Naar bed

    Daphne du Maurier schreef met The Pool een betoverend en subtiel verhaal. Het gaat over Deborah, een meisje op de grens van de puberteit, dat zich in verbinding kan stellen met een magische ‘Lady of the lake’ die haar deelgenoot maakt van alle geheimen van de natuur. Ze logeert met haar vervelende broertje bij hun grootouders, deftige en stijve mensen van wie ze zich niet kan voorstellen dat ze ooit jong geweest zijn. Du Maurier laat Deborah aan het woord in het volgende fragment:

     ‘When people grew old they had so few treats.
    “What do you look forward to most in the day? ” she once asked her grandmother.
    “Going to bed,” was the reply, “and filling my two hot-water bottles.” Why work through being young, thought Deborah, to this?’

    Ik was het altijd met Deborah eens geweest dat een dag toch wel andere traktaties kon bieden. Maar sinds we met de Grote Schoonmaak zijn begonnen, heb ik me aan de kant van de grootmoeder geschaard. De schilders waren gekomen: alle plafonds werden gewit, kozijnen en deuren geschilderd en de vloerbedekking werd vervangen. We sjouwden trap op trap af, elke dag versjouwden we de inboedel naar een andere kamer. We pakten al mijn boeken in dozen en vulden daarmee de garage tot de nok. 

    De vierde dag viel ik ruggelings achterover de trap af toen ik hielp om spullen naar boven te dragen. Niks gebroken, wel helemaal bont en blauw. Alles deed zeer en de dokter zei dat dat zeker nog wel zes weken zo zou blijven. Vooral in beweging blijven, was zijn advies. Dus sleepte ik mijn loden lijf moeizaam de dagen door met als enig verlangen om het ’s avonds geradbraakt op bed neer te leggen. Het was vreemd te merken hoe snel er nog maar weinig was dat er toe deed, hoe groot ‘het gemak waarmee alles in ballast veranderde’, zoals Wiljan van den Akker zegt in zijn gedicht De tocht. Alles waarover ik eerst in vervoering kon raken, deed ik nu met een schouderophalen af. Vrolijke of droevige berichten, ze gleden langs me heen als water langs een eend. Niets was nog belangrijk, de vlijmende pijn in mijn lijf verschoof mijn focus die zich uitsluitend op het einde van de dag richtte, wanneer ik voorzichtig kon gaan liggen. Dan ervoer ik een gevoel van puur, eenvoudig geluk zoals dat waarover Garmt Stuiveling dichtte:

     XIV

    Nu de grote dingen verdwijnen
    worden de kleine dingen groot:
    wat zonlicht op de gordijnen,
    een appel, een snee vers brood.
     
    Met hoeveel overbodigs
    maken we ons leven stuk:
    er is zo weinig nodig
    voor wat eenvoudig geluk.
     
    Zó zou ik oud willen wezen,
    klein bij de grote dood:
    Homerus om in te lezen,
    een appel, een snee vers brood.

    Deborahs grootmoeder en ik, wij kennen het geheim van het kleine geluk. Er hoort nog een bed in het gedicht genoemd te worden, een bed om simpelweg op te liggen. Alleen die kruiken, die hoeven van mij niet.

     

     

    (Uit: Eeuwig gaat voor ogenblik / Garmt Stuiveling / Meulenhoff (1965)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Meisje

    Meisje

    Nadat ik een plaatsje had weten te vinden in de overvolle trein, werd ik me bewust van het gesprek dat een meisje met haar mobieltje voerde. Ze zat tegenover me: een tenger, blond meisje van een jaar of vijftien, zestien, gekleed in een spijkerbroek en een legerjack. Het was duidelijk dat ze met haar vriendje aan het praten was en uit het gesprek, waarvan ik slechts één kant kon horen, kon ik al gauw opmaken waar het over ging: hij had het uitgemaakt en zij smeekte hem om weer bij haar terug te komen. Haar stem klonk jammerend hoog toen ze maar bleef vragen waarom hij niet meer met haar wilde? Had ze iets verkeerds gezegd, iets fout gedaan? Maar ze konden het toch opnieuw proberen, ze zou veranderen, ze zou alles doen wat hij maar wilde, als hij maar weer van haar zou houden. Het verdriet had haar onverschillig gemaakt voor het feit dat iedereen haar kon horen. Ze keek niet naar ons, de andere passagiers in de trein, maar bleef maar uit het raam staren alsof ze haar vriendje daar buiten zag staan.

