• Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Hannah van Binsbergen heeft haar tweede bundel de titel Kokanje meegegeven. Het land van Kokanje is een andere benaming voor Luilekkerland, het land van melk en honing waar de gebraden ganzen je in de mond vliegen en de pannenkoeken aan de bomen groeien. Het woord ‘kokanje’ gaat terug op het Oudfrans en betekent zoiets als ‘land van de honingkoeken’. De bundel Kokanje vertelt van het verlangen om in dat land te komen, maar de dichter geeft meteen al aan dat het heel onwaarschijnlijk is dat dat zal gebeuren. Niet voor niets moet je, om in Luilekkerland te komen, je een weg eten door de rijstebrijberg. Van Binsbergen heeft voor de lezer haar eigen rijstebrijberg opgeworpen door middel van haar taalgebruik, dat nu eens archaïsch aandoet, dan weer raadselachtig of gekenmerkt wordt door een vreemde zinsbouw. Het levert zelfs af en toe totaal onbegrijpelijke gedichten op.

    Vermeend paradijs

    Zo staan erin de afdeling zeven tekenen een zevental korte gedichten waar geen touw aan vast te knopen is: ‘vloed van zijn / troont hoog / lapt een / oorspronkelijk feest’ is er een van. Hoewel ze niet eenduidig te verklaren zijn, tekenen ze wel de sfeer van een sprookjesachtige vertelling, met spreuken en geprevelde bezweringen, die niet bedoeld zijn om te begrijpen. Ze laten zich lezen als kinderrijmpjes waarin het plezier om de klank en het ritme, het spelen met woorden, belangrijker zijn dan de betekenis.
    Onvrede met de huidige maatschappij en de eisen die daarin gesteld worden aan de bewoners is de reden om het vermeende paradijs te zoeken,

    ‘Dolen

     De rotgang der geschiedenis begon
     met bouw. Arm land, wat dacht je
     dat ze murw en nietig in het bivak zouden blijven
     elke dood een schok en honger dagelijks
     soms dodelijk? Breek af dit doolhof
     zeiden zij en maak een kavel

     zo begon ons dolen. helderte verscheen.
     De kleinste streep schoot naar de verte
     een zang vloog dertig  eeuwen later uit het stof
     om ons de oren af te zagen, hier en nu
     waar wij allang een lering trokken.
     Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor
     een schommelend visioen zolang de pot nog papt

     maar het drijft, ons narrenschip
     drijft het dan niet? Vallend lopen recht
     de armen in van de vermoeidheid, ja we
     hapten stof, ja eigen domme schuld, en alles
     wat te vuur staat brandt. Laat los de boze
     honden langs de lijnen van de tekst
     terug tot de afkomst, waar de vrede ook niet woont
     en laten – vrienden – laten we een nieuwe bouw beginnen

    Zoektocht vol voetangels en klemmen

    Maar de zoektocht naar een beter leven zit vol voetangels en klemmen, het werk en de plichten lopen elke dag weer in aantal op: ‘de weg erheen bespoot door taken.’ Ook God, die in de bundel wordt aangeroepen om hulp te verlenen, kan daar weinig aan doen: ‘laat mijn oren zich sluiten voor hun kleinigheden’, vraagt de ik-persoon aan God en ‘en als ik mijn hoofd neerleg tussen het groen / laat het geschreeuw van de halmen mijn dromen niet storen / maar laat uw dienaar een tijdje met rust.’

    Kokanje blijkt door iedereen anders ingevuld te worden, het paradijs is niet voor iedereen hetzelfde. Voor de dichter is het ‘het recht op luiheid in het wild’, waarin de zinnen gevierd worden en de vergetelheid van het genot gezocht wordt, in tegenstelling tot de eisen van de consumptiemaatschappij, want ‘De dwazen in het bos ontmoet / leven beter op de gunst dan duizend slimmeriken van de handel.’ Maar al gauw blijkt dat Luilekkerland aan dezelfde fouten ten onder zal gaan die al eerder gemaakt werden. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘De waarheid in Luilekkerland’ en dat is ook de titel van de laatste afdeling. Berustte de eerste waarheid nog op aannames die als feiten gepresenteerd werden, in de laatste afdeling wordt al gauw duidelijk dat ook Luilekkerland niet alle wensen kan vervullen. Een van de gedichten heet ‘Otium’, een begrip uit de Romeinse letterkunde uit de 1e eeuw voor Christus: de dichter streefde naar vrijheid van elke sociale of politieke verplichting. In Luilekkerland zou je kunnen doen en laten wat je zelf wilde, maar de dichter spreekt al over ‘verbanning’. Want ook een ‘mooi huis met lekker eten en genoeg te lezen / over de heuvels, in het bos’ moet betaald worden. ‘Een mens moet eten, dat weet iedereen / maar dat te weten bakt de koek nog niet’.

    Alles heeft een prijs

    Luilekkerland is een teleurstelling. Het niets doen wordt een verplichting en lijkt daarin weer precies op het leven dat de zwervers hebben achtergelaten: ‘hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door – ik moet me excuseren.’ De gedichten in Kokanje gaan niet alleen over het streven naar een wereld waarin je kunt doen en laten wat je wilt: Van Binsbergen laat met haar bonte beelden en inventief taalgebruik zien dat ook de taal een Luilekkerland kan zijn waarin vrijheid van lezen en van schrijven voor iedereen onder handbereik ligt. De rijstebrijberg waar de lezer doorheen moet, bestaat uit de soms onbegrijpelijke zinnen en vreemde woorden die de dichter heeft bedacht. Ook last ze regelmatig een zinsdeel uit een andere taal in. Poëzie moet niet altijd eenvoudig zijn, er mag moeite voor gedaan worden. In het lange gedicht Puces savantes staan de volgende strofen:

    ‘Een ware zanger van de massa
     zingt zijn liedjes aan de kassa.

     De eter blieft zijn rapen gaar
     de stem van ’t volk is koen en klaar.

     Volgt onbegrip toch onverhoopt
     dan wordt de zanger opgeknoopt. 

    Wachten op de afloop

    Zo’n vaart zal het wel niet lopen met de dichter van Kokanje. Toch laat de bundel de lezer achter met het gevoel dat de reis naar Kokanje nog niet beëindigd is: het begin is duidelijk, maar het einde is vaag en onbevredigend onaf. Als lezer zit je als het ware te wachten op iemand die komt vertellen dat het afgelopen is, zoals vroeger wel in het theater na een voorstelling gebeurde als het publiek zat te wachten of er nog iets kwam. Een knallende afsluiting als overtuigende afronding van de bundel was op zijn plaats geweest; nu is het slotgedicht slechts een voortzetting van de voorgaande gedichten.
    Maar wie zich door de dichter laat meenemen naar Kokanje komt onderweg voldoende moois tegen. Zo blijkt maar weer dat de reis belangrijker is dan het eindpunt.

     

  • Een verre prinses

    Een verre prinses

    Sinds kort heb ik hulp in de huishouding: een jonge vrouw die met man en kind uit Eritrea gevlucht is voor een onmenselijk regime. Slank en soepel loopt ze door mijn woonkamer, als de koningin van Sheba die over haar buurland Ethiopië geregeerd zou hebben. Ze praat niet veel, wil niets drinken, ook niet als het 38°C aantikt op de thermometer, wil niet zitten. Ze vraagt wat ze doen moet en gaat aan het werk. Op mijn vragen geeft ze zacht antwoord: ze is vier jaar in Nederland, heeft inmiddels twee zoontjes, volgt een opleiding in de zorg, loopt stage en werkt op verschillende adressen. Ze verstaat het Nederlands goed, maar vindt het lastig om het te spreken. Als ik vraag of het Tigrinya een moeilijke taal is, geeft ze na even nadenken het enige juiste antwoord: ‘Voor mij niet.’

    Als ik haar met de stofzuiger door de kamer zie gaan, vind ik dat ze eigenlijk als een verre prinses door de woestijn zou moeten schrijden, een felgekleurde omslagdoek boven de borst geknoopt, koninklijk en ongenaakbaar, een waterkruik torsend op haar trotse, opgeheven hoofd, zoals haar voorouders dat hebben gedaan. Maar ze wil van het verleden niets weten, ze wil uitsluitend in het hier en nu leven. Een foto op de kast van mijn zoon als kleuter kan weg, vindt ze, ‘is geweest, is voorbij, bewaren doen oude mensen’. Ze wil nooit meer terug naar Eritrea en ik zal nooit vragen waarom. Wel zou ik haar willen waarschuwen dat herinneringen altijd ongevraagd boven komen, ook zonder tastbaar bewijs, en dat het verleden nooit voorgoed voorbij is. Dat je je geschiedenis een leven lang met je meezeult en dat daar geen ontkomen aan is. Dat alles wat weggegooid wordt als een boemerang van heimwee terugkomt, je midden in je hart treft. Dat niet alles wat oud is daarom zonder waarde is. Maar ik zeg niets, de Keniaanse dichteres Micere Githae Mugo kan dat veel beter: 

    ‘Waar zijn de liederen?

    Waar zijn de liederen
    die mijn moeder en de jouwe
    altijd zongen
    met hun ritmes
    aangepast aan de
    immense levensduur?

    […]

    Wat weet je nog?

