• Scheppen van een nieuwe beschaving als een moderne Tolkien

    Scheppen van een nieuwe beschaving als een moderne Tolkien

    In zijn voorlaatste bundel Daedalea bracht Tomas Lieske zijn nieuwste held voor het voetlicht: Keto Stiefcommando, de leider van een groep jongeren die gestrand zijn in de faubourgs van Parijs. Lieske noemt ze ‘klonkies’, een Afrikaans woord dat associaties oproept met een klont van losse elementen die samengeklonken zijn, maar ook doet denken aan ‘jonkies’. Het zijn verschoppelingen: illegale migranten, zwervers en verslaafden uit alle windstreken, maar voornamelijk Afrika, die onder leiding van Keto proberen hun waardigheid te behouden. Waar ze in Daedalea hun eigen scheppingsverhaal en bijbehorende mythen creëerden, gaan ze in deze nieuwe bundel op zoek naar helden.

    Beschermgeesten en helden

    Daartoe spitten ze tijdschriften en kranten door: beroemde personen die ze aantreffen, worden voortaan hun beschermgeesten. Vier dichters worden door Keto uit zijn ‘troepie’ uitgekozen om gedichten te maken over de kindertijd van deze ‘tijdschrifthelden’: Hercuul, die uit Mali komt en Parijs op zijn duimpje kent, Damn Good Memory, alcoholist en de enige blanke van de groep, Merci Merci, een vrouw op zoek is naar haar wortels in Afrika, en Imker Graat, een souteneur die de inleiding van deze bundel en van de diverse afdelingen voor zijn rekening neemt.

    Steeds als er een gedicht klaar is, brengen ze de bezongen held in een stoet van vuilniswagens naar het kerkhof van Saint-Denis, dansend en zingend, terwijl ze borden en foto’s van de held met zich mee dragen. Eén Afrikaanse held zou lang geleden begraven zijn op Saint-Denis: Kame Tristan, wiens mythische verhaal door Keto zelf verteld wordt als rode draad in de zoektocht naar helden. Vervolgens wordt met bloedrode kleurstof de naam van de de held gespoten op een reeds aanwezige graftombe en daarmee wordt de held officieel geïnstalleerd: ‘Zo rust onze Ignaz Semmelweis ingehaak met een lid van het Huis Valois en onze Iosif Brodski slaapt skuif-skuif op de vorstin van Orléans.’

    Groteske voorstellingen

    Dat is het verhaal en alsof dat gegeven al niet bizar genoeg is, wordt het door Lieske uitgewerkt tot een bonte verzameling van groteske voorstellingen, die in het begin een beetje onwennig aandoet, maar niet lang: al gauw loopt de lezer vrolijk mee in de optocht achter de vuilniswagens, met Keto voorop, om meer dan veertig universele helden te bezingen. Deze helden zijn gekozen uit de Westerse geschiedenis, zoals Margarethe van Valois, Mozart en Jeanne d’Arc (‘Als ik water in mijn oor giet hoor ik stemmen’), maar ook zijn ze aan de verbeelding ontsproten: Alice in Wonderland bijvoorbeeld en ook Miss Blanche, het reclame-icoon van de Virginiasigaretten.

    Achtergrond historische figuren

    Helaas ontbreekt er een index in de bundel: die zou het opzoeken van een held vergemakkelijkt hebben. Wel heeft Lieske enigszins een chronologische volgorde aangehouden: Julius Caesar staat aan het begin en Margaret Thatcher ergens aan het einde van de bundel. Informatie over de betreffende persoon wordt kort weergegeven onderaan de inleiding van elk gedicht. Deze inleiding wordt door een van de dichters of door Keto zelf  weergegeven in een prozagedicht, waarin Bargoens, Afrikaans en straattaal dooreen geweven worden zonder dat het gekunsteld aandoet of tot onbegrip leidt; maar de ‘yslike paaiboelie’ in de inleiding van Damn Good Memory bij het gedicht over Don Quichot moest toch wel opgezocht worden en blijkt een ‘vreselijke boeman’ te zijn in het Afrikaans. De gedichten over de kindertijd van de helden zijn daarentegen alle in het Nederlands geschreven.