    De tranen stroomden over haar bleke gezicht en ze had een snotneus. Ze zag er moe en gebroken uit, maar ze bleef dezelfde woorden herhalen, alsof hij op het laatst wel zou toegeven als ze maar bleef volhouden. Het deed me pijn dit aan te horen. Ik wilde mijn armen om haar heen slaan en in haar oor fluisteren dat ze mooi en jong was en dat ze die jongen niet nodig had om gelukkig te zijn; Plato had gezegd dat geluk bestond uit jezelf genoeg zijn. Dat ze vast wel een ander zou tegenkomen, en dan leefden ze nog lang en gelukkig. En als er geen sprookjesprins voorhanden was, dan zou ze wel gelukkig zijn in haar eentje. Dat haar toekomst stralend zou zijn, ongeacht welk pad ze zou kiezen. Over vijftien jaar, als ze dertig of daaromtrent was, zou ze lachen om wat dan niet meer zou zijn dan een beschamende herinnering. Ik had als de goede fee aan haar wieg willen staan en het gedicht van Erik Menkveld als een toverspreuk over haar willen uitspreken:

    Alles mag je worden

    Het springzaad knapt, de brempeulen
    knallen open en jij ligt er in je wieg
    als een popelend boontje bij.

    Alles mag je worden van mij: zeeman,
    boswachter, archeoloog. Of –
    als je leven ingewikkelder loopt –

    gesponsord ontdekker van aangroei
    werende stoffen voor scheepsverf,
    alleenstaand paddestoelenfotograaf,

    pacht- en beestenlijstenonderzoeker
    van verdwenen Drentse keuterijen…
    Behalve ongelukkig. Beloofd?

    Maar natuurlijk deed ik niets van dat alles. Bij het volgende station stapte ik uit de trein. En terwijl ik naar huis liep, dacht ik aan een vergelijkbaar voorval lang geleden, toen er ook niemand zijn armen om me heen geslagen had toen ik dat zo heel erg nodig had. Maar zie me hier gaan: meer dan twee keer dertig, en blij met mezelf. Het meisje zou het ook wel redden.

     

    Uit: Schapen nu! / Erik Menkveld / De Bezige Bij (2001)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Poëzie in de strijd tegen de Goleman

    Poëzie in de strijd tegen de Goleman

    De wolkendragers van Peter Holvoet-Hanssen is een dichtbundel die niet uitsluitend gedichten van hemzelf bevat, maar die de resultaten draagt van een groot project waaraan meer dan dertig individuele dichters, collectieven en verschillende andere groepen aan hebben bijgedragen. Deze groepen bestonden uit klassen van middelbare scholen, patiënten van de oncologische afdeling van een ziekenhuis, psychiatrische patiënten en nog veel meer mensen. Dat leverde een bonte stoet gedichten op, waarbij Holvoet-Hanssen de eindredactie op zich nam, maar vaker nog werden de gedichten afgedrukt zoals ze ontstaan waren. 

    De rode draad in deze overvloed van gedichten is de strijd van de wolkendragers tegen de Goleman, een reus die aan de Golem doet denken, een mensfiguur uit klei gemaakt. Deze Goleman bedreigt de wereld van de mensen als vijand van alles wat mooi en goed is. Onder de wolkendragers bevinden zich de dichters die hem bevechten door middel van het woord, ieder op zijn eigen manier. Dat levert een verzameling aan gedichten op in allerlei varianten en uiterlijke vormen, van prozagedichten tot aan typografische gedichten. Het doet nog het meeste denken aan de werkwijze van Paul van Ostayen, een dichter die door Holvoet-Hanssen gezien wordt als zijn grote voorbeeld. 

