• Ziel te koop

    Ziel te koop

    Wie zegt dat hij niet bijgelovig is, liegt. We zijn het allemaal. En dan heb ik het niet over de traditionele, overgeleverde superstities die het kwaad moeten afweren, zoals het mijden van een zwarte kat, niet onder een ladder doorlopen en geen zout morsen. Zulke bijgelovigheden waarvan niemand meer weet wat de herkomst is. Ik bedoel de persoonlijke rituelen die juist het geluk dichterbij moeten halen, zoals de voetballer die voor de wedstrijd een kruisteken slaat, de leerling die op het examen een mascotte op zijn tafeltje zet of de gokker die zijn gelukssokken aantrekt voordat hij gaat pokeren. Zoals ik bij drie bevallingen hetzelfde lievelingsboek op mijn tafeltje had liggen en elk van de baby’s in dezelfde zachte kleertjes hulde. Het gevolg was wel dat we later, toen we eraan toekwamen om de foto’s in een album te plakken, niet meer wisten welk kind er was afgebeeld. 

    Het af te dwingen geluk eist echter grote offers. Ik vond dat de doorstane bevallingen op zich voldoende waren. Maar Doctor Faust verkocht zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis van de wetenschap, Paganini om de beste violist aller tijden te worden, Tommy Johnson de beste blueszanger. Ook Rob Schouten heeft er zijn gedachten over laten gaan:

    Ziel

    Ik zou liever een kwaliteitsziel hebben
    die ik niet kende; niet dit inruilding
    uit mensen die ik maar bekeken heb,
    dat het alleen doet als ik ernaar kijk.

    Mijn ziel zou ouderwets onzichtbaar zijn
    en in mij zitten. Alles wat ik zweeg
    en riep zou er duurzaam vervuld van zijn.
    Ik zou er niet aan denken haar te wensen.

    Zo’n ziel die je nog eens verkopen kunt.

    In het boek The Ceremonies uit 1984 van T.E.D. Klein, die een klein, maar huiveringwekkend oeuvre op zijn naam heeft staan, bespreekt universitair docent Jeremy Freirs het onderwerp bijgeloof met zijn studenten. Moderne, rationele jonge mensen, die met geamuseerde scepsis aangeven dat zij zich niet bezighouden met flauwekul als vrijdag de dertiende en gebroken spiegels. Freirs besluit tot een test en zwaait met een dollarbiljet dat hij aan een student wil geven die de meeste minachting tentoonspreidt. In ruil voor een vel papier, ondertekend en voorzien van de datum, waarop geschreven staat dat de jongeman hem voor altijd zijn onsterfelijke ziel verkoopt. Maar zelfs deze ongelovige student waagt de gok niet. 

    In het verhaal van Franz Werfel, Géza de Varsany, oder: wann willst du endlich eine Seele bekommen, voelt Freddie, de lompe tienerzoon van zogenaamd verfijnde aristocraten, dat hij eindelijk de ziel heeft die zijn ouders hem ontzeggen, als hij het wonderkind Géza op de viool hoort spelen. ‘Freddies ziel was door de plotselinge, verbijsterende bewondering voor het hogere, het onbereikbare, verschrikt uit haar pop tevoorschijn gekomen.’ 

    Wie net als Freddie voelt dat hij een ziel heeft als hij schoonheid ontmoet, in welke vorm dan ook, gaat die echt niet verpatsen aan de duivel, al zou je alle talen ter wereld mogen spreken. Zonder schoonheid is het leven zielloos. 

     

     

    Uit: Tevoorschijn stommelt het heelal / Rob Schouten, Arbeiderspers (1988)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Moreel kompas

    Moreel kompas

    Ik laat het boek dat ik heb gekocht aan een vriendin zien, The running grave, deel zeven van de Strike-detectiveserie van Robert Galbraith. De vriendin trekt haar wenkbrauwen op en vraagt of ik wel weet dat de auteur een pseudoniem is van J.K. Rowling, schrijver van de Harry Potter-boeken. Die zich openlijk negatief heeft uitgelaten over transgenderpersonen en dat ik daarom haar boek niet moet kopen. Ik moet er afstand van nemen, anders geef ik aan dat ik het met haar eens ben, zegt de vriendin. Ik wijs in mijn boekenkast naar schrijvers die zich ook niet wilden richten naar de kompasnaald van haar morele verontwaardiging. François Villon, dief en inbreker, Gerrit Achterberg, moordenaar, Jan Hanlo, pedofiel, Louis-Ferdinand Céline en Roald Dahl, verstokte antisemieten, George Simenon, schuinsmarcheerder die vaker in het bordeel dan in zijn eigen bed lag. En wat dan nog, vriendin. Hun boeken zijn onvergetelijk.

    Hoe ver reiken vooroordelen naar de wereldliteratuur. Malcolm Lowry en William Faulkner, alcoholisten; Gerard Reve, Jean Genet, homo. Mag dat ook niet? Er zijn genoeg voorbeelden van schrijvers die zich niet conformeerden aan de waarden en normen van de maatschappij waarin ze leefden. Incorrecte, immorele schrijvers, maar mogen hun boeken daarom niet gelezen worden. Mijn boekenplanken zouden aardig leeg raken. Afstand nemen? Heeft literatuur dan niet meer de functie om je kennis te laten maken met een andere wereld, een andere mening dan die van jou. Moet een boek niet op zijn merites beoordeeld worden. Een boek is zijn schrijver niet. Een schrijver is zijn boek niet. Shakespeare was geen koningsmoordenaar omdat hij de vader van Hamlet liet vermoorden. Nabokov, Ted van Lieshout en Pim Lammers zijn geen pedofielen omdat ze er een boek over schreven. 

    Oscar Wilde, die ook buiten de gebaande paadjes liep die de Victoriaanse samenleving voor hem had uitgestippeld, heeft gezegd dat er maar twee soorten boeken zijn, ‘goed geschreven of slecht geschreven’. Dat criterium zou moeten gelden voor elk kunstwerk. Natuurlijk draagt elk kunstwerk sporen van de kunstenaar, maar de kunstenaar hoeft niet met zijn werk vereenzelvigd te worden. Het werk moet los van de persoon gewogen worden. Picasso moet een enorme klootzak geweest zijn in zijn relaties met vrouwen, toch sprongen me de tranen in de ogen toen ik voor de eerste keer in het Prado in Madrid zijn ‘Guernica’ zag hangen. Zoals P. Hawinckels liet zien in zijn gedicht ‘half twee na christus’ kunnen hoog en laag naast elkaar bestaan in zowel schrijver als boek.

    ‘in de buien voor en na
    de dolstdriest denkbare dronkenschap
    schiep de dichter
    de meest onvergankelijke verzen
    en eenieder zal er zich terecht over verbazen
    hoe ook hier weer het hoogst verhevene
    met het laagst gezonkene
    hand in hand gaat
    als twee glazen aan een bril’

    Ga naar huis vriendin, en lees een stichtelijk boekje van een smetteloze auteur aan wie je je geen buil kunt vallen, als die tenminste te vinden is. En laat mij mijn boeken van onaangepaste, incorrecte schrijvers lezen.

