• Voor even jong

    Voor even jong

    Pip Utton (1952) is een Britse acteur die bekend is om zijn one-man toneelstukken waarin hij bijzondere, historische figuren vertolkt, waaronder bijvoorbeeld Einstein, Adolf Hitler, Charley Chaplin of Francis Bacon. Deze keer hield hij in een klein zaaltje in de stadsschouwburg een monoloog waarbij hij in de huid kroop van Bob Dylan die zich in zijn kleedkamer voorbereidde op zijn concert en ondertussen een van zijn zeldzame interviews gaf aan journalisten. Het duurde even voor ik vergeten kon dat ik naar een eenakter keek, maar gaandeweg veranderde de acteur werkelijk in Bob Dylan. Met zijn zwarte hoed, zijn spottende blauwe ogen en dat cynische, hinnikende lachje. Ik was weer ‘Forever Young’, een verliefde tiener zoals ik geweest was toen ik Dylan voor de eerste keer had horen zingen, lang geleden. 

    ‘May your hands always be busy,
     May your feet always be swift,
     May you have a strong foundation
     When the winds of changes shift.
     May your heart always be joyful,
     May your song always be sung,
     May you stay forever young,
     Forever young, forever young,
     May you stay forever young.*

    Op het toneel vertelde Dylan over zijn respect en liefde voor Woody Guthrie, zijn mentor. Over de haat die hij over zich heen kreeg toen hij zijn gitaar inplugde in een versterker, folkzangers werden niet geacht elektrisch te spelen. Hij vertelde over zijn motorongeluk, zijn songs en dat iedereen dacht te weten waar die over gingen, nog beter dan hijzelf. Hij vertelde grijnzend over de Nobelprijs voor literatuur in 2016. Hij had kaarten in zijn hand waarop de vragen van de journalisten stonden geschreven. Toen een daarvan informeerde naar zijn huwelijk, zei hij smalend: ‘Wouldn’t you like to know!’ Waarop een van de dames in het publiek heel hard ‘Yes!’ riep, nog nooit van een retorische vraag gehoord. Hij ging er gelukkig niet op in. 

    Toen ik na afloop aan een tafeltje in de foyer een kop thee zat te drinken, schoof hij onverwacht bij me aan en begroette me vriendelijk. Nu moest ik iets intelligents zeggen, iets heel briljants, waaruit mijn kennis van en mijn liefde voor het werk van Dylan zou blijken, maar ik kwam niet verder dan verlegen te vertellen dat ik genoten had van de voorstelling. Hij bedankt me ernstig en vroeg of ik degene was die links vooraan had gezeten. Toen ik dat bevestigde, knikte hij en zei: ‘Always nice to see a friendly face in the crowd.’ Ik kreeg een kleur en mijn hart fladderde als een jonge vogel voordat ik me realiseerde dat het niet Dylan was die dat gezegd had, maar Pip Utton. Nou ja, toch leuk om te horen. 

    Thuis heb ik daarna dagenlang achter elkaar mijn volledige collectie platen van Dylan weer eens afgespeeld en ik heb er zo hard en zo vals bij meegezongen, dat zelfs de katten me smeekten of het alsjeblieft niet eens een keertje iets anders mocht zijn, iets van Arvo Pärt bijvorrbeeld, of nog beter, 4’33’’ van John Cage.


    *derde en laatste strofe van ‘Forever young’ van Bob Dylan van het album
    Planet Waves, 1973.


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Of je nu zijn verhalen over de eekhoorn en de mier leest, of zijn nieuwste gedichtenbundel, de boeken van Toon Tellegen zijn onmiddellijk te herkennen. Het is moeilijk om precies aan te geven hoe dat komt, want zijn algemene thema’s worden ook door andere auteurs behandeld: de dood, het leven, het al dan niet bestaan van God. Ligt het aan de verwondering die zijn verhalen kenmerkt, de verbazing over heel gewone dingen die we als vanzelfsprekend aannemen, of komt het door de heel directe manier van spreken? Want de taal die Tellegen gebruikt, is bedrieglijk eenvoudig. Hij spreekt vaak rechtstreeks een generiek jij aan, met wie hij toch vooral in de meeste gevallen zichzelf bedoelt. Er komen geen grote woorden aan te pas, geen spitsvondige trucjes of dubbele bodems.

    Dat maakt het ook zo lastig om aan te geven of zijn boeken voor kinderen bedoeld zijn of voor volwassen lezers. Voor de liefhebbers van de verhalen en gedichten van Tellegen doet dat er weinig toe. Hij heeft een zeldzaam groot oeuvre op zijn naam staan, waaronder meer dan twintig dichtbundels. Nu de auteur de tachtig is gepasseerd, behandelt hij in zijn nieuwste bundel, Langs een helling, nog een extra thema: de ouderdom en het verglijden van de tijd. Het leven wordt voorgesteld als een helling waarvan je jeugd de top vormt. Naarmate je ouder wordt, glijd je daar langzaam vanaf. En waar je eenmaal beneden gekomen, bent aanbeland, weet zelfs de dichter niet. Ook de voorkant van de bundel doet denken aan het bekende licht aan het einde van de tunnel, een bestemming in de verte. Het past goed bij de filosofische inslag die in alle gedichten terugkomt:

    Op weg
    Ik wou dat ik langs een weg liep die onbegaanbaar was,
    dat ik moest terugkeren, maar niet terugkeerde
    en maar doorliep en doorliep,
    het verschil tussen begaanbaar en onbegaanbaar nog niet wist.

