• Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Met haar nieuwste bundel Rennen naar het einde van honger, lijkt Esther Jansma ervoor gekozen te hebben om zowel daders als slachtoffers van groot en klein leed te portretteren. Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen, maar ook op dieren en bomen. Ze doet dit zonder een oordeel te vellen, ze constateert en beschrijft slechts. Maar juist doordat ze heel inzichtelijk weet te maken waar het wezenlijk om gaat, zijn haar gedichten scherp als een foto. Bovendien schuwt ze het maatschappelijk engagement niet door actuele gebeurtenissen weer te geven. Zo dicht ze bijvoorbeeld over mensen die vluchten vanwege een natuurramp die hun huis dreigt te doen instorten, maar ook over vluchtelingen die door oorlog uit hun land verdreven werden. Ze geeft een stem aan degenen die het overkomen is, maar ook aan de toeschouwers die langs de zijlijn staan en toekijken. Het zouden politieke gedichten zijn geworden als Jansma stelling had genomen, maar deze bundel is geen pamflet, maar een impressie. Jansma kiest haar beeldspraak zorgvuldig en ook de constructie van haar gedichten is heel doordacht.

    Bewaren van het verleden

    Jansma gaat in de eerste afdeling Waar het begint uit van het opgeven van de oude vertrouwde positie die mensen hebben ingenomen en die haaks staat op de noodzaak van bewegen en veranderen. Ze doet dit aan de hand van een gedicht over een boom, die al eeuwen begraven ligt onder het zand. ‘[…] ze is niets en doet niets / dan steeds verder en zachter / wegraken uit haar bestaan.’ Pas als de boom wordt uitgegraven, verandert ze ‘en zij stopt met iets zijn wat  vergaat’. Opvallend is dat Jansma de boom als vrouwelijk wezen beschrijft. Ze is dan ook de enige dichter in Nederland die dendrochronoloog is: een archeoloog die zich bezighoudt met de datering van bodemvondsten aan de hand van groeiringen. Het kan geen toeval zijn dat veel van haar gedichten te maken hebben met het benoemen van herinneringen en het bewaren van het verleden.

    In de afdeling De verandering staan sterke gedichten die beschrijven hoe mensen van huis en haard verdreven worden. Jansma kiest haar woorden zo zorgvuldig dat ze een willekeurige periode uit het verleden verbinden met het heden. Zo laat ze zien dat er in de lange geschiedenis van de mensheid nog steeds niets veranderd is. Oorlog, vernietiging en stromen vluchtelingen zijn universeel en van alle tijden, net als onbegrip en vreemdelingenhaat. Ze heeft daarvoor geen grote woorden nodig:

    ‘Beleid van wormen en aarde

     Ze leggen hun jas naast de weg en gaan liggen.
     Ze vertellen hun lichaam dat dit een hier is.
     Ze wuiven elkaar de troost dat dit mag toe.

     Ze mompelen over mensen en plaatsen die niemand meer kent –
     de namen ontsnappen uit hun monden als damp
     die nergens kan neerslaan, geen enkele dorst lest –
     en ze gaan slapen. En morgen weer en daarna weer.

     Niet ongerust zijn, zegt iemand bij een radiator,
     na een tijdje vermageren ze, binnenkort zijn ze papier,
     wat foto’s in een oude krant die door de wind
     omhoog gegooid smeekbeden ritselend verdwijnt.’

    Bijzonder emotioneel

    Van het gedicht ‘Hier en daar’ is de inhoud niet meer anoniem, maar verwijst naar bestaande maatschappelijke groeperingen, al noemt Jansma geen namen: een groep terroristen verkracht na het gebed een tiener, ‘- de boog / kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’, terwijl in het witte huis de bewoner zich druk maakt over het feit dat de kristallen kroonluchter te klein is. ‘Wegwerpkindertjes’ is een afdeling met gedichten over mishandeling, misbruik, onthechting. Hoewel Jansma met ingehouden versregels niet nadrukkelijk het leed oproept, zijn deze gedichten bijzonder emotioneel. Ze laten een diepe indruk na. In het gedicht ‘Je kunt aan van alles denken’ verbindt de dichter via de titel in de eerste strofe het heden van een mishandeld kind met de slachtoffers van concentratiekampen uit het verleden: ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

    Ook in de afdeling Dit is niet een giraffe gaat het over mensen die nergens bij horen, buitengesloten zijn, geen vaste grond onder de voeten hebben. In het vierluik ‘Al die herinneringen’ probeert een lyrisch ik het verleden achter zich te laten en opnieuw te beginnen, maar moet daarvoor veel van zichzelf opofferen. Identiteit en imago lijken elkaars tegenpool te zijn.
    Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken. ‘Ze mocht het weer slaan van zichzelf. / Ze denkt dat het een hersenschudding heeft.’ Of neem het gedicht ‘De wind steekt op’, dat net als het bekende gedicht van Remco Campert, ‘Iemand stelt de vraag’,  steeds met ‘iemand’ begint. De eerste regel luidt, ‘Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.’ Maar waar bij Campert het stellen van vragen tot verzet leidt, is daar bij Jansma geen sprake van. 