     

    Uit: Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, 1988


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Onderkomen

    Onderkomen

    In het portiek van het verzekeringsgebouw waar ik langs loop, hurkt een donkere gestalte. Naast hem liggen een plunjezak en een grote tas. Ik stel mijn ogen op scherp en net als ik heb vastgesteld dat het een dakloze moet zijn, roept de man: ‘Mevrouw, mevrouw, mag ik u iets vragen?’ Het is al aan het schemeren en over een kwartiertje vertrekt mijn trein. Ik weet dat ik moet doorlopen, maar breng het niet op om moedwillig onbeleefd te zijn. Dus blijf ik staan en antwoord bevestigend op zijn vraag. 

    Natuurlijk gaat het om geld, ik had niet anders verwacht. Hij vertelt het bekende verhaal, het kan ons allemaal overkomen: ontslagen, schulden, uit huis gezet, slapen op een bankje in het park. Nu zou hij graag naar een opvanghuis gaan voor een bad en een bed, maar dat kost drie euro per nacht en die heeft hij niet. Of ik zou willen helpen met een kleine bijdrage? Ik luister en kijk naar de haveloze man met de witte stoppelbaard die probeert zijn waardigheid te behouden in dit vreemde gesprek. ‘Arm en beschaamd zo arm te zijn’, dichtte Vasalis. Ook Bert Bevers schreef over hen:

    ‘Daklozen

     Geen blijf weten zij met zichzelf, maar zeker
     kennen ze murw als getuigen hun plaats.

     De hemelstreken zijn hun wanden want geen
     vensters zijn er om uitzicht te kaderen. Het

     zuiden is hun raam. Ook als niemand hem
     uitspreekt dragen zij volhardend hun naam.’

    Zoveel mensen die ik niet heb kunnen helpen, maken dat ik nu uit mijn portemonnee een bankbiljet haal dat ik aan de man overhandig. Hij kijkt ongelovig van het geld naar mij en vraagt of ik me niet vergist heb. Als ik nee schud, vraagt hij mijn naam, we stellen onszelf voor en geven elkaar een hand. Walter heet hij, Walter. Ik zal zijn naam niet vergeten, beloof ik. Als ik afscheid neem en doorloop, roept hij me na en zegt dat hij voor me zal bidden. Ik voel me Moeder Teresa zelf.  Maar ik val door de mand met mijn nobele naastenliefde als ik op het station mijn ov-kaart uit mijn portemonnee neem en zie welk bankbiljet ik weggegeven heb. Oei. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Ik hoef nog niet meteen naast Walter plaats te nemen in het portiek, maar het zal krap worden deze maand.

    Schaamte overvalt me. Moeder Teresa?, Sint Maarten ben ik. De nep heilige die een bedelaar onbaatzuchtig slechts de helft van zijn mantel gaf omdat hij er zelf ook nog warmpjes bij wilde zitten. Huichelaar met zijn zogenaamde liefdadigheid, zolang die maar niet ten koste van hemzelf ging. Ik ben geen haar beter.
    Mijn nuchtere verstand zegt me later die avond dat Walter waarschijnlijk drank en drugs verkozen zal hebben boven het opvanghuis. Mijn hart zegt dat we niet allemaal hetzelfde bedoelen als we een warm en veilig onderkomen zoeken voor onze angst in de nacht. Ik heb hem in ieder geval in staat gesteld om zelf te kiezen waar hij wil zijn.

     

    Uit: Bedekte termen, Bert Bevers (2023)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Nagenoeg perfect

    Nagenoeg perfect

    Flapteksten zijn nuttig, zo lang ze zich beperken tot feitelijke informatie over de schrijver en het onderhavige boek. Zo valt er op de achterkant van Nagenoeg van Filip Rogiers te lezen dat dit een debuutbundel is, samengesteld uit gedichten waarvan sommige er meer dan dertig jaar over deden om tot stand te komen. Het merendeel van de gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn en Poeziëkrant. Ook wordt vermeld dat Rogiers journalist is en een verhalenbundel en een roman geschreven heeft. Maar nadat er ook nog even iets over de inhoud van de bundel wordt verteld, wordt de lezer vervolgens de mogelijkheid ontnomen om zelf een mening te vormen: ‘[…] de vaak gitzwarte en meedogenloos harde inhoud van nagenoeg elk gedicht in deze bundel. Soms lijken Rogiers’ gedichten op in taal gestolde depressies.’ Dit is niet echt een aanbeveling – wie wil er gestolde depressies lezen? – maar het is bovendien niet waar. Nagenoeg elk gedicht? Ja, er staan gedichten in deze bundel die weliswaar somber van teneur zijn, maar er zijn er ook minstens even veel die teder, mijmerend of hoopvol zijn. Wat te denken van het gedicht ‘Vrouw’:

    ‘Soms als sikkel aan mijn hemel staat zij,
    een dwaallicht, een stuk van haar voor mij.

    Toch blijft zij driekwart achter, houdt zij
    van mij, blijft zij vol. En ik in al haar wanen.

    Zij keert altijd weer
    weg naar haar volle staat,
    zij kan niet anders dan kantelen.

    Volta, wassen naar haarzelf,
    naar de vrouw in haar holte.’

    Een gitzwarte, in taal gestolde depressie? Een eerbetoon voor de geliefde is het, liefdevol uitgedrukt in zorgvuldig overwogen klanken die herhaald worden in de diverse strofen. De vergelijking van de vrouw met de schijngestalten van de maan om mysterie en verandering uit te drukken is al eeuwenoud, maar Rogiers heeft ook zichzelf als minnaar het gedicht binnengesmokkeld. Het gedicht staat in de eerste afdeling, Passages getiteld, waarin beschreven wordt hoe alles voorbijgaat: tijd, mensen, relaties. Door middel van foto’s en herinnering probeert de dichter de tijd te laten stollen en te bestendigen.

    In de afdeling Nagenoeg reikt de dichter naar idealen en probeert hij te vervolmaken wat onaf is. Dat hij daar niet helemaal in slaagt, wordt al aangekondigd door de titel van deze afdeling, eveneens de naam van de gehele bundel.

    Bruno volente

    De bundel bestaat uit acht korte afdelingen van nooit meer dan zeven gedichten, vaker hooguit twee of drie. De onderwerpen zijn zeer divers, omdat Rogiers zich laat inspireren door mensen uit de geschiedenis of de huidige media: een uit drie gedichten bestaande afdeling behandelt een televisiedocumentaire over een man die lijdt aan het syndroom van Asperger. In een andere afdeling, Campo de’ Fiori, spreekt Giordano Bruno. In 1600 veroordeelde de Kerk hem tot de brandstapel, omdat hij beweerde dat het heelal oneindig was en de aarde slechts een stip daarin. Dit was volgens het Vaticaan ketters, omdat het bedreigend was voor de gevestigde orde. Rogiers citeert een citaat van Bruno, dat veronderstelt dat zijn rechters meer angst hadden om het vonnis uit te spreken dan Bruno had om het te ondergaan.