    Komisch en absurd

    Hoewel de gedichten overwegend komisch en absurd zijn, is er ook een melancholieke toon binnengeslopen. Tellegen bekijkt zijn verleden met weemoed, zoals dat gaat bij ouderdom. Dat terugkijken levert ook teleurstellingen op, evenals het besef dat het leven niet overgedaan kan worden. Er zit niets anders op dan te aanvaarden dat het niet volmaakt is. Toch is Tellegen nooit pessimistisch. Hij weet in de slotregels van zijn gedichten vaak een paradox en een milde ironie te leggen, waardoor een negatief gegeven wordt omgebogen tot troost, ook al is die schraal.

    zij die verdrinken roepen naar elkaar:
    ‘zijn er onder ons ook wanhopigen?’
    niemand antwoordt
    ‘en ongefundeerde optimisten?’
    ‘ik! ik!’
    ‘en waarover bent u dan optimistisch tegen beter weten in?’
    ‘dat we gered zullen worden’
    (Uit: ‘De waarde van het leven’)

    Laat ons niet bestaan

    Voorafgegaan door een gedicht over twee meisjes, zijn ook vijf gedichten opgenomen die doen denken aan Tellegens boek Twee oude vrouwtjes. Hierin staan korte absurdistische verhalen over twee oude vrouwen die na elke wending van het lot opnieuw beseffen niet zonder elkaar te kunnen. In de vijf gedichten in Langs een helling wordt de leeftijd van de twee vrouwen niet specifiek vermeld en hun avonturen zijn per gedicht van ernstiger aard: ze dansen, ze worden gekruisigd, ze kussen elkaar wanhopig, ze nemen afscheid van elkaar en in het laatste gedicht smeken ze hun bedenker om hen alsjeblieft te laten ophouden met bestaan: ‘verzin ons toch niet meer!/ laat ons toch niet bestaan!’ Desondanks laat de dichter ze continu terugkeren. Het is interessant om te zien hoe deze gedichten als korte cyclus apart staan van de overige, temeer daar het vrijwel de enige gedichten zijn – afgezien van het vijfde
    – waarin geen sprake is van een eerste persoon enkelvoud of meervoud, van waaruit Tellegen gewoonlijk schrijft.

    Ook in deze bundel is de ambivalente relatie van de lyrische ik met God aanwezig, met de eeuwige twijfel over Diens bestaan. En mocht Hij bestaan, dient Hij dan bevochten of getroost te worden? Daarover lijkt Tellegen zelf nog geen duidelijkheid te hebben, maar zijn worsteling daarmee levert wel de mooiste gedichten op. De gedichten over de dood zijn eveneens prachtig:

    Verborgen in het struikgewas
    Verborgen in het struikgewas – oude man die ik ben –
    zie ik de dood:
    hij is naakt, hij stapt in het water, het is een warme dag
    heeft hij vandaag niets te doen?
    ik weet wel iemand…
    hij zwemt,
    mooi monster,
    vriend die geen vriend is
    ik sluip weg voor hij me ziet –
    alsof hij me ooit ook maar één tel uit het oog verliest…

    Tellegen brengt in Langs de helling bij elkaar wat zijn poëzie kenmerkt: het eenvoudige taalgebruik, de simpele voorstelling zoals een kind die zou maken, het tikje humor, de speelsheid, maar ook de kracht van zijn goedgekozen metaforen die de gedichten diepte schenken. Achter de directe waarneming gaat een onvermoede diepere betekenis schuil. Deze kwaliteiten maken Langs de helling een typische én een unieke Tellegen.

     

     

  • Weerloos

    Weerloos

    Ik stond op het punt om naar bed te gaan toen ik er ineens aan dacht dat ik de bak met oud papier nog buiten moest zetten, ook al was het laat, de mensen die het komen ophalen zijn altijd vroeg. Het was gaan vriezen, de wielen van de bak ratelden luidruchtig door de koude, stille nacht. Om er zeker van te zijn dat de juiste bak aan de beurt was – de gemeente had vier van die grote kliko’s in mijn tuintje verordonneerd – tilde ik het deksel op van een bak die er al stond. Goud op snee fonkelde me tegemoet en het licht van de volle maan weerkaatste op leren banden: iemand had zijn halve bibliotheek in de papierbak gekieperd. Er was op dit late uur niemand te zien op straat, dus trok ik de bak onder een lantaarnpaal en haalde de boeken er een voor een uit. Twintig delen van de Summa-encyclopedie in kleur, oude woordenboeken en een stapel romantische winkeldochters die je op elke rommelmarkt als oude bekenden kunt begroeten. Weeskindertjes waren het, vondelingenboeken die vochtig van condens verkleumd in de kliko lagen, als een nestje ongewenste kittens dat in een vuilniszak in de berm achtergelaten was om er maar vanaf te zijn. 

    Voor mij zijn boeken bezield, ik voelde me als de hoofdpersoon in het verhaal Herinneringen aan Needleman van Woody Allen, die dol was op tonijn: ‘[…] op een keer had hij, zich onbespied wanend, alle blikjes geopend en gemijmerd: “‘Jullie zijn allemaal mijn kinderen.”’
    Maar ik kon ze toch niet mee naar huis nemen? Mijn eigen boeken stonden elkaar al te verdringen op de planken. Ik zou deze arme afdankertjes moeten begraven, zoals joden doen met boeken waarin de onuitsprekelijke naam van God geschreven staat. Ik had gelezen dat die naar de ‘geniza’ gaan, een ruimte in de synagoge waar versleten heilige teksten worden opgeborgen en op een natuurlijke wijze kunnen verteren. Als het echter Thorarollen zijn, die niet meer gerestaureerd kunnen worden, krijgen ze een echte begrafenis op de Joodse begraafplaats. 

    Nu waren deze versmade boeken weliswaar niet heilig, maar er zijn maar weinig boeken waar het woord ‘God’ niet in voorkomt, al is het maar als verwensing. Ik zag mezelf echter niet in nachthemd met een spade op de hondenuitlaatplaats of in het kinderspeeltuintje een enorme kuil graven bij het licht van de maan; wee de slapeloze buurtbewoner die toevallig uit het raam zou kijken. Dus heb ik afscheid genomen van de boeken en en hen getroost, hoop ik, met het gedicht van Lucebert, voor alles van waarde dat, net als zij, weerloos is:

    De zeer oude zingt

    De zeer oude zingt:
    er is niet meer bij weinig
    noch is er minder
    nog is onzeker wat er was
    wat wordt wordt willoos
    eerst als het is is het ernst
    het herinnert zich heilloos
    en blijft ijlings

    alles van waarde is weerloos
    wordt van aanraakbaarheid rijk
    en aan alles gelijk

    als het hart van de tijd
    als het hart van de tijd

    Uit: Verzamelde gedichten, (1974)

     

     


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

     

  • Boekenweekgedicht door Hettie Marzak in het Helmonds voorgedragen

    Het Boekenweekgedicht van dit jaar, van Tsead Bruinja werd door de dichter in een Friese en een Nederlandse versie gebracht. Bruinja riep ook mensen op het gedicht in hun eigen taal te vertalen. Kijk op Neerlandistiek voor o.a. de vertaling in het Drents of Koerdisch. Literair Nederland recensent en columnist Hettie Marzak zorgde voor de Helmondse versie.

