• Onkruid in de slaapkamer

    Onkruid in de slaapkamer

    De achtste bundel van Kreek Daey Ouwens, Echo echo, is er een die bij wijze van uitzondering achter elkaar uitgelezen dient te worden. Meestal is dat geen aanbeveling, maar alleen op deze manier vallen alle gedichten als puzzelstukken op hun plaats en wordt pas duidelijk hoe elk onderdeel samenhangt met het andere in een afgerond geheel.
    Want deze bundel bestaat uit tien afdelingen zonder titel, met daarin alleen op de rechterpagina een kort gedicht afgedrukt, dat maar weinig regels bevat. Op zichzelf valt daar niet veel mee te beginnen:

    ‘Ik eet mijn ei met een vork
    Tot stil. Tot wit.

    De oude pijn. De oude pijn.
    Bruidsboeket 10 euro.’

    Maar als deze ruim tachtig gedichten als kleine stukjes glas gerangschikt worden tot een groot mozaïek, krijgen ook de eenvoudigste zinnen plotseling betekenis. Ze vertellen het verhaal van een vrouw, die opgesloten zit in een ongelukkig huwelijk. Via haar herinnering en haar verbeelding komt haar heden en verleden voor de lezer tot leven in versnipperde fragmenten.

    De vrouw

    Deze fragmenten spreken over een dertienjarig meisje dat aan anorexia lijdt, over haar hartsvriendin Camilla, over de eerste verliefdheid, over de vrouw Melania, die getrouwd is met ‘de dikke’, dominante man. Het zou voor de hand liggen dat al deze beelden samenkomen in één enkele vrouw, maar dat is lang niet zeker: daarvoor laat de dichter te veel informatie achterwege. Het zou ook de universele vrouw kunnen zijn wier leven symbool staat voor andere vrouwen.

    De gedichten staan schijnbaar willekeurig door elkaar, heden en verleden wisselen elkaar af, zoals ook het geheugen niet chronologisch werkt, maar associatief. Toch geven de tien afdelingen blijk van een volgorde in de tijd: herinneringen aan de jeugd en de grootmoeder komen eerst. Prettige herinneringen zijn het: erger dan de slager die een dier komt slachten, wordt het niet. Jongens vormen nog een bedreiging en meisjes praten alleen met elkaar, over later.

    ‘Ik zeg: ik trouw later nooit!
    Nu niet, zegt Camilla, maar later wel,
    later wil je wel!’

    Dan volgt de ontluikende seksualiteit, de eerste liefde, het nooit meer van elkaar weg willen gaan, een nacht samen in Parijs, om dan later toch te merken dat de liefde tanende is. De geliefden gaan uit elkaar:

    ‘Op een keer aan tafel zei je:
    ik geloof in een basismoraal.

    Wat zoveel was als dank je wat zoveel was als
    ik ben niet gelukkig wat zoveel was als
    we moeten verder,

    […]’

    Wat volgt is een ontluisterende kijk op het huwelijk waar de vrouw Melania uiteindelijk in terecht is gekomen. Haar jeugdherinneringen duiken nog af en toe op als een echo uit het verleden, maar haar leven is een sleur geworden:

    ‘Elke nacht groeit onkruid mijn kamer binnen.
    Elke nacht kap ik met een mes.
    Elke nacht kruipt het opnieuw terug.’

    Haar leven

    ‘Huwelijk’ is een titel die aan drie gedichten is gegeven waarin duidelijk wordt hoezeer Melania weerloos een rol moet spelen binnen een huwelijk waarin alle dagen een echo zijn van elkaar. Melania voelt zich gevangen in het huwelijk met de dikke man, die de bezitter is van alles wat hen omringt, niet alleen de tastbare voorwerpen, maar ook de stad en de wolken. Hij bepaalt bovendien welke kant ze uit moet lopen: ‘De dikke man zegt: Rechts. Rechts. Rechts.’

    Maar op het einde van deze cyclus zet Melania eindelijk een stap: naar links. Bovendien tikken haar hakken op de grond, maken geluid: ze durft nu van zich te laten horen. De dikke man wordt opgeslokt door een wolk.

    Het is verleidelijk om in Melania de vrouw te zien met wie president Trump getrouwd is (‘Melania heeft een dichtgestopte mond. / Aan haar hand fonkelt een ring.’).  Maar dat ligt misschien te veel voor de hand. Dat zou overigens ook de gedachte weerspreken dat de vrouw in Echo echo een allegorie is van talloze vrouwen.

    Het vliegtuig

    Daey Ouwens geeft geen verklaring voor de beelden en de gebeurtenissen in haar gedichten. Ze is sowieso zuinig met informatie, maar laat haar woorden voor zichzelf spreken in een eenvoudige, sobere taal die naïef lijkt, maar het allerminst is. Juist door de weglating van al wat ze overbodig acht, worden de gedichten heel intens en treffen doel. Door de grote witruimte nemen de gedichten een centrale plaats in op de bladspiegel, waar het oog van de lezer onmiddellijk naar toe wordt getrokken. Ook maakt ze gebruik van het inspringen van versregels om iets te benadrukken. Eén gedicht is zelfs in de lengte van de pagina afgedrukt, als een visualisatie van de kernachtige samenvatting van het huwelijk van Melania: ‘Hoe spring je uit een vliegtuig dat allang is neergestort?’

    De echo, die zichzelf al laat horen in de titel, galmt door in haar taalgebruik: vaak wordt een woord of een woordgroep meerdere keren schijnbaar achteloos herhaald, wat een extra lading geeft aan de betekenis. Maar ook klinkt in de gedichten de echo door van de jeugd en de jonge jaren van Melania, voordat die echo een symbool werd voor de betekenisloze, niet van elkaar te onderscheiden dagen van haar huwelijksleven.

    Deze knappe bundel van Kreek Daey Ouwens toont opnieuw de beeldende kracht van de taal die overeind blijft als ze van alle franje ontdaan is.

     

     

     

  • Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe ga je verder met je leven, als een van je kinderen is gestorven? Kom je de dood van je kind nog ooit te boven? En helpt het, als je ‘je leed te boek stelt’, zoals P.C. Hooft Maria Tesselschade aanraadde bij de plotselinge dood van haar dochter en man? Kun je het ‘van je afschrijven’?
    Toen baby Constantijn nog voor zijn eerste verjaardag stierf, schreef vader Vondel een troostrijk gedicht, maar bij de dood van zijn achtjarige dochter Saartje was er in zijn bittere gedicht over haar geen troost meer te vinden. Van Eeden zag de dood van zijn 24-jarige zoon Paul als een ‘ontwaken’, Bilderdijk verloor tien kinderen en schreef voor hen allemaal apart een gedicht, maar brak pas echt bij de dood van de elfde, Julius. En in recentere tijden hebben Jan Wolkers, A.F.Th. van der Heijden en P.F. Thomése aangrijpend over de dood van hun kind geschreven. De moeders lijken minder van zich te laten horen: Vasalis, Esther Jansma en vooral Anna Enquist zijn namen die zich aandienen als het gaat om schrijven over een gestorven kind, waarbij vooral voor Enquist het een allesoverheersend thema in haar werk is geworden.  