    Eén gedicht onttrekt zich aan het algemene thema en is zacht en teder, in ‘Kattebel’ is sprake van geluksgevoelens. Ook het eindgedicht spreekt van hoop, ‘wij hebben in alle variaties al samen bestaan, ooit / zijn we er weer, zitten we hier aan precies deze tafel / te lachen, want het heelal is een lichaam dat ademt.’ Een nieuwe kans lijkt, ondanks alle ellende,  hiermee te worden aangeduid voor een niet klein te krijgen mensheid.

    Stem van schuldeloze slachtoffers

    Esther Jansma heeft in deze bundel gedichten samengebracht die op een onnadrukkelijke manier aangrijpend zijn. Ze roept situaties op waarbij geen uitleg nodig is. Ze registreert niet alleen, ze geeft schuldeloze slachtoffers een stem die net zo luid klinkt als die van de schrijnende berichten in de media. Als symbool van alle onderdrukking, marteling en moord, kiest ze niet voor een lam, wat voor de hand zou liggen, maar voor een kalf, wiens huid tot perkament gemaakt is.

    ‘Gebedenboek

     Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd
     in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt,
     op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,
     op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen
     gezet tegen ontelbare ondenkbaar ellendige eindes.

     Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,
     een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.
     Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.
     Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig
     tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.’

    Rennen naar het einde van honger is een tragische titel, want wie zegt dat het einde daarvan bestaat? En of de mensen die deze gedichten bevolken, die eindstreep halen? Jansma geeft ze wat hoop, maar niet veel.

     

     

  • Fietstocht om inzicht te krijgen in afkomst en aard

    Fietstocht om inzicht te krijgen in afkomst en aard

    Dichter en prozaïst Jacob Groot laat in zijn nieuwste roman Toen ik alle dingen zag, een man een fietstocht maken langs de kust van Noord-Holland, van Velsen tot aan Den Helder. De reden waarom hij dat doet, wordt niet helemaal duidelijk: hij heeft een opdracht gekregen van zijn vrouw Eva, maar welke opdracht dat precies is, wordt niet onthuld. Wel wordt door zijn vrouw middels een codewoord, ‘Wolkendek’ gerefereerd aan een gebeurtenis tijdens een nacht, ‘waar we ons nog altijd blind op staren’. De ontknoping daarvan is de opdracht die de naamloze fietser meekrijgt, maar waar verder in het boek niet meer over gesproken wordt.

    Belangrijker is de opdracht die de man zichzelf geeft: een fietstocht maken door het Noord-Hollandse landschap dat in hem verankerd ligt, om daardoor inzicht te krijgen in zijn afkomst en zijn aard. De provincie zit in zijn genen, ‘ze is een bouwsteen van wie ik ben.’ Daarom gaat hij in de roman voortdurend een dialoog aan met zichzelf en maakt hij de lezer deelgenoot van zijn invallen, fantasieën, dromen en herinneringen. 

    Niets gebeurt zomaar

    In dichterlijk proza beschrijft Groot de bespiegelingen van de hoofdpersoon tijdens zijn queeste op zijn groene Raleigh-racefiets. Hij laat zijn gedachten gaan over het landschap, over de auteurs Herman Gorter en Jorge Luis Borges die hij als zijn reisgenoten beschouwt. Ook Roland Holst en Kouwenaar worden besproken. De zinnen waarin hij dat doet, zijn vaak uitzonderlijk lang, uitgesmeerd over de volledige pagina: een brij van hoofd- en bijzinnen waarin het soms moeilijk is te bepalen waar het over gaat zonder gedegen kennis van zinsontleding. Ook deinst Groot niet terug voor moeilijke woorden en begrippen die waarschijnlijk iedereen moet opzoeken. Dat draagt ertoe bij dat de moeilijkheidsgraad van deze roman hoog ligt, ook door de talloze verwijzingen naar de Bijbel en andere literatuur.

