• Een verzameling briljante omschrijvingen

    Een verzameling briljante omschrijvingen

    De Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer schreef eerder vier dichtbundels voordat haar eerste roman, Compoun, dit jaar verscheen. De thematiek is dezelfde als in haar poëzie: het leven in Zuid-Afrika na de afschaffing van de Apartheid. De titel in de Kaaps-Afrikaanse taal is afgeleid van ‘compound’, ‘een Engels begrip voor een omheinde leefgemeenschap, waarbinnen mensen gemeenschappelijk leven (bijvoorbeeld een grootfamilie) of verwante activiteiten bedrijven’, is te lezen op Wikipedia. Het woord komt van het Maleisische begrip ‘kampong’ dat vrijwel hetzelfde betekent. De leefgemeenschap in deze roman is die van de familie McKinney, een grote, kleurrijke familie waarin vooral de vrouwen een belangrijke rol spelen. Zij zijn degenen die in een voortdurende staat van onveiligheid en geweld zichzelf staande moeten zien te houden. Kamfer gaf haar roman als motto mee: ‘Opgedragen aan alle vrouwen die ‘het spijt me’ moesten zeggen, al hadden ze geen spijt, en voor mijn moeder, altijd’.

    Degene die ‘verwante activiteiten bedrijven’ zijn Nadia en Xavie, tieners van de derde generatie McKinney in dit boek, neef en nicht, die het verhaal van de familie vertellen. Vooral Nadia’s verhaal is heftig, schokkend en luidruchtig. Xavie weet dezelfde gebeurtenissen wat rustiger te vertellen en toe te lichten vanuit hun achtergrond en voorgeschiedenis. Maar het is Nadia die het meest te lijden heeft: haar vader mishandelt haar zo erg, dat ze haar haren afknipt om hem niet meer de kans te geven haar daaraan mee te sleuren (maar dan doet hij het wel aan de mouwen van haar hoodie). Met haar oma heeft ze een haat/liefde verhouding en haar moeder heeft het te druk met zichzelf en het wel en wee van haar broers en zusters om zich met haar dochter bezig te houden.

    De verschrikkelijke oma

    De neefjes en nichtjes van Nadia en Xavie groeien op als getuigen van dood, geweld, alcohol, drugs, prostitutie en mishandeling binnen een familie die hen niet kan of wil beschermen. De dood is prominent aanwezig. Vele begrafenissen worden bijgewoond en beschreven, een tante die door haar ‘boyfriend’ is toegetakeld en sterft aan de verwondingen. Een oom die zich dood gezopen heeft en uiteindelijk ook oma Sylvia, de ‘stomme oude bitch’.

    Nadia is opgevoed door die verschrikkelijke oma, de sadistische matriarch wier moeder wit was, en die daarom neerkijkt op gekleurde mensen als ‘vuil volk’. Ze wilde de tweeling van haar dochter Diana verkopen omdat het ‘hoerenkinderen’ waren, geboren uit een verhouding met een zwarte man, waarvoor Diana een pak slaag van haar moeder krijgt. Ook na de periode van de Apartheid blijkt huidkleur nog steeds van belang te zijn. Hoewel Kamfer de nadruk niet op politiek legt, weet ze wel binnen de familie McKinney, die alle schakeringen van wit tot diepzwart vertoont, te suggereren dat hoe blanker, hoe beter, nog steeds geldt binnen de Zuid-Afrikaanse samenleving. 

    Accepteren van de status quo

    In korte hoofdstukken vertellen Xavie en Nadia, niet perse om de beurt, hun verhaal, waarbij heen en weer gesprongen wordt van heden naar verleden en terug, van herinneringen naar dromen, waardoor de tijd een factor lijkt te zijn die niet van belang is. Het is alsof hun leven altijd al zo geweest is en ook nooit zal veranderen. De mannen in de familie vervullen een negatieve rol: ze zijn dronken, belazeren de boel, of vergokken alles, maar vooral slaan ze hun vrouwen en kinderen. De vrouwen sussen, proberen geheimen te verhullen, alles toe te dekken, maar zijn vooral bezig te overleven, ieder op haar eigen manier, waarbij het weer de kinderen zijn die aan hun lot worden overgelaten. Die hebben op harde wijze geleerd om iemand uitsluitend op zijn gedrag te beoordelen, niet op aanzien of status binnen de familie.

    Het is het accepteren van de status quo die dit boek zo schrijnend maakt: iedereen berust in zijn of haar lot, behalve Nadia. Alle hoofdpersonen dromen van een beter leven, maar weten heel goed dat deze droom geen werkelijkheid zal worden. Toch is dit boek met veel humor geschreven, in een tempo dat even razendsnel is als dat waarin de schokkende gebeurtenissen elkaar opvolgen. Het is niet de humor die je doet lachen, maar eerder een ongemakkelijk grijnzen is. Zo gebruiken de protagonisten Xavie en vooral Nadia galgenhumor om het leven draaglijker te maken en te relativeren: ‘Toen mijn vader me zo hard sloeg dat ik van de koelkast tot de wasbak tolde, zong ik: ‘Brightly Beams Our Father’s Mercy.’’ 

    Rauwe nietsontziende taal

    Nadia heeft moeite met het bepalen van haar plaats binnen de familie: ze wijst de houding van haar vrouwelijke familieleden af. Ze verzet zich tegen de gelatenheid en acceptatie van hun levensomstandigheden. Tegelijkertijd wil ze erbij horen, zoekt ze liefde en genegenheid, zelfs bij de mensen die het gemeenst tegen haar zijn. Als haar oma overlijdt, voelt Nadia zich woedend en verloren, zelfs zeven jaar later in haar dromen: ‘Ik kan niet besluiten of ik geld moet sturen voor bloemen, een deel van mij wil en het andere deel wil niet. Een dozijn witte rozen, nee, lelies, nee, niks. Ze krijgt niks als ze dood is, ze heeft alles gepakt toen ze leefde.’

    Wat het meeste opvalt in dit overweldigende boek, is de felle schoonheid die schuilgaat in de rauwe, nietsontziende taal die het lezen van alle ellende te verdragen maakt. Steeds word je eraan herinnerd dat Kamfer in de eerste plaats vooral dichter is, zoals blijkt uit de titels die ze aan de hoofdstukken meegaf. ‘Breek het boompje als het jong is’ en ‘Stoïcijns als een motherfucker’, ‘De Heer schept een mens, de duivel kleurt hem in’, en het eerste hoofdstuk luidt: ‘Hallo-daar-tieten en tot-ziens-tranen’. Het is een bonte verzameling van briljante omschrijvingen, origineel en tot de verbeelding sprekend in een halsbrekend tempo. 