  • Niet mijn Emily

    Niet mijn Emily

    Ik had mijn eigen stelregel overtreden: ga nooit naar de film als je het boek gelezen hebt, want dat valt altijd tegen. Goed, er waren uitzonderingen: ik was vroeger smoorverliefd op de sardonische grijns van Clark Gable als Rhett Butler in Gone with the wind, en Gregory Peck speelde Atticus zoals ik die me tijdens het lezen van To kill a mockingbird had voorgesteld.  Maar de film Emily van Frances O’Connor had maar weinig te maken met Emily Brontë die Wuthering Heights geschreven had. De eeuwige vraag waar een geïsoleerd levende jonge vrouw haar inspiratie had opgedaan voor het schrijven van zo’n wrede, krankzinnige en gruwelijk mooie roman werd beantwoord door haar een relatie te laten aangaan met de dorpspredikant. Er was weer een man voor nodig en een stormachtige, gepassioneerde liefde om Emily Brontë op het idee te laten komen een roman te schrijven. Want hoe zou een streng opgevoed meisje, ver van de mondaine wereld opgegroeid in een klein dorpje in het ruige Yorkshire anders weten waar mensen toe in staat zijn? Alsof ze nooit een boek gelezen had, alsof ze geen dromen had!

    De dorpspredikant, die zo kwezelachtig was om hun relatie te verbreken omdat het een doodzonde zou zijn, kon in ieder geval nooit model hebben gestaan voor Heathcliff, dat was duidelijk. De nadruk werd gelegd op het anders-zijn van Emily, dat haar tot een zonderling maakte in de ogen van anderen. Charlotte Brontë werd neergezet als een preutse, bigotte juffer en jongste zus Anne als een giechelend leeghoofd. Terwijl de roman Jane Eyre van Charlotte toch ruim drie maanden voor Wuthering Heights gepubliceerd werd en de drie zusters altijd gezamenlijk schreven. Maar het schrijverschap van zowel Charlotte als Anne kwam in de film nergens ter sprake, alleen broer Branwell kreeg aandacht als het zwarte schaap van de familie. De film was ook niet echt als biografie bedoeld, maar onwillekeurig wil je er toch iets in terugzien van wat je liefhebt. Maar het was mijn Emily niet. Ook niet die van Yentl van Stokkum, denk ik, die het volgende fragment schreef in haar gedicht:

    ‘Ben je geobsedeerd door een dode dichter’

     de natuur houdt geen rekening met geesten en wie houdt er niet van wie jong gestorven is?

     al dat potentieel dat we in de grond stoppen wat een drama hoe erger de dood hoe groter de
     aanwezigheid van de dode

     hier heb je dode geniale familie een grote ontbonden belofte wat vind je ervan?
     stuk voor stuk hun tijd vooruit wie weet wat ze nog hadden gedaan en geschreven

     hier ligt Ellis Bell en we noemen hem ook wel
     Emily Jane Brontë

     En de recensies waren waardeloos de dagboeken zijn vernietigd en er was nog een
     manuscript en wie weet’

    Ik nam me heilig voor nooit meer naar een film te gaan die op een boek of het leven van een auteur gebaseerd is, alleen  de serie Lampje naar het boek van Annet Schaap, daar maak ik  graag nog een uitzondering voor. 

     

     

    Uit: Ik zeg Emily / Yentl van Stokkum2021.


    Hettie MarzakPoëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Russisch leren

    Russisch leren

    Ik ben al geruime tijd bezig met het leren van Russisch, maar ik vertel het tegen niemand, om er niet van verdacht te worden dat ik op wil trekken naar het Rode Plein, om te converseren met het megalomane monster Poetin. Ik wil alleen maar een aantal klassiekers uit de Russische literatuur in de oorspronkelijke taal kunnen lezen, zoals ik jaren geleden Grieks leerde om het origineel van Homerus’ Ilias en Odyssee te kunnen lezen. Ik worstelde heftig met die taal, maar ik heb ze wel in het Grieks gelezen, de verhalen over Achilles en Odysseus, ‘de man die naar huis wilde’, zoals Guus Middag hem zo treffend beschreef. 

    En nu dus Russisch, lang voor de brute inval van Rusland in Oekraïne. Het is een mooie taal, maar mensen reageren alsof ik collaboreer met de vijand. Net zoals mijn vader jaren geleden deed toen ik vertelde dat ik naast Nederlands ook Duits wilde studeren. Maar hem nam ik het niet kwalijk: hij hoorde nog steeds de laarzen marcheren, zoals hij ze in Auschwitz had gehoord. Hij geloofde mij nooit als ik vertelde dat Rilke, Heine en Brecht die taal waarin hij alleen bevelen had horen blaffen, ook konden laten zingen.  

    Ik hoor de taal ook zingen bij Isaac Babel, van wiens werk ik zoveel hou, maar meer nog in de poëzie van Anna Achmatova (1889-1966). Ik kocht ooit een tweetalige bundel van haar, Russisch-Engels en ik vind het zo jammer dat ik de helft van die bundel niet kan lezen, het lijkt zo’n verspilling. Ik weet wel dat er ook goede vertalingen van haar gedichten in het Nederlands verkrijgbaar zijn, maar ik wil zo graag haar eigen stem horen zoals die geklonken moet hebben in haar vroege liefdesgedichten en later bij het schrijven van haar Requiem en haar Epos zonder held in de periode na de Russische revolutie, toen de Sovjet Unie zich ontwikkelde tot een totalitaire staat die zich via terreur handhaafde, zoals ook nu gebeurt. Voor haar en voor andere Russische schrijvers wil ik Russisch leren. 

    De Vlaamse dichter Richard Minne (1891-1965) zou dat wel begrepen hebben. Hij probeerde boer te worden, maar dat maakte hem uiteindelijk doodongelukkig. Misschien omdat hij volgens zijn gedichten wel ‘stro in zijn klompen had’, maar niet ‘in zijn hoofd’. En hij hield van de Russische literatuur: 

    ‘Gogol

     Ik lees Gogol. Hij is groot.
     Hij spreekt van liefde en dood,
     en dat mensen klein zijn
     en voor elkaar venijn zijn
     en dat, trots van alles, dit leven
     nog hoog staat aangeschreven. 

     Hoveniersgedicht IX

     Ik denk aan Tchekof
     waar ik loof trek of
     Tobbie melk. Altijd.
     Weemoedigheid.’