    Zing
    ik ben het vergeten,
    mijn moeders lied
    mijn kinderen
    zullen het nooit kennen.
    Ik herinner me dit:
    moeder zei altijd
    zing kinderen zing
    maak een lied
    en zing
    geef zelf je eigen ritme aan
    de ritmes van je leven
    maar maak je lied bezield
    en laat je leven
    zingen

    Zing dochter zing
    om je heen zijn
    ontelbare melodieën
    sommige zijn gezongen
    andere ongezongen
    zing ze
    op jouw ritme
    kijk
    luister
    zuig ze op
    doordrenk jezelf
    baad
    in de stroom des levens
    en zing dan

    Zing
    eenvoudige liederen
    voor de mensen
    voor iedereen om te horen
    en te leren
    en te zingen
    met jou’

    Ik zou dit gedicht willen voorlezen aan mijn Eritrese prinses als ik dat durfde. Later misschien, nu nog niet. Er is nog tijd genoeg. 

     

    Gedicht van Micere Githae Mugo (1942), ‘Where are those Songs?’
    Uit: The Heinemann Book of African Women’s Poetry, 1994, vertaler onbekend.


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Wie we zijn

    Wie we zijn

    De vijfde bundel van Marijke Hanegraaf, die pas op latere leeftijd haar dichterschap bevestigde, heeft als titel Bestaansbegeerte, een prachtig woord dat ze bedacht heeft om de drang tot leven weer te geven die elk schepsel kenmerkt. Zij koos als motto twee uitspraken van Spinoza, waarvan er een in de vertaling van Nico van Suchtelen uit 1928 luidt: ‘Elk ding tracht, voor zoover het op zichzelf bestaat, in zijn bestaan te volharden.’ Hieruit blijkt de begeerte om te bestaan, de wil om te leven. Hanegraaf erkent daarnaast de behoefte om niet alleen te bestaan, maar in dat bestaan ook gezien en erkend te worden. Daaruit volgt dan weer de wens om de eigen identiteit vast te stellen, op zichzelf staand, maar zeker ook in relatie tot anderen, de omgeving en de samenleving.

    Het doet denken aan het beroemde schilderij van Paul Gauguin, dat hij in 1897 in Tahiti maakte, met drie vragen als titel: Waar komen we vandaan? Wat zijn we? Waar gaan we naartoe? Hanegraaf voegt hier haar eigen prangende vraag aan toe, die eigenlijk nog zwaarder weegt: Wie zijn we? Wie zijn we als we alleen zijn, wie zijn we in relatie tot de ander? En hoe zien anderen ons? In vijf afdelingen probeert Hanegraaf in de bundel op deze vragen een antwoord te vinden.

    De eerste afdeling, Iets dat ons kan zijn, bevat gedichten die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan de dochter en de schoonzoon van de dichter, die in Nieuw-Zeeland wonen. Hierin beschrijft ze de vliegreis, de aankomst in Christchurch, haar ontmoeting met haar dochter met wie de relatie opnieuw gedefinieerd en bevestigd moet worden nu ze elkaar weer zien in een ander land en een andere situatie. Dat brengt vervreemding met zich mee, bevreemding ook, en een op jezelf teruggeworpen worden. Ook de overweldigende, rauwe natuur in Nieuw-Zeeland die een mens zo klein maakt, dwingt haar ertoe om opnieuw naar zichzelf en de ander te kijken. Zoals ze schrijft in het gedicht Transformatie na het bekijken van een versteend bos op ‘de marge van de wereld’: ‘Toen moesten we verder om te worden / van de auto de inzittenden onderweg naar elkaar.’ 

    In het begin van haar verblijf voelt ze zich een vreemde in een vreemd land:

    Ribben van tin

    Lake Tekapo

    Toen ik midden in de nacht eindelijk uit mijn slaap brak
    zag ik achter het raam de kosmos openstaan.

    Ik zat daar als een vreemde vorm op het vreemde bed
    met ribben van tin, en de zoem van het heelal viel op me.

    Onder de machinerie van de eeuwigheid dacht
    de moederziel aan nooit meer en vertrekken

    dacht de dochter in de kamer ernaast
    de lichte gestalte van het lichte land.

    Ergens ginds waakte het Zuiderkruis
    maar ik kon de gids tussen al die sterren niet vinden.

    Maar naarmate de tijd verstrijkt, vindt ze weer terug wat bekend was: ‘ik ken je vanbuiten, je hangt in mijn kamers. Terwijl ik het dier aaide / wachtte ik tot je dag in de mijne viel […]’. Om in het gedicht Van bergen de bossen als laatste versregel met voldoening te kunnen vaststellen: ‘Het was alles wij.’ Identiteit als proces van gewenning, om deel uit te kunnen maken van een nieuwe wereld zonder je oude zelf te verliezen.

    De tweede afdeling heeft als titel De ruwe adem en bevat voornamelijk gedichten die beschrijven hoe je een deel van jezelf kwijtraakt als je weggaat uit je vertrouwde omgeving en de dingen opgeeft waarvan je zeker was:

    Wie we waren

    Opstijgend over de roltrap door de luchthaven
    hoopten we blije reizigers te zijn van hun wereld
    loskomend

    maar we bleken onervaren en gespannen.
    Nog zoveel jaren later ervaar ik alsof het nu gebeurt
    dat ik meteen tijdens het opstijgen misselijk werd.

    Zo schuchter waren we dat we nog gekleed gingen
    in de meningen van anderen en jij niet mocht zien hoe ik
    overliep van angst; ik boog diep om wat we moesten zijn.

    Ongemakkelijk keek ik op, onhandig afzijdig
    wendde ik me naar het raam. Daar beneden verdween al
    wat we kenden, onze wegen en regels.

    Ook hier wordt het reizen als een onzekere en angstaanjagende manier van veranderen weergegeven. Niet alle gedichten van deze afdeling zijn onder te brengen onder hetzelfde thema dat de bundel draagt: een aantal gedichten werd eerder geschreven bij foto’s van een tentoonstelling, zoals in de verantwoording vermeld staat.
    De meeste gedichten zijn opgebouwd uit een aantal distichons; dit gedicht vormt een uitzondering, evenals de twee lange gedichten waaruit de afdeling Bestaansbegeerte bestaat die met als onderwerp de terugkerende versregel ‘Het wordt tijd om te rade te gaan bij de oorsprong’ vertellen over het ontstaan van de schepping en de afstand van de mens tot de wereld van het begin. De dichter stelt: ‘Wat wordt had anders kunnen zijn, maar is.’ En daar moeten we het dan maar mee doen.

    De vierde afdeling is getiteld Tijdelijk verblijf en laat opnieuw zien hoe je in een andere omgeving, zoals opname in een ziekenhuis,  je eigen identiteit kunt verliezen en een andere moet aanmeten: ‘Men schuifelt en verplaatst je, praat / tegen je verplankte lichaam, secuur // legt men je hoofd in zijn tijdelijk / verblijf […]’.
    Mooi zijn twee gedichten over een oude vrouw, die geniet van haar tuin en bloemen geeft aan de ik-figuur, ‘Wat geeft ze, als ik ze aanpak?’, maar die een gedicht verder in het ziekenhuis ligt en bezoek krijgt van diezelfde ik: ‘Mocht ik nog kijken naar de vrouw die leegliep op de keukenvloer? / De afwas die het zag stond al dagen in te drogen.’

    Alles zou anders kunnen zijn

    Het tijdelijke en het toevallige spelen een grote rol in de vijfde en laatste afdeling, Ademrijk. In de gedichten De gestapelde tijd [1] en De gestapelde tijd [2] wordt dezelfde gebeurtenis vanuit een ander perspectief verteld: de ik- figuur staat in het eerste gedicht met haar fiets aan de hand te kijken naar een passerende trein, waarin ze zichzelf ziet zitten, terwijl in het tweede gedicht de persoon naar wie ze kijkt een ander is: ‘Als ze me ziet, wie ziet ze dan?’
    Het besef dat alles anders zou kunnen zijn en dat niets vaststaat in het leven, is een steeds terugkerend thema. Het laatste gedicht in de bundel, In de neerslag de mensen, rondt de bundel af door de uiteindelijke tevredenheid met het bestaan weer te geven. De dichter zit in de ‘regen in de zevende maand’ tijdens een fietstocht op een bankje te kijken naar een passerende jongen ‘uit de verte van het hart’. Ze kan niet anders dan constateren: 

    […] 

    ‘Voor de tevredene bruisen de buien. Voor de gelukkige
    richt het gewas zich op. Van de linden druizelt het op me
    strekt zich naar me uit met de vingertoppen van de neerslag: 

    Verlost van strijd en schijn te beminnen
    tussen de velden van klimmende jaren. 

    Ik laat me nog zitten. Kon ik het land zijn
    met de kleine verschuivingen van het worden.
    Op de akker staat de mais op zijn tenen en glundert.’

    De strijd om het besef van een eigen identiteit lijkt gestreden; opgaan in de natuur en leven bij de dag hebben vrede gebracht. Marijke Hanegraaf heeft met deze fijnzinnige en bedachtzame gedichten een inkijkje gegeven in haar gedachten over het leven en de plaats van elk individu daarin, maar ze heeft tevens de lezer heel wat te denken gegeven. 