    Omdat de gedichten over de jeugd van de helden gaan, worden hun latere daden waardoor ze nu bekendheid genieten niet specifiek genoemd, maar wel wordt er aan gerefereerd: het gedicht over Charlotte Corday, die in 1793 gedurende de Franse revolutie Jean-Paul Marat in zijn bad neerstak, begint met: ‘Het allerfijnste in mijn leven is urenlang zitten / in bad […]’
    En Louis Blériot, de luchtvaartpionier, ziet als kind met zijn ouders aan het strand pelikanen zweven, ook al verzekert zijn vader hem dat die aan die kust niet voorkomen:

    ‘Ideale ouders zijn vogelmensen
    die in een circus werken, iets met trapeze,
    geen enkel ander doel in het leven dan elke nacht
    van lichtmast naar lichtmast te zweven
    zonder te vallen; een gevecht tegen de wetten
    van de natuur, uitschakelen van zwaartekracht.’

    Uitvindster beha

    De helden komen overal vandaan en daarom is het niet verwonderlijk dat de gedichten vol staan met verwijzingen naar niet alleen daadwerkelijke gebeurtenissen, maar ook naar de literatuur: T.S. Eliot, de Bijbel, Paul Celan. Ook de keuze van de helden zelf is verrassend: Groucho Marx,  Dylan Thomas, Mary Phelps Jacob die de beha zou hebben uitgevonden – en zelfs de eenvoudige min Petronella Munts die als een van de eerste westerse vrouwen mee mocht op de scheepsreis naar Decima. De belezenheid die Lieske hiermee toont, wordt ook van de lezer verwacht, maar de bonte verscheidenheid van gedichten is een beloning op zich.

    Lieske heeft een krachttoer verricht met het boekstaven van de kronieken van deze nieuw gevormde bevolkingsgroep. Hij kent hen een bestaansrecht toe door ze een mythologie te verlenen, een gedeelde geschiedenis en een eigen taal met zelfgekozen helden waarin ieder van deze groep zich kan herkennen. Door aan deze voorwaarden te voldoen heeft hij als een moderne Tolkien een heel nieuwe beschaving geschapen, die niet onder hoeft te doen voor de reeds bestaande oude culturen.
    Hij heeft met Keto Stiefcommando een bundel geschreven die ‘[…] tikt en zingt en schatert en klinkt […] tegen mijn raai raai riepa donkiebloed aan. / Laat die sjampanjebottels nou maar knal.’

     

  • Van monoloog naar dialoog

    Van monoloog naar dialoog

    De poëzie in Nederland kent niet veel politiek geëngageerde dichters. Namen die meteen opkomen zijn die van de marxistische Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Maar waar zij voornamelijk blijmoedig uitkeken naar de komst van de Rode Dageraad, ziet de dichter Frank Keizer de toekomst niet zo rooskleurig voor zich, ook al is hij zich er blijkens zijn gedichten van bewust dat er een ingrijpende verandering dient plaats te vinden.
    Keizer debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden, nadat hij al eerder zijn werk gepubliceerd zag in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn en Tirade. In zijn nieuwste bundel Lief slecht ding, probeert hij zich te wapenen tegen de dystopie die de wereld dreigt te worden als het kapitalisme en het consumentisme gehandhaafd blijven.

    Drie afdelingen naar titel vernoemd

    De titel laat zich aanvankelijk lezen als een woordgroep bestaande uit een zelfstandig naamwoord met twee bijvoeglijke naamwoorden, als een aanspraak of een omschrijving, maar blijkt de drie afdelingen van de bundel aan te geven. Elke afdeling begint met een citaat van een auteur, van wie de laatste – Ursula le Guin – opvallend genoeg voornamelijk science fiction heeft geschreven: toekomstromans.
    In de eerste afdeling wordt iemand toegesproken voor wie de jaren zestig nooit helemaal voorbij zijn gegaan, maar die nu met lege handen staat, omdat er van de grote idealen van destijds niets terechtgekomen is. De spreker lijkt deernis te voelen voor de oude activist:

    ‘[…] er valt niet veel te zingen, echt
    te zingen, mompelen, nee mompelen, dat kun je wel’

    Maar er valt ook een milde ergernis te bespeuren: ‘je krabt met je ene hand aan het trauma van je mislukte / autonomie en met je andere hand tast je de nieuwe / afhankelijkheid af.’
    De prozagedichten staan niet los van elkaar, maar lopen in elkaar over en vormen zo één lange monoloog in de jij-vorm, waarin de toegesprokene uiteindelijk de raad krijgt om zich een eigen wereld te scheppen in het ‘goede grijs’: ‘beter iets kleins en iets liefs / te hebben dan je kapot te werken aan het onuitvoerbare / in het hier en nu’.