    Een taal mag niet verantwoordelijk worden gehouden voor de daden van de mensen die haar spreken. De moordenaars van de gebroeders De Witt spraken Nederlands, evenals degenen die verantwoordelijk waren voor de doden in Atjeh. Ook Marc Dutroux zal het Vlaams van Minne wel verstaan. Monsters en engelen mogen dan misschien dezelfde taal spreken, maar het verschil ligt in wat erin gezegd wordt. 

     

     

    Uit: Verzameld werk, Richard Minne (2006)


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Tot ziens! Welkom!

    Tot ziens! Welkom!

    De nieuwe bundel van Arjen Duinker, Autobiografie tot op de dag van vandaag, roept vele vragen op bij de lezer. Dat begint al bij de titel, die verwarring schept, want wat is ‘de dag van vandaag’? De dag waarop de dichter de bundel voltooide? De dag waarop de lezer de gedichten leest? Die kan ook morgen, overmorgen of nog verder in de toekomst liggen. Het is ook geen autobiografie in enge zin die de levensloop van de auteur beschrijft; eerder herinnert de dichter zich voorvallen en gebeurtenissen die voor hem van belang waren, of dingen, mensen en namen die hem toevallig te binnen schieten. Omdat de bundel opgebouwd is uit deze haast losse aantekeningen, zou het woord ´Memoires´ passender zijn. Bovendien ligt de nadruk niet zozeer op de auteur zelf, als wel op de personen die hij gekend heeft. Want het wemelt van de personen in deze bundel: er worden talloze namen genoemd, zonder dat de dragers ervan echt geïntroduceerd worden bij de lezer: vrienden, kennissen, kroegmaten, in een bonte stoet komen ze voorbij. Zwaan en Zazie kunnen als dochters geïdentificeerd worden, maar bij de rest van de namen wordt geen persoonlijkheid omschreven of een reden voor hun nagedachtenis.

    Vreemd vertrouwd

    Het noemen van zo veel namen is enerzijds heel irritant, omdat je de mensen niet kent: het is alsof een onbekende alles met je deelt over zijn familie, die je nooit zult ontmoeten. Duinker houdt je als lezer buiten de deur, met zo veel autobiografische feitjes die je nooit kunt controleren op hun waarheidsgehalte. Anderzijds geeft het een vertrouwd gevoel: de dichter betrekt je bij zijn leven en zijn verleden alsof je een oude vriend bent. De lezer wordt langzamerhand een kroegmaat die de verhalen herkent, bevestigt, omdat ze geen toelichting meer behoeven. Duinker is een verhalenverteller, al doet hij dat niet op de geijkte manier. Belangrijker dan de chronologie van zijn levensloop of het weergeven van de werkelijkheid is de verwoording van zijn herinneringen:

    ‘Ik ben ver weg geweest.
    Zei je dat de zon schijnt
    En dat het winter is
    Wanneer je van mij
    een wervel neemt
    Val ik uit
    Elkaar

    Toen ik een was, wilde ik twee zijn,
    Toen ik twee was, werd ik doorzichtig,
    Toen ik drie was, kwam Kirsten kijken,
    Toen ik vier was, voetbalde ik in de Palamedesstraat.
    Toen ik vijf was, ving ik een kikker,
    Toen ik zes was, kocht ik een rol beschuit,
    Toen ik zeven was, sprong ik uit het raam,
    Toen ik acht was, had ik mijn eerste hersenschudding’

    Dit is pas ‘episch’

    De bundel kan gelezen worden als één lang gedicht. Daarbij nodigt de dichter ons uit op een associatieve reis door zijn geheugen. Dat daarbij gerefereerd wordt aan voorstellingen die de lezer niets zeggen en de dichter alles, is onvermijdelijk.

    ‘[…]
    Een vleermuis is een paard.
    Een paard is een snoek.
    Een snoek is een fazant.
    Een fazant is een gorilla.
    Een gorilla is een spreeuw.
    Een spreeuw is een rendier.
    Een rendier is een zalm.
    Een zalm is een kievit.
    Een kievit is een wasbeer.
    Een wasbeer is een mijt.
    Een mijt is een adder.
    Een adder is een vlieg.’

    Opsommingen, je houdt ervan of je hebt er niets mee. Voor Duinker is het blijkbaar van belang dat de dingen steeds opnieuw benoemd worden en daardoor gestalte krijgen. Dat gegeven doet denken aan de Scheepscatalogus in het tweede boek van de Ilias van Homerus, waarin de schepen de revue passeren die ten oorlog voeren tegen Troje. Over het vermeende aantal schepen bestaan verschillende opvattingen, maar de bedoeling van de lijst is duidelijk: het afdwingen van respect voor de Griekse oorlogsvloot. Duinker wil ook alles benoemd hebben, om zo volledig mogelijk zijn herinneringen op te slaan, uit respect voor alles en iedereen die zijn leven beïnvloed heeft. Hij maakt de opsommingen volstrekt associatief, zoals het geheugen immers werkt. Hierbij gebruikt hij narratieve en visuele geheugensteuntjes: zo laat hij elke versregel met een hoofdletter beginnen, maar ook met vaak dezelfde woordgroep of aanhef, zoals kinderen een verhaal vertellen met ‘en toen…en toen…en toen’, wat de citaten laten zien. De herhaling is noodzakelijk om de opsomming mogelijk te maken, maar schept tevens een geruststellend ritme.

    Herlezen of herleven?

    Het werpt de vraag op voor wie deze bundel geschreven is, voor de lezer of voor de dichter zelf. Soms lijkt Duinker de lezer deelgenoot te willen maken van zijn leven, maar vaker nog lijkt hij alleen voor zichzelf herinneringen te boekstaven om die niet te vergeten. Hij herschept zijn eigen verleden, naar eigen inzicht en eigen wens. Hij heeft geen behoefte aan de werkelijkheid of de waarheid, want de dingen bestaan omdat hij ze benoemt. Slechts observatie volstaat om zijn verwondering te verwoorden, vrij van metaforische versiersels.

    ‘Laat me hier staan,
    Ik heb genoeg van de redeneringen,
    De uitkomsten, de hoerastemming.
    Ik sta op een plein en kijk naar een plein,
    Ik sta bij een hek en kijk naar een hek.
    Ik sta bij een café en kijk naar een café
    Zonder me af te vragen of het kijken gelijk heeft,
    Zonder te weten of het kijken ertoe doet,
    Zonder te weten of het iets oplevert.’