    De titel van haar negende bundel, Berichten van het front, duidt er op dat zij nog steeds een gevecht moet leveren om verder te kunnen leven zonder haar dochter die in 2001 op 27-jarige leeftijd door een vrachtauto werd geschept en overleed. In het eerste gedicht Oudjaarstoespraak, dat los staat als een aankondiging, noemt Enquist ook een aantal schrijvers die gebukt gaan onder de dood van een kind. Ze spreekt ironisch over hen en over zichzelf als: ‘de werkgroep gedupeerde dichters, / de vereniging rouwende schrijvers’, […] vlijtig /  schrijvend aan de zinnen die wij schrijven moeten. / Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.’

    Poëzie als gebalde vuisten

    Wat volgt is een cyclus van tien gedichten over de Griekse godin Demeter, oorspronkelijk de godin van de landbouw, maar ook van het graan en de groei van de gewassen. Haar dochter Persephone werd ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Demeter smeekte Zeus, de oppergod, om haar dochter naar haar te laten terugkeren en hij stemde toe, maar op de terugweg uit het dodenrijk at Persephone vier pitjes van de granaatappel die Hades haar had meegegeven, waardoor ze gedwongen werd om vier maanden per jaar bij Hades in de onderwereld door te brengen. In die vier maanden treurt Demeter om de afwezigheid van haar dochter; dan is het winter op aarde en wil er niets meer groeien.
    In enkele van de gedichten identificeert de dichter zich met Demeter en maakt haar verdriet inzichtelijk, maar ook bekritiseert ze haar en neemt ze afstand: Demeter mocht haar dochter uiteindelijk acht maanden per jaar bij zich hebben; voor de dichter is dat niet weggelegd. 

    Verdriet en woede voeren de boventoon in de gedichten: Enquist schrijft rauw en hartstochtelijk en met gebalde vuisten. Ze gebruikt woorden als ‘razernij’, ‘geteisterd’, ‘onmachtig’ en ‘verscheurd’ om aan te geven hoe zij zich voelt.
    Troost wordt gezocht – maar slechts ten dele gevonden – in de natuur. Ook in de afdeling Hoog, wit, koud van gedichten die de natuur beschrijven, kiest de dichter bewust voor de onbarmhartige kant van de natuur, de koude winter, het kille ijs en ‘de hoogste hoogten / waar niets meer groeit’. Op een tocht door de bergen in Zweden worden de sneeuw en het ijs een symbool voor het bevroren zijn in de tijd en het niet verder willen gaan.

    Alles gaat verder

    In de derde afdeling Ter hoogte van het gras komen de raadgevers aan het woord, die allemaal zo goed weten hoe het moet, rouwen en verder gaan. Maar wie bepaalt voor een ander hoe lang rouw mag duren? 

    Vakantie

    ‘Je moet vakantie, zeggen ze, berglucht
     en meer nemen dan geven. O nee,

     de raadgevers weten van niets. Veel
     weet ik niet uit te delen en reizen is:

     vlucht. Tussen de hagen van de tuin
     moet ik, onder de onnozele fruitbomen

     met hun zinloze oogst ieder jaar, potten
     vol appelmoes, vijgenjam, kweegelei,

     -met de kleinkinderen, dat wel, jazeker –
     ophouden met de weidsheid, de hoogte.

     Wend je tot het robuuste gras, groen
     tussen dorre plaggen. Niets beleven. Zijn.’ 

    Bijna twintig jaar na de dood van haar dochter is ook de dichter verder gegaan, al kijkt ze nog steeds op bij het zien van ‘Een vrouw uit haar geboortejaar / met brede heupen, grijzend haar’. Ze kan geen afstand nemen van de tastbare herinneringen aan haar dochter in een huis dat als een museum voor haar is ingericht. Maar er lijkt verandering op komst, een afsluiten en een nieuw begin: de gedichten spreken van het snoeien van de planten en hun ‘ongepaste groei’, het opruimen van de tuin, het omhakken van de buxushagen waar de mot in gekomen is:

    ‘Wie durft zet de bijl erin, ontsteekt het vuur
     -een jaar later nog een zwart litteken naast
     de schapentrog. Maar kijk, uit de stompen
     barsten de nakomelingen, drie op een rij, frisgroen
     glimmend, bedauwd, stomweg groeiend alsof
     er niets is gebeurd, alsof er genoeg is gerouwd.’

    Kleinkinderen en muziek

    Troost wordt gevonden bij de kleinkinderen en in muziek. Enquist gaf daar al eerder blijk van als pianiste in haar roman Contrapunt. In het laatste gedicht van deze ontroerende bundel Berichten van het front worden die gecombineerd: 

    Voor de stilte

    ‘De drummer is drie jaar. Hij heeft
     de hele dag een liedje in zijn hoofd.
     Jij ook, oma? ja, oma ook. Al wat zij
     ooit gehoord, gespeeld, gezongen heeft
     ligt in die jukebox vastgelegd. Dat blijft.

     O ja? Als het haar wit voor ogen wordt
     omdat het zover is? Als zij verlangt naar
     pauken en trompetten en misbaar? Buiten
     de tijd verstomt alle muziek. Het is de hel.
     Dat gaat ze niet vertellen aan de trommelaar.’

    Woorden zijn leugens, zegt de dichter. Tijd en ouderdom maken je niet milder zegt het gedicht Boterdeeg, je moet ‘rechtop staan en het slagveld overzien. // Dan kieper je – geen angst, geen afgunst – heel dat / reservoir aan kennis en herinnering de afgrond in.’ Enquist is in haar gedichten streng en gebiedend voor zichzelf, maar niet voor de lezer. Je hoeft haar teksten niet te lezen, zegt ze. Maar wie dat niet doet, mist een diepe en overweldigende ervaring.

     

     

  • Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Jozef Deleu (1937) is bij veel poëzielezers misschien wel het meest bekend vanwege zijn functie als stichter en hoofdredacteur van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat tweejaarlijks verschijnt en gedichten onder de aandacht brengt die nog niet elders gepubliceerd werden. Ook heeft hij diverse bloemlezingen samengesteld, waaronder een van het werk van Guido Gezelle en het Groot Verzenboek, een dwarsdoorsnede van de beste Nederlandse gedichten van de 20e eeuw. Dat Deleu zelf ook dicht, is waarschijnlijk veel minder bekend. Toch heeft hij sinds zijn debuut in 1963 zeven dichtbundels gepubliceerd, deze zijn nu integraal opgenomen in de verzamelbundel Ondoorgrond, gedichten 1963-2019, tezamen met twee bundels lyrisch proza en de laatste, niet eerder verschenen dichtbundel Tussentijd. Voor zijn dichtwerk ontving Deleu in 1965 de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen en in 1995 de Prijs voor Poëzie van West-Vlaanderen.