    Verzet tegen de Goleman

    De bundel bestaat uit drie afdelingen: bovenstroom, onderstroom en tegenstroom. Het gedicht dat aan de afdelingen vooraf gaat, kondigt het verzet tegen de Goleman al aan in de laatste strofe:

    het totaalmoment kijkt met een derde oog; nu brandt de stad
    in de verte tussen zee en hemel als een een kamertje
    in je hoofd en zo is dit gedicht gedaan, het tilt je op
    fluistert in je oor: ‘laat ons verrijzen als vers brood uit het
    bont geslagen deeg des levens, glippend door de tanden van zes
    hondenuilen want wij zijn van wind en als het lot ons vangt
    vliegeren wij weg’- sta recht, zeg: ‘Goleman, wat heb jij pech
    want jij kent geen voetjes in het zand met uitzicht op het licht’

    (Uit: Trinacria, Vuurtorenstraat)

    Hierna volgen gedichten over Antwerpen, geschreven door leerlingen van een middelbare school, waarin verandering en beweging belangrijke motieven zijn. Vervolgens worden gedichten ‘uit de zeef van een goudzoeker’ afgewisseld met prozafragmenten uit de memoires van een Vlaamse SS-ooorlogsreporter en een bladzijde uit het dagboek van een bemanningslid van een Duitse onderzeeboot. Na een vissersopstand als intermezzo wordt een toneelscene beschreven over een auto-ongeluk met dodelijke afloop, waarbij de ‘snarenraker’ het laatste woord heeft: de dood is niet het einde. 

    Overweldigende verzameling gedichten

    Als de Goleman zelf aan het woord komt, blijkt hij het verlangen te hebben een mens te zijn, ook al weet hij niet wat dat inhoudt en kan hij geen hoogte krijgen van de mensen. De dichter krijgt een opdracht:

    Mensenkind, jij moet schrijven over Amaradja, droomgeliefde smaragd.
    laat je woorden als spreeuwen samentroepen. Tik met je dichter-snavel
    op de taal, de sterren melkwit. Goochelarend, dit moet ik je melden:
    zolang je gedichten maakt die Goleman niet zou kunnen bedenken,
    zolang blijf je in leven. Betreed gebieden die onze meester niet onder
    woorden, niet onder de verzenknie krijgt. Kom vogeltje, chip chip chip.

    (Uit: Logo van het blauwe hekje)

    In de tweede afdeling, onderstroom, zijn vuur en licht de belangrijkste elementen. Ook hier wordt in proza gesproken over de Tweede Wereldoorlog als een dreiging uit het verleden, waarbij Marinus van der Lubbe als wolkendrager opgevoerd wordt. Ook hij kwam in opstand tegen een allesoverheersende Goleman. Als lichtvoetige tegenhanger komen hierna weer de kinderen aan het woord in lyrische gedichten, en ook Orpheus en Eurydice, een zeemeermin, een Tibetaanse lama en Aristophanes worden opgevoerd in de gedichten. De bonte verzameling van allerlei gedichten is overweldigend, de vormen zijn velerlei, van toneeldialogen, prozateksten tot aan lyrische ontboezemingen: als een kolkende stroom overvalt deze bundel de lezer, die moet zien dat hij niet kopje-onder gaat.

    Vaak is niet duidelijk wat het betreffende gedicht te maken heeft met de overige en lijkt het er aan te zijn toegevoegd zonder reden. Overdaad schaadt in dat geval, er wordt voldoende duidelijk gemaakt dat woorden van poëzie en schoonheid elk kwaad in de wereld moeten afweren: ‘[…] Goleman de reus hoort ‘wij zijn van de wind’, ons medicijnlied / krijgt hij niet geplet, het is een koepelrok van sterrenzang / daarom dansen wij de Wolkenmaker, wapenen ons met dit woord / […]’. (Uit: Een amulet uit Onderland

    Avonturenroman

    In de laatste afdeling, tegenstroom, staan voornamelijk bijdragen van dichters als Delphine Lecompte, Tonnus Oosterhoff, Joke van Leeuwen, Peter Holvoet-Hanssen zelf en vele anderen, die het door middel van hun poëzie opnemen tegen de Goleman. De gedichten zijn zo verschillend als hun dichters: sommige beslaan slechts één regel, er wordt gespeeld met typografische kenmerken en er zijn veel verwijzingen te ontdekken naar andere literatuur, met name poëzie, en naar bekende namen. 