    Daarom mag de aandacht ook uitgaan naar het werk van de vertaler, Alfred Schaffer, die ook Kamfers dichtbundels vertaalde. De vertaling moet een enorme klus geweest zijn, niet in het minst omdat Kamfer woorden uit diverse talen gebruikt, Kaaps, Afrikaans, Engels, slang en straattaal door elkaar. Mede dankzij Schaffers vertaling is dit een goed boek en een verschrikkelijk boek. Een verschrikkelijk goed boek. 



  • Sleutelgatgluurder

    Sleutelgatgluurder

    Op de boekenmarkt in Dordrecht aarzel ik of ik een biografie over Oscar Wilde zal kopen. Ik heb al zo’n veertig boeken van en over hem, maar dit is geschreven door een vriend van Wilde, Frank Harris, wiens autobiografie My life and loves van leugens aan elkaar hangt. Het zou interessant zijn om het boek te vergelijken met de biografie van Ellman en Montgomery Hyde, en… Ik word uit mijn overwegingen opgeschrikt door een man naast me, die me met een blik op het boek vraagt of ik zo’n lezer ben die niets liever doet dan wroeten in het privéleven van auteurs om alle sappige roddels op te diepen. Lezers van biografieën zijn verachtelijke sleutelgatgluurders, zegt hij, die alleen maar naar slaapkamergeheimen en duistere abberaties op zoek zijn. Ze klossen met lompe voeten door het leven van de auteur en vertrappen alles wat ze tegenkomen in hun jacht op sensatie. Ik moet het literaire werk voor zichzelf laten spreken, zegt hij, want daar gaat het om, niet om de dode schrijver ervan, die zich niet meer kan verdedigen tegen leugens en achterklap. Als ik beduusd zeg dat ik juist verdieping en achtergrond informatie zoek om het werk beter te kunnen begrijpen, snuift hij minachtend.

    Daar sta ik dan met Wildes biografie in mijn hand. Door die bemoeial voel ik me een voyeur die vanuit de bosjes bij mensen naar binnen loert. Maar heeft hij gelijk? Natuurlijk heb ik genoten van het bizarre verhaal uit de biografie over Robert Graves, die zijn minnares Laura Riding achterna sprong door het raam, vier verdiepingen hoog. Maar heeft dat mijn oordeel over de literaire betekenis van het werk van Graves beinvloed? En had ik zoveel van de gedichten van Slauerhoff kunnen genieten als ik niet had gelezen wat voor een grillige, rusteloze figuur hij was? Misschien had ik de poezie van Sylvia Plath nooit gewaardeerd als ik niet had geweten van haar getormenteerde leven. Deze dichters kwamen dichterbij, werden mensen van vlees en bloed door hun biografie. Ik hou van hun gedichten ondanks en dankzij hun persoonlijkheid, ook al zal ik hen nooit helemaal leren kennen. Maar dat hoeft ook niet, zoals Gerrit Komrij liet zien in een gedicht dat heel goed over een biografie zou kunnen gaan:

    Invitatie 

    Ik lig hier als een hoer tentoon. Je kunt
    Me aaien, in me kruipen en bespringen,
    Me tot een bal opblazen, tot een punt
    Verkleinen, me bewenen of bezingen:

    Ik ben je materiaal. Besnuffel me.
    Loer in mijn keel, mijn hart, mijn reet, mijn maag.
    Vervloek me duizend maal of knuffel me.
    Ik vind het best. Ik heb je lief vandaag.

    Proef van mijn bloed. Kom sabbel aan mijn tiet.
    Geloof volop in mijn bekentenis.
    Ik ben er echt. En toch ben ik er niet,
    Zoals je wollen trui het schaap niet is.

    Ik kijk de man naast me even aan en wend me dan tot de verkoper, om de biografie van Wilde te kopen, met die van Clara Eggink, Mijn leven met J.C. Bloem, er nog bij.

     

    Uit: Boemerang en andere gedichten / Gerrit Komrij (2012)

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

     

  • Oogst week 37 – 2024

    Heroides/Held…

    Een aspect van Homeros’ epos De Odyssee inspireerde Ovidius 700 jaar na dato, om achttien vrouwen van mythologische helden een brief te laten schrijven aan hun echtgenoten of geliefden. De brieven werden gebundeld in Heroides (Heldinnen). Tweeduizend jaar later heeft Harrie Geelen (1939) zich geïnspireerd gevoeld om daarvan een indrukwekkende vertaling te maken, die hij ironisch Held… noemt. In deze tweetalige uitgave schrijft Dido aan Aeneas, Helena aan Paris en Penelope aan Odysseus, in het Latijn Ulysses genoemd:

    Dit is een brief die Penélopé stuurt aan je, lakse Ulysses.
    (Nee, hoef geen brief terug,
    kom maar in eigen persoon.)

    Troje, dat wij Griekse meisjes zo haatten, ligt plat. Zo’n gedoe voor
    Priamus? Heel die stad?
    Had niet gehoeven voor ons.

    De geest van Ovidius waart door deze bewerking van de Heldinnenbrieven, maar de tweeregelige distichons van Ovidius heeft Geelen omgezet in drieregelige strofen, wat het lezen gemakkelijker maakt. Aan het begin van elke brief staat een korte toelichting over de inhoud.

    Naast schrijver en illustrator is Geelen ook componist en tekstdichter. Eerder vertaalde hij de Metamorphoses van Ovidius.

     

    Heroides/Held…
    Auteur: Harrie Geelen
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    De hartelijke poezen van Drs. P.

    Een jaar na het overlijden van Drs. P stierf ook zijn vrouw Mieke. In hun nalatenschap werden honderden ansichtkaarten gevonden, die Drs. P. gedurende zo’n dertig jaar lang twee à drie keer per week aan zijn vrouw verstuurd had, voorzien van een door hem geschreven gedicht. Alle kaarten droegen een afbeelding van katten op de voorkant, omdat beide echtelieden een grote passie voor deze dieren hadden. Geluidstechnicus Marc van Hecke vertelde tijdens de tv-uitzending ‘De terugkeer van Drs. P.’ in ‘Het Uur van de Wolf’ uit 2019 over de kaarten die gevonden waren: ‘Poezen op tafels, getekende poezen, geschilderde poezen, Japanse poezen, lapjespoezen, poezen in een strandstoel en poezen in een mandje:

    ‘We liggen met ons beiden in een mandje
    Dit kwam al eens ter sprake, dat is waar
    Maar ook al klinkt het als hetzelfde bandje –
    We vormen – daarvan hebben wij een handje –
    Na al die tijd nog een gelukkig paar.’

    Was ondertekend: Heinz.

    Dit boekje is een mooie aanvulling op de verzameling van zowel kattenliefhebbers als bewonderaars van het werk van Drs. P.