    Dat wil niet zeggen dat de lezer buiten de bundel gehouden wordt. Duinker beschrijft de wereld niet zoals ze is, maar zoals ze geweest is voor hem in het verleden. Met zijn taalgebruik probeert hij die wereld, de vrienden en de steden die hij bezocht heeft weer op te roepen, waarbij melancholie en een soort van heimwee naar wat geweest is de ondertoon vormen. Wie zich overgeeft aan het melodieuze ritme en de muzikaliteit van zijn taal, wordt langzaam binnengetrokken in het universum van de dichter, zonder zich verder af te vragen waartoe en waarheen, drijvend op de kalme stem van de verteller.

     

  • Culinair

    Culinair

    Mijn moeder had een hekel aan koken, zoals ze een hekel had aan alle huishoudelijke klussen die haar afhielden van het werken in haar bloementuin. Ze zette de pannen op het vuur en verdween dan neuriënd naar buiten om haar geliefde rozen te verzorgen. Tegen de tijd dat ze weer aan het eten dacht, waren de aardappels tot puree gekookt en de groenten grijs. De rozen in de tuin zagen er vele malen smakelijker uit dan de spruitjes die mijn moeder op tafel zette. Het familieverhaal gaat dan ook dat ik als kind een bijzonder mooie variant van mijn moeders trots, de Reine Victoria, opgegeten heb.  

    De afkeer van koken en huishoudelijk werk bleek erfelijk te zijn, al was het bij mij niet de tuin die mijn aandacht opeiste, dat deden de boeken. Ik ben dus niet culinair onderlegd en eet zelden buiten de deur. Daarom was ik benieuwd toen een vriendin me uitnodigde om voor de feestdagen te gaan dineren in een restaurant met één ster. Het was een prachtig en deftig etablissement; toen we binnenkwamen, werd ons bijna de weg versperd door een gigantische bos rode rozen op een tafeltje in de hal. We vertelden de kok dat hij naar eigen inzicht een maaltijd mocht samenstellen, waarbij we vertrouwden op zijn expertise.

    Bij de eerste gang, een hapje op een lepel, kwam de eigenaar naar ons tafeltje en vertelde ons met een van eerbied trillende stem welke unieke spirituele ervaring ons te wachten stond. Nog voor hij uitgesproken was, had ik het hapje al op, wist ik veel. Het eten was lekker, maar bij elk volgend bord dat op tafel werd gezet, moesten we wachten tot de man als een hogepriester in een tempel weer kwam aangeschreden. Hij vouwde dan vroom zijn handen, boog zijn hoofd en vertelde op fluistertoon met welk gerecht wij gezegend werden –  alsof we blind waren – met een ontzag alsof we getuige waren van de alchemistische bereiding van een eenhoorn, in plakjes opgediend in de Heilige Graal. Het was allemaal zo onecht, zo nep, zo vals als een bankbiljet van elf euro. Ik voelde een diepe verwantschap met Frans Pointl die een soortgelijke ervaring had gekend, getuige zijn gedicht: 

     ‘Ako-diner 1990 

    er stonden een Rolls, een Bentley en een Porsche 
    een echtpaar stapte uit een Saab Turbo 
    ik stapte uit mijn strippenkaart 

    voor het eerst zat ik aan
    aan een diner 
    dat viel verdraaid niet mee 
    een colonne obers bracht schalen binnen 
    waarop saumon fumé

    daarna kreeg ik een bord 
    met iets roze-roods erop 
    dat leek op een jonge uit het nest 
    gevallen en gefrituurde reiger 
    ik vroeg iemand hoe dit heette 
    die meneer zei: zolang het niet 
    beweegt kunt u het rustig eten

    het diner was beslist niet slecht 
    maar ik prefereer brood met omelet 
    aangezeten aan eigen aanrecht.’

    Op weg naar buiten heb ik uit de vaas in de hal een handvol rozen meegegrist en die in mijn mond gepropt. Ze smaakten geruststellend echt.


     

     Uit: Het Albanese wonderkind / Frans Pointl (1991)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Hanteerbare grote gevoelens

    Hanteerbare grote gevoelens

    Ester Naomi Perquin laat in deze vijfde bundel zien hoe sterk haar dichterschap zich heeft weten te handhaven sinds het verschijnen van haar debuutbundel in 2007. Want ook Ongevraagd advies is weer een ijzersterke verzameling van gedichten over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar altijd vol verrassingen en originele beelden. Perquin schrijft over alledaagse dingen, maar bekijkt die net vanuit een ander oogpunt dan de meeste mensen doen.

    Verwondering ligt aan de basis van haar observaties, maar niet de verwondering over waar mensen toe in staat zijn, want dat wist ze allang. Dingen die ze geleerd heeft ‘in de loop van de jaren’ somt ze op in het allereerste gedicht, dat geen titel heeft meegekregen: ‘het verschil tussen verwond en verwonderd’ en het mooie ‘de kleefkracht van gedachten’, maar aan het eind van het gedicht blijkt er nog genoeg te vragen over. En aan het eind van je leven weet je nog niets, zekerheid bestaat niet. Er is alleen een ‘Zekerheid waarvan je levenslang onzeker bent.’
    Veel gedichten gaan over tegenstellingen, tussen arm en rijk bijvoorbeeld, maar ook tussen de manieren waarop mensen hun leven inrichten. Iedereen is anders, leeft anders en denkt dat zijn manier van leven de enige juiste is. In het gedicht ‘Hoogste tijd’ staat:

    Mensen die fout zitten, liever geen mening hebben,
    die twijfelen of absoluut gelijk gaan krijgen;
    laat ze allemaal, in hemelsnaam,
    lang en hoorbaar zwijgen.

    Eigen waarheid

    Daarom is de titel Ongevraagd advies zo mooi gekozen: iedereen die zijn eigen waarheid voor de werkelijkheid houdt, wil een ander daarvan overtuigen. Ook de dichter zelf bezondigt zich daaraan: Perquin was Dichter des Vaderlands van 2017 tot 2019 en veel van haar gedichten die ze in die functie geschreven heeft, bevatten een mening ten aanzien van een politiek gebeuren. Haar gedicht ‘Ongevraagd advies’ schreef ze in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 en het is ook in deze bundel opgenomen, met de bekende laatste strofe: ‘Maar geef één stem weg. Nooit de macht.’
    De grootste ongevraagde raadgever is echter de moeder:

    Zoals ze in je praat en dingen vindt,
    dwars door je eigen woorden klinkt, vaak ongevraagd,
    doe je haar nou wat opzij, je hebt toch ogen, waarom
    moet dat nou zo open, die mouwen staan
    je raar en doe een das om als het waait.