    Monumentale verzameling

    Het is zoals te verwachten een monumentale verzameling geworden. De gedichten daarentegen zijn niet zo omvangrijk en nemen slechts een klein gedeelte van de bladzijde in. Deleu is geen man van een grote omhaal van woorden. Elk woord in zijn gedichten lijkt zorgvuldig gewikt, gewogen en gekozen:

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad.

    (Uit: Overboord, 2012)

    Het hoogst noodzakelijke

    Deleu houdt zichzelf strak in de hand, de gedichten doen stoïcijns aan, beheerst en teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Dat dit een kunst is die pas na vele jaren geperfectioneerd is, valt goed waar te nemen als de vroege bundels vergeleken worden met het latere werk. De dichter lijkt steeds minder te hoeven uitleggen terwijl de zeggingskracht van de gedichten juist groter wordt. De eerste bundels tonen nog overmoed en grote gevoelens, die uit de latere bundels zijn ingetogener, verstild. 

    Een verdere vergelijking van de verschillende bundels laat zien dat ze ook iets gemeenschappelijk hebben, het thema van leven en dood, tijd en vergankelijkheid. Er is vrijwel geen gedicht in zijn gehele werk te vinden dat niet het woord ‘dood’ in zich draagt. Deleu lijkt geobsedeerd door de dood, maar aanvaardt het feit dat er een einde is met hetzelfde stoïcisme dat zijn gedichten kenmerkt. Zo luidt de titel van de bundel uit 2005 Gras dat verder groeit, als een verwijzing naar de Bijbelse woorden ‘Alle vlees is als gras’ uit Jesaja 40:6. 

    Toch doet de titel van het verzamelde werk, Ondoorgrond, vermoeden dat ondanks de preoccupatie van de dichter met de dood, dit niet geleid heeft tot weten wat dood en leven inhouden. Maar Deleu streeft ook niet naar die kennis; hij laat het geheim intact.

    Over de dood

    Over de dood
    moet je schrijven
    als over het leven.

    Een doordeweekse dag
    valt de regen niet meer
    laat de zon zich niet meer zien.

    De dieren gaan schuilen
    voor de grauwe as, de dag
    is even zwart als de nacht.

    De postbode komt
    met een brief die je
    niet meer verwacht.

    Zo eenvoudig het leven
    zo eenvoudig de dood
    alles even.

    (Uit: De jager heeft een zoon, 1995.)

    Dichten voor kinderen en vrouw

    Omdat de dood geaccepteerd wordt als een vaststaand feit, kan de dichter zich ten volle richten op het leven voor de dood. Juist het besef dat alles tijdelijk is, verhevigt het genot van schoonheid en het carpe diem. Veel gedichten gaan over de volheid van de natuur in het algemeen, over bloemen, dieren en kleine kinderen. Ook over de eigen kinderen schrijft Deleu met liefde en aandacht voor kleine details; deze gedichten behoren tot de mooisten. En in elke bundel staat wel een gedicht dat opgedragen is aan zijn vrouw Anne-Marie. Ook hieruit spreekt de intense aandacht voor het leven en de liefde. 

    De taal is voor Deleu het middel bij uitstek om een brug te slaan tussen het leven en de dood. Zijn woorden en gedichten moeten de vluchtigheid van het leven vangen en bestendigen. Deleu schrijft om niet te vergeten, om de tijd te laten voortbestaan. Via de taal wordt elk gedicht als een stolp over een moment in de tijd gezet en wordt daardoor bewaard. 

    Binnen dit verzameld werk staan de bundels met lyrisch proza als uitzondering op de regel. Gezangen uit het achterland (1981) bestaat uit een Voorzang, zes ‘Bewegingen’ en een slotzang. Deze lange prozagedichten vertellen hoe een vrouw, Cecilia, aan haar man Felix terugdenkt, die in de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en gestorven is in een inrichting, het ‘Gesticht’. Ze herleest zijn brieven – waarvan Deleu de spelling met opzet verouderd heeft – en herdenkt hem met liefde, maar probeert ook een manier te vinden om verder te gaan met haar leven in de wetenschap dat ‘alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.’

    Ook in deze gedichten die zo duidelijk anders zijn, blijft Deleu trouw aan zijn thema’s: de dood moet aanvaard, de tijd onderworpen en beheerst worden.

    Klassiek in zijn thematiek

    Het is opmerkelijk dat de redacteur van een tijdschrift dat plaats biedt aan nieuwe dichters zelf zo klassiek is in thematiek en versvorm. Deleu experimenteert niet, met vorm noch inhoud. Zijn poëzie is niet maatschappelijk geëngageerd noch modern of vernieuwend. Deze traditionele gedichten zijn tijdloos, niet onderhevig aan mode of trend, juist door hun onveranderde consistentie. Ze maken indruk doordat ze ontdaan zijn van elke afleiding van het wezenlijke, de kern. Zo geconcentreerd teruggebracht naar het allernoodzakelijkste tonen ze door de hele bundel heen de constante kwaliteit van een groot dichter.

    Nu Deleu drieëntachtig jaar is geworden, is deze verzameling van zijn complete werk als een eerbetoon aan zijn lange dichterschap. Het laatste gedicht uit het verzameld werk is zeer toepasselijk getiteld Nalatenschap:

    […]
    wat wij deden
    of nalieten te doen
    wat wij opbouwden
    of bestreden
    was openbaar

    van verlies was geen sprake
    op winst werd
    nooit gehoopt –
    niets ging verloren

    De dichter lijkt hier de balans op te maken van zijn hele leven en zijn poëtisch oeuvre en kan tevreden constateren dat ‘niets verloren ging’. Of met deze nalatenschap tevens zijn loopbaan als dichter wordt afgesloten, is nog de vraag. Misschien verrast Deleu zijn lezers nog.