     

    De hartelijke poezen van Drs. P.
    Auteur: Drs. P.
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024

    Uit hoofde van Jut

    In 1965 debuteerde Frans Kuipers met de bundel Zoals wij, waarna nog twaalf bundels zouden volgen. Inmiddels heeft de 82-jarige dichter een nieuwe bundel uitgebracht: Uit hoofde van Jut is een zeer persoonlijk verslag van een lang mensenleven: geboorte, kind zijn, een verliefde puber worden en je later afvragen of de angst om alleen oud te worden wel reëel is. Speels en optimistisch als altijd bezingt Kuipers het leven in de voor hem kenmerkende bruisende taal, vol van personificaties van dieren en dode dingen en vooral zijn neologismen zoals in het titelgedicht:

    ‘Ik ook wissel wat af en schrijf uit hoofde van jut
    —Zoals elk avontuur begint met een stap over de drempel
    en de ramp even zo goed plaatsvindt als je thuisblijft,
    — ik ook curriculumeer mij niet maar zin op ontzwemming’

    Hoewel de dichter de ouderdom met kwalen en pijnen niet ontkent en ook de dood niet uit de weg gaat, is het toch vooral een ode aan het leven geworden, een ‘kweetnietersliedboek’, zoals Kuipers het zelf noemt, omdat de verwondering zoals altijd hoogtij viert in zijn gedichten.

     

    Uit hoofde van Jut
    Auteur: Frans Kuijpers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Wie tegen de vijftig loopt en daarmee statistisch gezien de helft van zijn leven achter zich heeft, gaat zichzelf onwillekeurig vragen stellen over de eerste helft: Wie was ik vroeger? Ben ik geworden wie ik altijd al wilde zijn? Wat doe ik met de rest van de mij toegemeten jaren?

    Ook Bernard Wesseling stelt die vragen in zijn nieuwe bundel Ontkrachtingen en Affirmaties. Maar bovendien vraagt hij zich af hoe hij zich nu verhoudt tot de wereld, vergeleken met vroeger. De titel van de bundel geeft dat al aan: wat kan ik behouden van vroeger, wat is vals gebleken? Wat neem ik mee, wat wijs ik af? Wat is waan, wat zijn zekerheden? In de gedichten kijkt Wesseling met een kritisch oog naar de wereld en naar zichzelf. De afbeelding op de voorkant speelt met vroeger en nu door de woorden van klein naar groot en andersom te laten gaan, alsof daarmee vertrek- en eindpunt steeds gewisseld worden, van verleden naar toekomst.

    De bundel bestaat uit twee naamloze afdelingen, die vooraf gegaan worden door een inleidend gedicht, waarin het jongere zelf van de dichter zich in een brief, een ‘memo’, richt tot het oudere zelf en verantwoording aflegt: ‘Als ik de aanjager was van je ongeluk, dan ook de vonk van je levenslust.’ Met andere woorden: aanvaard wie je was, want het is de kern van wie je nu bent.

    Verzoening

    In de eerste afdeling wil de dichter de wereld doorgronden waarin hij is opgegroeid en die hij nu om zich heen ervaart. Maar vooral is het een poging tot verzoening van de staat van de wereld zoals die is met de mate waarin de dichter die kan bevatten. De wereld dringt zich in de poëzie naar binnen. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, ‘Heenkomen’, dat in drie delen vertelt over de geboorte van een kind dat verwekt werd tijdens de vlucht van zijn ouders, die hun thuisland hebben verlaten omdat het er niet veilig was:

    ‘pijnlijk aanwezig, nerveus door omstanders bekeken bij het inschepen
    voor de overtocht naar het Avondland om in die nacht van onbekend
    op onbekend, boven het onpeilbaar diep,
    met de schreeuw waarmee het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld,
    buiten territoriale wateren te worden geboren […]’

    Ook wordt er een tolk aan het woord gelaten in het gedicht ‘Een tolk spreekt zich uit’, die een nieuwkomer probeert uit te leggen hoe we hier in Nederland leven. Het is een gematigd kritische zelfbeschouwing: ‘Het moet gezegd: hier hangt de vlag uit van verdraagzaamheid,/ maar het is de handelsgeest die erdoor waait.’

    Wesseling beziet de hem omringende wereld met een milde blik als hij dicht over Jehova’s getuigen, over anarchisten in de trein, een achterneef in een inrichting, of met een aaneengesloten prozagedicht een pagina lang de zaterdagmarkt beschrijft. Het zijn alledaagse dingen en alledaagse mensen die hij beschrijft, maar de buitenwereld en de eigen beleving kunnen moeilijk van elkaar gescheiden worden in een gedicht als ‘Ontwijding’ of ‘Bekentenisgedicht’, waarbij in het eerste sprake is van kindermisbruik en in het tweede van een vroegere relatie met een man.

    Meerdere keren lezen

    Deze gedichten vormen de verbinding naar de tweede afdeling, waarvan de gedichten veel persoonlijker zijn en de altijd aanwezige invloed van de maatschappij minder sterk naar voren komt. Zoals in de eerste afdeling de wereld in de poëzie doordringt, zo kan het andersom ook: poëzie kan een manier zijn om de wereld toe te laten in je persoonlijke leven, een gewaarwording die beide elementen verbindt. In deze afdeling gaat het over de toevalligheid van het bestaan, over ‘Ongerijmdheden’, over de onlogische hoop dat het toch wel in orde zal komen met de wereld. Over het doorgronden van waar je vandaan komt en hoe dat je heeft beïnvloed in je verdere leven.

    Hoewel Wesseling altijd de stijlfiguur ironie hanteert, zijn de gedichten in deze afdeling overtuigender, alsof hij de onderwerpen dichter op de huid zit en niet alleen maar toeschouwer is, maar ook medespeler. Zoals in het lange gedicht ‘Het meesterwerk. Een vertelling met verbeterd einde’, waarin een kunstenaar na het scheppen van zijn beste werk het gevoel krijgt dat er geen ruimte is voor hen beiden: hij moet het kunstwerk vernietigen of de hand aan zichzelf slaan. De laatste versregels luiden: ‘Nee, dacht hij in een pijnlijk helder moment, dat werd afgedwongen door de nabijheid / van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd zoals ik een / van hen ben, zo is het van iedereen.’
    De solitaire liefde voor het kunstwerk moet het afleggen tegen het gevoel bij de anderen te willen horen.

    Het taalgebruik van Wesseling is zorgvuldig en overdacht, zijn beeldspraak verrassend en origineel. Zo zegt hij in het gedicht ‘Regen’ dat je aan de regen kunt zien ‘dat de hand van de schepper die van een striptekenaar is’, omdat regen de wereld lijkt te arceren.