     

  • Wat niet ongezegd mag blijven

    Wat niet ongezegd mag blijven

    Met de titel van de debuutbundel van Anne Provoost, Krop, kun je alle kanten op: ‘een krop in je keel hebben’, ‘iets opkroppen’, ‘iets niet kunnen verkroppen’ en ‘je ziet van mensen wel de kop maar niet de krop’. Van al deze uitdrukkingen met ‘krop’ is wel iets terug te vinden in de bundel, maar wat er het meeste uitspringt is toch ‘iets niet kunnen verkroppen’: ze moesten eruit, de gedichten, ze konden niet langer ongezegd blijven voor de dichter. De reden daarvoor wordt in het motto meegegeven: ‘Want er is tussen ons iets enorms aan de gang’. Hierbij wordt in het midden gelaten of dit slaat op twee mensen in relatie tot elkaar, of dat het algemener moet worden opgevat in die zin dat er iets voor de gehele mensheid aan het veranderen is. En of dat enorms in positieve of in negatieve zin uitgelegd moet worden. De bundel suggereert overduidelijk het laatste.

    De mensenhand

    Van deze bundel zonder afdelingen bevat elk gedicht een drama uit de actualiteit, van het zoeken naar een verloren geliefde tot de voorspelde ondergang van het Avondland. ‘Er zal huiver weerklinken / in negen ravijnen / tot aan de tiende’, zo klinkt het in Bijbelse taal in ‘Richtlijn’. De dichter ziet met angst het einde van de beschaving naderen door de algehele malaise van klimaatverandering, natuurrampen en de dreiging van een onleefbare planeet. Deze rampscenario’s zijn door de mens zelf veroorzaakt en zijn onomkeerbaar, want ook als het goed gaat ‘[…] zullen mensen mensen pijn doen’. De krop moet vol geweest zijn bij Provoost, want ze laat geen brandhaard ongenoemd: virussen als dat van covid, andere pandemieën, de consumptiemaatschappij, oorlog, ouderdom en dood passeren de revue. Toch zijn deze gedichten geen afspiegeling van de Apocalyps, want Provoost legt zich niet zomaar neer bij alle rampspoed. Woede en humor wisselen elkaar af, opstand en verzet smeulen in haar versregels, maar ook volgt er daarna vaak een nuchtere en laconieke relativering.

    ‘Zo zal ik het zeggen later:
    ik heb geleefd in een tijd
    waarin het schandelijk was
    dat je op je werk twee dagen na elkaar
    dezelfde kleren aanhad

    Ik heb geleefd in een tijd
    waarin men geloofde
    dat gelukkig zijn belangrijk was
    We vertrokken met goede voornemens altijd
    We wisten het allemaal, maar faalden
    We reden ver en lang
    We troffen zwoele nachten,
    hangtuinen, volle grond,
    zinnelijke verzadiging,
    maar ik wil minstens hebben verklaard:
    we vertrokken met goede voornemens altijd’

    (Uit: Last post)

    Water aan de lippen

    Provoost zwaait niet met een moraliserend vingertje en legt de schuld niet bij individuele groepen, maar wijst naar de gehele mensheid die nog altijd meent de heerser te zijn over de gehele schepping, waarmee men naar believen kan doen wat men wil. Ze roept op tot activisme, dat niet langer uitgesteld mag worden. ‘Het water komt aan onze lippen’, zegt ze in hetzelfde gedicht, ‘en ik sta hier in mijn juponneke / een bord aan mijn façade waarop staat: THUIS TE KOOP’.

    In je eentje begin je niet veel. De angst voor het einde is duidelijk voelbaar. Liefde en kunst kunnen troost bieden en een vlucht, maar zullen de wereld niet redden als het erop aankomt. Toch pleit Provoost ervoor om je voor te bereiden op het einde der tijden, om je niet zo maar over te geven, maar te genieten zo lang het nog kan. Daarom zijn de gedichten ook speels en gaan ze niet alleen maar over de ouderdom en de dood, maar ook over de liefde en de geliefde.

    ‘maar we streven!
    We zullen elkaar alles vergeven
    behalve dat de ander de eerste is
    die voor de laatste keer ademt’

    (Uit: 1 april)

    Internettrollen

    Anne Provoost heeft tientallen boeken voor de jeugd geschreven en daar ook verschillende prijzen voor gekregen. Haar directheid en haar enorme fantasie komen wellicht voort uit het schrijven voor kinderen, de verrassende beeldspraak en de originaliteit van haar gedichten misschien ook. Sommige van haar gedichten laten zich lezen als een grimmig sprookje. De gedichten zijn vaak lang en de cadans ervan leent zich goed voor het hardop voordragen. Pas dan merk je hoe zorgvuldig de opbouw en de gelaagdheid van deze gedichten is, waar ze bij een eerste lezing de indruk wekten dat ze rechtstreeks in één keer uit haar pen gevloeid waren, omdat ze zo spontaan lijken te zijn opgeweld uit woede en verontwaardiging over het feit dat we met zijn allen de aarde kapotmaken. Ze heeft hiermee woorden gegeven aan de bange gedachten en angsten van heel veel mensen; daarom zijn de gedichten ook voor iedereen zo herkenbaar, alsof de dichter aan hen gevraagd heeft wat ze moest opschrijven. Met haar gedichten probeert Provoost de aanstaande neergang te verwoorden en te bezweren, als een roepende in de woestijn.

    ‘Zoals je nog zei toen ik stierf

    Zoals je nog zei toen ik stierf waren we gewoon
    lichamen bezorgd om de wind, chimaera’s
    van vreugde en blijheid. We ademden en zuchtten
    met de regelmaat van vallende appels.
    Ons licht startte in ramen. We moesten
    absoluut de klokken verslaan, want er zat geen geluid
    in het gerucht. De zon werd een vuurvogel en
    we leefden om het antwoord te horen, maar
    het probleem werd niet opgelost door God de Vader.
    Alles is rakelings voorbijgegaan behalve het vergeet-me-niet.
    Het ga-niet-weg werd zo gewichtig als de steen
    op een graf.

    Er stond een boom in het bos met een gat in de bast,
    daar woonden internettrollen, ze hadden gebochelde
    ruggen en een slavencomplex. We lieten ze slapen, we wilden
    niet een heel persoon de oven induwen, het wordt ook zo
    wel donker als een ongeschilde aubergine. De beek raakte lek
    en de koeien werden vlekken, en hoogten en diepten hielden
    slechts met lijm nog contact.
    Dus scheld me nu maar uit met je laatste woorden, want
    er is tussen ons iets enorms aan de gang. Maak me
    jaloers op mezelf. De herfst heeft een koude ziekte, maar
    wij hebben de kinderen, er branden waxinekaarsen
    in de palm van hun hand.’

    Provoost vertelt opnieuw de verontrustende mythe van een moderne Pandora, uit wier doos alle hedendaagse rampen zijn opgestegen. Ook hier bleef de hoop onderin op de bodem liggen; maar deze keer dan toch maar een heel klein beetje.

     

  • Loslaten

    Loslaten

    Op een rommelmarkt heb ik een reusachtig zwart houten Boeddhabeeld gekocht. Het torende zo eenzaam uit boven de babykleertjes en de barbiepoppen, dat ik besloot het mee naar huis te nemen. De dame achter de kraam noemde een belachelijk lage prijs en toen ik vroeg of ze het ook voor de helft deed, omdat je op een rommelmarkt nou eenmaal moet afdingen, stemde ze zonder aarzelen toe. Ik meende zelfs iets van opluchting op haar gezicht te lezen, ‘zeker omdat ze dat zware beeld niet mee terug hoefde te sjouwen’, dacht ik nog.

    Thuisgekomen bleek het Boeddhabeeld nogal gehavend te zijn: het had een hazenlip en er liep een litteken verticaal over zijn rechteroog, alsof het tijdens een gevecht in een havenkroeg van een dronken matroos een haal met een mes gekregen had. Zijn duimen, die het vanuit zijn gevouwen handen omhoog stak, zaten los. Ik lijmde ze weer op hun plaats. Deze mudra, het handgebaar van de omhooggestoken duimen, staat voor intuïtie, helder inzicht en wilskracht, had ik gelezen. Toen ik het beeld in de tuin op een sokkeltje gezet had en het van een afstand bekeek, vroeg ik me af of het eigenlijk niet twee middelvingers naar me opstak.

    In de dagen daarna leek het beeld zich te verplaatsen. Negen van de tien keer was het mijn zwarte kat, die door de tuin sloop. Soms ook keek ik tegen de zijkant van mijn nieuwe bril aan, waar ik nog niet aan gewend was. Maar steeds vaker schoof er in de tuin een zwarte schaduw voorbij die ik uit mijn ooghoek kon waarnemen en waarvoor ik geen verklaring had. Ik werd me op een zen-achtige manier bewust van de dingen om me heen. Ik werd waakzaam, voorzichtig, alert. Ik wilde het betrappen. Maar steeds als ik keek, zat het Boeddhabeeld weer op zijn sokkel, glimlachte sereen en gaf niets prijs.

    Boeddha

    De Boeddha heeft zijn intrek
    in ons huis genomen: een houten beeld,
    de Boeddha zelf. Hij zit op het dressoir
    en zwijgt; hij eet niet mee, maar leeft

    van wat wij hem aan aandacht geven.
    Als wij vertrokken zijn, maakt hij
    de kamer van illusies vrij,
    van woorden die wij in de haast vergaten.