    In het gedicht Windvanger, dat puur associatief lijkt te zijn geschreven, wordt de Goleman werkelijk gevaarlijk als hij naar de stad wil oprukken. De afloop van deze aanval wordt niet beschreven, maar er wordt troost geboden in geval de Goleman toch zou winnen:

    WOLKENDRAGER in een weide een witte ezel, die knielt voor mij – waarom

    EZEL voor de appel, windvanger, de appel in jou

    ZOTTE MUS het is poëzie maar ik proef het gif en vind geen troost

    DE APPEL de golem overweldigt ons maar in mij zit mijn kroost
    er zullen altijd pitjes zijn die ertoe doen
    een steen
    kan drie steentjes zijn – de pijn een druppel voor de stroom

    DE PITJES schrijf ons niet af al zijn we klein – in ons vrucht
    de boom

    Deze bundel leest als een avonturenroman, als een sprookje. Er wordt heel wat van de lezer gevraagd, maar wie het waagt zich als een nieuwsgierig kind mee te laten voeren door de tomeloze fantasie van de diverse dichters, zal een ervaring rijker zijn.

     

     

  • Liefde voor het verborgene en mysterieuze in de natuur

    Liefde voor het verborgene en mysterieuze in de natuur

    Vespers, zo wordt het avondgebed van de getijden van de rooms-katholieke kerk genoemd; het begrip komt in het Nederlands alleen in het meervoud voor, waarschijnlijk naar analogie van de overige ‘grote uren’ metten, lauden en completen. Toch geven de oudste liturgische bronnen voor alle getijden het enkelvoud aan. Ook Anne Broeksma heeft als titel voor haar nieuwe bundel het enkelvoud gekozen en ze geeft daarmee meteen al aan dat zij terug wenst te gaan tot de bron, de oertoestand en het authentieke. Bij Broeksma slaat dat op de natuur, die ongetemd en wild is. Er komen dan ook niet veel mensen voor in haar gedichten, hoewel er wel altijd sprake is van een lyrisch ik. 

    Op de voorkant van de bundel staat een tekening van een draak die sereen de ogen sluit en zijn voorpoten berustend laat hangen terwijl hij bestookt wordt door papieren vliegtuigjes die langs hem heen gaan. Er komen meer dan eens draken in voor, maar de tekening zet de lezer toch op het verkeerde been. Dit is geen kinderboek. 

    Welwillende goden

    De bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste, Polytheïstische Gezangen, bevat zes gedichten die ieder gericht zijn aan een onbekende godheid, namelijk die van het Wakkere, het Geduld (die als enige een godin blijkt te zijn), het Avontuur, het Lichaam, de Lucht en de Taal. Met humor beschrijft Broeksma deze welwillende goden, maar in het laatste gedicht wordt al gedreigd met een toekomst waarin ‘niemand weet waar de wolk met documenten is gebleven / mijn toekomst zat in de wolk, zonder documenten kan ik die niet betreden’. De ‘megafauna’ is bezig te wereld te heroveren, de taal zal verdwijnen en we zullen zonder verhalen zijn, zoals een kind dat nog geen voorkennis heeft. 

    Hoewel Broeksma Nederlands gestudeerd heeft, gaat haar grootste passie uit naar natuurlijke historie, zoölogie en biologie. Ze werkt volgens een interview in Tubantia al vier jaar aan een boek over schubdieren en het is haar grote wens er een te vinden. Daarvoor reisde ze verschillende keren naar Zuidoost-Azië. Het schubdier, dat bijna uitgestorven is, was ook de aanzet om te schrijven over de verhouding tussen mens en natuur, waarvan deze bundel getuigt. Het schubdier staat wellicht symbool voor de draak, waarover ze in verschillende gedichten schrijft. 