    De Bijbel, de Koran en de Misjna worden al in het begin van de fietstocht door de hoofdpersoon in de grond begraven, misschien als symbool voor het loskomen van gevestigde tradities, een blanco begin te maken. Want in deze roman gebeurt niets zomaar en blijft niets zonder betekenis: in de proloog richt de auteur zich rechtstreeks tot de verteller: ‘En u verteller? U vindt dat we in wezen alles moeten kunnen zien, zelfs als het achter een koppig wolkendek verborgen ligt? Maar belangrijker is dan toch de vraag of u het zaakje voor ons opklaart? Dat laatste is natuurlijk ook uw opdracht, dus kwijt u zich vanzelfsprekend van die taak, al dient u zich eerst nog voor te bereiden.’

    De fietstocht van de man lijkt gaandeweg op een pelgrimage, inclusief de verleidingen van mooie, wulpse vrouwen zoals diverse heiligen die moesten doorstaan. Maar in tegenstelling tot hen bezwijkt de hoofdpersoon, die zichzelf beschouwt ‘als een profeet in de woestijn’ wel voor die verleiding, al is het niet duidelijk of dit alleen in zijn fantasie gebeurt. 

    Zoon van Alkmaar

    De beproevingen beginnen pas goed als zijn fietsband lek is, het avond wordt en hij uitgeput is. Op een camping maakt hij kennis met een oude man, die hem helpt en die op zijn vader lijkt. Hij zal deze man, die zich voorstelt als Salomo Keizer, nog twee keer tegenkomen; de tweede ontmoeting eindigt zonder enige aanleiding en ongeloofwaardig in een worstelpartij: Jacob vecht met de engel. Daarna begeleidt Salomo de hoofdpersoon in de trein van Schagen naar Den Helder. Als Salomo vraagt, wat de ander zoekt, vertelt deze een verhaal over de Zoon van Alkmaar, die naar de grote stad wilde, die ertoe doen wilde: ‘How to star?’ Het is een ironische verhaal over je anders voordoen dan je bent. De Zoon van Alkmaar is auteur en raakt onder invloed van de media, hij schept niets meer, maar levert maatwerk. ‘Je zelfbeeld beeldt alleen nog maar je publieke afwezigheid af.’

    Het verhaal wordt dan steeds mystieker. De hoofdpersoon gaat naar een hotel, ‘Lands End’ genaamd, waar hij verwacht wordt en niet hoeft te betalen. Ook bezoekt hij een rock-café met de naam ‘De Engel’, waar een band speelt die de Dämmerung heet. Namen met een culturele lading.
    Het gesprek eerder met Salomo in de trein brengt een catharsis teweeg: de hoofdpersoon besluit terug te gaan naar huis, naar Eva, ‘terug naar de recapitulatie en de evaluatie en de vergetelheid.’

    De bedevaart is dan allang een odyssee geworden met een Penelope aan het einde van de tocht. Groot noemt zijn protagonist dan ook ‘Nobody’, een verwijzing naar de naam die Odysseus zichzelf geeft als de Cycloop vraagt wie hij is: Niemand. 

    Dichterlijke taal

    Naast de vele verwijzingen naar de Bijbel en de Klassieke Oudheid worden er ook begrippen uit de alchemie aangeduid. De roman bestaat uit drie delen, waarvan de laatste twee ‘Transfiguratie’ en ‘Stralende nacht’ getiteld zijn. Al met al heeft Groot veel verwijzingen en symboliek gebruikt, maar dat voorkomt niet dat het einde onbevredigend is. Na het boek te hebben gelezen, blijft de vraag waar het allemaal om ging. Aan het taalgebruik is te merken dat Groot een dichter is. De indruk blijft dat deze roman beter tot zijn recht zou komen als dagboek in plaats van een reisverslag van een spirituele fietstocht. En hoewel de lezer met regelmaat rechtstreeks wordt aangesproken door de hoofdpersoon, lijkt het hele relaas niet voor hem bestemd, maar dient het als middel tot  reflectie voor de verteller zelf. De vraag blijft of je een hoofdpersoon in een roman of het lyrische ik in een gedicht mag vereenzelvigen met de auteur.