    Hij lijkt niet te bewegen, maar dat
    is schijn: vannacht heb ik hem nog
    met andere Boeddha’s horen praten

    en ik vermoed, dat hij, als wij
    naar school of werk vertrokken zijn,
    zijn benen strekt en ademhaalt.

    (Uit: Arjen Sevenster, Bloemen in de regen, 2018)

     

    Ik besloot Siddharta van Herman Hesse nog eens te lezen. In deze roman over een spirituele zoektocht naar het ware zelf worden ervaringen gezien als de beste manier om de realiteit te begrijpen en inzicht te verkrijgen. Blijf niet zoeken naar de waarheid, zegt de Boeddha, laat slechts je overtuigingen los. Dat probeer ik nu maar te doen. Als ik weer een glimp opvang van het Boeddhabeeld aan de wandel, lees ik het gedicht van Sevenster en denk ik alleen maar: die lotushouding moet ook wel vreselijk zeer doen op den duur.

  • Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Nu is er dan toch een bloemlezing verschenen van de gedichten van Louis Lehmann (1920-2012) ondanks zijn uitdrukkelijke gebod ‘Gij zult niet bloemlezen!’ De samensteller ervan, Erik Bindervoet, heeft deze markante uitspraak zelfs als titel gekozen voor zijn keuze uit de poëzie van Lehmann. Hoewel hij hiermee lijnrecht tegen de wens van de dichter lijkt in te druisen, is het minder oneerbiedig dan het lijkt; Lehmann zelf wenste immers als dichter ook niet de gebaande paden te bewandelen en ging vaak dwars in tegen de heersende opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn. Wel is het vreemd dat een kleurenfoto van de samensteller op de binnenkant van de kaft te zien is, waar Lehmann zelf het met een zwart-wit foto op de achterflap moet doen. Andersom zou meer voor de hand hebben gelegen. Maar Lehmann hield er niet van om zichzelf op de voorgrond te plaatsen, dus is het bij nader inzien misschien bewust zo ingedeeld met het oog op de dichter.

    Bindervoet heeft de gedichten uit het oeuvre van Lehmann uitgekozen ‘als een gemiddeld onbevangen lezer’, zoals hij zegt in zijn verantwoording. Hij heeft zelf de illustraties verzorgd, gebaseerd op foto’s en tekeningen van Lehmann en een nawoord in dichtvorm geschreven, dat een ode aan Lehmann wijdt. De afdelingen in de bloemlezing zijn door Bindervoet gekozen uit onderwerpen die een rol gespeeld hebben in het leven van Lehmann, zoals bijvoorbeeld Steden, Varen en Reizen, (omdat Lehmann naast dichter ook scheepsarcheoloog was), Muziek, (omdat Lehmann ook vertaler en componist was), Paren en De Leeftijd en zo. De indeling is van Bindervoet, die naar eigen inzicht de gedichten onderbracht onder zijn zelfgekozen thema’s en daarmee de veelzijdigheid van Lehmann uitdrukte. 

    Wars van pretenties

    De eigengereidheid van Bindervoet als samensteller wordt overtroffen door die van Lehmann als dichter. De gedichten zijn beurtelings absurdistisch, surrealistisch, humoristisch, nonsensicaal, ironisch en romantisch. Ook de vormen waarin Lehmann zijn gedichten goot, laten een grote variëteit zien: er zijn sonnetten bij, aforismen, vrije verzen en klassieke. Door zijn geheel eigen stijl is het moeilijk om de dichter onder te brengen bij een bestaande stroming. In de tijd waarin de Vijftigers opgang maakten en het atonale gedicht de meeste aandacht kreeg, bleef Lehmann volstrekt zijn eigen gang gaan, wars van pretenties en zelfverheffing. 

    De gedichten zijn over het algemeen niet lang. Een uitzondering is het gedicht dat door Bindervoet in de afdeling Vroege jaren werd gezet, ‘Enfance’, waarvan Lehmann ooit gezegd heeft in een interview met Arjen Peters voor de Volkskrant dat hij nog steeds niet wist hoe hij een volwassene moest spelen:

    Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld.
    Wanneer wij ons vervelen,
    zegt men dat wij moeten spelen
    en wij weten niet wat spelen is.

    Als de padvindersfluit,
    waarvan gezegd is,
    dat hij echt is,
    die is beloofd en daarom gevraagd,
    eindelijk is gegeven,
    wordt hij afgenomen
    om het geluid.

    Wij weten ook wel dat het maar één toon is,
    zo hard, zo koud,
    door geen manier van blazen te vermurwen. 

    Maar wij zoeken muziek
    en blazen, hoewel het haast pijn doet.
    Wij wachten tegen beter weten
    op een melodie, die komen moet,
    zo maar vanzelf
    licht en zwevend.

    Een ontroerend en serieus gedicht, waarin kinderen centraal staan en er vanuit hun optiek gesproken wordt alsof de dichter nog steeds een van hen is. De laatste, prachtige strofe geldt overigens niet alleen voor kinderen. De beeldspraak is treffend, de metafoor is schijnbaar vanzelf ontstaan. Veel gedichten gaan over de dichter zelf, als kind maar ook later als volwassene. Zijn liefde voor muziek komt onder meer tot uiting in het korte gedichtje over vier componisten, wier werk hij met een enkel woord weet te karakteriseren:

    Repertoire

    Rinkepink Mozart
    woemwoem Wagner
    rrrrrrrrrrrrrr Liszt
    en elke dag J.S. Bach
    de trappenloper met tien benen.

    Wie de muziek van deze componisten kent, zal moeten beamen hoe goed Lehmann de kenmerken ervan heeft samengebald. Speels en spitsvondig zijn de adjectieven die bij Lehmann zelf horen. Ironie, zelfspot en understatement en een droge humor zijn in vrijwel alle gedichten terug te vinden. De nonsensgedichten zullen niet iedereen aanspreken, zoals bijvoorbeeld het ‘Volmaakt Sonnet’ waarin met allerlei zelfbedachte woorden streng de hand wordt gehouden aan de regels van het klassieke sonnet. Vestdijk deed dat kunstje ook met zijn ‘Marche funèbre’, net als Jan Hanlo met zijn ‘Oote oote boe’ en in elke bundel van nonsenspoëzie is er wel een voorbeeld van te vinden. Bewonderenswaardig is het zeker, maar toch niet meer dan een spel dat gauw vergeten wordt. 

    Veelzijdige bundel

    Door de enorme variëteit is er in deze bundel voor iedereen wat van zijn gading te vinden, zoals het ook hoort in een bloemlezing. Bindervoet heeft serieuze en luchtige, absurdistische gedichten dooreen bij elkaar gezet, zoals hij in zijn inleiding aangaf, en opgenomen wat hem trof. Het heeft een verrassende bundel opgeleverd waarin vooral de veelzijdigheid van Lehmann benadrukt wordt. 

    In de index heeft Bindervoet achter elk gedicht met hoofdletters de titel van de bundel afgekort waaruit het gedicht is gekozen. Omdat vroege en latere gedichten dooreen staan, wordt het moeilijk om een ontwikkeling of een verandering in het werk van Lehmann aan te wijzen. Een van de vroegere gedichten (uit Het Echolood, 1955) is het mooie ‘Attisch zwartfigurig’, waarin Lehmann zich als archeoloog laat zien:

    Wij kleine zwarte mannen met puntige paarse baarden,
    angstig rondom onze vazen lopend met knieën van brandhout,

    weten veel meer van Hellenendom
    dan een dromende Duitse drom

    uit de vijfentwintigste eeuw na onze geboorte.

    Wij weten dat alles gebeuren kan,
    al kunnen wij Gorgonen, mino- en centauren doden,
    tyran zijn en bang zijn.

    Dat doen wij: vloeiende verf gewekt tot star en hoekig leven,
    tot onze vazen breken.

    Bindervoet heeft met deze aantrekkelijke en goed verzorgde bloemlezing een eerbetoon gebracht aan een dichter die niet op de voorgrond wilde staan. Dat hij nu toch naar voren geschoven wordt, is misschien niet overeenkomstig zijn wens, maar het biedt wel de kans aan nieuwe lezers om kennis te maken met het werk van een dichter die niet in vergetelheid mag raken. Daar zijn de gedichten veel te goed voor. 

     

     

  • Hoop op vertaling: Gwen Harwood – Collected Poems

    Collected Poems

    Boeken leiden je naar andere boeken, als stapstenen in een rivier. Ik las een boek van Guido van Heulendonk, Vrienden van de poëzie. Dit bevat vier verhalen over een kettingbrief van gedichten die in coronatijd aan diverse mensen verstuurd worden en hun levens beïnvloeden. In het eerste verhaal, Trisha, krijgt een man van een vroegere collega een gedicht toegestuurd van de Australische dichter Gwen Harwood, Barn Owl getiteld. Zonder het te citeren vertelt Van Heulendonk waar het over gaat: een meisje is boos op haar vader. Omdat ze zich met haar wrok geen raad weet, schiet ze een kerkuil neer. Maar de uil leeft nog. Ontzet van zijn bloedige verminking,  zeer plastisch en rauw beschreven, beseft ze wat ze gedaan heeft. De vader staat plotseling achter haar en draagt haar op de uil te doden: ‘End what you have begun’.