     

     

  • Hebzuchtigen

    Hebzuchtigen

    Ik vul een enquête in voor een onderzoek naar koopgedrag. Er wordt gevraagd of ik spaargeld heb en zo ja, waarvoor? De keuzemogelijkheden zijn: a. de studie van de kinderen, b. pensioen, c. een vakantie, maar ik besluit te kiezen voor d. anders, en ik vul naar waarheid in, ‘het verzamelde werk van J.D. Salinger’.
    Salinger had tot nog toe niet zo’n groot oeuvre dat ik daarvoor mijn spaargeld moest aanspreken: vier romans en wat losse verhalen en die staan al jaren in mijn boekenkast. Holden Caulfield uit ‘The catcher in the rye’ sloot ik weliswaar in mijn hart, maar ik viel als een blok voor de familie Glass uit de overige boeken. Ik was niet de enige, zelden heeft een schrijver zo’n cultstatus gekregen onder zijn talloze fans. Maar Salinger besloot de rest van zijn leven als kluizenaar door te brengen, hij wilde niet meer publiceren en gaf geen interviews. Wel bleef hij schrijven. Na zijn dood in 2010 op 91-jarige leeftijd bleken er een aantal manuscripten in een kluis te liggen, sommige kranten spraken van vijftien in totaal. Wereldwijd  ging er een golf van hebzucht door de fans heen, maar helaas, ook deze manuscripten mochten volgens zijn laatste wil niet uitgegeven worden. 

    Toch gonzen de geruchten dat de zoon van Salinger, die zijn vaders nalatenschap beheert, bezwijken zal voor de druk van de fans, en het grote geld. Binnen vijf jaar, binnen tien jaar? Eén manuscript, of allemaal? Of moet ik ongeduldig wachten tot zeventig jaar na het overlijden van Salinger de auteursrechten vervallen, zoals de Auteurswet bepaalt? Dan zal mijn spaargeld onder mijn eigen erfgenamen verdeeld worden, want 2080 zal ik niet halen.
    Maar ik wil die boeken van Salinger hebben, alle vijftien. Ik wil weten hoe het verder gaat met Holden Caulfield en met de familie Glass. Het kan me niet schelen wat het kost, daar spaar ik voor. Ik hoop dat de kinderen van Salinger, hebzuchtig naar de miljarden aan inkomsten, zich haasten hun vaders werk te publiceren. Want hebzucht, daar weet ik alles van. 

    Dante plaatste de hebzuchtigen in de vierde cirkel van het vagevuur. Ze moeten voor straf met hun gezicht op de grond vastgebonden liggen. Waarom? Omdat je in die houding niet kunt lezen. 

    ‘Wat hebzucht doet, staat hier als afgeschilderd
    in ’t lijden van deze omgekeerde zielen,
    want niet één straf op deze berg is droever.

    Gelijk ons oog zich nooit verhief naar boven,
    doch immer aan het aardse bleef gekluisterd,
    zo richt gerechtigheid het hier naar onder.

    Zoals eens hebzucht onze geestdrift doofde
    voor alle deugd en wij niets goeds dus deden,
    zo werpt gerechtigheid ons hier voorover, 

    aan handen en aan voeten als geketend.
    En roerloos blijven wij dan ook hier liggen,
    zolang ’t behaagt aan de gerechte Meester.’ 

     (vertaling Chr. Kops)  

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Intrigerende bundel die aanzet tot overdenkingen

    Intrigerende bundel die aanzet tot overdenkingen

    De debuutbundel van Laurine Verweijen verscheen in februari en werd gelijk genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2020. Gasthuis is een persoonlijke bundel waarvan vrijwel elk gedicht geschreven is vanuit het perspectief van een lyrisch ik of wij. Vanaf het eerste gedicht is het duidelijk dat het hier vrouwen betreft die aan het woord, of het onderwerp zijn: ‘O alle vrouwen die ik nooit zal kunnen zijn’. De verbondenheid met alle vrouwen, ook die uit het verleden, wordt beschreven aan de hand van een beeld van wassende vrouwen in een rivier. Eén vrouw staat symbool voor alle anderen. Het doet denken aan het lied van Bram Vermeulen, Moeder, waarin hij zingt over zijn gestorven moeder: ‘Daar rust het overleven / De kracht van alle vrouwen / De wil op haar gezicht.’

    Cyclische beschijvingen

    De bundel kreeg twee motto’s mee, een citaat van Nadine Gordimer over de seizoenen en hoe je vergeet dat regen bestaat als het een half jaar niet geregend heeft. En van Helene Cixous: ‘I, too, overflow’. Stromen, vloeien, overlopen, vruchtbaar zijn: het zal geen toeval zijn dat de daaropvolgende zeven gedichten de menstruatiecyclus beschrijven en wat die aanricht in het lichaam van een vrouw vanaf de dag dat die zich aankondigt met hoofdpijn en ‘weke benen’ tot aan de dag waarop het daadwerkelijke bloeden begint. Ook hierin speelt de verbondenheid met alle vrouwen een rol. Verweijen schroomt niet om in details te treden en zo een taboe te doorbreken dat nog steeds in stand gehouden wordt. 

    Het vrouwelijke lichaam is vaak onderwerp in de gedichten. De titel, Gasthuis verwijst naar het lichaam, dat een gasthuis is voor bijvoorbeeld een embryo, maar kan biedt ook tijdelijk onderdak aan een man en is een permanente behuizing voor de eigen geest. Gasthuis heeft vanouds ook de betekenis van ziekenhuis: het lichaam kan ziek zijn, een moeilijke zwangerschap herbergen, er kan een abortus overwogen worden of juist een kinderwens;  al deze mogelijkheden komen aan de orde: ‘[…] een groot aantal kamers / heeft lange tijd leeg gestaan.’ Het beeld van de lege kamers keert vaker terug als metafoor voor het vrouwenlichaam.

    De keuze om wel of geen kind te krijgen verwoordt Verweijen het duidelijkst in haar gedicht Kingsize, waarin ze het ‘geenkind’ naast het ‘welkind’ introduceert:

    ‘Je zou keer op keer het nietkind
     naar voren kunnen schuiven, als je keuze
     die je hebt gemaakt, en hoe je die
     met lege handen draagt.’

    Geheel in overeenstemming met De Beauvoirs stelling uit De tweede sekse: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’ is het mooie gedicht: 

    Meisje

    ‘Een meisje komt erachter dat haar bewegingen bestaan
     dat als zij haar knie buigt, er een buigende knie in de wereld is

     dat haar uitgestoken hand wordt gesignaleerd, aanvaard

     Hiermee wordt het meisje vrouw. Ze haalt een extra lapje
     vlees in huis en begint te koken. Iemand schuift aan

     iemand schuift op wanneer de vrouw erachter komt
     dat ook haar woorden worden gesignaleerd, aanvaard

     Als iemand weigert te aanvaarden, buigt ze haar knie

     Soms bekijkt ze haar knie, die steeds stijver wordt
     soms bedenkt ze wie haar uitgestoken
     hand signaleert, aanvaardt’

    Relaties als een leeg huis

    Maar niet alle gedichten gaan over vrouwen of lichamelijkheid, ook relaties worden beschreven en dan vooral het moeizame proces waarmee ze tot stand komen en in stand gehouden worden. Want de protagonisten in een relatie staan tot elkaar als dag tot nacht, zoals in de beginstrofe van Fabel

    ‘de dag en nacht kunnen elkaar
     nooit leren kennen
     hoe dichter de een naar de ander kruipt
     hoe meer ze zelf verdwijnt’

    In ‘Tafels en stoelen’ wordt het beeld geschetst van een verbroken relatie als een leeg huis, dat opnieuw moet worden ingericht. Alle keuzes liggen open, want: ‘je hebt het zelf voor het zeggen / Het huis is helemaal van jou en leeg’. Gevoelens van onbehagen worden afgezwakt door de positieve kanten van de situatie te benadrukken.
    De liefde waarvan sprake is, richt zich overigens in deze gedichten niet uitsluitend op een geliefde in de erotische betekenis, ook tussen moeder en dochter is die voelbaar in een van de gedichten.