    Het al eerder genoemde gedicht ‘Lofzang op de zaterdagmarkt’ beslaat een hele pagina zonder dat er een komma in te bespeuren valt en met slechts één punt achter het allerlaatste woord, een kunstgreep die de opsomming van wat er te zien is ademloos omhoogstuwt in een sneltreintempo. En in het gedicht ‘Kunstenaars zijn despoten’ beweert de dichter: ‘De muze, mensen, / is een dominatrix. Koudbloedig, in spiegeld latex, rijzweep ter hand, / door hen, zinnelijke beesten, het is waar, zelf aangereikt.’

    De gedichten zijn lang en de zinnen hebben de hele bladspiegel nodig. Hoewel het taalgebruik van Wesseling niet moeilijk is, moet je toch vaak meerdere keren lezen waar het eigenlijk over gaat. Ook gebruikt de dichter veel adjectieven en houdt hij van opsommingen, waarbij je in de gaten moet houden wat het uitgangspunt is. Zo spreekt hij in het gedicht ‘In de trein zit een jonge anarchist’ in de tweede strofe over wat poëzie niet is:

    ‘Poëzie, denk je, is toch vooral veel dingen niet: de agitprop van het pamflet,
    je intelligentie in quotiënten, wenskaartsentimenten, sussende sofismen,
    de santenkraam van naam en faam, de sekse strijd, meteorologische huzarenstukjes,
    intertekstuele hoogstandjes, de tijdgeest gebotteld, de toekomst ontkurkt,
    de viering van vulgariteit, en al helemaal niet De Waarheid in kapitalen…’

    Wat poëzie dan wel is? In een interview met Frits Spits in ‘De Taalstaat’ verklaart Wesseling dat ‘poëzie het middel bij uitstek is om de wereld te kunnen aanzien zonder te verstarren, een manier van leven, een religie voor ongelovigen, een manier van vertrouwen in wie je bent en de vorm waarin je jezelf wilt gieten.’ Met deze affirmaties kan de dichter met een gerust hart aan de tweede helft van zijn leven beginnen.

     

  • Originele manier van vertellen van een tof wijf

    Originele manier van vertellen van een tof wijf

    Kun je spreken van ‘lillende prozagedichten’? Volgens het woordenboek wordt ‘Lillen’  gebruikt bij het beschrijven van ‘een weke massa die in schuddende beweging is’, waarbij de gedachten meteen uitgaan naar een klassieke drilpudding met gelatine, of naar een dampende hoop ingewanden van een pas geslacht kalf. Maar in het voorwoord van de debuutbundel van Geraldine Suijkerbuijk, Het leven is geen ponykamp, wordt die omschrijving aan haar gedichten gegeven. Het is geen adjectief dat uitnodigt om de bundel te gaan lezen. Wie dat toch doet, ontdekt dat de bundel is samengesteld uit prozagedichten: kleine verhaaltjes zonder titel, miniaturen, tafereeltjes die over twee of drie pagina’s in een kolom zijn gezet, een enkel gedicht in de vorm van een aforisme dat apart staat.

    De pagina’s zijn niet genummerd, maar de 123 gedichten wel. Ze lijken wat inhoud betreft op bladzijdes uit een dagboek, waar bijna elke dag in geschreven wordt over alles wat de dichter heeft meegemaakt en verwerkt. Dat wordt nog versterkt door beginregels als: ‘Even niet geschreven’ en ‘Ja, daar ben ik weer’. Het zouden brieven kunnen zijn, gericht aan een correspondentievriendin, of een gesprek aan een tafeltje in de kroeg waarbij je slechts een spreker hoort. De bundel is prachtig vormgegeven door Steven Oost, met een kunstwerk van Marcel Herms als omslag, dat uit te vouwen is tot postergrootte.

    Verstrijken van de tijd

    De steeds terugkerende onderwerpen zijn de overleden vader, ‘de man die rauwe bonen zoet maakte’ en hoe erg hij door de dichter gemist wordt, haar zoon Storm, haar hond Rav, ‘Een hond die voor 1 dag niet zijn aars/ zat te schaven aan een prinsentapijt’, haar liefde voor wijn en zelf gedraaide gehaktballen, maar vooral haar uitbundige levensstijl.

    De gedichten bestrijken een aantal jaren: de zoon van wie in het begin verteld wordt dat hij 16 jaar is, start aan het einde van de bundel met zijn twintigste levensjaar. Ook de mededeling ‘ik ben inmiddels 5 badmatten en 4 banen verder’ geeft in gedicht 33 het verstrijken van de tijd aan. 

    Deze bundel is een kennismaking met een vrouw die haar eigen leven leeft en daarvoor geen excuses maakt, met ‘te veel gedachten en van het leven genietend’. Ze heeft een baan in de bibliotheek in Eindhoven als ‘ongeorganiseerde biebmiep’ waar ze geniet van de aanblik van studenten die er komen werken, maar dat gevoel meteen weet te relativeren: ‘[…] Een diepe buiging/ voor alles wat hier nu voorbijloopt. Op/ een enkeling na.’ Elke morgen als ze opstaat, kijkt ze naar de tekst die boven haar bed hangt en die de titel verleende aan deze bundel. Ze heeft vriendinnen, gaat op vakantie, maakt zich zorgen over haar uiterlijk. Ze beschrijft haar dagelijkse leven en maakt de lezer deelgenoot van de gevoelens en gedachten die terugblikkend op de dag bij haar opkomen. Daarbij lijkt ze nauwelijks aan een lezer te denken en lijken de gedichten puur voor eigen plezier te zijn geschreven.

    Vrolijke chaos

    Het zou niet veel om het lijf hebben als Suijkerbuijk niet zo’n originele manier van vertellen had, zo sprankelend en los dat je meteen bevriend wilt raken met zo’n tof wijf. Alle gedachten en invallen van Suijkerbuijk buitelen in vrolijke chaos door de gedichten heen, alsof ze voorbeelden zijn van automatisch schrijven, zonder vooropgezet idee. Ze zet gewoon op papier wat er in haar hoofd opkomt. Een fragment uit gedicht 50 illustreert dit:

    ‘[…] Ik zeg, ontkurk
     en omarm het leven. Maak een flikflak
     over die kutpoortjes op het station als
     je geen OV hebt en toch naar de andere
     kant moet. Houd je toilet schoon. Dat
     maakt mijn hoofd ook zuiver. Ik ben
     Pippie Langkous falderie faldera.
     […]
     Ik ben net als onkruid, overal.’