    In vijf gedichten van vijf distichons laat Rogiers Bruno het woord voeren tegen de kopstukken van de Katholieke Kerk. Omdat Bruno een wetenschapper is, heeft Rogiers de gedichten een ordelijke en regelmatige indeling gegeven: die beginnen met een gebiedende wijs (‘Wen er maar aan, u daar in het paars’) om aan te tonen dat Bruno zich niets gelegen laat liggen aan de kritiek van de kerk. Vervolgens stort Bruno zijn toorn uit over zijn rechters, die geen wetenschappelijke bewijzen willen aanvaarden. Liever blijven zij halsstarrig geloven in iets wat niet bestaat. Elk gedicht eindigt met een distichon die begint met de woorden ‘Uw Christus’, waarna Bruno ongezouten zijn mening geeft: ‘Uw Christus kus ik liever niet,/ uw klem lik ik eerder dan uw hiel.’ (Het spreken werd Bruno voor straf belet door een ijzeren klem in zijn mond.)

    Rogiers maakt alleen in deze gedichten gebruik van eindrijm en binnenrijm (‘en staak het gemekker over uw verwekker.’), misschien omdat er geen vrije verzen geschreven werden in de 16de en 17de eeuw en hij zo dicht mogelijk bij Bruno zelf probeert te blijven. Het is een mooie cyclus van felle, doordringende gedichten:

    V

    ‘Lik dan, vlam, onheilig vuur, dit
    is niet mijn maar uw laatste uur.

    Liever ben ik vijand dan laffe buur.
    Mijn graf uw straf, uw boek

    een voetnoot bij mijn woorden.
    Feller dan uw toorts zijn de zonnen

    die u sterren waant. Mij wacht
    een verlichte dood, u het duister.

    Uw Christus draag geen kroon,
    in uw hemelrijk staat geen troon.’

    Buitenbeentjes als inspiratiebron

    Een andere afdeling die geïnspireerd is door een historisch persoon – zij het fictief – heet Meid. Hierin staan slechts twee gedichten, geschreven bij de textiele werken van de kunstenares Louise Bourgeois. Hiermee bracht ze een ode aan Eugenie Grandet, de heldin van Honoré de Balzacs gelijknamige roman. In het eerste van de twee gedichten probeert Eugenie een spaarzame, kuise en onderworpen dienstmeid te zijn, zoals haar gierige vader van haar verlangt. In het laatste gedicht heeft de ontluikende liefde voor haar neef haar echter getransformeerd tot het begin van de vrouw die ze zou willen zijn. Haar neef probeert haar te verleiden ‘en verbloemt mij/ van meid tot meisje/ zoals het raam/ het ijs.’

    Ook de reeks De onfatsoenlijken haalt zijn inspiratie elders. Ditmaal resoneert het gelijknamige boek van de journalist Jan Antonissen op de achtergrond. Hij schreef over zijn ontmoetingen in Europa met mensen die “met de nek worden aangekeken, […] het racistisch stemvee van de populisten.” In zes gedichten schetst Rogiers een beeld van deze vaak eenzame, want verfoeide buitenbeentjes die niet passen in de samenleving en die hardnekkig blijven vasthouden aan hun eigen gedachtespinsels.

    III

    ‘Hij heeft het niet begrepen hoe
    de tijden zijn gekeerd. Hij stemt
    op de verkeerden, smaak en rede
    zijn hem vreemd. Hij is te klein,

    te laaggeschoold, de wereld
    draait te snel en is te groot.

    Dat zeggen zij die deugen.
    Wat hij zegt, blijft ongehoord.’

    Flaptekst voor in het closet

    De voorlaatste afdeling is getiteld Closing time. Zo genoemd met het album van Tom Waits in gedachten? Het zou kunnen, want een van de gedichten in deze afdeling draagt als motto ook een paar zinnen uit het lied ‘Jesus alone’ van Nick Cave. De inspiratiebronnen van Rogiers komen van heinde en verre. Ze brachten hem tot het schrijven van intieme en weloverwogen gedichten, die af en toe somber zijn – welke dichter is dat nooit? – maar die toch voornamelijk tederheid laten zien, deernis en een besef dat de wereld groter is dan de eigen gezichtskring. Deze bundel is verrassend veel gevarieerder dan de tekst op de achterkant aankondigt. Lees die daarom niet. Laat de gedichten voor zichzelf spreken.

     

     

  • ‘Zo oud moest ik worden…’

    ‘Zo oud moest ik worden…’

    Mijn kat springt bliksemsnel naar het touwtje dat ik voor zijn neus laat dansen. Ik trek het niet vlug genoeg omhoog en hij slaat zijn klauwen in mijn duim. Een kleine, maar diepe snee, een stroompje bloed loopt onmiddellijk langs mijn pols. Als ik met mijn duim in mijn mond met mijn andere hand naar de pleisters graai, roep ik haastig naar mijn geschrokken huisgenoten dat het niet de kat zijn schuld is, hij kon er niets aan doen, ik had beter moeten opletten. Waar komt die haast vandaan om hem zonder voorbehoud te beschermen? Ik heb dit eerder meegemaakt, of waarschijnlijker, gelezen. Later die dag weet ik het plotseling: het komt uit een van de verhalen van Gerard Walschap, dat me zo dierbaar is: Het vosken.

    ‘Zo oud moest ik worden en nog altijd niet weten wat liefde is om het van het kleine meisje met het vosken te moeten leren.’ Zo begint het verhaal van Gerard Walschap (1898-1989) dat opgenomen is in de bundel Het kleine meisje en ik uit 1953, die zeven novellen bevat: Moord op het konijntje, Corruptie bij een schildpad, De twee katjes, De rashond, Speelgoed van Sint-Niklaas, Het vosken, De boodschappen voor het consulaat. Vijf van de verhalen handelen over dieren, geschreven voor zijn enige dochter Carla (1932), ‘omdat zij van zeer klein af vertederd hield van al wat leeft en beweegt.’ De novelle Het vosken verscheen al afzonderlijk in 1951 in het decembernummer van De Nieuwe Stem, maandblad voor cultuur en politiek.

    Voor de bijl

    Omdat het Walschaps bedoeling was dat zijn dochtertje zich in de verhalen zou kunnen herkennen, besloot hij om zich te houden bij bestaande personages en gebeurtenissen en zijn verbeelding zo weinig mogelijk te laten spreken.* Dus moet het echt gebeurd zijn: hij loopt met zijn dochter over de vogelmarkt in Antwerpen, zoals ze elke zondag doen, en ineens zien ze daar een man met een klein roodachtig hondje staan. Hoewel ze niet van plan zijn iets te kopen – ze hebben al een kat en een papegaai – maakt de vader een praatje met de man en verneemt dat het geen hond is, maar een vosje. In één enkele alinea doorloopt Walschap dan een scala aan gevoelens: ‘Een diepe afschuw deed ons hem de rug toekeren, een plotse vrees deed ons omkijken om hem in de gaten te houden tot wij weg waren, een hevige nieuwsgierigheid deed ons weer een beetje naderen en een onbegrijpelijke genegenheid deed ons vertederd van hem houden.’