    Het is het eerste deel van het tweedelige gedicht Father and child. De pendant heet Nightfall, waarin de autoritaire vader oud is geworden en door de inmiddels volwassen dochter met liefde en mededogen beschreven wordt. Van Heulendonk vermeldt ook dat het gedicht een rol speelt in Julian Barnes’ The Sense of an Ending. Daar probeert een schooljongen het gedicht via Eros en Thanatos te verklaren, wat later de rode draad in het boek van Barnes blijkt te zijn. Titel en dichter van het gedicht over de ‘barn owl’ worden niet genoemd; Barnes nam blijkbaar aan dat iedereen wel wist welk gedicht hij bedoelde, maar ik had er geen idee van toen ik zijn boek las. Ik had – net als de verteller in Trisha – nog nooit van Gwen Harwood gehoord. Ik kende zelfs helemaal geen Australische auteurs, of anders wist ik niet dat ze Australisch waren. Alleen Nick Cave, die zijn poëzie op muziek gezet heeft, neemt een prominente plaats in op mijn lijstje van mensen wier werk ik niet kan missen. Maar van Harwood wilde ik meer lezen.

    Er bleek van haar niets vertaald te zijn in het Nederlands. Het was al een hele klus om überhaupt een bundel van haar te vinden, laat staan een verzamelbundel met haar complete werk. Uiteindelijk heb ik na lang zoeken een afgeschreven, beduimeld en gestempeld bibliotheekboek met de verzamelde gedichten gevonden in de bibliotheek van Diamond Valley in Brisbane, Australië: Collected Poems. De verzendkosten overtroffen vele malen de aanschafprijs. Maar ik was er dolgelukkig mee. Net zo blij als toen ik uit Amerika een eerste druk liet bezorgen van T.H. White, The sword in the stone, met daarin de hoofdstukken die in alle latere edities ontbreken.

    Gwen Harwood (1920-1995) mag dan hier onbekend zijn, in Australië is zij een literaire beroemdheid wier gedichten op middelbare scholen en universiteiten op de verplichte leeslijst staan. Er is zelfs in 1996 een literaire prijs naar haar vernoemd: The Gwen Harwood Poetry Prize. Het beste gedicht wint 2000 Australische dollar. Naast dichter was zij ook librettist; muziek speelde een grote rol in haar leven, wat ook in haar gedichten merkbaar is. Haar eerste gedicht verscheen onder een van haar vele pseudoniemen. Ze schreef onder meer namens Walter Lehmann, Francis Geyer, die als Hongaarse vluchteling schreef over ballingschap, en Timothy Kline. Dit was een jonge anti-oorlogsveteraan van de Vietnamoorlog. Ze hield ervan om een masker te dragen, zei ze in een interview uit 1970: “I like disguises, I like wigs and beards.” Haar bekendste vrouwelijke pseudoniem was Miriam Stone, een verongelijkte
    huisvrouw die klaagde over haar bestaan als echtgenote, huisvrouw en moeder. Hiermee brak zij al vroeg een lans voor alle vrouwen die nooit hadden durven toegeven dat niet elke vrouw gelukkig is met keuken en kinderen. Bovendien liet ze zien dat zij als ‘dichter-huisvrouw’, zoals ze in de media genoemd werd, zelf meer dichter dan huisvrouw kon zijn.

    In the park

    She sits in the park. Her clothes are out of date.
    Two children whine and bicker, tug her skirt.
    A third draws aimless patterns in the dirt
    Someone she loved once passed by – too late
    to feign indifference to that casual nod.
    “How nice” et cetera. “Time holds great surprises.”
    From his neat head unquestionably rises
    a small balloon…”but for the grace of God…”
    They stand a while in flickering light, rehearsing
    the children’s names and birthdays. “It’s so sweet
    to hear their chatter, watch them grow and thrive, ”
    she says to his departing smile. Then, nursing
    the youngest child, sits staring at her feet.
    To the wind she says, “They have eaten me alive.”

    Haar meestal lange gedichten zijn buitengewoon melodieus en lenen zich voor voordracht. Haar onderwerpen zijn gekozen uit de filosofie, de Europese poëzie – waarbij soms een echo van W.H. Auden is te horen – en de muziek. Bovenal put zij echter uit de verrukkingen en de frustraties van het dagelijkse leven met haar huwelijk en haar vier kinderen: intimiteit, verlangen, plezier, melancholie, grimmigheid, felheid met scheutjes boosaardigheid. Haar poëzie is zeer aards en kan onverwacht humoristisch zijn te midden van de ernst, zoals ze ook een algemene beschrijving plotseling een zeer persoonlijke draai kan geven. Haar liefde voor muziek maakt haar gedichten vormvast en metrisch, het eindrijm is zo subtiel dat het pas bij herlezen wordt opgemerkt. De interpunctie is zeer zorgvuldig en overdacht aangebracht. De traditionele vormen doorbreekt ze vaak door een andere spreker te introduceren in het gedicht. Haar poëzie is intelligent, romantisch en sarcastisch tegelijk, met scherpe hoekjes en weerhaakjes.

    Being in the World

    Alone behind the wheel
    half-stupid with fatigue
    I fell briefly asleep
    on the Midland Highway. God
    or someone slapped my life
    back in my empty hands
    before metal shaped my ends.
    Now there’s iron in my soul.
    Iron in my tongue, too,
    clapping against the skull.
    Somebody, something loves me
    enough to keep me here.
    Let my enemies take care.

    Een dierbaar boek onder de aandacht brengen is zoiets als busladingen vol toeristen naar een tot dan toe onbekend eiland brengen, in de hoop dat de ongerepte staat niet zal worden bezoedeld door achtergelaten afval, luide popmuziek of op elke straathoek een McDonalds. Of zoals een kind, dat zijn grootste schat laat zien op een bedje van watten in een mooi versierd doosje, hoopt dat de volwassenen niet schouderophalend zullen zeggen: o, een knikker. Toch riskeer ik graag deze onderschatting. Van harte hoop ik dat Harwood meer in de belangstelling komt te staan in Nederland. Haar volledige werk omvat 368 gedichten en 13 libretto’s; een goede vertaler zou van de gedichten een tweetalige uitgave kunnen maken. Gwen Harwood verdient het om herinnerd en geliefd te worden.

    Anniversary

    So the light falls, and so it fell
    on branches leaved with flocking birds.
    Light stole a city’s weight to swell
    the coloured life of stone. Your words
    hung weightless in my ear: Remember me.
    All words except those words were drowned
    in the fresh babbling rush of spring.
    In summer’s dream-filled light one sound
    echoed through all the whispering
    galleries of green: Remember me.
    Rods of light point home the flocking
    starlings to wintry trees, and turn
    stone into golden ochre, locking
    the orbit of my pain. I learn
    the weight of light and stone. Remember me.

     

     


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de zomerrubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, omdat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

    Collected Poems
    Auteur: Gwen Harwood
  • Engel

    Engel

    Ik dacht rustig in de trein te kunnen zitten, maar in Rotterdam stapte een grote massa dronken voetbalsupporters in, die blijkbaar in De Kuip een wedstrijd hadden bijgewoond en nu weer naar Brabant afzakten. Om welke elftallen het ging en wie er gewonnen had, werd me niet duidelijk, in de algehele feestvreugde scheen dat ook niet meer belangrijk te zijn. De uitgelaten menigte hoste lallend door de treinstellen, een spoor van lege blikjes, een geur van verschaald bier en harde boeren achterlatend. Enkele mannen ontblootten in opperste vervoering hun getatoeëerde bovenlijf, om vervolgens hun shirt bij één mouw vast te pakken en dat boven hun hoofd en dat van de overige passagiers rond te draaien onder het slaken van extatische oerkreten, daarbij een vogelnest aan okselhaar onthullend dat een geur verspreidde die bij een Frans kaasje wel ‘rijp’ wordt genoemd. 

    Een jonge, door drank overmoedig geworden vlegel plofte onder luide aanmoediging van zijn kameraden bij een vrouw op schoot en probeerde haar te kussen. En tot mijn verrukking deed deze dame haar mond open en sprak in luid, onvervalst en ongepolijst Helmonds: ‘As ge naw nie heil gaauw makt dè ge wegkoomt, dan vat ik oe mi ein haand bai oe stroot en mi d’aander bai oewe zak en dan flikker ik oe in Bredoa oit d’n trein.’ Vertaling: ‘Als je nu niet heel vlug maakt dat je wegkomt, dan pak ik je met mijn ene hand bij je keel en met m’n andere bij je scrotum en dan gooi ik je in Breda uit de trein.’ Verbouwereerd stond de jongeman op en wankelde naar zijn vrienden die hem met honend gejoel ontvingen. 