    Op een grappige manier weet Suijkerbuijk mensen, dieren en dingen beeldend te beschrijven: haar aanbeden hond is ‘een bruine blafgod’ en een vrouw met ‘een anitameijerkapsel’ staat je meteen voor ogen. Pubers ‘ruiken de/ lente en dat voelen ze in hun boxers.’ Haar taalgebruik is origineel en vloeiend, alsof het haar geen enkele moeite heeft gekost om te schrijven. Zo is bijvoorbeeld haar brief aan Sinterklaas een mooi voorbeeld, al is het gedicht te lang om hier in zijn geheel te citeren. ‘Lieve Sint, mocht je echt bestaan en / mij het voordeel van de twijfel geven, / dan heb ik best een leuk verlanglijstje / voor je. Iets waar je je best voor moet / doen. Maar na een turbulent jaar vind / ik dat ik het wel verdien om de gekste / cadeaus te krijgen. // […] // […] Dat mijn hond geen / salto meer maakt in een mesthoop / en dat mijn vriend nieuwe wervels krijgt. // […] // Wil je mijn tandarts vragen nooit / met pensioen te gaan Sint? Een / robotstofzuiger hoef ik niet, want / stofzuigen hoort bij mijn primaire / Levensbehoeftes.’ Waarna ze, nadat ze allerlei buitenissige wensen genoemd heeft, eindigt met:

    ‘Morgen komt de schoorsteenveger,
     dus dat gat moet niet echt lastig zijn.
     Vol verwachting klopt mijn hart.’

    Optimisme en levensvreugde

    De dichter wisselt drama af met nuchterheid, liefde met boosheid, hoogdravendheid met platvloerse uitdrukkingen. De gedichten zijn soms kinderlijk en speels, laconiek en filosoferend tegelijk, maar door alles heen klinken een overweldigend, niet klein te krijgen optimisme en levensvreugde en dat is het wat deze bundel zo aantrekkelijk maakt. Je kunt je als lezer afvragen of dit wel een gedichtenbundel is, en of het waar is dat een gedicht een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is. Je kunt je afvragen of er niet te veel clichés en platitudes in staan: ‘Kleine kinderen, kleine zorgen, grote/ kids, grote zorgen. Geen kids weinig/ zorgen. Ik had hem voor geen goud/ willen missen. En bloed kruipt toch/ waar het niet gaan kan.’ Je kunt je afvragen of het niet steeds over hetzelfde gaat, dode vader, hond, buren, eten, alledaags leven, maar je moet je gewonnen geven door die bruisende levenslust. De humor en de zelfspot van de dichter nemen je ogenblikkelijk voor haar in, evenals haar ontwapenende eerlijkheid, al is het wel veel wat er op je afkomt, want Suijkerbuijk ratelt maar door zonder adem te halen. Het is even wennen, maar uiteindelijk lees je door, omdat je alles van haar wilt weten. Gedoseerd lezen is het advies.


    Het leven is geen ponykamp is verkrijgbaar bij Uitgeverij Petrichor.

     

  • Pseudoniem

    Pseudoniem

    In 1947, toen de hoop groeide dat na de oorlog alles beter zou worden, werd een aantal auteurs gevraagd om een bijdrage te leveren aan een nieuwe Omnibus voor de jeugd, omdat ‘kunstenaars weten wat de jeugd-van-nu nodig heeft om de wereld van morgen iets bewoonbaarder te maken dan hij heden is.’ Hella S. Haasse schreef het verhaal ‘Machiel en de griffioenen’, over een jongen die na de bevrijding een andere naam krijgt van zijn vader, omdat deze zijn werkgever verraadde aan de nazi’s, onderduikers aanbracht en zich verrijkte met de eigendommen van weggevoerde joden. Elke keer als Machiel zich vergist in zijn nieuwe naam, slaat zijn vader hem in het gezicht, tot alleen nog het verlangen hem kwelt ‘om zijn eigen naam, dat vertrouwde woord, nu door het verbod tot een oneindig gevreesd en geliefd begrip geworden, uit te schreeuwen, te fluisteren, te herhalen’. Als het gezin zijn intrek neemt in een groot herenhuis, gekocht met bloedgeld, ziet Machiel daar een wapenschild, vastgehouden door griffioenen, waarop staat: ‘In blaem en faem – eygen naem’. Dit geeft hem de kracht om op te staan tegen zijn vader en zijn naam terug te eisen.

    Het deed me denken aan de noodzaak van pseudoniemen in de literatuur. Voor het verbergen van je eigen naam viel vroeger wel iets te zeggen. Misschien was je eigen naam niet voldoende betekenisvol, zoals die van Johanna Petronella Vrugt, die onder de naam Anna Blaman schreef. Of je was een vrouw in een maatschappij die schrijvende vrouwen als kermisattracties beschouwde, dan koos je een mannelijke naam om mee te kunnen doen: Curris Bell voor Charlotte Brontë, George Sand voor Amantine Dupin. Misschien kon je je hoofd niet meer hoog houden als je slechte recensies kreeg, of werd je op je werk niet meer voor vol aangezien, zoals Nescio vreesde, die eigenlijk Jan Grönloh heette, of wilde je je serieuze werk gescheiden houden van het meer frivole, zoals E. du Perron deed als Cesar Bombay. In bijna alle gevallen leek de keuze van een pseudoniem ingegeven te zijn door angst: voor kritiek, voor de reactie van de familie en de omgeving, voor je reputatie, voor stukgeslagen dromen.

    In 1976 verscheen er nog een pseudoniemenboek van Wim Hazeu met meer dan tweeduizend schuilnamen van Nederlandstalige auteurs, maar de laatste tijd kom je het fenomeen  opvallend weinig meer tegen. Schrijvers van nu zijn met recht trots op hun werk. Als zij een pseudoniem kiezen, dan is dat om andere redenen dan de angst van hun voorgangers. Uiteindelijk is er maar één naam die ertoe doet, zegt dichter Jotie T’Hooft:

    Namen

    Ik draag ze als een doem.
    Mijn stofnaam mens
    Een mager woord, een woeker,
    Een overschrijden van de grens.
    Mijn eigen naam, die niemand kent
    De som van al mijn trilling
    Van mijn lot equivalent
    Tegelijk mijn warmte en verkilling.
    Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen
    Die nooit voorbij zouden gaan,
    Waarvan sommige al vergeten zijn
    Terwijl wij andere beramen.
    Dat alles binnen de taal,
    Keelklank, eeuwenoude kwaal:
    Slechts één naam legt iets bloot
    De eeuwenoude roepnaam Dood.

     

    Uit: Verzamelde gedichten 1981 / Jotie T’Hooft


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Slakken

    Slakken

    Al vroeg in het voorjaar was een vraatzuchtig leger mijn tuin binnengevallen: elke nacht graasden hordes slakken zich een weg door mijn planten heen. Overdag sliepen ze aan de schaduwzijde van de bloembakken, met vijfentwintig tegelijk. Handenvol plukte ik eraf, alsof het kersen waren. Als het emmertje vol was schudde ik het ver weg in een weiland leeg. Maar elke ochtend waren er opnieuw alleen nog armetierige steeltjes over van de eens bloeiende planten. Zilverig glanzende slijmsporen lagen over alle restanten heen. Ik kon ze nooit op heterdaad betrappen op hun strooptochten, maar het bewijs van hun aanwezigheid lieten ze voor iedereen zichtbaar achter.