    Taalkundige Marc van Oostendorp schreef onlangs in een blog voor Neerlandistiek, het online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek, dat ‘ik en jij in gedichten niet de gebruikelijke betekenis hebben, maar los staan van de werkelijkheid.’ Als dat ook voor een roman zou gelden dan zou de hoofdpersoon los staan van de auteur Jacob Groot. Dat lijkt onwaarschijnlijk, de fietser en de Zoon van Alkmaar lijken zijn alter ego’s te zijn. Niet dat het er echt toe doet. Groot heeft een intrigerende maar bij vlagen, vage roman geschreven, met genoeg gedachtes, filosofische overpeinzingen om iedereen bezig te houden tijdens de lange reis.

     

     

  • Nieuwe woning

    Nieuwe woning

    Toen ook de jongste dochter het ouderlijk huis verliet, begonnen de kamers van de kinderen één voor één het herkenbare, persoonlijke stempel kwijt te raken dat elk kind erop gedrukt had; ze veranderden in logeerkamer of opslagruimte voor achtergelaten spullen. Ik dacht weer aan A room of one’s own van Virginia Woolf. Ik wilde al zo lang een kamer voor mezelf; we besloten dat een van de verlaten kamers voortaan van mij zou zijn. Het werd die met het mooiste uitzicht, aan de achterkant van ons huis, waar ik ’s morgens heel vroeg kon zien hoe de opkomende zon de mist verjoeg die over de groene velden hing.

    Ik koos de kleur die de muren zouden krijgen en de deur, ik tekende een plattegrond van hoe de kamer eruit zou moeten zien. Ik vertelde mijn man, die beloofd had boekenkasten te maken, hoe ik ze het liefste wilde hebben: het aantal, de hoogte en de afmetingen van de ruimte tussen de planken. En aan het eind van elke dag werd de kamer steeds een beetje meer van mij: er kwam een bureau te staan, een schommelstoel, een goede leeslamp, en verder boeken, boeken, boeken aan alle kanten om me heen. Ik had die kamer nodig. Hier kon ik ademhalen als het tumult van de dag dreigde te verhinderen dat ik de stilte kon horen. Hier kon ik me terugtrekken als ik daar behoefte aan had. Hier kon ik alleen zijn met wat Rilke ‘meine heilige Einsamkeit’ noemde. Hier was ik gelukkig, heel wat gelukkiger dan de vrouw die slechts een geparkeerde auto tot haar beschikking had om even alleen te kunnen zijn. Voor haar had Hannes Meinkema het volgende gedicht geschreven:

    Eventjes

    – voor Maja –

    ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
    eventjes
    moeten jullie me niet storen

    en de precieze beelden die ze maakt
    zijn de schrijnende en
    levenslange
    brons geworden veelheid van gevoel
    van iemand die als ze het niet langer uithoudt
    eventjes
    in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.


    Toen een vriendin van me verhuisd was, nodigde ze me uit om te komen kijken naar de nieuwe woning. Ze gaf me, samen met haar man, een rondleiding door het hele huis. Het was inderdaad prachtig geworden, om jaloers op te zijn. In het souterrain deed haar man een deur open en zei dat deze kamer speciaal voor zijn vrouw was. Toen ik nieuwsgierig naar binnen keek – zou ze ook zo veel boekenkasten hebben als ik? – zag ik een wasmachine, een wasdroger, een strijkplank met daarop een strijkijzer en twee wasmanden. Handig, zei haar man, om alles bij elkaar te hebben, dan kon ze alles achter elkaar in dezelfde ruimte afwerken. Zijn vrouw knikte, maar niet heel enthousiast. Ik ben nog mee naar buiten gegaan om de tuin te bewonderen, maar ondanks hun aandringen ben ik niet gebleven voor het eten. Ik wilde naar huis, naar mijn eigen kamer, naar mijn man, om hem te vertellen dat ik van hem hield.

     

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Er zullen genoeg lezers zijn die zich hebben voorgenomen om tijdens een sabbatical of na hun pensionering alle zeven delen van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust te gaan lezen. Maar de meesten stoppen al na het eerste boek, De kant van Swann, zodra de schrijver de madeleine genuttigd heeft dat zijn geheugen activeert en hem in staat stelt zijn herinneringen op te roepen aan het dorpje Combray waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hanneke van Schooten wekt in haar derde bundel de indruk dat zij een van de weinigen is die Proust tot en met het laatste deel gelezen heeft. Haar bewondering voor de schrijver heeft deze bundel tot een eerbetoon aan Proust gemaakt, wat niet alleen in de gedichten tot uitdrukking komt, maar ook in de zeer verzorgde uitgave van deze bundel, waarin diverse portretten van Proust en voorbeelden van zijn handschrift zijn opgenomen.