    Er volgt een gesprek van voor- en nadelen van het houden van een vos, waarin de verkoper zijn vosje aanprijst: ‘Meneer, dat kunt ge niet geloven, hoe lief dat beestje is, wat vriendschap ge daar van hebt’. Vier pagina’s lang staat de schrijver in tweestrijd, uitvoerig wordt het verlangen van het hart afgezet tegen de tegenwerpingen van het gezond verstand. Uiteindelijk kopen ze het beestje en lopen in een gelukzalige roes naar huis, waar het grote meisje, de vrouw van de schrijver, hen in een verontwaardigd sermoen weer met beide benen op de grond zet. ‘Ik durfde het klein meisje onder het langdurig onweer zelfs niet aankijken, uit vrees onwillekeurig te glimlachen van vreugde omdat wij het vosken toch maar hadden.’

    Deze opmerking laat zien hoe goed Walschap zowel de rol van het kind als die van de ouder vertolkt. Tegenover zijn vrouw is hij de redelijke en verstandige volwassene, zoals hij dat ook was in het gesprek met de verkoper, maar in zijn hart is hij een kind, dat samenzweert met het kleine meisje om de grotemensenwereld te pareren. Dat deze wisseling van rol vaak in één zin gebeurt, getuigt van het kundige schrijverschap van Walschap.

    Arme Coco

    De kinderlijke vreugde om het vosje slaat al gauw om in volwassen zorgen: hoe lief Reintje ook is, het stelen kan hij niet laten. Er verdwijnen eieren, vlees en melk en een buurman komt klagen over het doodbijten van zijn sierduiven. De vader belooft dat hij de vos voortaan binnen zal houden. De scène levert een gesprek op dat zo levensecht is dat je denkt erbij te staan.

    En dan bijt de vos uit verveling of uit frustratie in een onbewaakt ogenblik de papegaai Coco dood. De verteller kiest in deze situatie de kant van de rede, van de volwassenen, en pleegt daarmee verraad aan de vos, aan het kleine meisje, maar zeker aan het kind in zichzelf: ‘Halt, zei ik kalm, nu hebben wij hem eindelijk op heterdaad betrapt, nu moet hij voelen wat hij misdaan heeft.’ Hij roept de vos bij zich, maar het dier, dat anders ‘op een vingerknip gehoorzaamt’, kruipt onder de kast, geschrokken van de stem die de vader opzet. ‘Daar het nu paedagogisch verkeerd is een vos te laten ondervinden dat hij zich geruime tijd aan een in de wind geslagen bevel kan onttrekken’, jaagt de man hem met de kachelpook onder de kast vandaan, de kamer door. Als hij het dier in een hoek gedreven heeft en het met de pook wil slaan, werpt het kleine meisje zich over de vos heen om hem te beschermen, maar in paniek bijt het beest in haar hand. En dan voltrekt zich het inzicht waarvan sprake is in de eerste zin:

    ‘Duizendmaal had ik gelezen van grote en kleine filosofen wat liefde is en nu zat de liefde daar zelf voor mijn ogen, nu begreep ik ze. Ik begreep dat liefde de zorg en onrust baart die het meisje om het vosken had geleden, ik begreep dat liefde de pijn veroorzaakt van zijn tanden in haar vlees dat toch zo bang van pijn is en ik begreep dat liefde ondanks dat alles de slagen van de stoofhaak opvangt.’

    Kleintjes

    Het meisje draagt de wond in haar hand als een ereteken van het verbod tussen haar en de vos: ‘Het was alsof hij nu meer van haar was, inniger met haar verbonden door zijn misdaad en haar vergiffenis.’ Maar de man wrijft de vos met zijn snuit door het bloed van de papegaai en zet hem daarna buiten. De vos verbergt zich in de tuin en vlucht als het meisje hem eten wil brengen. Ze hebben hem nooit meer gezien.

    Het verhaal zou hiermee een mooi einde vinden, maar Walschap gaat verder: het kleine meisje vraagt hem om een brief aan Reintje te schrijven, dan zal hij wel terugkomen. Deze brief is een van de ontroerendste epistels in de literatuur, kinderlijk eenvoudig, onopgesmukt en vol liefde. De vos mag gerust terugkomen, alles is vergeten en vergeven. En anders moet hij naar Polen of Rusland reizen, waar onbewoonde streken vol vossen zijn bij wie hij zich kan aansluiten. Misschien krijgt hij er ‘vele kleine vosjes, die van geboorte half tam zijn en zich misschien door een brave Pool uit het nest laten nemen en naar huis dragen. Het zou natuurlijk een duizendste geluk zijn, zegt het klein meisje, maar men kan het toch nooit weten, misschien staat nog eens een van de acht of tien kleintjes van Reintje op de vogelmarkt en dan kopen wij het direct.’

    Als Walschap dit bijzondere verhaal geschreven heeft in 1951, dan moet zijn dochter Carla 19 geweest zijn, jong genoeg om zich de episode te herinneren en oud genoeg om de liefde in het verhaal te herkennen. De novelle valt op in het oeuvre van Walschap als een bloem in het asfalt, want zijn bekende romans Houtekiet of Een mens van goede wil behoren op grond van hun inhoud tot het naturalisme van de 19e eeuw, realistisch en bruut als ze zijn. Ze kwamen op de index van verboden boeken terecht, waarvan ze pas in 1966 afgehaald werden.

    Dit verrukkelijke verhaal over de liefde voor een dier en een dochter is ontroerend, zonder valse schaamte, zonder sentimentaliteit. ‘De mensen, die ons eenvoudig verhaal van ons Reintje lezen en hem zelf niet gekend hebben, zullen met onze brief lachen, maar als zij eens heel veel van een dier gehouden hebben, dan niet’, zegt Walschap in zijn slotwoord. Zoals ik van mijn kat hou, denk ik, terwijl ik een nieuwe pleister op mijn duim plak, maar ik ben wat dat betreft ook nog maar een klein meisje.

     

    *Bron: Albert Westerlinck, Gesprekken met Walschap. Tweede deel: Van Soo Moereman tot Het Avondmaal. Heideland – Orbis, Hasselt 1970.

     

     


    Dit is een bijdrage over een boek uit de boekenkast van een van onze recensenten.