    Verloren in vertalen van taal

    Een derde thema dat opvalt in Gasthuis, is die van taal en communicatie. In het lange prozagedicht Weeftechniek wijst de titel al op de vaardigheid om van woorden en zinnen een verhaal te maken dat uitgroeien kan tot een gesprek, tot communicatie met een ander. De taal wordt vernieuwd, vermengd met andere talen, woorden daaruit worden overgenomen. Eén van de strofen bestaat uit alfabetisch gerangschikte Engelse woorden voor alles wat te maken heeft met de beweging van water. Daaronder staat een strofe waarin getracht is al deze synoniemen in het Nederlands over te brengen. Hoewel het Nederlands toch ook een groot aantal woorden over water kent, zijn deze niet echt synoniemen of vertalingen van de bovenstaande Engelse woorden; er moet in de laatste regels van het gedicht een tolk aan te pas komen. Ondanks een grote woordenstroom en het zoeken naar de juiste uitdrukking in relatie tot de ander komen we niet tot een samensmelting of symbiose en blijven we ‘lost in translation’. 

    Wederzijds onbegrip speelt een grote rol in deze bundel. Taal is ontoereikend om nader tot elkaar te komen. Het gedicht Moetingen is een spel met taal: het voorvoegsel –ont staat meestal voor iets negatiefs; hier is dat weggelaten om tot het woord ‘Moetingen’ te komen en de voorvallen in het gedicht positief te maken. Maar ‘moetingen’ kan ook staan voor dingen die echt ‘moeten’. 

    Niet alle gedichten zijn van eenzelfde kwaliteit. Verweijen is in haar debuutbundel duidelijk op zoek naar wat het beste bij haar past en wat haar eigen is. Sommige gedichten zijn heel subtiel, ander weer expliciet. Het gedicht, ‘Het lege grijpen / De mug in je vuist’ dat enkel uit twee regels bestaat, had achterwege moge blijven, het doet afbreuk aan de rest. Maar het merendeel van deze bundel is zo goed, dat je deze kleine onvolkomenheden graag over het hoofd ziet. Het is een intrigerende bundel met doordachte en doorvoelde gedichten, waarin de dichter haar beschouwingen zodanig heeft verwoord dat die aanzetten tot overdenkingen. 

     

     

  • Onsterfelijk

    Onsterfelijk

    Aan de leestafel in de bibliotheek blader ik in een tijdschrift met kledingpatronen. Een man naast me vraagt belangstellend of ik van handwerken houd. Carmiggelt waarschuwde zijn vrouw om tijdens een interview toch vooral niet te zeggen dat ze graag naaide, omdat de volgende vraag dan ongetwijfeld zou zijn: met wie? Daarom zeg ik voorzichtig dat ik graag mijn eigen kleding maak. De man knikt en zegt dat hij zich dat wel kan voorstellen, omdat het met mijn maat niet zal meevallen leuke kleren te kopen. Ik ben te dik, zegt hij, en dat komt omdat ik troep eet. Alle mensen eten troep, behalve hijzelf, en daarom is hij onsterfelijk geworden. Er zit een voedselgoeroe naast me. Dat is teleurstellend, want ik sta argwanend tegenover mensen die alles zo zeker weten; de twijfelaars zijn mij liever. Maar ik ben benieuwd hoe hij onsterfelijk is geworden. Ik wilde dat vroeger ook wel. Daarom  doe ik alsof ik die opmerking over mijn kledingmaat niet gehoord heb. 

    Als ik hem vraag wat hij eet om het eeuwige leven te bereiken, vertelt hij dat hij slechts één keer in de maand kookt: een grote pan soep. Die verdeelt hij over kleine potjes die hij in de ijskast zet en daarvan eet hij de hele maand en niets anders. In de vriezer, verbeter ik, maar nee, hij bedoelt de ijskast. En als ik nu maar naar hem wil luisteren, zal hij me vertellen welk voedsel mij ook het eeuwige leven gaat schenken.
    Ik moet denken aan de roman van Simone de Beauvoir, Niemand is onsterfelijk. Daarin drinkt de hoofdpersoon graaf Fosca een elixer, nadat hij het op een muis heeft uitgeprobeerd om te kijken of het niet dodelijk is, dat hem onsterfelijk maakt. Maar de onsterfelijkheid die hij zo begeerde, blijkt een vloek te zijn. Later verzucht hij dat als alle leven op de wereld is uitgestorven, hij en die muis nog steeds over de aarde zullen moeten dwalen, eenzaam en ongelukkig.

    Nu wil ik niet meer onsterfelijk zijn. J. C. Bloem had onweerlegbaar gelijk in zijn gedicht uit de bundel Afscheid uit 1957:

    Quando ver venit meum (Wanneer komt voor mij de lente)

    ‘Nimmermeer. Er is geen weerkomst van een eens gemist getij.
     Iedere dag is als de vorige onherroepelijk voorbij.

     Altijd zullen lenten keren, altijd zullen herfsten gaan.
     Tussen ongeboorne’ en doden flitst het menselijk bestaan.

     En wat blijft den machtelozen tussen straks en toen?
     Het onaanvaardbare te aanvaarden en het zwijgen ertoe doen.’

     

    Als de voedselgoeroe aan het slot van zijn pleidooi voor gezond eten nog vertelt dat je elke ochtend je eigen urine moet drinken om de onsterfelijkheid te verwerven, moet ik weer aan graaf Fosca denken. Het elixer voor het eeuwige leven? Ik vrees dat ik in dat geval niet ouder zal worden dan de mij toegemeten jaren. 

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Op 16 maart 2018 stierf de dichter F. Starik aan een hartaanval. Het was ook de dag waarop hij vijftien jaar samen was met zijn geliefde, de dichteres Vrouwkje Tuinman. Anderhalf jaar na zijn overlijden verscheen haar zesde dichtbundel Lijfrente, waarin ze vertelt over de dood van haar partner en de verwerking van haar verlies. Voor deze bundel kreeg ze in maart 2020 De Grote Poëzieprijs.
    Op de voorkant van de bundel een foto van een man die zijn hoofd door een opening steekt van wat een bunker lijkt. Hij draagt een keurig pak, nette schoenen, de manchet van zijn overhemd komt onder de mouw van het jasje uit. Het zou zomaar een begrafenispak kunnen zijn. De gedachte dat de man een kijkje neemt in de onderwereld waar de schimmen wonen, laat zich raden. 