    Geheugenhulp

    De titel van de bundel doet onmiddellijk denken aan het ‘geheugenpaleis’, een mnemotechniek die leert dat je de dingen beter kunt onthouden als je ze een plek geeft op een denkbeeldige route door een denkbeeldig huis. De naam is ontleend aan het verhaal over Simonides van Keos, een lierdichter uit het antieke Athene, die na de instorting van een paleis de doden kon identificeren doordat hij zich herinnerde waar ze aan tafel hadden gezeten. Van Schooten laat het bij Proust iets anders werken: al zijn herinneringen liggen al opgeslagen in zijn geheugen en moeten door toevallige voorwerpen opgeroepen worden. Anders dan bij het geheugenpaleis heeft Proust hier geen zeggenschap over, al laat Van Schooten hem met taal en woorden proberen greep te krijgen op zijn herinneringen:

    Geheugenkathedraal

    Hoe verwoed hij woorden zoekt,
    zijn zinnen kiest, met precisie inbedt
    en ordent naar een vaste wet.

    Tot in het sterfbed toe een jacht
    ─ wild vloekend of in kille berekening ─
    naar de ondraaglijke vracht  herinneringen
    van tijd, van vorm en van verhaal.
    Een universum: zijn geheugenkathedraal.

    Meester in manipulatie.
    Duivelskunstenaar met taal.
    Spraak en adem
    zijn levenslange kwaal.

    De twee laatste versregels duiden op het feit dat Proust zijn hele leven aan astma leed; hij stierf aan een longontsteking. 

    Geheim der dingen

    De zeven afdelingen van deze bundel bevatten allemaal gedichten met eenzelfde thema: de wens om via herinneringen achter ‘het geheim van dingen te komen’. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, beginnend met Proust als kind en eindigend bij zijn dood:

    Ziener

    Dingen hebben hun geheim,
    als kind al wist hij dat,
    stelde later verbijsterd vast
    dat hij als ziener aangewezen was
    om orde te scheppen
    in de scherven, de chaos,
    de mieren van zijn brein
    om het raadsel op te lossen.

    Treffende beelden

    In de vijfde afdeling, De zaklantaarn van het geheugen, weet Van Schooten met een prachtig beeld weer te geven hoe het geheugen werkt: Proust ziet zijn geliefde dorp Combray, ‘in  gedachten nooit als één geheel / maar eerder in fragmenten / zoals een zaklantaarn accenten / op laat lichten van een groot gebouw in de ronde / focus van zijn schijnsel opgedeeld / hier en daar een helder beeld / uitgesneden tegen een donkere achtergrond.’

    De gedichten zijn rustig en eenvoudig van taal, maar met treffende beelden. Het zijn weloverwogen, uitgebalanceerde gedichten. Sommige hebben eindrijm, maar dat dringt zich nooit aan de lezer op, maar is er als het ware terloops in terechtgekomen. Ze maakt daarentegen ruim gebruik van begin- en klinkerrijm. Van Schooten heeft zich goed in Proust weten in te leven en kijkt door zijn ogen naar de wereld om hem heen; ze laat hem echter niet zelf aan het woord.

    Ze beschrijft hoe Prousts zoektocht naar het verleden gelijk oploopt met de ontwikkeling van zijn schrijverschap: naarmate hij dichterbij de uiteindelijke ordening van zijn geheugen komt, vindt hij een eigen stijl om zijn ‘paleizen van taal’ te bouwen, als tegenhanger van de geheugenpaleizen. De herinneringen die steeds sterker bovenkomen, getriggerd als ze worden door landschappen, huizen en torenspitsen, lopen parallel met de mate waarin Proust zijn eigen literaire stem vindt en komen samen in het laatste deel van zijn romancyclus, De verloren tijd hervonden. Ook geuren en smaken zijn sterke prikkels: zo wijdt Van Schooten twee gedichten aan het beroemde moment waarop Proust een madeleine in zijn kopje vlierbloesemthee doopt, waardoor herinneringen aan zijn jeugd weer bovenkomen. 

    Vanaf dat moment begint hij te schrijven, zielsgelukkig, omdat hij beseft dat hij zijn herinneringen kan omzetten in taal: ‘Hij wist ineens hoe en waarom / hij dode zielen bevrijden kon.’ Niet de voorwerpen, maar de taal wordt voor hem de behoeder van het verleden. Door de taal heeft hij de tijd hervonden. 