     

     

  • Niet langer onverschillig

    Niet langer onverschillig

    In haar debuutbundel Indolente neemt Dewi de Nijs Bik de lezer mee op een reis door de tijd en door diverse landen heen. Ze vertelt een verhaal dat, hoewel het zeer persoonlijk is, niettemin voor een breed publiek bestemd is. Ze heeft Indische voorouders en geeft vanuit die achtergrond haar ervaringen en observaties weer. Niet alleen om persoonlijke herinneringen vast te leggen, maar zeker ook om een gedeelde en gemeenschappelijke koloniale geschiedenis en een culturele identiteit te onderzoeken. De zoektocht naar deze collectieve herinneringen wordt al duidelijk gemaakt in de motto’s die ze gekozen heeft: ‘Persoonlijke dingen moeten groter worden verstaan’ van Juliana Spahr en ‘Omdat we geleefd hebben en nog steeds bestaan’ van Tjalie Robinson.

    Om tot uitdrukking te brengen hoe ver die zoektocht haar gebracht heeft en hoe divers haar vindplaatsen van de verhalen zijn, maakt ze gebruik van een aantal gevarieerde en moderne versvormen: prozagedichten, collages, inventarisatielijsten, handleidingen en visuele poëzie met verspringende versregels en cursief gedrukte woorden. Die veelzijdigheid van deze bundel wordt ook verwacht van de lezer. Maar omdat het geheel wat rommelig oogt, is het voor de lezer een puzzel om uit te vinden waar het over gaat. In deze bundel spelen oesters en parels een belangrijke rol. De leeservaring is als het openen van oesters; na veel moeite tref je af en toe een parel aan.

    Co-starring: the readers

    De eerste afdeling Two Suitcases, 60 Dollars and a Three-Month-Old Baby brengt de lezer in Californië. Het lyrisch ik wordt opgepikt door Rodney in zijn Buick. Samen gaan ze naar een pasar malam, die Rodney’s moeder organiseert op een parkeerplaats. Het zijn de herinneringen van Rodney’s moeder die volgen, hoe ze als vluchteling naar Amerika kwam, over het proces van integreren en aanpassen, van nooit helemaal geaccepteerd worden in het nieuwe land, maar ook nooit helemaal jezelf toestaan dat je daar deel van uitmaakt. De Nijs Bik positioneert haar versregels als een interview, met afbrekingen en aarzelingen, zoals een gesprek verloopt. Het vergt wel wat van de lezer, die zelf moet bepalen wat er verteld wordt en in welke context de woorden staan.

    ‘wat zegt het nou de inhoud
    van deze sinkholes:
    literpakken, autobanden
    een pijp, wasmand –
    how the hell did you just call us?

    Op deze manier maakt de dichter de lezer een metgezel tijdens de zoektocht, maar dan vanuit een ander vertrekpunt: de lezer is objectief en kijkt anders naar de verhalen dan de dichter die beladen is met een collectief cultureel verleden en van daaruit haar blik richt. Niet voor niets noemt de dichter in haar dankwoord de lezer een ‘coproducent [die] mijn gedichten bestaansrecht geeft.’

    Toko in Mokum

    Ze brengt de lezer naar Amsterdam in de tweede afdeling: Herfst in Amsterdam. Hierin drukken drie maaltijdrecepten in de vorm van een blokgedicht de geschiedenis uit van de mensen die uit Nederlands-Indië kwamen. Ook in de derde afdeling, Panty’s voor Daisy, speelt voedsel een belangrijke rol. Zo is er een gedeelde herinnering aan de kookkunst van oma’s en tantes, die met vijzel en stamper de heimwee wekkende geur van de Indische kruidige keuken voortbrachten. In het nieuwe land wordt de vijzel echter verbannen naar de bodem van de kast ‘omdat hij naar knoflook stonk’:

    ‘een stuk steen op een stuk steen, tik, tik, was wat ik hoorde wanneer ik de keuken binnen-
    kwam, jouw oma die voor het aanrecht stond: knoflook, djeroek poeroet, trassi, ui, in de komvormige stamp je en in die platte is het meer wrijven; mijn tante had ze op de schoor-
    steenmantel want ze zijn toch van onze moeders geweest – deze schending van de ver-
    wachting, waarmee ze zichzelf herhaalt, 50 cent voor een blokje asem maar niemand hield
    bij hoe haar naam werd geschreven (2 gulden, panty’s voor daisy)’

    La insolente, de indolente

    In de volgende afdeling, Indolente, draait het om identiteit die zich niet verbergt of onderdrukken laat. De afdeling bestaat uit drie delen die alle vertellen over de parelvangst. Het eerste deel Parelkoorts opent met een gedicht dat is geschreven naar aanleiding van een schilderij van Jacopo Zucchi (1585), La Pesca del Corallo, (= het vissen op koraal). Het verbeeldt een allegorie op de ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld. We zien zeenimfen, oesters, koraal, paarlemoeren schelpen. ‘[…] Natuur en duiker / zijn in harmonie. Smetteloos de juwelen / en verhalen.’ Een idyllisch tafereel, dat in schrille tegenstelling staat tot de andere gedichten in Indolente. Want na een brief van een koopman aan ‘Hunne Majesteiten’ uit 1509, waarin hij verzoekt om drie extra schepen met elk driehonderd zwarte parelduikers uit West-Afrika voor een gunstige vraagprijs, volgt er een ‘Duikersdossier’ dat nog beschamender is dan de brief. De Nijs Bik heeft een lijst aangelegd waarin de zwarte parelduikers beoordeeld werden op hun beschavingsniveau (gemeten langs de meetlat van de witte slavenhandelaars uiteraard), hun uithoudingsvermogen en hun capaciteiten om pareloesters van de zeebodem op de duiken. Het onderdeel ‘Hutplicht’ is vreselijk om te lezen: hierin worden de bevindingen vastgelegd omtrent de gewilligheid en de lichamelijke hygiëne van een parelduikster die als seksslavin gehouden werd en die de bijnaam La Insolente kreeg vanwege haar opstandige gedrag (‘Advies: Gehoorzaamheid afdwingen met mes (tegen keel / of geslacht)’.

    De Nijs Bik schetst in een ‘doxografie’ (een tekst waarin de auteur meningen van anderen heeft verzameld) puntsgewijs een biografie van deze opmerkelijke vrouw, van wie je meteen aanneemt dat ze echt bestaan heeft. Opmerkelijk is haar bijnaam vergeleken met de titel van de bundel: insolent tegenover indolent, brutaal tegenover onverschillig, maar ook: ongevoelig voor pijn. En misschien heeft ook het woord ‘Indo’ dat opklinkt in de titel, een rol gespeeld bij de keuze van de dichter voor de titel van haar bundel. Er is een spreekwoord dat zegt dat een parel nooit haar glans verliest, door hoeveel handen ze ook gaat. Zo laat De Nijs Bik zien dat de vele generaties van Indische Nederlanders weliswaar opgegaan zijn in de Nederlandse samenleving, maar nooit hun afkomst en geschiedenis hebben ontkend. Het is juist iets dat hen verbindt en waar ze trots op zijn.

    Dichten over dichte oesters

    In Veldgids voor oesterrapers, het tweede deel van hoofdstuk vier, staat de oester zelf centraal. Met én zonder parel. ‘De parel is onze biografie, de oester is onze biograaf’, zo vertaalt De Nijs Bik de woorden van Federico Fellini.