    Dit gedicht schreef Perquin voor de Boekenweek van 2019, die als thema ‘De moeder de vrouw’ had. Toch hoop je dat het gedicht ‘Gebed voor een arts’ ook over de moeder gaat: ‘Er zijn nog heel veel mensen over. De meeste hebben/ wij niet nodig. De meeste kunnen wij best missen,/ maar niet deze, dokter. Deze niet.’

    Geweld en barmhartigheid

    De dood komt regelmatig om de hoek kijken in de gedichten. Geweld is nooit ver weg, maar pas als het dichtbij komt, krijgt het een gezicht. Er wordt een beer doodgeschoten, de visboer ‘heft zijn mes’ in het schitterende gedicht ‘Ochtend’, er is een ontmoeting met de dood in de tram, waar hij zich verstopt heeft in alle passagiers en er is een moordenaar, die een petje met Mickey Mouse erop opraapt van de grond en goed zichtbaar over een hek hangt: ‘Dit is vindbaar, denkt hij. Dit is vindbaar./ Vandaag heb ik iets goed gedaan.’ En er is het gedicht ‘Verwijt’, waarvan de eerste strofe luidt:

    Dat je dood bent wil ik wel geloven, maar geen
    verjaardagskaart of telefoontje als ik ben verhuisd
    -geen poging tot contact- vind ik
    getuigen van slecht ouderschap.

    Perquin schrijft met mededogen en barmhartigheid over mensen die moeite hebben met het leven, de buitenbeentjes. Ze merkt een omslag in kleinigheden en alledaagsheden op die een ander misschien zouden ontgaan. De moordenaar was er al een voorbeeld van, maar ze beschrijft ook een vrouw die een bord voor haar raam zet met de namen van mensen die ze dood wil maken. In een prachtig gedicht, ‘Gebed voor een engerd’, vertelt ze over een bejaarde potloodventer, die geen vrouw meer angst kan aanjagen nu hij oud en vervallen is, maar die nog steeds ‘De hunkering naar korte rokken, blote schouders, zomerbries’ kent: ‘[…] Ach God,/ als dit uw schepping is; bescherm zijn broze ziel.’ Perquin kijkt naar de ons omringende wereld, verwondert zich, maar velt geen oordeel over wat afwijkt. 

    De vier afdelingen van de bundel dragen titels die uit de gedichten geciteerd zijn: Zet geen misdrijf voor je raam, Praat niet als het om vertragen gaat, Geloof alleen nog woorden, Loop in de schemering naar huis. In de derde afdeling gaat het naar verwachting over woorden, taal en dichterschap. In het gedicht ‘Verzamelde definities van poëzie’ komt ze tot de conclusie dat poëzie uiteindelijk niet in een definitie te vatten is. Slechts een gedeelte van wat poëzie is, is zichtbaar, maar de rest moeten we zelf invullen. Perquin vergelijkt het heel mooi met een kat:

    Dat het een kat is, moeiteloos bewegend door een stad
    waar niemand woont, door wijdvertakte, leeggelopen
    straten en dan zijn kop niet eens maar vaak zijn staart,
    waar je nog een punt van ziet vlak
    voor hij de hoek om slaat.

    Humor

    Over haar eigen dichterschap vertelt ze in het gedicht ‘Een kamer’, waarin de werkelijkheid botst op de poëzie en het dagelijkse leven haar vaak verhindert om daadwerkelijk haar dichter-zijn te ontplooien. Humor en wanhoop komen samen als ‘de vuile was op metaforen’ ligt en ‘nu ik lego zoek en veters strik’ ‘het belang van één gevonden woord volstrekt lachwekkend is’. Ze besluit het gedicht met de veelzeggende versregel ‘[…] raap je sokken van mijn ziel.’ De humor valt ook af te lezen aan het gedicht ‘Tellen’:

    D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik,
    een bonte ekster. Nou, zegt D.,
    dat is een Vlaamse gaai.

    En daar, bij de waterkant, zit een jonge
    wintertaling. Nou nee, zegt D.
    Dat is een smient.

    Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas
    net begonnen en we hebben er
    al vier gezien. 

    Perquin is niet alleen goed in haar beeldspraak, ze weet ook haar enjambementen treffend aan te brengen, zodat ze een dubbele betekenis geven aan de afgebroken versregels. Haar taal is ritmisch, soepel en toegankelijk. Geen grote woorden, wel grote gevoelens, maar die worden zodanig verpakt dat ze hanteerbaar zijn en voor iedereen herkenbaar. De vele lagen en de dubbele bodems die ze in haar gedichten aanbrengt maken haar poëzie tot een genot om te lezen en te herlezen voor zowel beginnende poëzieliefhebbers als voor degenen die hoge eisen stellen aan poëzie. Ongevraagd advies, als het van Ester Naomi Perquin komt kun je het onmogelijk naast je neerleggen.

     

  • Plastic letters

    Plastic letters

    Als je in de trein met een slakkengangetje langs de achterkant van Schalkwijk sukkelt, kun je daar op de gevel van een rijtjeshuis een tekst van slechts twee woorden lezen: met grote letters is daar een streng vermanend ‘heb lief’ aangebracht. Plastic letters, donkerbruin en schreefloos, zo lelijk dat het pijn doet. Maar de schaamteloze imperatief treft het hardst. Alsof het een gebod is, door Mozes grimmig toegevoegd aan die andere tien, dat ons geen andere uitweg biedt dan onwillig te gehoorzamen. Alsof liefde iets kan zijn dat je afdwingt. Het zal goed bedoeld zijn, maar bij mij roept dat bevel enkel wrevel op. Jezus zei tenminste nog: ‘Heb uw naaste lief als uzelf” (Marcus 12:31) maar daarvoor was natuurlijk geen plaats op die gevel. 

    Zou W.H. Auden hetzelfde ongemakkelijke gevoel gehad hebben toen hij in zijn gedicht September 1, 1939  in de Collected Poems uit 1945 de voorlaatste strofe wegliet waarvan de laatste regel luidde: ‘We must love one another or die.’? Hij gaf later te kennen dat hij het gedicht verafschuwde, ‘trash which he is ashamed to have written’. Waarom keerde Auden zich zo fel en publiekelijk tegen die oorspronkelijke versregel? Hij noemde het gedicht ‘the most dishonest poem I have ever written.’ En over de laatste versregel schreef hij: ‘That’s a damned lie! We must die anyway.’ Hij wilde het gedicht niet meer opgenomen zien in latere verzamelbundels, maar gaf uiteindelijk toch weer toestemming, mits de laatste regel van die strofe veranderd zou worden in ‘We must love one another and die.’