    Mijn hart was opgeveerd als de herders in het veld die ’s nachts uit den hoge een stem hadden vernomen. Want al was het in dit geval misschien niet de stem van een engel, toch klonk het me hemels in de oren om mijn thuistaal na zoveel jaren weer te horen spreken. Achter de grote bek van een Helmonder gaat een minstens even groot hart schuil, volgens Wim Daniëls:

    Helmonds

    De taal laat je schrikken
    als je een vreemde bent
    en voor het eerst die klanken hoort
    een diepe oi
    een lange ai
    en ook skool, skip en skuur

    je denkt misschien
    dat je iets verkeerd hebt gedaan
    iets hebt miszegd of dat de spreker
    boos is op het bestaan

    maar zo is het niet
    in deze taal vallen
    ruwheid en warmte samen
    je bent van harte welkom
    je kunt aanschuiven
    maar wacht niet op
    een zacht woord

    De taal is van een
    hartelijke hardvochtigheid

    die je stevig wil omarmen

    Vlucht daarom niet
    maar ontspan en luister
    naar het zoets van dit kabaal

    In Breda moest ik overstappen. Voor ik de coupe verliet, bracht ik met een knikje van mijn hoofd een eerbetoon aan de Helmondse dame die zo fier gesproken had. Ze nam het met een grijns in ontvangst, deze engel met het vlammende zwaard, die mij voor heel even had doen verwijlen in Eden.

     

     

    Uit: Helmond, gedichten / Wim Daniëls


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Nog even geduld

    Nog even geduld

    In 2010 realiseerde de Rotterdamse kunstenaarsgroep Observatorium het project ‘Warten auf den Fluss’. Dit vond plaats in het Ruhrgebied bij de rivier de Emscher, te Essen. Deze rivier was gekanaliseerd en sterk vervuild door zware industrie, maar sinds 2010 is er veel verbeterd door de bouw van waterzuiveringsinstallaties. Bovendien moest een natuurherstelproject de meanderende vorm van de rivier in originele staat herstellen. De strook grond tussen de Emscher en het er evenwijdig aan lopende Rijn-Hernekanaal werd veranderd in een natuurlijk aandoend gebied met ooibos en andere oevervegetatie.

    In het kader van deze ‘Emscherkunst’ heeft Observatorium een zigzaglopende brug gebouwd van achtendertig meter lang. Deze bestaat uit drie paviljoenen met loopbruggetjes ertussenin. Deze brug dient als een plek voor ‘productief wachten’, totdat de nieuwe rivier haar natuurlijke loop zal hernemen. De gehele installatie heet ‘Warten auf den Fluss’.

    In 2016 was de Duitse dichteres Barbara Köhler (1959-2021) een van die gasten die wachtten op het stromen van de rivier. Het uitzicht op de omgeving, de rust van het wachten en de omgang met internationale gasten brachten haar tot het schrijven van 42 gedichten als even zo vele vensters op de wereld. Deze gedichten zijn gebundeld onder de titel 42 vensters op Warten auf den Fluss en werden vertaald door Ton Naaijkens.

    Alle gedichten zijn geschreven in gelijke rechthoekige blokken van negen versregels met 62 tekens, alle van dezelfde breedte. Door deze experimentele vorm lopen de gedichten uitgelijnd van de linker- naar de rechtermarge van de bladzijde en ze symboliseren daardoor de brug die de rivier moet overspannen. De strenge beperking die de dichter hiermee zichzelf oplegt, dwingt tot reflectie, tot het terugschroeven van taal tot haar meest samengebalde zeggingskracht. De bundel is rustgevend, zoals wachten kan zijn. De gedichten zijn helder, meditatief in hun overpeinzingen en associaties. Köhler laat hier als waarachtig dichter zien wat taal vermag.

    Brug – overzetten – übersetzen – vertalen – versprechen – beloven – loven

    Voor de vertaler moet het een gigantisch werk geweest zijn. Dit ligt uiteraard aan de vorm, omdat het gedicht in het Nederlands niet altijd op dezelfde manier uitgelijnd kan worden, maar ook aan de verschillende talen die samenkomen: welke buitenlandse woorden vertaal je, welke laat je staan? Welke betekenis geef je aan een woord dat meerdere betekenissen kent, of in een andere taal iets geheel anders inhoudt? Köhler geeft aan dat het woord ‘hier’ in het Frans en het Nederlands een geheel andere betekenis heeft, en accentueert het woord ‘wacht’ dat zowel imperatief als zelfstandig naamwoord kan zijn. Ook speelt ze met ‘warten’ en ‘Gegenwart’ en het begrip ‘present’, dat tijd, aanwezigheid en geschenk kan betekenen:

    WIR HABEN GEWARTET, we hebben gewacht. We hebben ons herinnerd
    & we hadden de tijd. We hebben samen gegeten, gedronken, feest
    gevierd, gepraat, gezwegen; we zijn gaan slapen & gaan dromen.
    ’s Morgens werden we wakker & waren op ‘n andere plaats, in de
    tijd. En de tijd was vrij en we waren wakker, wach, we waakten
    & wachten – dat was een zonder-woord-gevoel: tegenwoordigheid,
    GEGENWART, in gesprek ook, met je tegenover: ’n tegengeschenk,
    tegenwoord, tegenwoordig. Present, geschenk & gift. Er was een
    woord voor, een bed voor een tijd en voor een rivier: gemaakt.
    
    

    Zelfs zonder kennis te hebben genomen van het origineel kan de lezer slechts concluderen dat Naaijkens op voortreffelijke wijze een titanenwerk volbracht heeft.

    Vloeiend stromen, vloeiend spreken, vloeiend sterven

    Köhler doet bespiegelingen over heden en verleden, de naderende dood en taal. Hiertoe laat zij zich inspireren door de brug, het natuurschoon eromheen en de stilte. Zoals de brug de oevers van de rivier verbindt, slaan de gedichten een brug tussen mensen en hun verschillende talen. Köhler zoekt nauwkeurig naar verbanden, overeenkomsten en verschillen in vooral het Duits, Nederlands, Engels en soms Frans. Ze onderzoekt de zogenoemde ‘Valse vrienden’, woorden die in twee talen dezelfde uitspraak en schrijfwijze hebben, maar van betekenis verschillen. Köhler maakt bezwaar tegen het begrip ‘vals’ met betrekking tot deze woorden, omdat ze juist een nieuw perspectief bieden op wat bekend en vertrouwd, of vreemd en afstandelijk is:

    DOOD is een echte Valse Vriend, wijst ook in het Nederlands op
    een grens in de tijd, in de ruimte, bis hierher: tot hier dus,
    as far as this & auf Wiedersehen: tot ziens, adieu, de mazzel,
    tot morgen: und bis morgen. So long, hoe zit ‘t, hoe lang nog?
    het eindigt en verandert, anders wordt het en wordt anders, ‘t
    kan veranderd worden, kan worden en weer worden – wat dood was
    of dood verklaard, aangeduid werd, tot morgen of overmorgen en
    onder andere: onder meer, among (but not under) others, elders
    en met anderen, (in of onder water?) ander leven: zonder meer?
    
    

    De dood, die ‘echte Valse Vriend’ vormt met het leven een paradox. Leven is namelijk een beetje sterven en andersom. De bundel is opgedragen aan haar vader, die in 2016 stierf. Eén aan hem gewijd gedicht fungeert als venster in de bundel. De dood wordt ook gekoppeld aan de Emscher, die eerst dood was en door het wachtende project herleeft. Rivieren zijn ‘grenzen die we als rivier waarnemen’, aldus Köhler. Rivieren lopen naar het dodenrijk, maar kunnen worden overgestoken door bruggen. Ze noemt hierbij specifiek de zigzagbruggen in Japan, die bedoeld zijn ‘om demonen te verwarren’. Bovendien liet de dichter al doorschemeren dat het leven een wachten op de dood is.

    Poëzie is pauzeren

    De gedichten filosoferen over taal, leven en dood. Het eerste en het laatste gedicht zijn in dezelfde bewoordingen geschreven en maken daarmee de cyclus compleet. De verschillen in beide gedichten zijn aan te wijzen in een verschuiving van verleden tijd naar tegenwoordige tijd en omgekeerd. Bovendien zijn de in het eerste vers uitgesproken verwachtingen uiteindelijk werkelijkheid geworden:

    WE HEBBEN GEWACHT: wir haben gewartet. Müde und wach en wakker
    en moe. We hebben tijd samen doorgebracht, waarheen? Wohin? Où
    or where to? Op ’n rivier, op ’n plek, in twee, nee drie talen
    speelden we het Waiting Game, ein Geduldspiel, speldden we uit
    wat zou kunnen zijn, worden, wat was. Wat wachten inhoudt, wat
    wat het was. Wie wij was, wie wachtte. Men wachtte op ons, wij
    werden onthaald, men had geduld met ons & had met ons opgeteld
    Geduld. En verloren we het geduld toen, aan wie en wanneer? En
    wat hadden we aan al dat wachten? En komt ons toe wat nu komt?
    
    

    Wachten en geduld hebben. Het zou een handleiding kunnen zijn voor het lezen van poëzie, voor de gedichten van Barbara Köhler: lezen, wachten en geduld hebben, tot haar taal bezinkt en verbinding maakt tussen wat je al wist en wat zij je laat zien.