    ‘En zo wordt ze uitgerust met haar schelp: eeuwige vuist
    waaruit haar kreet slechts ontsnappen kan
    als glansrijk bezit: de parel
    die niets meer is dan dat zij met haar speeksel omfloerst
    dat wat niet langer draaglijk is:
    raak mij niet aan.’

    Daarom staan er twee gedichten in dit deel over hoe een oester te openen: niet alleen het mes moet scherp zijn, maar ook je vingertoppen en je geheugen: ‘hoe diep kun je gaan/ zonder snijden?’ Dit gaat niet alleen over de oester, maar over geschiedenis en een verleden waarin pijn en schoonheid, het mes en de parel, samenkomen.

    Het laatste deel De emmer: inventarisaties gaat over de verschillende soorten oesters en hun kenmerkende eigenschappen. Even divers als de oesters zijn alle mensen in Yerseke, die de oesters komen rapen, ieder met zijn eigen nationaliteit en geschiedenis.

    Indolente is geen gemakkelijke bundel. De samenhang tussen de afdelingen is niet altijd duidelijk en de combinatie van verschillende elementen lijkt soms willekeurig te zijn. De overeenkomst met een oester die opengewrikt moet worden, ligt voor de hand. Maar dan vind je ook af en toe een parel.

     

     

  • Tijdreizigers

    Tijdreizigers

    Sinds jaren verzamel ik boeken over Koning Arthur, kinderboeken, romans, wetenschappelijke werken, maakt niet uit: een koning die recht voor macht wilde laten gelden, is de mijne. De beeldenstorm die onlangs heeft huisgehouden in mijn boekenkasten, heeft een aantal coryfeeën kritisch verwijderd, maar ik meende nog voldoende in huis te hebben om me aan te melden voor een reeks lezingen die in het Natuurmuseum gegeven werd door de Nederlands/Vlaamse afdeling van de International Arthurian Society, een wetenschappelijke vereniging die zich richt op het onderzoek van middeleeuwse Arthurverhalen. De afdeling bestaat in zijn geheel uit negenendertig leden, waaronder bibliografen, mediëvisten, vertalers, docenten, handschriftdeskundigen en kunstenaars.

    Om in het zaaltje te komen waar de lezingen gehouden werden, moest ik door schemerige stille gangen van het Natuurmuseum lopen, waar opgezette dieren me vanuit de vitrines met maniakale glazen ogen nakeken; ze waren doder dan Arthur ooit kon zijn. Er waren zo’n vijftien mensen aanwezig, inclusief de organisator en de sprekers die elkaar allemaal kenden, ik was de enige bezoeker van buiten hun kring. Er was een jonge professor in Keltische studies die half in het Nederlands, half in het Engels vertelde waarom de Welshe Peredur niet verward mocht worden met Perceval of Parzifal. Een studente middeleeuwse literatuur vergeleek de oude Noorse sagen met de Franse, een gepassioneerde student hield een betoog over de verinnerlijking van verdriet in middeleeuwse teksten. Een studente literatuur- en boekwetenschap had geturfd hoe vaak de corrector van de Lancelotcompilatie een aantekening gemaakt had en er werd verteld waarom het stellen van vragen bij de Visserkoning ongepast was.

    Het was een boeiende materie, maar het ging mijn kennis ver te boven. Het leek alsof de middeleeuwen voor deze mensen een natuurlijke habitat vormden en de wetenschappelijke teksten hun vertrouwder waren dan de dagelijkse krant. Mijn Arthur en die van deze wetenschappers was niet dezelfde koning, maar voor ieder van ons was hij meer levend dan de opgezette tijgers in het museum.

    ‘Ooit gehoord van een koning
     die Arthur heette, en van zijn
     beeldschone vrouw Guinevere –
     en van zijn ridder en vriend
     Lanceloet, en diens zoon
     Galahad met de lichtblauwe ogen?

     Ik ga ze bezingen, die mensen.
     Naar wat hen bezielde, hun angsten
     en liefdes, ben ik al meer dan
     dertig jaar ongeduldig op zoek.

     Misschien dat je zegt
     ik ken ze,
     ze wonen hier om de hoek.*

    Het werd een surrealistische middag. Ik voelde me als Alice in Wonderland, of als Erik Pinksterblom die over de rand van het schilderij is gestapt, maar waar de dieren die ze tegenkomen zowel Alice als Erik met minachting en arrogantie bejegenen, was daar hier geen sprake van. Zelden ben ik zo hartelijk ontvangen als door deze mensen, die oprecht blij waren met de belangstelling van een buitenstaander. Toch ben ik niet meegegaan naar de borrel achteraf, al verzekerden ze me nog zo vriendelijk dat ik welkom was. Want ze zouden ongetwijfeld allemaal een beker mede besteld hebben en dan had ik er als een anachronistische tijdreiziger bij gezeten met mijn kopje thee, dat pas rond 1610 naar Nederland kwam. 

     

    *Uit: Arthur koning van een nieuwe wereld, 2013 / Huub Oosterhuis


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • Hoe korter hoe beter, is de leus

    Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Paradijs

    Paradijs

    Zondagmiddag, alleen thuis en de regen klettert tegen de ruiten. Tijd om eindelijk eens de film te bekijken die ik al zo lang wil zien, Der Himmel über Berlin van Wim Wenders uit 1987. Gedurende anderhalf uur loop ik rond in het West-Berlijn van 1986, de Muur staat er nog. Twee engelen in zwarte trenchcoats met grote witte vleugels kijken in zwart-wit op de stad neer. Zelf kunnen ze alleen door kinderen gezien worden, niet door volwassenen, al proberen ze die te troosten in hun bestaan door af en toe een hand op hun schouder te leggen. Maar ze kunnen niet voorkomen dat mensen eenzaam zijn, zelfmoord plegen, verdriet hebben. Toch wekt hun leven bij een van de engelen het verlangen om ook mens te zijn, gewoon om ‘in je handen te kunnen wrijven als het koud is.’ Maar als hij dan inderdaad mens wordt, in een prachtige, poëtische scene waarin hij door de andere engel als een pasgeborene in de armen wordt gedragen, dan moet hij ook het lot van de mensen ondergaan en de angst en de twijfel leren kennen, in het besef dat hij nu sterfelijk is en niets meer voor altijd is. Ook de liefde niet, die voortaan vergezeld gaat van onzekerheid. Een lang gedicht van Peter Handke wordt in fragmenten voorgelezen gedurende de film en zegt meer dan een uitleg kan doen: 

    Als das Kind Kind war,
     wußte es nicht, daß es Kind war,
     alles war ihm beseelt,
     und alle Seelen waren eins. 

     Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
     bevor ich wurde, nicht war,
     und daß einmal ich, der ich bin,
     nicht mehr der ich bin, sein werde? 