    Met grimmige vastberadenheid zette ik nieuwe planten in grond, andere soorten waarvan ik hoopte dat de slakken die met rust zouden laten. Ik verdiepte me in methodes om het ongewenste gedierte uit te roeien of toch in ieder geval uit mijn tuin te verwijderen. Niets hielp, geen gebroken eierschalen, geen bier, geen kaneel, knoflook of koperen stuivers tussen de planten. Chemische bestrijdingsmiddelen of vergif wilde ik niet gebruiken, vanwege de katten, en omdat ik zo milieuvriendelijk mogelijk te werk wilde gaan. Maar elke ochtend was de ravage groter. Mijn tuin zag er steeds meer uit als een krater in een maanlandschap, kaal en onherbergzaam.

    De slakken werden een obsessie. Ik begon mijn strijd tegen de slakken als een persoonlijke vete te beschouwen, een veldslag waarbij zij het elke dag opnieuw van me wonnen. Niets van wat ik ondernam om ze weg te krijgen leek er toe te doen, het maakte geen verschil, ze knaagden onverstoorbaar voort. Ze gaven me het gevoel dat niets wat ik deed werd opgemerkt, dat ik er niet toe deed, dat mijn bestaan verwaarloosbaar was. Niet alleen dat van mij, maar van alle mensen op aarde. Als de rook van de wereldbrand op het einde der tijden opgetrokken zou zijn en alle leven vernietigd, zouden er nog steeds slakken rondkruipen en alles wat overeind gebleven was verwoesten met hun malende kaken. Met onbeheerste hoofdletters typte ik woedend allerlei zoektermen in de zoekbalk van Google in een hernieuwde poging om een oplossing te vinden voor het probleem van de vretende kudde in mijn tuin. En toen verscheen onverwacht dit gedicht van Harriët Laurey op mijn scherm:

    DE SLAK

    Draag ik mijn huis en ben ik nergens thuis
    en kan ik nergens voor de regen schuilen,
    dan in de schelp, die ik niet om kan ruilen
    voor ooit een ander, niet mijn eigen huis.

    Ken ik de aarde, maar de hemel niet,
    de groene haag, maar niet de bloesemknoppen,
    de helling wel, maar nooit de heuveltoppen.
    Laat ik geen sporen na dan van verdriet.
    Ben ik maar voor eenzelvigheid geschapen
    en voor de regen, die mij buiten drijft
    en voor de weg, die zonder einde blijft.

    En voor de kinderen, die slakken rapen,
    maar ’s avonds thuis en bij elkander slapen.

    Kreeg ik ondanks alles toch nog medelijden met deze stomme beesten.

     

     

    Uit: Harriët Laurey / Loreley (1952)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Dit is geen poëzie om bij achterover te leunen. Dit zijn gedichten die bijten en pijn doen en je dwingen om je blik niet af te wenden. De teksten en kanttekeningen van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun drukken je met de neus op de vreselijke gevolgen van een wereld die in brand staat. Zijn gedichten zjn zo indringend dat het onmogelijk is om ze schouderophalend te vergeten. Almadhoun is geboren als zoon van een Palestijnse vader en een Syrische moeder in het grote vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië. Sinds 2008 woont hij afwisselend in Stockholm en Berlijn. Eerder vertaalde bundels van hem zijn Weg van Damascus en de bundel die hij samen met Anne Vegter schreef, Ik hier jij daar. Alle keren verzorgde Djûke Poppinga de vertaling uit het Arabisch. 

    Zijn gedichten gaan net als in eerdere bundels nog steeds over politiek, oorlog, vluchtelingen, discriminatie en uitzichtloosheid, maar hij is de liefde en de hoop daarbij niet uit het oog verloren, hoewel die nooit zonder bitterheid zijn.  Almadhoun houdt Europa een spiegel voor waarin het zichzelf niet durft te herkennen, zoals in ‘Ode aan het verdriet’: ‘We houden van je, Europa, o oud continent, ik weet niet waarom ze je oud/ noemen, want je bent jong vergeleken met Egypte en het land van Eufraat en Tigris. […] // We houden van je, Europa, en we houden van de vrijheid die je ons hebt/ gebracht toen we als vluchtelingen naar je toe kwamen en het racisme negeerden/ dat jij onder het tapijt probeert te schuiven als je de woonkamer aanveegt. […] // Jij, die de vernietiging van de Joden hebt/ bedacht, de Endlösung die ertoe heeft geleid dat ik als vluchteling ben geboren / in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen in Damascus, omdat je in/ al je schaamteloosheid met Palestina, mijn land, compensatie hebt betaald, als/ de oplossing voor de Holocaust die jouw witte inwoners, die geloofden in het zuivere arische ras, hebben uitgevoerd.’

    Choqueren vereist

    Almadhoun waarschuwt voor de parallel die getrokken kan worden tussen het racisme tegen de Joden in de Tweede Wereldoorlog en dat tegen de hedendaagse vluchtelingen: ‘Niemand wil ze hebben’. Hij is in deze bundel rechtstreekser dan in eerdere bundels, onverbloemder ook, met de bedoeling te choqueren omdat er anders niet geluisterd wordt. Hij schudt de mensen wakker die gezapig zijn ingedut bij de gruwelijke beelden die het journaal laat zien en waar niemand meer van opkijkt. De oorlog in Syrië, de talloze vluchtelingen en nu de oorlog in Gaza: Almadhoun zorgt ervoor dat de afstand van de lezer tot die gruwelijke gebeurtenissen wordt verkort. Het is zijn persoonlijk verhaal dat hij meedeelt. Het is poëzie die je als lezer beschaamd maakt omdat je dacht dat je met één knop het wereldleed kon uitschakelen. 

    Ook zijn liefdespoëzie is intens, als een verhaal uit ‘Duizend en een nacht’, de Arabische raamvertelling uit het Midden-Oosten, maar altijd wordt verdriet en bitterheid erdoorheen verweven: ‘Ik schrijf liefdesgedichten in de vorm van nachtmerries;’ zegt de dichter, zoals in het gedicht

    ‘Het blauwe marmer 

     Kom, het eten is klaar, de wijn staat kouden het bed is warm. Ik heb een paar
    bloemen langs de straat gedood, zodat mijn kamer tot leven komt. Hier ben ik, klaar om me voort te planten. Laat de bloem van
     het leven niet verwelken.
    Liefhebben is moeilijk als we niet weten hoe het moet, maar nog moeilijker als
    we het wel weten. Kom, misschien zullen we ons niet herinneren wat er in de
    toekomst gaat gebeuren en misschien zullen we, na al deze oorlogen, sterven van
    liefde.’ 