    Het is een subtiel verschil in de tekst, maar een enorme verschuiving in betekenis. De eerste versie vertelt ons dat we zullen sterven als we elkaar niet liefhebben. Dat houdt dus in dat liefde de dood kan overwinnen. De aangepaste versregel is fatalistischer: we kunnen elkaar wel liefhebben, maar sterven zullen we toch. Of sterven we juist als gevolg van die liefde? Ondanks Audens afkeer ervan zijn het juist die woorden die beroemd zijn en vaak geciteerd worden. De vertaling is van Arie van der Krogt:

    ‘All I have is a voice’

     To undo the folded lie,
     The romantic lie in the brain
     Of the sensual man-in-the-street
     And the lie of Authority
     Whose buildings grope the sky:
     There is no such thing as the State
     And no one exists alone;
     Hunger allows no choice
     To the citizen or the police;
     We must love one another or die.

    ‘Al wat ik heb is een stem’

     Om de leugen te laten zien
     De leugen van romantiek
     In het hoofd van de man met de pet
     En de leugen van het gezag
     Met zijn torens tot hoog in de lucht:
     Er is niet zoiets als een Staat
     En niemand leeft voor zichzelf;
     Door honger bestaat er geen keuze
     Voor burgers of dienders: we moeten
     Elkander beminnen of sterven.

    Liefde, het blijft een lastig iets. Toch lees ik liever het door Auden verfoeide vers dan dat ik me de les laat lezen door deze twee woorden op een gevel in Schalkwijk.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Uiteindelijk moet je het met de dood bekopen

    Uiteindelijk moet je het met de dood bekopen

    Wat is een hivemind? Volgens Wikipedia is ‘hive’ een concept dat gebruikt wordt voor directe communicatie tussen de hersenen van een groep mensen. Hierdoor wordt het mogelijk om snel kennis te delen en ontstaat er zelfs een gezamenlijke intelligentie. Wanneer de techniek ertoe leidt dat de aangesloten individuen hun identiteit en vrije wil verliezen, spreekt men van een hive mind. In de debuutbundel van Maxime Garcia Diaz, Het is warm in de hivemind, wordt het aan de lezer overgelaten om te bepalen of het aangenaam warm is door de veelheid en de verbondenheid van degenen die er deel van uitmaken, of dat die warmte juist drukkend en benauwend is. 

    De bundel laat zich lezen alsof je op internet klikkend en scrollend aan het zoeken bent naar informatie: er komen in korte tijd heel veel fragmenten voorbij waarvan het waarheidsgehalte niet gemakkelijk vast te stellen is, filmpjes, meningen, discussies, plaatjes, ontboezemingen, verleidingen en verdachtmakingen. Om deze indruk te wekken maakt de dichter gebruik van diverse lettertypes, afbeeldingen, emojis, kleurstellingen in de lay-out. Ook het gebruik van uitingen in verschillende talen zoals Frans en klassiek Grieks, maar vooral Engels doen het lezen van deze gedichten lijken op een rit in een achtbaan: in een razend tempo, bijna niet om bij te houden, word je door de gedichten geleid en kom je na lezing snakkend naar adem tot stilstand. 

    Definiëring van vrouw-zijn

    Toch is deze bundel zorgvuldig samengesteld volgens een uitgesponnen thema: in drie afdelingen  – origin stories, baby-faced simulacrum en no wave – die ieder bestaan uit lange gedichten wordt ‘floor wolkenveldt’ als protagonist opgevoerd, een meisje dat op zoek is naar haar eigen identiteit en naar de definiëring van haar vrouw-zijn. De bevestiging van zichzelf zoekt zij in de wereld van de sociale media, waarbij het internet fungeert als spiegel, rolmodel en vriendin. Elke voorbijkomende hype wordt wanhopig omarmd (‘smeer je tandvlees in met kristalletjes/& trek het korset strakker’), maar niets kan de zekerheid bieden dat je nu volmaakt bent.
    Garcia Diaz schildert aan de hand van een enkel individu een verontrustende toekomst, waarin de mens perfect en maakbaar moet zijn en waar het werkelijke leven niet meer te onderscheiden is van ‘virtual reality’. Ze laat zien hoe vooral jonge meisjes zich laten beïnvloeden door de cultuur van Tiktok, Facebook en Instagram en de commentaren van anderen:

    ‘de reiniging dient zich aan
     we hebben een aard en we traceren
     haar contouren
     live through this w/me, meisje’

    Ideaalbeeld nastreven

    De dichter laat zien hoe de moderne maatschappij erin geslaagd is om jonge vrouwen en meisjes te laten twijfelen aan hun zelfbeeld en zichzelf en hun sekse te beschouwen als minderwaardig, doordat ze moeten voldoen aan een ideaalbeeld waarvan ze weten dat ze het nooit zullen belichamen, maar dat ze toch met alle middelen nastreven:

    ‘[…]
     In augustus 2017 steeg het zelfmoordcijfer onder Amerikaanse
     tienermeisjes tot het hoogste in veertig jaar (it was a queer, sultry
     summer) ongeveer vijftien Nederlandse vrouwen overlijden elk jaar
     aan anorexia
     ik zag de beste meisjes van mijn generatie
     hongerend, hysterisch, naakt

    Het cursief gedrukte citaat is van Sylvia Plath, van wie ook een foto is afgebeeld bij dit gedicht. De gedichten verwijzen niet alleen naar Plath, maar ook naar Virginia Woolf (‘er was een meisje dat haar zakken/ vulde met stenen en de rivier inliep’), Christina Rossetti, Allen Ginsberg en talloze andere dichters, schrijvers en filosofen. Garcia Diaz weet de meest uiteenlopende voorstellingen met elkaar te verbinden, van Marie Antoinette tot Disneyland, van de klassieke oudheid tot moderne popmuziek. Achter in de bundel staan verwijzingen naar de webpagina’s die refereren aan de citaten in de gedichten. 