     Als das Kind Kind war,
     warf es einen Stock als Lanze gegen den Baum,
     und sie zittert da heute noch.*

     Maar wat ik voor altijd onthouden wil van deze indrukwekkende film is hoe de eindeloze zwerftocht van de engelen hen in een bibliotheek brengt, waar achter bijna elke lezer een andere engel staat met een hand op de schouder van de mens die verdiept is in een boek. Om hem te helpen beter te begrijpen wat hij leest? Om hem, via hun aanraking, als een doorgeefluik goddelijke wijsheid te laten invloeien? Of willen de engelen simpelweg ook een boek lezen, maar zijn ze niet bij machte om zelf de bladzijden om te slaan? Ook ’s nachts, als een eenzame poetsvrouw haar stofzuiger heen en weer beweegt over het tapijt, zijn de engelen aanwezig in de bibliotheek. Ze hangen wat rond, in afwachting van het uur waarop de deuren weer opengaan en de mensen weer zullen binnenkomen. Had Jorge Luis Borges dan toch gelijk toen hij zei dat de hemel een soort van bibliotheek moet zijn?  

    Wanneer ik de volgende keer naar de bibliotheek ga, zal ik heel langzaam de bladzijden van mijn boek omslaan, totdat een lichte druk op mijn schouder me beduidt dat ik verder lezen kan. Onthoud dit: altijd als je een boek leest, staat er een engel naast je. 

     

    *Uit: Peter Handke, Das Lied vom Kindsein, geschreven voor de film.


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Had je deze al?

    Had je deze al?

    Misschien is Arjen Duinker wel de meest eigenzinnige dichter van Nederland. Sinds zijn eerste gepubliceerde gedichten in 1988 wekt hij de indruk volstrekt voor zijn eigen plezier te schrijven. Hij heeft maling aan stromingen of poëtische conventies, voert personages ten tonele die niemand kan plaatsen behalve hijzelf, en bekommert zich niet om duiding of nagelaten indrukken. Dat toch vele lezers zich heel goed in de gedichten kunnen vinden, bewijzen de vertalingen van zijn bundels in meer dan twintig talen. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in de vrolijkheid die de gedichten oproepen, zonder dat ze komisch of kolderiek zijn. Zijn zinnen, die steevast met een hoofdletter beginnen, zijn kort en krachtig, zijn taalgebruik is net zo duidelijk als de gebeurtenissen die hij beschrijft. In gewone bewoordingen beschrijft Duinker alledaagse dingen, die hij niet mooier maakt dan ze zijn. Ook legt hij geen diepere betekenis in de weergave van zijn observaties; de wereld is wat ze is en daarmee moeten we het doen.

    Hij toont een nuchtere instelling die een optimisme oproept bij de lezer, waarbij zelfs de meest onmogelijke dingen blijmoedig geaccepteerd worden. Dat wil niet zeggen dat Duinkers poëzie eenvoudig is. Ze weerspiegelt de absurditeit van het dagelijkse bestaan, waarbij hij het alledaagse bijzonder weet te verwoorden. De interpretatie is een taak van de lezer, want de dichter lijkt er onverschillig voor te zijn en biedt geen handreikingen om verbanden te leggen. De lezer moet er zelf achter zien te komen wat het voorstelt, als het al iets voorstelt:

    Gelukkig

    Het opperwezen is een meervoud.
    De vaders dood, de moeders dood.
    Gelukkig voor het opperwezen bestaat het niet.
    Ik zwaai naar je, opperwezen, ik zwaai naar je.

    De vrouw die we vergaten, leeft nog.
    Ze kust haar kinderen en de hond.
    Gelukkig voor de vrouw rijdt er een bus.
    Ik zwaai naar je, levende vrouw, ik zwaai.

    De man kijkt uit over de zee.
    Vogels roepen waarschuwingen naar de golven.
    Gelukkig voor de man is de nevel stil.
    Ik zwaai naar je, nevelman, ik zwaai.

    Kijk, kijk, kijk!

    Duinker is bovendien de meester van de herhaling, waarbij hij vaak in de laatste versregels een kleine wijziging aanbrengt die al het voorafgaande in een ander licht zet. Dit effect bereikt hij ook door gebruik te maken van tegenstellingen, paradoxen, omkeringen. Als lezer vraag je je af wat het doel is van de triviale, dagelijkse bezigheden die de dichter beschrijft, maar tegelijk dwingt hij je om na te denken of het leven soms ook anders had kunnen gaan. De gebeurtenissen lijken willekeurig te zijn, in een parallelle wereld zou de afloop helemaal anders kunnen zijn, zoals in een kinderboek waarin je keuzemogelijkheden krijgt voor verschillende verhaallijnen. De keuze is aan de lezer, de dichter geeft slechts opties. Nog eens kijken naar de wereld om je heen, dat is wat Duinker voorschrijft aan de lezer.

    Dat komt het duidelijkst naar voren in vijf gedichten, verspreid over de bundel – een index ontbreekt – die alle de titel ‘Eventueel’ dragen met een oplopend Romeins cijfer, maar ook in het gedicht ‘Vlieg op, man!’:

    Pak de kool,
    Leg hem op de kast,
    Kijk er nog eens naar.
    Jij verandert, de kool verandert.
    Toch noemen we jou jou en de kool de kool.
    Waarom word je zo kwaad?
    Blijf met je handen van me af!
    Zeg ik soms iets ergs?
    Vlieg op, man!
    Ga je vrienden lastig vallen!
    Neem de eerste trein naar het strand,
    Kalmeer en huur een kamer!
    Maak je koffer open,
    Pak de kool,
    Leg hem op de kast
    En kijk er nog eens naar.

    De zee omhelst je!

    Een echt collector’s item

    De postzegelverzamelaar, die voor de titel van de bundel heeft gezorgd, duikt op verschillende plaatsen op in de gedichten. In het gedicht ‘Pracht’ worden tien eigenschappen van een verzameling genoemd, waaronder: ‘Een postzegelverzameling/ Reinigt je ziel, sust je geweten,/ Bereidt je voor op de dood,’. En uit het gedicht ‘Drie brieven’ wordt duidelijk dat een verzamelaar uniek denkt te zijn, de mooiste verzameling ter wereld wil hebben en nooit rust zal kennen, omdat er nog steeds jacht gemaakt moet worden op dat ene ontbrekende exemplaar. Hij is een eenzame figuur: ‘Een verzamelaar vindt het leuk/ Om te praten met andere verzamelaars./ Maar hij verafschuwt ze.’ Hij is een Meester Prikkebeen die tevergeefs achter de steeds ontsnappende vlinder aanjaagt. Zijn verzamelwoede wordt niet gemotiveerd door zijn liefde voor mooie objecten, maar voor het vervolmaken van zijn verzameling. Het streven naar volledigheid lijkt de enige drijfveer.

    De ik-figuur probeert een ‘jeugdige postzegelverzamelaar’, die klaagt over ‘De moeite die ze zich moest getroosten voor iets zeldzaams,/ De onzekerheid’, gerust te stellen met de woorden:

    Ik zei haar dat dingen die niets waard zijn,
    Dikwijls veel geld kosten, en dat onzekerheid
    Fundamenteel is voor onze verzamelingen.