    Idealen verwezenlijken

    Met het tweede deel gaat de dichter van het verleden naar het heden en van monoloog naar dialoog: twee mensen die een relatie hebben, een ‘ik’ en een ‘jij’, proberen samen een ‘wij’ te worden. In een gesprek over politiek wordt gerefereerd aan collectieve ervaringen die nodig zijn om in vereniging een nieuwe gemeenschap te bewerkstelligen met ‘het vermogen om gezamenlijk te denken’. Het individu zal zich ondergeschikt moeten maken aan het grote collectief, want de hedendaagse maatschappij kent slechts ‘verweesdheid, ontworteling en fragmentatie’. De dichter verwijst nog even naar de campagne van Mao Zedong: Laat honderd bloemen bloeien, waarvan het doel was om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken.

    In dit deel zijn de idealen prominent aanwezig, maar wordt tevens de twijfel kenbaar gemaakt en de angst dat het vergeefse moeite zal zijn om te trachten ze te verwezenlijken en waarbij de dichter zichzelf niet spaart. Ideeën worden geopperd en bezwaren daartegen worden ingebracht. De verbinding van poëzie en politiek zal de oplossing moeten bieden:

    ‘ja, wek me op, poëzie, maak me vrolijk, want ik weet wel
    dat je iets kunt oplossen, je bent pure sensatie. en duw
    me over de rand, voer me van die prikkels naar mijn ware
    behoeften, en die van ons, en maak het nieuw’

    Het deel eindigt met de hoopvolle woorden: ‘kom, ik heb een ander idee’.

    Wazige toekomstbeelden

    Het derde deel biedt een blik op een diffuse toekomst, waarin het om overleven en opnieuw beginnen zal draaien. Van het verleden wordt afscheid genomen – ‘rommelend in de lege laatjes en kastjes van een verleden’ – en ook van alles wat tot nog toe als onomstotelijk werd aangenomen. Er wordt een moeizame zoektocht beschreven, die lijkt op de ‘Umwertung aller Werte’ van Nietzsche: de idealen van vroeger zijn nu voorgoed versleten en waarheden moeten opnieuw gedefinieerd worden. De dichter zoekt naar aanwijzingen om de wereld opnieuw te kunnen inrichten.

    Dit laatste deel kent weinig samenhang die als een afspiegeling van die toekomst zelf lijkt. De wereld wordt beschreven als een onherbergzame plek waar het leven moeilijk is:

    ‘[…] het universalisme bleef om offers
    vragen, maar wij stonden onze organen, onze woningen
    en onze meervoudigheid er niet voor af.’

    Een nieuw geluid

    Maar gaandeweg gloort er hoop en worden mensen ‘probleemoplossers’ die mogelijkheden zien voorbij ‘de wetten van het materialisme’. Een ‘vallende, rode ster’ die de dichter waarneemt, kondigt misschien toch de nieuwe Rode Dageraad aan. Dat poëzie daarbij een prominente rol zal spelen, heeft Keizer dan inmiddels wel duidelijk gemaakt.

    Lief slecht ding is geen toegankelijke bundel. Maar de spreektaal die Frank Keizer gebruikt, helpt duidelijk te maken waar het om gaat: engagement zoeken en het politieke persoonlijk maken en omgekeerd. Met krachtige beelden en bijna profetisch taalgebruik slaagt Keizer erin om zijn zoektocht naar nieuwe waarden aannemelijk te maken op een manier die à la Herman Gorter ‘een nieuw geluid’ laat horen.

     

  • Epische beschrijving van een mensenleven

    Epische beschrijving van een mensenleven

    Ook in deze nieuwe bundel van Willem van Toorn (1935) zijn de kenmerken terug te vinden die vanaf zijn poëziedebuut in 1959 zijn gedichten een constant herkenbaar karakter hebben gegeven: traditioneel, sober en eenvoudig. Zonder eindrijm maar met een vaste metriek en vormen. Beschrijvingen van ogenschijnlijk kleine voorvallen die een grote invloed hebben op de hoofdpersonen. Op het eerste gezicht lijkt de bundel een autobiografie in verzen: het levensverhaal van ene W. wordt gevolgd vanaf een vroege herinnering tot aan de ouderdom van nu.