    Geheimzinnige deurtjes

    Broeksma houdt van het verborgene, het mysterieuze in de natuur die eens weer de overhand zal nemen. Haar gedichten gaan over geheimzinnige deurtjes die je maar beter dicht kunt laten, over verdwijnen in een verborgen wereld. Ze voelt zich verbonden met de magische ‘Nachtseite’ van de natuur, die sprookjesachtig is, maar net als sprookjes gevaar en dreiging behelst. Via taal en namen als toverspreuken probeert de dichter zich toegang te verschaffen tot die onderwereld, die haar toch vreemd en sinister blijft. Als Alice in Wonderland spreekt ze in diverse gedichten over deurtjes, tunnels, kruipruimtes en kastjes, om zich in te verschuilen en te verdwijnen. 

    Ballingschap is de afdeling waarin de dichteres in vijf gedichten over zichzelf en haar kinderjaren vertelt. In tamelijk lange gedichten, waaronder enkele prozagedichten, spreekt ze in wat bijna parlando is over haar liefde voor dieren, over een excursie van vogelaars met Nico de Haan en het platteland:

    ‘Het platteland zegt iemand’

    meteen voel ik iets prikken in mijn keel
    de schuren waar de dieren waren
    die je niet kan zien maar wel kon ruiken:
    hun angst, de korrels die ze aten

    zondagen werden er gesmoord in schuurmachines
    het gapend gazon voor de deur waarin sprookjes verdwenen
    hoe groter de tuinen hoe meer de mensen binnen bleven
    vreemd verbond van spoken tussen velden bossen wegen

    ik zocht me een weg en dook in conifeer
    rook het dichtschroeien van taal
    vlees wonden perspectieven
    de eindeloze dagen op de fiets
    waarin we het diepe kijken verleerden
    de ogen afstelden op standje roedelleven

    […]

    Wie het platteland zo ervaart, moet zich wel een balling voelen. In de daaropvolgende afdeling Uittocht heeft de dichter daarom gekozen voor de uiterste consequentie ‘om in het wild te leven’. Er is zelfs sprake van een Walden, zoals Thoreau dat wilde opzetten, in het gedicht Onder Breda. Het valt op dat de gedichten lyrischer van toon worden als het gaat om iets dat haar aan het hart gaat: het parlando maakt plaats voor lyriek met alliteratie en assonantie en het ritme wordt als vanzelf sterker, zoals in de laatste strofe van Cameraval, waar een lynx door verborgen camera’s tot louter studieobject verworden is: ‘laat mijn droomlynx passeren / haal de ogen van de bomen / tot een wilder weten vanuit verre velden / weer kan spreken / maak het duister op haar pad’

    Frisse metaforen

    Broeksma gebruikt geen leestekens, op een enkele komma na en hoofdletters voor de goden in de gedichten van de eerste afdeling. Humor en zelfspot zijn haar niet vreemd. Maar vooral weet ze frisse metaforen en andere beeldspraak te verzinnen. Taal is een middel om de wereld te begrijpen, maar ook om die in te delen, te classificeren, zoals in de laatste strofe van Lied voor een lavendelmot in de afdeling Influisteringen: ‘[…]  / waarin taal zich strekt als landingsbaan / een ophangrek om de wereld aan te drogen / en ik noem de mot, ik noem haar naam  / en ze vliegt weg’

    Zoals in het gedicht Levend kruidboek verwezen wordt naar Carl Linnaeus, die de grondlegger was van de classificatie van dieren, planten en mineralen.