    Iets nieuws staat te beginnen

    Het eerste gedicht van de bundel heet Maart, de maand waarin Starik gestorven is, maar ook de maand van het nieuwe begin: in de vijver groeien de eitjes uit tot kikkervisjes met de belofte van nieuw leven: ‘Vanmorgen evolueerde een van de streepjes / tot een komma. Er staat iets te gebeuren.’ Maar voordat Tuinman vertelt wat dat is, doet ze verslag van de revalidatie van Starik na zijn eerste hartaanval negen maanden eerder, zijn ziekenhuisopname en uiteindelijk zijn dood. Om het te boekstaven, om het niet te vergeten, maar ook om te kijken wat er voor haar is overgebleven nu ze alleen verder moet. Het motto van de bundel, een fragment uit Passengers van Iggy Pop, wijst daar op: ‘(…) So let’s take a ride and see what’s mine’.

    Er zijn een aantal van de klassieke rouwfases in deze gedichten aan te wijzen: ontkenning, woede, aanvaarding. De laatste strofe van het gedicht Automaat luidt bijvoorbeeld: 

    ‘Les twee: ontsluit, nog voor er twijfel kan ontstaan,
    met twee handen alle poorten. Maakt niet uit of
    er push staat of pull. Berust niet, sla desnoods
    degene die een deur voor je open wil houden
    voor zijn hoofd. Ga niet in op de belofte van een wonder.’

    Zuinig op grote woorden

    Tuinman dicht niet met grote woorden en houdt de beschrijving van haar emoties klein. ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer.’ Ze gaat terecht vanuit dat de lezer zelf wel kan aanvoelen wat er achter haar nuchtere observaties schuil gaat. Vooral in de langere prozagedichten is dat zeker zo, kan iedereen voelen hoe moeilijk het moet zijn geweest om thuis te komen in een leeg huis, kleding en persoonlijke spullen van de overledene uit te moeten zoeken en alles voortaan alleen te moeten doen. Het zijn heel persoonlijke, kwetsbare gedichten waarin geprobeerd wordt het verdriet in te dammen. Troost wordt er niet geboden, maar humor is een van de manieren om het beheersbaar te houden:

    Omgekeerde emancipatie

    ‘Nieuw aangeleerd cliché: ‘deze dingen doet mijn man normaal’.
    Het kastje van het zonnepaneel. De banden op spanning.
    De verstopte stofzuiger repareren. Rouw opent deuren – soms letterlijk,
    als het driepuntsslot kapot is en er een man, een andere dus,
    moet komen, die beweert dat dit al maanden speelt, gebeurt
    echt niet zomaar opeens, daar komt mijn cliché, en haalt zomaar
    tachtig euro van de rekening. Voel ik me schuldig? Soms, een beetje,
    want de meeste van die dingen deed hij helemaal niet,
    of ik deed ze al voor hem. Dan schreeuw ik tegen de schroefboor,
    verwijt hem dat er nooit iets lekker vanzelf werkt, het verdorie
    ook nog regent en ik een levende gemeenplaats ben.’

    De praktische aangelegenheden, die gebeuren moeten, zoals het uitzoeken van foto’s en het opruimen van medicijnen, worden in de gedichten afgewisseld met herinneringen aan het gedeelde verleden, waarbij het verdriet en het gemis wél de vrije loop krijgen. Maar steeds opnieuw vermant Tuinman zich, zit niet bij de pakken neer maar blijft bezig, omdat het moet. Het is die afwisseling van de nuchter constaterende en emotionele toon die deze bundel levensecht en zo aanspreekbaar maakt. 

    Pogingen tot afstand houden

    De manhaftige pogingen het verdriet op afstand te houden worden ’s nachts in dromen doorbroken: in twee gedichten, Opzichtige dromen 1 & 2 en 3 t/m 8 vertellen acht dromen van een hernieuwde ontmoeting met de geliefde op een festival, op het station, naast het bed. ‘(…) Ik houd je vast, jij mij niet.’

    In het lange prozagedicht Wachtkamer verderop in de bundel, is de tijd het onderwerp. Dit gedicht fungeert als een samenvatting van de bundel en beschrijft het gehele rouwproces van begin tot einde, van de dood van Starik tot aan het onbeschofte ongeduld van de omgeving: ‘Sorry, maar wanneer houdt dit zielige gedoe nu eens op?’

    Maar het is ook een algemeen aanvaard cliché dat het leven verder gaat. De gedichten kijken gaandeweg vooruit in plaats van achteruit en na een jaar is er voorzichtig sprake van een ander lief. ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,’ vertelt de beginregel van Omtrekkende bewegingen.

    Met het laatste gedicht van de bundel is de cirkel rond: weer staat de dichter in de tuin, net als in het eerste gedicht. Ze heeft de tuin in velden verdeeld: 

    Gras

    ‘Aan de andere zijde is het groener.
    Op het ene veld staan de mensen die niet
    meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
    vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
    er valt niets te ruilen. […]
    Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
    dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
    ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
    ’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.’

    Deze bundel zou eigenlijk in elke wachtkamer van elk ziekenhuis, mortuarium en hospice moeten liggen. Iedereen die iemand heeft verloren zal zich herkennen in deze doorleefde bundel.

     

  • Nederlands leren

    Nederlands leren

    Twintig jaar geleden begon ik met les geven van Nederlandse taal aan vrouwen van  drieënvijftig verschillende nationaliteiten en dertien verschillende religies. De overheid had bepaald dat de participatiemaatschappij ook voor hen was bedoeld. Iedereen die een bijstandsuitkering had, of de partner, moest het huis uit om op de een of andere manier een bijdrage te leveren aan de samenleving. De vrouwen kwamen hierdoor niet altijd vrijwillig naar les. De meesten waren op latere leeftijd in het kader van  gezinshereniging naar Nederand gehaald, zonder dat ze zich een voorstelling van het leven hier hadden kunnen maken. Ze hadden inmiddels hun eigen netwerk opgebouwd met kinderen en kleinkinderen, buren en landgenoten. Velen van hen waren analfabeet, ook in de eigen taal, maar  konden zich goed redden. De behoefte Nederlands te leren was nauwelijks aanwezig. Dat te veranderen was mijn taak als lerares.

    Terugkijkend heb ik vermoedelijk net zo veel van mijn cursisten geleerd als zij van mij. De vele, vaak persoonlijke verhalen die los kwamen naarmate we elkaar beter leerden kennen. De sprookjes die we uitwisselden, de liedjes, het bijgeloof, de zeden en gebruiken van onze verschillende landen, ik zoog ze al die jaren op als een spons  en bleef me verwonderen over de verschillen maar vooral over de overeenkomsten tussen mensen en culturen. 