    Voor een dichter die de indruk wekt dat geen enkel woord een bedoeling heeft en geen enkel ding nut of doel, is dit een opmerkelijke uitspraak die een filosofisch inzicht biedt in zijn eigen aard en dichterschap. Want wat is een bundel anders dan een verzameling gedichten, en een gedicht anders dan een verzameling woorden? ‘Het is goed om te blijven zoeken/ Naar het mooiste exemplaar van iets.’

    Duinker ten voeten uit

    In het gedicht ‘Iemand spreekt een zin uit’ zijn vrijwel alle typische motieven van Duinker terug te vinden: de herhaling, de opsomming, de onzekerheid en de mogelijkheid van een parallelle wereld:

    De uitgestrektheid van het heelal,
    Het onzekere van de berekeningen,

    Het zwart van de zwarte gaten,
    De kleine kans dat ik je tegenkom,
    De stilte van de magnetische velden,
    Het lot van de rusteloze deeltjes,
    De kleuren van de theorie,
    De hoogte van de warmtestraling,
    De kritische waarde van de dichtheid,
    De verleden tijd die ons nog rest,
    De vectoren, de vectoren,

    De kans dat ik je tegenkom,
    De kans dat ik je tegenkom.

    Als laatste biedt de bundel een cyclus van dertien Romeins genummerde gedichten, getiteld: ‘Dertien zelfportretten van Philip Akkerman’. Duinker geeft geen uitleg, maar Akkerman blijkt een schilder te zijn die sinds 1981 uitsluitend zelfportretten heeft geschilderd. Het moeten er inmiddels meer dan tienduizend zijn. Duinker voegt er nog dertien aan de verzameling toe. Hij beeldt de schilder af als een voetballer, die in hoge mate twijfelt aan zijn talent op het voetbalveld, maar daar uiteindelijk vrede mee heeft. Voor lezers die helemaal geen verstand hebben van voetbal en er ook absoluut niet in geïnteresseerd zijn, zijn dit gedichten om snel even doorheen te bladeren, omdat er weinig tot niets in staat dat aanspreekt. Metaforen in voetbaljargon zijn aan hen niet besteed. Toch is dat jammer, omdat Akkerman duidelijk zelf een verzamelaar is en zijn aanwezigheid in deze bundel van daaruit verklaard zou kunnen worden. Had Duinker de gedichten geschreven vanuit Akkermans kunstenaarschap of vanuit diens verzamelwoede waar het zelfportretten betreft, dan hadden de gedichten beter aangesloten bij de bundel als geheel. Nu voegt deze cyclus niets toe aan een voor de rest prachtige en evenwichtige bundel. Dat Duinker ervoor gekozen heeft om vanuit het oogpunt van een voetballer te schrijven, zal ongetwijfeld een reden hebben, maar die wordt niet aan de lezer meegedeeld.

    Hieruit blijkt opnieuw de eigenzinnigheid van de dichter, die weigert om ook maar iets uit te leggen. Het enige wat in de buurt komt van een verklaring is een uitspraak van Akkerman op de site van Hollandse meesters in de 21e eeuw waarin hij zegt: ‘Zelfportretten: O.K. Het is cliché, het is te bedacht, het is niet nieuw, het is academisch, het is nageaapt. Maar: IK WIL HET DOEN!” De laatste zin had Duinker zomaar over zijn eigen poëzie hebben kunnen zeggen.

     

     

  • Met pensioen

    Met pensioen

    Deze maand ontvang ik voor de eerste keer AOW. Voor andere mijlpalen zoals afstuderen, huwelijk en geboorte van de kinderen moest ik nog inspanningen leveren, maar dit wordt me zomaar in de schoot gevlijd. Of mijn levenswandel nu onberispelijk is geweest of dat ik duistere paden betreden heb, het maakt niet uit. Voor AOW hoef je niets te doen, alleen maar officieel bejaard te worden. Nu het dan zo ver is, roept dat toch wel vragen op: wat vul ik in bij enquêtes als er naar mijn beroep gevraagd wordt? Nog steeds docent Nederlands, of moet ik er nu ‘voorheen’, ‘vroeger’ of ‘voormalig’ voor zetten? Of vul ik ‘huisvrouw’ in, of ‘gepensioneerd’ of zelfs ‘pensionado’, zoals ik tot mijn afgrijzen wel eens tegenkom? 

    Onzin, zeggen de kinderen. Jij blijft je hele leven lerares Nederlands. Je hebt je kennis en je liefde voor alles wat met taal te maken heeft toch niet tegelijk met de sleutels van je leslokaal ingeleverd? Je houdt toch ook niet op met moeder zijn omdat de kinderen de deur uit zijn? Je hoeft alleen niet meer ruimtevullend te spreken, alsjeblieft, je staat niet meer voor de klas waar je in elke hoek verstaanbaar moet zijn. En als we vragen of je even wilt nakijken of we iets correct geschreven hebben, dan graag het korte antwoord, mam, en niet de hele grammaticale uitleg. Wat dat betreft verandert er dus niets. ‘De aarde is niet uit haar baan gedreven’, zoals Willem Elsschot dichtte. De wereld zal er morgen weer hetzelfde uitzien, zoals ze altijd doet, ondanks alle gebeurtenissen die haar doen schokken. Plotseling tot een andere leeftijdscategorie gerekend worden valt daar niet onder, gelukkig maar. 

    Een andere vraag is of ikzelf nu veranderd ben? Ik besef dat ik inderdaad tot de bejaarden ben gaan behoren. Niet in één keer, denk ik, maar toch: ik kan zo voor de vuist weg de beginregels van klassiekers uit de wereldliteratuur citeren, maar ik ben vergeten waar ik mijn bril heb neergelegd. Gisteren heb ik urenlang gezocht naar de afstandsbediening, omdat ik zonder dat ding de radio niet kan uitzetten of van zender veranderen; we hebben daarom de hele avond verplicht naar muziek moeten luisteren, en ik haat opera. Oud worden zal langzaamaan een ruïne maken van de vaste burcht die ik ben. Op een dag zullen er vier ruiters, zwijgend op hun paard gezeten, staan wachten aan de overkant van de slotgracht. Ze zullen me gebieden om de ophaalbrug neer te laten en me over te geven, maar nu nog niet, nog niet. Ik ben nog steeds de koningin van het kasteel. 

    ‘Een goed najaar’

     De vruchten zijn verkocht.
     De boeren betalen de pacht aan de Heren.
     De vliegen vallen dood op tafel.

     Het regent gulzig en de bieten glanzen.
     De akkers verteren hun moederkoek
     en stijf in de wolken nadert de winter.
     Morgen koop ik zeven kannen olie
     en een nieuwe bril om in het boek te lezen.
     Deze winter ga ik nog niet dood.


     uit: Gedichten 1954-1968 / Paul Snoek


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • De dichter als Richter

    De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.