    Een steeds terugkerend thema is het verlangen naar echtheid, naar waarachtigheid in een artificiële leefwereld waarin echt niet meer van nep te onderscheiden is. Is het daarom dat van alle afgebeelde portretten in deze bundel de ogen uitgesneden zijn? Alsof ze alleen maar naar binnen kunnen kijken en de hen omringende wereld niet meer willen zien. Tegelijk maakt het een angstaanjagende indruk, alsof het een andere kant toont van de geportretteerde vrouwen, een grimmige en duistere aard, die ook in de gedichten te bespeuren is. 

    ‘ik wil dromen dat het ochtend is
     en dat het dan ook ochtend is

     en dat de wereld geen gevaar is
     maar een zachte moederadem
     en dat ik niet bang ben
     maar gevaarlijk
     dat ik tanden heb
     dat ik bijten kan

    Uiteindelijk de dood

    Een speciale rol is voorbehouden aan Marie Antoinette in het lange gedicht Artificielle, waarvan gedeeltes onderbroken worden door een plaatje van een stuk taart (‘qu’ils mangent de la brioche’). ‘The saddest queen’ wordt beschreven zoals ze zich in Versailles bezighoudt met haar speelgoedboerderij en de draaiende theekoppen van Disneyland tot aan het moment van executie. Zij staat symbool voor alle vrouwen die zich moeten conformeren aan de heersende conventies, de normen en waarden van de maatschappij die net zo snel kunnen veranderen in hun tegendeel. Hoe je ook je best doet om je zo goed mogelijk aan te passen, het zal nooit goed genoeg zijn, omdat alles sneller verandert dan je kunt bijhouden. Uiteindelijk moet je het toch met de dood bekopen, lijken deze gedichten te zeggen. 

    ‘onderweg naar de guillotine
     voelt haar plastic lichaam geen pijn meer,
     lost op in dunne, broze nevel
     fragile magic
     de theekop
     komt langzaam tot stilstand.
     stunned silence,
     dazzled citizens

     een klein hoopje poeder
     op het schavot.

    Optimistische boodschap

    Deze bundel is zowel een feministisch manifest als een aanklacht tegen de wegwerpmaatschappij, een waarschuwing tegen de gevaren van het internet, een hekeldicht op de moderne tijd, een pessimistisch toekomstvisioen, een grimmig sprookje. Woede, vertedering en humor wisselen elkaar af. Hoe vaker je de bundel leest, hoe meer gelaagdheid er te ontdekken valt en overeenkomsten die eerder niet naar voren sprongen. De overweldigende overvloed aan informatie en het kolkende tempo maken het niet gemakkelijk, maar de tour de force die deze (debuut!)bundel is, nodigt uit om steeds opnieuw te lezen. Zeer terecht heeft deze bundel de C. Buddingh’-prijs gewonnen.

    Garcia Diaz sluit af met een optimistische, liefdevolle boodschap: als de moeder van de lyrische ik een sms’je stuurt met de waarschuwing om toch vooral haar medicatie niet te vergeten, luidt de laatste regel van het gedicht in antwoord hierop: ‘ik stuur haar HARTJE HARTJE HARTJE HARTJE’
    Er is dus hoop dat het allemaal nog goed komt.

     

     

  • Kelderspoken

    Kelderspoken

    Oktober betekent herfst en Halloween. Nu de schaduwen steeds vroeger in de avond in de hoeken van het huis kruipen, is het tijd mijn geliefde griezelverhalen weer terug in de kast te zetten. Want deze klassieke spookverhalen lees ik bij voorkeur in augustus, op het midden van de dag, als de zon hoog en fel aan de hemel staat. Ik voel er niets voor om in dit schemerige jaargetijde ’s avonds op zolder te komen en dan het ‘gefluister in de duisternis’ te horen, of om ’s nachts getik tegen het raam te horen waarvan ik overdag best weet dat het de takken van de kastanjeboom zijn. Het is bovendien geen kunst om iemand de stuipen op het lijf te jagen met een verhaal als je ’s avonds in je eentje zit te lezen, terwijl het in huis donker is en alles piept en kraakt in de kamer en de wind om het huis giert. Maar als een verhaal je koude rillingen bezorgt in de hete augustus zon en je schichtig over je schouder doet kijken, dan heb je iets goeds gelezen. Van bijvoorbeeld de Engelse M.R. James, Algernon Blackwood, Cynthia Asquith. 

    Niet van de relatieve nieuwkomers uit Amerika, zoals Stephen King – hoewel zijn verhaal ‘Het aapje’ me dagenlang achtervolgd heeft – , want dat is horror waar het bloed en de gruweldaden vanaf druipen. Horror is een heel ander genre, waar ik niet van hou. Maar de sfeer van echte ouderwetse Engelse ghost of gothic stories, waar ruïnes bevolkt worden door geesten, waar onverklaarbare gebeurtenissen de toon zetten en waar gouvernantes flauwvallen op de trap bij het horen van ijle kinderstemmetjes in de kelder, daar hou ik van. 

    Gothic novels ontstonden in de 18e eeuw in Engeland en gaven vooral vrouwelijke auteurs de kans om de beperkingen te doorbreken die de samenleving hen oplegde op emotioneel en psychologisch gebied en om hun verzet tegen het verlammende sociale decorum te verwoorden. Het bovennatuurlijke werd op subtiele wijze ingezet om het onderbewuste naar boven te halen, om geheimen bloot te leggen, met een dosis erotiek erbij. Voorbeelden zijn The yellow wallpaper van Charlotte Perkins Gilman en Frankenstein van Mary Shelley, maar zeker ook Dracula van Bram Stoker. 

    Gedichten uit het griezelige genre zijn er ook: Der Erlkönig van Goethe, door Schubert zo geraffineerd op muziek gezet, en natuurlijk The Raven van E.A. Poe behoren tot de mooiste die ik ken. En het onderstaande van Remco Campert, omdat daarin zo mooi wordt aangegeven waarom griezelverhalen geschreven en gelezen worden: wat je meent te zien is de confrontatie met de gestalten die je eigen innerlijke angsten aannemen. Nee, niet de mijne, die van Campert. Die van mij blijven in de kelder spoken tot het weer zomer wordt. 

    ‘In het donker

     Soms zie ik spoken
     ’s avonds laat op straat
     in een vuilwitte jurk
     jij die niet bestaat
     of mager in een pak
     van vooroorlogse snit
     mijn vaders gelaat
    of tot mijn schrik
     in een spiegelruit
     mezelf die verdergaat.’

     Uit: ‘Dichter’, 1995

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.