    Al lukt het neerhalen van de muren van onbegrip die soms tussen ons in bleken te staan niet altijd. In de gevorderde groepen begon ik elke les met het voorlezen van een gedicht. Die keer had ik gekozen voor M. Nijhoff:

     Het derde land

    Zingend en zonder herinnering
    Ging ik uit het eerste land vandaan,
    Zingend en zonder herinnering 

     Ben ik het tweede land ingegaan,
    O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Toen ik dit land ben ingegaan.

     O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Maar laat mij uit dit land vandaan,
    O laat mij zonder herinnering

     En zingend het derde land ingaan.

     Goede poëzie is meerduidig, iedereen leest een gedicht anders. Wat je eruit haalt, zit meestal in jezelf en als je eenmaal betekenis aan een gedicht hebt toegekend, verander je die niet meer zo gauw. Nooit had ik gedacht dat Nijhoffs spirituele gedicht zó letterlijk kon worden opgevat dat een Turkse cursist de handen voor haar ogen sloeg en in onstuitbare snikken uitbarstte. Het was voor de hele lesgroep een wat ongemakkelijke situatie. Maar het gedicht sloeg wel een bres in de muur waardoor we elkaar beter konden zien. 

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.

  • Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Moya De Feyter (1993) is een Belgisch dichter en schrijver. Ze studeerde theaterwetenschappen en debuteerde in 2018 met de dichtbundel Tot iemand eindelijk, daarbij verschenen haar gedichten ook in diverse literaire tijdschriften. Ze won in 2017 de poëziewedstrijd van de universiteit van Antwerpen en bereikte tweemaal de finale van Write now!, een schrijfwedstrijd voor jong talent. Met het theatergezelschap Zuidpool gaf ze aan haar laatste bundel Massastrandingen ook zelf gestalte op het toneel, samen met vijf andere spelers. 

    Die vijf spelers komen overeen met de vijf verhaallijnen die in de bundel te ontdekken zijn en die aangegeven worden door het consequente gebruik van verschillende lettertypes en typografische kenmerken: donkergrijze balken over de regels, doorhalingen van woorden, inspringen in de marge, kleine en grote letters. Sommige bladzijdes zien eruit alsof de bundel in de modder heeft gelegen. Dat past bij de titel: ‘Massastrandingen’ doet allereerst denken aan walvissen die op het strand geworpen zijn. Maar ook brengt dat het thema ‘vastlopen’ in gedachten, gestrand zijn, niet verder kunnen. 

    Pop in sinaasappelboom

    De eerste verhaallijn staat in een schreefloze letter en gaat over een dode pop die in een sinaasappelboom hangt. Niemand weet wat daarmee moet gebeuren, maar heeft er wel een mening over: ‘er staan nu zeven mensen rond de sinaasappelboom / de pop is duidelijk dood’. Pas in het allerlaatste gedicht zal er iemand een oplossing aandragen die op zijn zachtst gezegd nogal verrassend is.
    In cursief grijs beschrijven de gedichten van de tweede verhaallijn de spanning in een gezin  voordat er een grote een overstroming plaatsvindt. Ieder lid van het gezin is uitsluitend met zichzelf bezig en niemand ziet de zondvloed aankomen voor het te laat is: ‘de eerste druppels hadden ze nochtans aangenaam gevonden. een gezellig getik op koud glas’.

    Een derde verhaallijn is een dialoog tussen twee personen, waarbij de sprekers naast elkaar worden gezet in hun eigen letterkleur, maar beide sprekers lijken deel uit te maken van één enkele persoonlijkheid, waarbij de tweede stem die van de nuchtere realiteit is: ‘hier is nog nooit iemand geweest / ik toch’. Zij geven beiden commentaar op de gebeurtenissen. In de vierde verhaallijn zijn de gedichten lichtgrijs gehouden: zij gaan over de grootmoeder en haar veroudering. Het zijn liefdevolle, humoristische gedichten, die het meest de realiteit benaderen. 

    Spoorzoeken langs verhaallijnen

    De vijfde lijn bevat een verzameling losse gedachten, invallen en kernachtige spreuken. Deze vijf lijnen zijn echter niet altijd even duidelijk van elkaar te onderscheiden. Gedichten uit deze vijf lijnen staan als losse fragmenten op elke bladzijde afgedrukt. Je zou deze bundel dus op verschillende manieren kunnen lezen: of je leest bladzijde voor bladzijde de verschillende gedichten achter elkaar, of je volgt het spoor van één enkele verhaallijn door de hele bundel.
    Spoorzoeken wordt het sowieso, want veel van de gedichten lijken associatief te zijn ontstaan vanuit de fantasie van de dichter, waardoor het lastig wordt een verhalende lijn vast te houden. In de bonte verzameling van gedichten moet de lezer zelf zijn weg zoeken: patronen ontdekken, verbanden leggen en structuren aanbrengen. Dat wordt wat bemoeilijkt doordat er heel veel gedichten in deze experimentele bundel staan: 111 dichtbedrukte pagina’s zijn opmerkelijk veel voor een bundel. Een index ontbreekt, maar het zou ook ondoenlijk zijn om de gedichten daarin onder te brengen.

    De zee en al wat daarin leeft vormt een thema en een bron van inspiratie voor De Feyter: walvissen, dolfijnen, haaien, kwallen, zeesterren en plankton bevolken de gedichten. Onder water kan het leven mooi zijn, als je een walvis bent, maar de zee vormt een bedreiging voor het leven daar buiten: ‘oh en als je thuiskomt, zal je vader er niet zijn / hij werd door een walvis opgeslokt’. 

    Wonderlijk geheel

    Er staan rampen te gebeuren, maar er is niemand die een besluit neemt: de gezinsleden gaan ieder in zichzelf op en hebben nauwelijks in de gaten dat er een vloedgolf aankomt; niemand doet iets aan de dode pop die in de sinaasappelboom hangt en ieders aandacht trekt; de veroudering van de grootmoeder gaat onvermijdelijk verder. De dialoog tussen de twee sprekers levert hierop commentaar als het koor in een Grieks drama uit de oudheid:‘we sluiten onze ogen want we weten dat het daar in het leven vaak op neerkomt / je ogen sluiten, hopen dat er in tussentijd / iets verandert’

    Het valt niet mee alle stemmen uit deze bundel met elkaar in verband te brengen, maar ook zonder een verband leveren de gedichten samen een wonderlijk geheel op. Als je meedrijft op de woordenstroom van De Feyter, wordt allengs duidelijk dat alles met elkaar te maken heeft. De gedichten over de grootmoeder zijn de meest traditionele van vorm en inhoud:

    als je dood bent heeft het geen zin om mooie kleren te dragen

    ‘de moeder van mijn moeder slaapt met haar bril op haar buik
     ik staar onafgebroken naar de pootjes
     wanneer de avond valt, gaan ze nog altijd op en neer

     de volgende ochtend deppen we haar droge lippen
     drinken en eten hoeft niet meer, zegt de dokter’

    De losse gedachten en invallen zijn niet altijd even sterk en soms doen ze zich voor als tegeltjeswijsheden of tekst op een poster van Loesje: ‘als je met je voorhoofd de grond raakt, kun je niet meer vallen’. Daarentegen zijn de hallucinerende beelden die De Feyter gebruikt doordringend en verontrustend. Een intrigerende bundel die veel vragen opwerpt, de antwoorden zal de lezer zelf moeten zien te vinden.