    Even indringend als zijn gedichten over de liefde voor een vrouw zijn de gedichten die vertellen over zijn liefde voor de stad Damascus. Voor de beschoten en afgebrokkelde stad van nu, maar ook voor de stad uit zijn herinneringen die met niets anders te vergelijken is. Steden als Berlijn en Stockholm kunnen de vergelijking met Damascus niet doorstaan. Vooral Stockholm moet het daarbij ontgelden vanwege de koude winters, de hypocrisie van de Zweedse staat: ‘Stockholm, Zweed als ze de belastingen innen, migrant als ik gelijkheid eis.’
    Met zwarte humor beschrijft Almadhoun zijn verblijf in Stockholm, het land waar hij toch de liefde heeft gevonden. Hij wil ‘om klimatologische redenen asiel in een warm land aanvragen.’ Het gedicht ‘Het barre land’ is een litanie van opsommingen die één voor één aangeven waarom de dichter zich ongelukkig voelt in dit voor hem vreemde land, waar hij nooit zal wennen en waar hij ook nooit echt deel van uit zal maken. Hij beschrijft het lot van de migrant die altijd tussen verleden en heden zal blijven dwalen, tussen het land van herkomst en het land van zijn keuze en die zich in geen van beide thuis weet.

    De ene ramp voor de andere

    Almadhoun brengt de lezer weer in contact met de werkelijkheid. Bij alle brandhaarden die nu zijn aangestoken op de hele wereld, lijkt het vaak alsof dat de ene ramp de andere uitwist of doet vergeten. De oorlog in Oekraïne, de burgeroorlog in Jemen, het geweld in Ethiopië, Nigeria, Myanmar: steeds als er één dodelijk conflict onder de aandacht wordt gebracht in de media, zijn we geneigd te vergeten dat het wapengekletter elders gewoon doorgaat. Dat geldt ook voor de oorlog in Gaza, in heel Palestina. 

    Almadhoun vestigt onze aandacht op alle geweld, alle oorlogen. Het feit dat hij de kans heeft gehad om naar Zweden te vertrekken, doet niets af aan het verdriet en het heimwee. ‘Jij zegt dat ik aan de oorlog ben ontsnapt. Nee, liefste, niemand ontsnapt aan/ de oorlog. Het is alleen zo dat ik niet ben gestorven. Ik ben blijven leven, dat is/ alles.’

    Het is de kracht van de poëzie van deze dichter dat hij de lezer dichterbij zichzelf weet te brengen, bij zijn verleden, zijn trauma en zijn verdriet. Heel even weten we weer wat oorlog aanricht, ook al hebben we het niet zelf meegemaakt. Het is wat we voelen bij de twee minuten stilte op de vierde mei. En als we de bundel dichtslaan, moeten we proberen dat gevoel vast te houden om ervoor te zorgen dat we niet vergeten. Dat is de boodschap die deze dichter brengt.

     

     

  • Hoi Gerrit (Komrij)

    Hoi Gerrit (Komrij)

    Ze zeggen wel dat je je helden niet in het echt moet tegenkomen want dat loopt geheid op een teleurstelling uit. Dat gold niet voor Gerrit Komrij. Hij toonde zich bij de enkele keren dat ik hem ontmoette als een aardige, hoffelijke en beminnelijke man. Ik was van zijn werk gaan houden tijdens mijn studie, toen ik als opdracht een essay schreef waarin ik een parallel moest trekken tussen de dichters Komrij en Piet Paaltjens. De schrijver zelf zag ik de eerste keer tijdens een signeersessie van zijn boek Wagner en ik, waarbij we slechts een paar beleefde woorden wisselden. 

    De tweede keer was op de boekenmarkt in Deventer. Ik zag hem lopen met zijn geliefde, Charles Hofman, en toen ik fluisterde: ‘Kijk, daar gaat Gerrit Komrij!’, zei mijn man: ‘Waarom ga je geen praatje met hem maken?’ Maar ik durfde niet. Ik wilde hem niet lastig vallen als een opdringerige fan bij een popconcert. Mijn destijds zesjarige dochter daarentegen had geen last van respect. Zij liep onvervaard op hem af, trok aan zijn mouw en zei: ‘Hoi Gerrit, mijn moeder wil je spreken.’ Hij liet zich gewillig door haar meetronen naar de boekenkraam waar ik van verlegenheid wel door de grond kon zakken. Hofman stond het tafereeltje op afstand geamuseerd gade te slaan.

    In het gesprek dat volgde, vertelde Komrij dat hij weliswaar in Portugal woonde, maar elk jaar naar Nederland kwam om naar de Deventer Boekenmarkt te gaan. Die sloeg hij nooit over. Met zijn eigenaardig stemgeluid, alleen geëvenaard door van Drs. P. (wiens optreden eens werd afgekondigd met: ‘Deze heer die zojuist een van zijn liederen voor u gekraakt heeft’), vroeg me of ik al iets gekocht had. Ik toonde hem mijn nieuwe aanwinst, een verzamelbundeltje ‘nonsensica’ uit 1961, samengesteld door Cees Buddingh’ onder de titel Het gevleugelde hobbelpaard. Komrij bladerde het met belangstelling door en zei toen peinzend, als tegen zichzelf: ‘Kijk, dat zou ik nou óók gekocht hebben.’

    Waarom heb ik het hem toen niet cadeau gedaan, vraag ik me nog steeds af. Dat zou een aardig gebaar zijn geweest tegenover de man wiens boeken me zoveel moois gebracht hadden. Maar ik was te overdonderd door zijn aanwezigheid om daarbij stil te staan. Ik heb er nog altijd spijt van. Daarom haal ik sindsdien elk jaar op 30 maart, zijn verjaardag, het boekje tevoorschijn en lees er voor hem een gedicht uit voor. Dit jaar een van die andere dichter:

    Zoals ik eenmaal beminde,
    Zo minde er op aarde nooit een.
    Maar ‘k vond, tot wie ik mij wendde,
    Slechts harten van ijs en steen. 

    Toen stierf mijn geloof van vriendschap,
    Mijn hoop en mijn liefde verdween.
    En, zoals mijn hart toen haatte,
    Zo haatte er op aarde nooit een. 

    En sombere, bittere liedren
    Zijn aan mijn lippen ontgleên.
    Zo somber en bitter als ik zong,
    Zo zong er op aarde nooit een. 

    Verveeld heeft mij eindelijk dat haten,
    Dat eeuwig gezang en geween.
    Ik zweeg, en zoals ik nu zwijg,
    Zo zweeg er op aarde nooit een.