     

     

  • Dichten geeft je vleugels

    Dichten geeft je vleugels

    Op de achterkant van Jane Leusinks zesde bundel Kraanvogels staat een verklaring van de titel: ‘Kraanvogels staan voor waakzaamheid. In de Chinese traditie dragen ze op hun rug de zielen van de doden. Bij Plinius plaatsen kraanvogels schildwachten als ze tijdens de trek uitrusten. Op een poot staand, met een steen in de andere, weten ze zeker waakzaam te zullen blijven.’ Dat doet denken aan een lied van de Dagestaanse dichter Razul Gamzatov uit 1969, Zhuravli, dat door Willem Wilmink vertaald werd als Kraanvogels. In dit lied zijn gesneuvelde soldaten kraanvogels geworden, die als ze voorbij vliegen ‘roepen uit lang voorbije tijden’ en die in hun midden een plaats voor ieder van ons vrijhouden.

    De boodschap van Gamzatov past wonderwel bij deze indrukwekkende bundel van Leusink, waarin aandacht wordt geschonken aan de doden van lang geleden, maar ook aan die van recentere datum, want ‘gebeurtenissen en verdriet vallen wonderlijk genoeg niet altijd samen’, zoals Leusink in de verantwoording achter in de bundel schrijft. In acht afdelingen, die cirkelen rond de thema’s geheugen, herinnering en de gestorvenen, staan korte en langere gedichten die met elkaar samenhangen. Voor een dieper begrip van de verwijzingen in Leusinks gedichten naar plaatsen, mensen en gebeurtenissen is veel achtergrondkennis en historisch besef noodzakelijk.

    Opdat wij nooit vergeten

    Zo bevat de eerste afdeling Dat we hier op aarde zijn, niet in het paradijs acht gedichten over het leven en de dood van Russisch-Poolse-Joodse voorouders ten tijde van de Pools-Russische oorlog van 1919-1921. Zij moesten vluchten voor het geweld en de pogroms. De gedichten zijn nadrukkelijk als een requiem geschreven, zoals de dichter aangeeft in de laatste versregels. Maar naast de dood gaat het ook hier om de herinnering, zoals immigranten haar vormgeven: ‘[…] En toch altijd / elders zijn, bijvoorbeeld aan de overkant. / het zijn in feite hopeloze hopers / die ook in de toekomst slechts herinneringen zien […]’.

    Deze afdeling is een aanloop tot de herinnering aan de doden die recenter overleden zijn en dus een ‘vers’ verlies voor de dichter betekenen. Leusink is weduwe, ‘[…] klampige weduwe / met dat hart, doorboorde spier die zich maar / niet trainen liet’, maar verloor ook een van haar dochters aan kanker. Deze dochter, Roos, hoedde een kudde schapen in de Pyreneeën waarbij de dieren steeds verplaatst werden. In De weg naar Andorra wijdt de dichter negen gedichten aan haar dochter, waarin ze het leven van haar dochter in Frankrijk probeert te reconstrueren.

    Zij trokken dat niet

    ‘De jongen sprak en zei, zich plechtig tot het dal wendend
    “Goedemorgen allemaal, ik stel u graag onze Noorse Victor
    voor, een blonde Fjord, naast hem ziet u Rodja, een blauwzwarte
    pony uit Mongolië, naast Rodja Roos uit Nederland
    ikzelf ben Chiel, wij heten u hartelijk welkom en dito
    vaarwel, u moet weten: nooit keren wij weer”.
    Samen duwden zij met kracht het stelletje moeders opzij, grote
    borsten, dikke billen stonden het uitzicht op deze roadtrip
     te belemmeren. Zij trokken dat niet –

    In het eerste gedicht van deze afdeling, Proloog, is er voor het eerst sprake van kraanvogels, die zien hoe de dochter als laatste metgezel aanhaakt bij hun vlucht, maar weer loslaat ‘boven de lokkende bergen vol beloftevolle kuddes / blijft van zichzelf’; haar vrijheidsdrang is gebleven. Ook de volgende afdeling, Wij, is een eerbetoon aan de gestorven dochter, maar nu is het de kudde die in negen gedichten een requiem zingt voor ‘haar om ons te leiden’. Het is ontroerend om vanuit het perspectief van de schapen te kunnen lezen hoe sterk de band tussen mens en dier kan zijn: ‘zij de herder onze honden wij de kudde rouwen / om onszelf om ieder van ons: verloren prooien’. Mooi.

    In de afdeling Natuur pakt ons op onze zwakste plek reserveert Leusink ruimte voor anderen: na voorvaderen en dochter te hebben opgevoerd, bezingt Leusink haar broer, vader, moeder en echtgenoot, met niets minder dan haar herinnering. Hoewel beeldmateriaal – zoals foto’s – helpt de herinnering levend te houden, staan de woorden vooral in dienst van het lichaam, dat nog altijd lijdt onder het verlies:

    Epiloog

    ‘Uit mijn kindertijd weet ik nog precies de zwanen in de vijvers van
    kasteel Biljoen, het brood dat mijn handen verkruimelden, het zout
    voor de schapen, wat mijn oma zei, mijn moeder, wat ik droomde
    er zijn ogenblikken dat het lichaam zo ontvankelijk is voor woorden
    dat het zeer doet.’

    Tempo doeloe?

    Het vasthouden van herinneringen domineert vele gedichten, maar ook de dood is sterk aanwezig. Die wordt doorgetrokken in de afdeling De kunst van het sterven op Bali, waarin de dichter refereert aan de strafexpeditie van het Nederlandse leger in 1906 in Denpasar op Zuid-Bali. De gouverneur-generaal Van Heutz eiste schadevergoeding van de vorst van Badung omdat de lading van een gestrande schoener door de bevolking geroofd zou zijn. Toen de vorst weigerde, dreef Van Heutz de zaak op de spits en op 19 september trok het leger op. De heilige tradities van Balinese vorsten schreven voor om jezelf nooit aan de vijand over te geven. Daarom besloten de vorsten met hun hele familie en volgelingen ritueel zelfmoord te plegen door de vijand tegemoet te gaan. Ze werden door Nederlandse leger onder vuur genomen nadat het bevel halt te houden werd genegeerd. Leusink leest hierover als ze op Bali verblijft en schrijft er een cynisch gedicht over:

    Wij en zij

    ‘Na een vroeg ontbijt van geurige, chewy, fluffy
     rijst las ik Bali verder over adat, gewoonterecht:
    de weigering van de vorsten te betalen voor
    het plunderen, het jutten, ja voor de totale
    kolonisatie door ja ons Nederlanders, ach ja
    onze gedegen door goud en geld gedreven tradities.
    Wie kent ze nog, wij kennen ze nog en delven, delven.
    Ik las daarna over die eeuwenoude hindoeïstische
    traditie: de schoonheid van het sterven (door je eigen
    krissen en lansen) boven de oneer van de dood
    door de kolonisator (met z’n geweren en vodjes
    papieren woorden waar niets in wilde trekken).
    Kon het romantischer?
    Zagen wij toen de tijd aan het werk, het onuitsprekelijke of
    Ik dacht aan een nieuwe staat van zijn.
    Ik vroeg: hoe kregen ze de rijen gesloten’

    Er gaat niets boven…

    Niet alle gedichten zijn doortrokken van de dood. De grote liefde die de dichter koestert voor taal komt tot uitdrukking in het gedicht Want in de taal ligt het hart van een volk over het Gronings en over K. (Kornelis) ter Laan, de samensteller van diverse woordenboeken en encyclopedieën. Taal is Leusinks passie, maar vooral lijkt de taal een instrument om afstand te kunnen nemen van de gebeurtenissen. Ze schrijft bedachtzaam en associatief, met een ‘taal van kleine woorden’. Toch is haar woede over zo veel doden, zowel verwante gestorvenen als onbekenden, voelbaar door de taal heen. Soms met ironie, soms met bitterheid lijkt zij naar aanvaarding te zoeken, waarbij haar gedichten zich uitstrekken door de tijd heen in een poging de herinneringen vast te houden. Haar parlando-achtig taalgebruik is beeldend en overdacht, ook daar waar zij bewust de regels van de grammatica links laat liggen en zinnen, zelfs het complete gedicht, plotseling afbreekt:

    ‘wij zoeken ons kroost en andersom een jong schaap
    weet de weg nog niet behoeft een kudde om te volgen
    zij behoeft een kudde als wij zien onze dag nu geheel
    ten einde zij ons flessenlam vanavond trakteert
    op warme opgeloste poedermelk in slaap valt
    tussen ons in onze stront in als we allemaal
    allemaal samen de schuur in in’

    Om ons vervolgens als ‘flessenlammeren’ te laten smachten naar meer van haar woordkunst. Leusinks verzen zijn als het leven, dat abrupt onderbroken wordt door de dood. Juist daarom leeft haar poëzie des te meer.

     

     

  • Suikerfeest

    Suikerfeest

    Ik zag haar op het station, leunend tegen de muur van het gebouw: een heel oude vrouw, gekleed in de traditionele bonte klederdracht van de noordelijke stammen in Marokko. Ze was blijkbaar net aangekomen en stond te wachten totdat iemand haar kwam halen; ze had een grote koffer bij zich, op bezoek bij familie in Nederland. Ze keek rond, vriendelijk en nieuwsgierig naar de mensen die zich haastten naar de trein of juist vlug naar huis wilden gaan. Zij keken op hun beurt onderzoekend naar de kleine oude vrouw, die daar stond als een vlammend schilderij van Delacroix in zijn oriëntaalse periode. Ze viel op, niet alleen door haar kleurrijke verschijning, maar door haar levenslust en haar belangstelling voor alle nieuwe dingen om haar heen. De ouderdom had alleen haar uiterlijke verschijning aangetast, maar het kind dat uit haar ogen keek, was nooit helemaal weg geweest. 