     

  • Zonderlingen en buitenbeentjes

    Zonderlingen en buitenbeentjes

    De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.

    Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting:  Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’. 

    Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd  opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:

    Geschiedenis

    ‘Hier en daar een dorpsgek
    vecht nog zijn eigen oorlog,
    leunt nog tegen zijn leeggeruimd
    toneel van de wereld en wacht nog

    op volgende week betere komedianten.’

    Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en veellezer.

  • Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klimaatverandering heeft ook de literatuur beïnvloed: nog nooit zijn er zo veel romans en dichtbundels geschreven die zich bezighouden met een wereld in de toekomst na de Apocalyps. De meeste van deze boeken vertellen over een dystopische samenleving, waarin de mens moet zien te overleven onder barre omstandigheden, met als grootste vijand zijn eigen medemensen. De achtste bundel van Mark Boog (1970), Liefde in tijden van brand, gaat weliswaar uit van hetzelfde vertrekpunt: een maatschappij die vijandig en vernietigend is, maar hij kiest voor een andere route. In plaats van de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan, voert hij een liefdespaar op dat zich verschanst in een binnenwereld en zich staande probeert te houden  op een eilandje te midden van een wereldbrand die zich als een woeste vuurzee om hen heen uitbreidt.

    Een idyllisch begin

    De bundel bestaat uit vier afdelingen van elk veertien titelloze gedichten zonder witregels. Aan het begin van elke afdeling is het eerste gedicht in cursief gezet, als representant voor dat wat volgt. De meeste gedichten zijn kort en bevatten hooguit vijftien versregels achter elkaar, alleen het cursieve gedicht van de derde afdeling vormt hierop een uitzondering met eenentwintig strofen van drie regels. Alle gedichten scharen zich onder hetzelfde thema en zijn onderdeel van één verhaal.
    De eerste afdeling toont een idyllisch begin: ‘Schaterlachend dansen we het korenveld in’. Er zijn slechts twee personen, de ik en de jij die in alle gedichten de hoofdrol spelen. Andere mensen zijn niet aanwezig: ‘Elders is nooit leven aangetroffen, / er is naar gezocht. We vliegen hoog.’

    Dit zijn liefdesgedichten pur sang, handelend over twee geliefden en niets anders. De vuurzee van de buitenwereld wordt weerspiegeld in het liefdesspel in bed, dat met een dompelbad vergeleken wordt. Alle gedichten in deze afdeling zijn variaties op eenzelfde thema: jij en ik en de liefde.

    Bedreigende buitenwereld

    In de tweede afdeling loert het gevaar: ‘Er woei papier door de brievenbus naar / binnen’. De buitenwereld dient zich aan en probeert door te dringen in het dagelijkse leven van beide geliefden. Er komen scheuren in hun zelfgebouwde cocon. De derde afdeling met haar afwijkende inhoud en vorm fungeert als de spil van de gehele bundel, het middelpunt waaromheen de andere afdelingen draaien. In deze cursief gezette drieregelige strofen wordt teruggekeken op het verleden en de oorzaak van de vlucht van de geliefden uit de buitenwereld. Ze rijden in een auto door een woestijnlandschap op weg naar een toevluchtsoord. Er heeft zich blijkbaar een grote, niet nader aangeduide ramp voorgedaan. Het heeft er alles van dat er een gruwelijke oorlog over het land getrokken is: ‘Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug.’

    In de vierde afdeling is de buitenwereld onontkoombaar binnengedrongen in de binnenwereld van de geliefden, die hun ogen niet meer kunnen sluiten voor de wereldbrand. Wat buiten gebeurt, heeft ongemerkt invloed op hun samenzijn: hun geluk wordt stroever, laat Boog de hoofdpersoon zeggen, en zij blijven bij elkaar omdat er niemand anders is. De vijfde afdeling klinkt als een berusting in niet alleen het verval van de buitenwereld, maar ook dat van het eigen lichaam: in hun zelfverkozen toevluchtsoord waren de geliefden veilig voor de buitenwereld, maar worden bedreigd door de voortschrijdende tijd. Ze zijn langzaam oud geworden, ziekte en aftakeling slaan toe, en ook de eens zo hechte liefde begint barsten te vertonen: 

    ‘De zon brandt op de harde rotsen,
    die elk jaar roder, dichter, ouder
    woestijn zijn. Wie buitenkomt
    gezicht brandt. Wie binnengaat
    duisternis vindt. Elk jaar na
    de gruwelijke winter is er meer
    troost in het uitzicht, meer troost
    in het gekende gezelschap, meer
    verlies. We gaan nooit meer weg.’

    De afgelegde weg voert onherroepelijk naar een triest einde in het allerlaatste gedicht:

    ‘In ons smeulen vuren, ons oppervlak
    is zwart en stil, een kratermeer
    bij wolkeloze avond. Daar vliegen
    de vleermuizen, daar gaan de uilen.
    We gooien het koude hoofd in de nek
    en huilen, eindelijk huilen we.’

    Het verval en de liefde

    De titel van de bundel brengt onvermijdelijk het beroemde werk van Gabriel García Márquez in gedachten, Liefde in tijden van cholera. Er zijn treffende overeenkomsten: Márquez vertelt ook over twee geliefden die pas, als ze al over de zeventig zijn, hun liefde kunnen vieren en beleven. Ook hier is veel aandacht voor het lichamelijk verval, ook deze geliefden vluchten voor de buitenwereld waar cholera heerst, en blijven op een boot – hun toevluchtsoord –  heen en weer varen over een rivier. 

    Mark Boog, die eerder de C.Buddingh’- prijs en VSB- poëzieprijs won, heeft met deze bundel een reeks klassieke liefdesgedichten geschreven, die traditioneel genoemd zouden kunnen worden, als het element van de wereld na het Armageddon niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. De gedichten passen in deze tijd waarin de angst voor de toekomst prevaleert, maar Boog predikt niet, dringt niemand iets op en probeert niet te overtuigen van de naderende ondergang: de gedichten zijn rustig en laten in mooie beelden zien dat branden een onderdeel is van de liefde en het leven zelf.