    Het ligt voor de hand aan te nemen dat Van Toorn over zichzelf dicht. Toch heeft de dichter in interviews regelmatig benadrukt dat zijn werk niet alleen over hem gaat of over mensen uit zijn omgeving. Hij brengt de personages in zijn gedichten voor het voetlicht alsof ze figureren in een toneelstuk dat gebaseerd is op de werkelijkheid. Een dichter kan, evenals een schrijver van proza, spreken over ‘ik’ zonder dat hij daarmee zichzelf bedoelt. Niet alles wat hij de ‘ik’ laat vertellen of overkomen, wordt daarmee automatisch autobiografisch. Hij heeft een personage geschapen, waarin heus wel autobiografische elementen zullen zitten – iedere schrijver stopt iets van zichzelf in zijn werk – maar dat kan zelfstandig bestaan en heeft ‘het vertelperspectief van het gedicht in handen’, volgens Ingmar Heytze in het tijdschrift Onze Taal. De reden daarvoor is volgens Heytze ‘het scheppen van afstand om daardoor beter te kunnen kijken naar het verleden en naar zichzelf’. Van Toorn doet dat in zijn gedichten alsof hij kijkt naar foto’s uit een familiealbum, die momentopnames van de tijd laten zien. Hij roept de beelden als het ware uit zijn geheugen op.

    Vastgelopen leven

    De jongenskamer heeft als ondertitel ‘Een gedicht’, omdat het één lange epische beschrijving is van een mensenleven. Toch bestaat de bundel uit twee delen: het eerste deel beslaat tweederde van de bundel en vertelt over het leven van W. tot op het moment waarop hij besefte dat zijn huwelijk en zijn leven vastgelopen waren en dat het tijd werd zich te bezinnen op een verandering voordat het te laat zou zijn: ‘Er is nog steeds een wereld daarbuiten, weet W natuurlijk ook.’
    In het tweede, veel kortere deel sluit het eerste gedicht hier rechtstreeks op aan, terwijl de dichter vanuit een ander huwelijk en een ander land, levend in het nu, terugkijkt op zijn vroegere leven:

    Hoe herinner ik mij dit nu – alsof er iets begon
    wat niet langer uitblijven kon, zich had samengebald
    voor een moment, een sprong. Zo dus. […]’

    Proza als opmaat

    Regelmatig worden de gedichten afgewisseld met een bladzijde proza, dat als opmaat gebruikt wordt voor de daaropvolgende gedichten of als terugblik en samenvatting van de voorafgaande. Poëzie en proza zijn in het werk van Van Toorn onlosmakelijk met elkaar verbonden: in een interview noemde hij zichzelf ‘een dichter die af en toe in proza de wat grotere commentaren levert’. Op deze manier loodst Van Toorn de lezer door het leven van W. in de wereld waarvan hij deel uitmaakt: de bezoeken aan de grootouders in de provincie, de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding, het studentenleven, een baan als leraar, de eerste liefde, huwelijk, kinderen, scheiding. Hij laat zien hoe maatschappelijke en politieke veranderingen door de tijd hun weerslag hebben gehad op het persoonlijke leven van W. Maar W. is minstens zoveel beïnvloed door de reizen die hij maakt en de boeken die hij leest. Daarom heeft Van Toorn zijn gedichten doorspekt met citaten, namen en titels van schrijvers en boeken, zoals in het gedicht dat gaat over een poëziefestival in de jaren zestig, waarin Van Toorn talloze versregels citeert van bekende binnen- en buitenlandse dichters.

    Cyclus van gedichten voor leeftijdgenoten

    Dat heeft te maken met het feit dat Van Toorn ook veel vertaald heeft. De lezer dient over een goede bibliotheek en een brede algemene ontwikkeling te beschikken om alle namen en citaten thuis te kunnen brengen: Seeräuber Jenny,  Updike, Breytenbach. Ook de namen van beroemde zangers komen voorbij en fragmenten uit hun liederen: Bob Dylan, Bing Crosby, Brassens’ Il n’y a pas des amours heureux; politieke acties en kopstukken uit het nieuws: de Griekse junta van kolonels, Checkpoint Charlie, de Praagse lente: voor wie ze kan herkennen is het een bevestiging van de eigen herinneringen, maar voor met name jonge lezers blijft het slechts een opsomming van vaag klinkende namen en gebeurtenissen uit een onbekend verleden.

    Daarmee lijkt De jongenskamer een cyclus van gedichten te zijn geworden voor leeftijdgenoten van de dichter, die zich met weemoed kunnen herkennen in de levensloop van W..  Voor jongeren zal de bundel minder aantrekkelijk zijn, omdat de gedichten geen beroep doen op hun eigen ervaring, hoewel dat juist ook kan prikkelen tot nieuwsgierigheid. Maar voor ieder die het lezen wil heeft Van Toorn een prachtig en bij wijlen ontroerend tijdsdocument geschreven in een reeks gedichten waarin hij het verleden levend maakt op een licht melancholische wijze. Niet met grote woorden of veel pathos, maar met subtiele verbindingen van een individueel leven met de wereldgeschiedenis die zich om hem heen voltrekt.