    Piet Paaltjens

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Ingefluisterd

    Ingefluisterd

    Om half acht ‘s morgens zat de bus al helemaal vol met mensen die op tijd op hun werk of op school moesten zijn. De chauffeur had het kwaadaardigste humeur dat ik ooit had meegemaakt. Zelfs op dit vroege uur was hij al aan het schelden en mopperen op de reizigers en schreeuwde hij dat ze moesten gaan zitten – maar er waren geen vrije stoelen meer – en hij liet de bus van links naar rechts slingeren. Toen iemand iets durfde te zeggen over zijn gevaarlijke manier van rijden, zette hij de bus stil en sommeerde de spreker om uit te stappen. Hij reed niet verder voordat dat ook daadwerkelijk gebeurde. 

    De bus stopte voor het asielzoekerscentrum, waar een grote menigte klaarstond om in te stappen. Een groepje van vijf, zes vrouwen kon nauwelijks staan, ze moesten zich overal aan vasthouden toen de chauffeur optrok. Een van hen leek zich niet goed te voelen, een prachtige vrouw, lang en tenger, met smalle bruine handen. Haar lange jurk was heel kleurig en haar hoofddoek was op een ingewikkelde manier om haar hoofd geknoopt. Met één hand hield ze zichzelf vast aan een stang en de andere hand had ze op haar buik gelegd, misschien was ze zwanger.

    Ik wist haar blik te vangen en nodigde haar met een handgebaar uit om mijn plaats te nemen, maar ze schudde heftig haar hoofd en bewoog haar hand heen en weer in een ontkennend gebaar. De andere vrouwen spraken met haar en schenen haar te overtuigen. Dus stond ik op, maar weer schudde ze haar hoofd en maakte me duidelijk dat ze de stoel wilde delen. Ik schoof zoveel ik kon naar het raam en ze ging naast me zitten. Ze ademde zwaar alsof ze een golf van misselijkheid probeerde te onderdrukken. 

    De buschauffeur was vloekend aan een misselijkmakende monoloog begonnen over asielzoekers en buitenlanders, ik was blij dat de vrouw naast me het niet kon verstaan. Veel reizigers humden hun instemming, maar er waren genoeg mensen verontwaardigd over de woorden van de chauffeur. Ze durfden echter alleen maar zachtjes tegen te sputteren uit angst dat ze ook de bus uit moesten. ‘Cowardice asks the question: is it safe?’ zei Martin Luther King. Ik legde mijn arm om de vrouw heen om haar te ondersteunen in de bochten, maar ook als een schild tegen de vijandige woorden. Als ze me verstaan had, zou ik haar als tegengif het gedicht van Waskowsky hebben ingefluisterd:

    ‘Reisopdracht

     en als je weggaat…

     regen, er dreigt regen,
     storm blaast zand weg
     over de wegen,
     men moet zijn ogen beschermen.
     angstige vogels zwermen
     boven het land.
     de lucht is zwart.

     … zeg langzaam:
     Ik hou van regen.
     Ik hou van storm.
     Ik ben niet bang.

    Bij de laatste halte hielp ik de vrouw met uitstappen en bracht haar naar haar vriendinnen die buiten stonden te wachten. Ze keek me aan, glimlachte en gaf mijn hand een klein kneepje dat meer zei dan duizend woorden hadden kunnen doen. 

     

    Uit: Riekus Waskowsky, Verzamelde Gedichten, 1985


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Afko’s 

    Afko’s 

    Afkortingen, ik vind ze vreselijk. De onstuitbare zegetocht van het Engelse idioom in berichten vind ik al irritant genoeg, maar het ergste zijn gehanteerde acroniemen als YOLO, FOMO, BFF en OMG. En een stapelacroniem als Vrijmibo is ronduit belachelijk. Evenals Nanowrimo, de afkorting van ‘National novel writing month’, waarbij het de bedoeling is dat je in één maand 50.000 woorden schrijft. Dat zal nog een hele klus worden voor de mensen die vinden dat de titel van de wedstrijd al te veel woorden bevat om voluit te schrijven. En de vrouw in de trein die luid en uitvoerig haar seksleven besprak en haar keuze van anticonceptie, en toen van haar vriendin te horen kreeg dat het TMI was, op z’n Engels uitgesproken. Die afkorting moest ik thuis opzoeken: Too Much Information. Dat was ook erg. 

    Afkortingen zijn een belediging voor de taal. Ze suggereren dat de gebruiker de taal niet belangrijk genoeg vindt om woorden en begrippen voluit te schrijven. Bovendien geeft hij daarmee aan dat hij jou als lezer ook niet de moeite waard vindt om tijd en aandacht aan te spenderen. Je moet maar raden wat er staat. Zoek het zelf maar uit, zegt de afkorting.
    In het nieuwe nummer van het tijdschrift Onze Taal staat een mooi artikel van Ande Cremers,  getiteld: Een ‘bopla met biba’s’ (borrelplank met bitterballen), met een aantal frappante voorbeelden van ‘afkogebruik’ onder bepaalde groepen studenten. Wie het niet begrijpt, hoort er niet bij. Alsof ze lid zijn van de ‘Jopopinoloukicoclub’ van Joop ter Heul, over wie Cissy van Marxveldt schreef. 

    Afkortingen in literatuur of poëzie waren tot voor kort ondenkbaar. Nu worden er zogenaamde sms-gedichten geschreven, met afkortingen en emoji’s, omdat ze niet meer dan 160 tekens mogen bevatten, spaties en leestekens inbegrepen. Je leest ze alsof je een rebus oplost, maar een hoog literair gehalte is dan ook geen vereiste. Een voorbeeld van een gedicht met afkortingen dat ik wel mooi vind, omdat de afkortingen deel uitmaken van het creatieve eindrijm, is ‘De wilde kamelenman’ van Bibi Dumon Tak, dat als een zuinige contactadvertentie geschreven is, brieven onder nummer en betalen per woord:

    Wilde kamelenman, alleenstaand,
    zkt. kennismaking met vr.
    6 jr.
    kinderen geen bezwr.
    Sterk. Zeer trouw.
    Flex. Kan tegen hitte (+50 °C.)
    en extr. kou (-40 °C.)
    Komt uit Mongolië, Gobi wstn.
    Chinese uit Lop Nur geen probl.
    Mag ook hele harem zijn.
    Tam niet gewenst,
    (want te veel vermenst).
    Ben jij, of zijn jullie, de ware(n)?
    Laat dan een boodschap achter in het zand.
    We zijn nog maar met duizend,
    het is zo stil en leeg hier
    en mijn ♥ staat al te lang in brand.

    Afkortingen leveren tijdwinst op, wordt beweerd. Steeds vaker worden daarom ook de punten tussen de letters weggelaten: mvg, aub, dwz. Alsof je uren kwijt zou zijn aan het voluit schrijven van die woorden; mijn ergernis over die afkortingen duurt veel langer. En dan: wat doen mensen die ‘ffw88’ schrijven met al die gewonnen tijd? 

     

     

    Uit: Bibi Dumon Tak, Laat een boodschap achter in het zand (2018)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • De dichter als beeldhouwer

    De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.