    De laatste afdeling is Terugkeer, niet die naar de bewoonde wereld, maar juist terug naar de natuur, ‘dieper het oerwoud in’. Hier wordt een vrede en rust bereikt die een hoogtepunt vindt als ‘een man met een draak aan zijn zijde’ de dichter leert om ‘alle schitteringen van de wereld samengeperst’ te zien door haar eigen draak op te roepen in het gedicht Opwekking: ‘[…]

    ‘dus loerde ik tweemaal daags schuin omhoog
    terwijl mijn vingers met de grond verbinding maakten
    ik loerde en loerde maar, de horizon bleef onbewogen
    toen werd er iets wakker in mijn onderrug
    kwam wervel voor wervel naar boven gekropen’

    Dat het laatste gedicht Completen heet, ‘avondgebed’ met de associatie van ‘compleet’ hoeft niet te verwonderen: het is een smeekbede om de natuur met rust te laten.

     

     

  • Varkens

    Varkens

    Buiten regende het pijpenstelen, maar ik zat warm en droog in de donkere filmzaal. De film Gunda was in zwart-wit, er was geen muziek bij te horen en ook geen menselijke stem. De beginscène liet een groot varken zien dat bezig was een aantal biggen te werpen, ik telde er minstens twaalf. Ze schreeuwden en krioelden door elkaar, op zoek naar een tepel. Ik zag ze  een zomer lang ouder worden, op onderzoek uit gaan. Hun moeder riep ze ongerust bijeen met luid geknor.
    In de bomen was de wind te horen, het koren ruiste en de koekoek riep.
    Maar ook deze idylle sneuvelde: op het einde van deze verrukkelijke film waren de geluiden van een machine te horen: een tractor reed achteruit totdat de aanhanger tegen de varkensstal stond. Uit het gegil en gekrijs van de inmiddels flink gegroeide biggen was op te maken dat ze allemaal in de veewagen werden gedreven. Je zag niets, maar wat je hoorde was genoeg.

    De wagen reed weg, de zeug draafde luid knorrend mee zolang ze de biggen nog kon horen. Daarna ging ze op zoek: ze zocht de hele omgeving af, wroette met haar neus in een hoop stro, alsof ze zich daar verstopt konden hebben, en maakte dezelfde knorrende geluiden waarmee ze al die tijd haar kroost liefdevol geroepen had. Uiteindelijk ging ze weer stil in het varkenshok liggen in dezelfde scene als die waarmee de film begonnen was.

    Toen ik weer buiten liep, drong zich een vaag bekende versregel aan me op: ‘Om hen die niet meer zijn schreit Rachel.’ Ik dacht aan de Rei van Clarissen in Vondels Gijsbrecht, ik dacht aan de profeet Jeremia: ‘Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ Maar pas toen ik weer in de trein zat, wist ik het: het was een regel uit De slachtlammeren van Ida Gerhardt, waarin de dichteres zo beklemmend vertelt hoe de lammeren van de ooien gescheiden worden door ‘het nors cordon dat stokkenzwaaiend / de lammeren opeist, de onnozelen.’  En Esther Jansma laat in haar gedicht Gebedenboek een kalf het slachtoffer zijn. Maar een varken? Kan een varken, verguisd en onaanraakbaar als een paria in twee wereldgodsdiensten, de rol aannemen van offerdier? Koolhaas zou het antwoord wel geweten hebben met zijn Meneer Tip is de dikste meneer en Kousbroek ook, getuige zijn bundel Varkensliedjes:  

    ‘Varkensliedje 28’

    Het wrattenzwijn kan prachtig zingen,
    En ook nog heel wat andere dingen
    Die je niet allemaal hoeft te weten;
    Maar wat hij niet kan is vergeten.

    Het doet hem machtig veel verdriet;
    Hij doet zijn best, maar kan het niet.
    Hij wil vergeten dat hij ‘n zwijn is,
    En dat herinnering maar schijn is;

    Dat het varkenskot verrot is,
    En dat zijn bange hart een vod is –
    En zeggen, voor hij heeft ontbeten:
    Goddank, dat ben ik nu vergeten.

    Lammeren, ooien, biggen, zeugen, verdriet neemt steeds dezelfde vormen aan. Geen dier is zo aan de mens verwant als het varken. Voortaan zouden alle moedervarkens Rachel heten.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.