    In een impuls liep ik naar haar toe, en nadat ik mijn kleine beetje Arabisch had afgestoft en opgepoetst begroette ik haar en wenste haar een goede vastentijd en alvast een gezegend Suikerfeest, want het einde van de maand ramadan was op handen. Tot mijn verbazing was ze niet verrast door het feit dat een onbekende in een vreemd land zomaar ineens haar taal sprak: haar gerimpelde gezicht met de kwieke oogjes begon plotseling te stralen alsof de zon erop scheen, ze hief haar handen ten hemel en strooide haar dankbetuigingen over me uit in radde en opgetogen taal, waarvan ik alleen het woord ‘binti’, mijn dochter, verstond. Haar hoge vogelstem was vrolijk en ze liet haar woorden vergezeld gaan van haast dansende gebaren, terwijl ze mijn handen vastpakte. Ik verstond niets en begreep alles. Voor heel even waren er geen grenzen, niet van taal, leeftijd of land van herkomst. 

    Als daar muziek voor is, wil ik het horen:
    ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,
    en omgeploegd met lange, diepe voren
    en ongelovig. Die de wellust en de pijn
    nog kennen. Die bezaten en verloren.
    En àls er wijsheid is,
    die geen vermoeidheid is,
    en helderheid, die geen versterving is,
    wil ik die zien, wil ik die horen.
    En anders wil ik zot en troebel zijn.

    (Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten, 1954)

    Uit mijn ooghoek zag ik een jonge man naar ons toe komen met een bos autosleutels in zijn hand, misschien degene die de oude vrouw kwam halen, een kleinzoon of een achterkleinzoon. Daarom nam ik afscheid van de oude vrouw die nog steeds de zegeningen van de hemel over me afsmeekte. Ik liep naar het spoor op het station zonder te wachten op de man om uitleg te geven over wie ik was en wat ik deed: ik wilde niet onbeleefd zijn, maar hoe had ik hem van dit eeuwige moment moeten vertellen? Zo geweldig is mijn kennis van het Arabisch nu ook weer niet.

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Extase, chaos en hoop

    Extase, chaos en hoop

    In haar tiende bundel Tulpenwodka neemt Astrid Lampe de lezer mee in een achtbaan, die in verschrikkelijke vaart langs een aantal aspecten van de huidige samenleving raast. Niet alleen omvatten deze elementen de coronacrisis en -lockdown, maar ook de klimaatverandering, de verhouding van de mens tot de natuur en de wedloop naar de ondergang van de aarde. De aarde wordt als Gaia gepersonifieerd en het is de bezorgdheid om deze lijdende aarde die de gedichten aanstuurt. Deze bezorgdheid uit zich onder andere in het signaleren van allerlei problemen waar onze maatschappij mee te maken heeft: niet alleen de pandemie, maar ook het seksisme waartegen de #me too-beweging zich te weer stelt, het racisme, de vluchtelingenproblematiek en de veronderstelde maakbaarheid van de moderne mens. Het laatste laat zich ook aflezen aan de foto op de voorkant: een meisje dat haar haren versierd en verlengd heeft met een vlecht van kunsthaar met bloemen erdoorheen: de mens herschept zich met behulp van kunstmiddelen zoals botox en borstvergrotingen en DNA-ingrepen, om er vervolgens een selfie van te maken op Instagram. Dat is de wereld geworden zoals Lampe ons die schetst in haar verontrustende gedichten: een valse, kunstmatige wereld die vervormd wordt door sociale media en internet.

    Dronken poëzie

    Lampes gedichten denderen over de lezer heen, zonder titels, zonder afdelingen, zonder leestekens, met een veelheid aan opeengestapelde en door elkaar gegooide beelden. Ze vormen zo een geheel en zorgen voor eenheid in de bundel, als de afzonderlijke wagentjes van dezelfde eerder genoemde achtbaan. De gedichten zijn veelal associatief verbonden, met kort geschetste scènes, fragmenten van zinnen die bij elkaar gezet zijn. De actuele beelden die Lampe oproept, buitelen door de gedichten in een schijnbare chaos:

    ‘na iedere facebookpost: handhygiëne
    het qwertytoetsenbord
    bleef van schubben verschoond

    de knuffel die je steelt houdt ons in lockdown
    boomwortels breken door het asfalt pantser heen

    de zonnebril van de influencer is overtuigend 3d
    niet alleen het klimaat is van streek

    in het wild uitgezet
    blijft de paringsdrift gemonitord
    het geritsel snelt op gelede insectenpootjes vooruit het is

    gaia die ons inplugt
    dit oeroude immuunsysteem weet met onze dat wel raad

    de beek glijdt af
    de panterprint sprint weg van de dood
    de loeiende stadssirenen zijn in dit gedicht het verse bushmeat
    de natuur die zich opricht

    een keihard verdienmodel’

    Bepaald geen slaapmutsje…

    Hoewel de dichter ook grappig kan zijn met haar taal (‘via het kattenluik ontsnappen aan de paillettenjurk van de / poezenmoeder’) en het gebruik van zelfverzonnen woorden, overheerst de dreiging van het Armageddon in de gedichten. De drang om te overleven en het verzet tegen een dystopie als maatschappij zijn echter ook prominent aanwezig in gedichten waarin mensen zich gedragen als guerrillastrijders in een cyberoerwoud, die ‘verboden in de wind slaan’ en ‘[…] met een egel op schoot het algoritme (…) verstikken / voor definitief’. Hier en daar flakkert een sprankje hoop, mensen leren zich aan te passen om te overleven of doen moeite om terug te keren naar het leven van vroeger.

    Lampe schrijft geen gemakkelijke poëzie. Het tempo is heel hoog. Lampe verstopt het rijm, dat bijna nooit eindrijm is, in de versregels. Ze vervlecht veel Engelse woorden in haar gedichten, samen met neologismen en zelfbedachte woorden, waardoor ze de actualiteit treffend kan beschrijven. De vaak vreemde associaties, die lang niet altijd te herleiden zijn tot hun oorsprong, laat staan te volgen. De dwingende stroom van beelden en woorden, ze overspoelen de lezer die snakkend naar adem de bundel moet wegleggen, omdat alles achter elkaar lezen de werking van een draaikolk heeft. Je wordt erin meegezogen en je komt er niet meer uit. Het is te veel. Toch fungeert de overdadigheid als een spiegel voor onze verwarde maatschappij, waardoor Lampes overvloed als krachttoer mag gelden. Ook nu de coronacrisis bezworen lijkt te zijn en de absurditeit, waarvan we nooit hadden kunnen denken dat die de dagelijkse werkelijkheid zou worden, weer wegebt, blijft er nog genoeg over om je zorgen over te maken. Had Lampe deze bundel in 2022 geschreven, dan had de oorlog in Oekraïne er vast en zeker een plaats in gekregen.

    Nu de coronamaatregelen zijn opgeheven, gaan we gewoon weer verder: ‘je mag weer aan me zitten’ en ‘het mantelpak van de minister is weer terug van de stomerij’.

    […]

    ‘na mens-erger-je-niet
    zoeken we een ander gezelschapsspel
    toe wees eens lief
    het huiswerk schiet erbij in
    een boze boer tuft de heuvel op
    ik speel viool
    spring in de houding
    na militaire interventies delen we het land op
    langs raciale lijnen een vlecht gaat naar het goede doel de echte meisjes mogen
    blijven
    we spelen lockdown
    en nu beschaafd
    […]’

    Het is bezwerende poëzie, die uit de mond van een sjamaan of die van Cassandra zou kunnen komen: onheilspellend en dreigend, maar bovendien niet altijd even duidelijk. Dat is niet erg, de sinistere sfeer die de gedichten scheppen, is voldoende om te begrijpen waar het over gaat. De vaak korte, staccato-achtige zinnen en herhaalde doembeelden roepen een trance op die lijkt aan te sturen op een climax, een uiteenspatting van de aarde en het menselijk leven. Die blijft gelukkig uit. Er lonkt zelfs een belofte van betere tijden:

    ‘[…]
    nu of nooit: maak je kleine little pony
    (jij lila stuiterbal)
    het lukt je
    met het talent dat je vleugels geeft
    aan je bijensterfte te ontsnappen’

    Geen leesvoer, maar leesdrank

    Voor wie het niet heeft opgezocht: tulpenwodka blijkt echt te bestaan. In Katwijk wordt deze exclusieve drank sinds 2014 gemaakt. Een fles goede tulpenwodka wordt gedestilleerd uit 350 biologisch geteelde tulpenbollen en kost 295 euro, maar er zijn ook goedkopere uitvoeringen. De reclamecampagne stelt: ‘De Dutch Tulip Vodka refereert aan het ‘Nederland-gevoel’, dat momenteel heel sterk is tijdens de coronatijd.’

    Dat zou een reden kunnen zijn waarom deze bundel zo heet. Maar Lampe kan met de titel van haar bundel ook heel goed aan iets anders gerefereerd hebben. Wie haar gedichten leest, mag er het zijne van denken.