    Zingen van de dingen

    In het laatste gedicht vertelt Van Schooten dat hij de dingen zingen liet, maar dat ook zijn eigen stem nog steeds te horen is:

    Visioen

    (…)

    Nu hij zwijgt,
    dood hem heeft ingelijfd,
    ligt hij rustig ingebed voor altijd
    in zijn hervonden tijd.

    Nu klinkt zijn stem
    van elke bladzij die hij schreef
    en zingen zijn woorden voor hem.

    In De klokkenluider van de Notre Dame van Victor Hugo uit 1831 komt een geleerde voor die in zijn studeerkamer kijkt naar het eerste gedrukte boek kijkt; gedrukt in plaats van met de hand geschreven, iets wat in zijn ogen het begin vormt van de vernietiging van andere manieren van vereeuwiging. Hij doet vervolgens het raam open en kijkt naar de enorme kathedraal. ‘Dit hier zal dat daar doden’, zegt hij: het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen. In het geval van Proust is het omgekeerd: daar hebben de boekdrukkunst en de bundel van Hanneke van Schooten ervoor gezorgd dat Prousts geheugenkathedraal vereeuwigd is. 

     

     

  • Nut van poëzie

    Nut van poëzie

    Herkent u dit? Je bent uitgenodigd voor een groot feest, maar kent alleen de gastvrouw en de hele avond heeft er nog niemand iets tegen je gezegd. Of vrienden hebben gevraagd of je naar hun bruiloft komt, maar in de feestvreugde is iedereen vergeten dat jij de enige bent die geen Turks verstaat. Of je zit in een saaie vergadering op een warme middag en je dreigt in slaap te vallen. Of je moet heel lang wachten voordat je ergens aan de beurt bent. Andere mensen pakken dan hun smartphone om hun verlegenheid en verveling tegen te gaan, maar op mijn Nokia kan ik alleen maar Snake Xenzia spelen. En ook al heb ik altijd een boek bij me, ik durf niet zomaar overal te gaan zitten lezen. 

    Maar als mij niets meer overblijft, rest nog de poëzie. Ik put bij zulke gelegenheden uit mijn geheugen om de tijd te verdrijven en mijn sociale onhandigheid te maskeren en reciteer in gedachten gedichten die ik op school van buiten moest leren, want dat was vroeger de kern van poëzieonderwijs. Zo trekken de fabels van La Fontaine aan me voorbij en alle vijftien coupletten van het Wilhelmus, de gedichten van Kees Stip en Annie M.G. Schmidt, maar vooral de ‘Gezwinde grijsaard’ van P. C. Hooft uit 1611. 

    Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
    de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
    altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
    doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

    onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
    verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
    en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
    voor iedereen te snel: hoe valdie mij zo traag?

    Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
    de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
    met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

    en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
    maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
    dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.

    Mijn geheugen is niet meer zo goed als vroeger en hoewel het sextet een makkie is, blijf ik vaak steken in het octaaf. Ik hoop dat mijn gezicht ondertussen een betrokken en intelligente uitdrukking heeft aangenomen, zodat het niemand zal opvallen dat ik slechts lijfelijk aanwezig ben, maar meestal toont mijn buitenkant het omgekeerde van wat er zich van binnen afspeelt en zie ik eruit alsof ik nog niet tot tien kan tellen. Een vriend van me, behept met dezelfde ongemakkelijkheid in gezelschap, vervoegt in dergelijke situaties altijd de Latijnse onregelmatige werkwoorden, maar daar begin ik niet aan, dan zie ik er waarschijnlijk helemaal uit als een zwakhoofdige Teletubbie. Maar aan het nut van poëzie hoeft wat mij betreft niet getwijfeld te worden.
    Dus mocht u me zien in een wachtkamer, voor een stoplicht, of bij een lezing, met mijn mond half open en mijn ogen scheel van de inspanning, wees niet ongerust. U hoeft geen hulp te halen, er is al een grijsaard die mij gezwind bijstaat.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    De zevende bundel van Liesbeth Lagemaat, Vissenschild, laat zich lezen als een grimmig sprookje. In gedichten die bestaan uit louter distichons (twee regels), ontvouwt zich doorlopend het lange, epische verhaal over Elpis, een ouderloos meisje dat opgevoed wordt door haar tante en in de herberg moet helpen bij het bedienen van de gasten. Dagelijks loopt zij de afstand ‘tussen herberg en hoeve’, waarbij ze op een avond aangerand wordt door Allesman/Nietsman, die haar verkracht en vermoord. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de rivier en wordt gedragen door een ‘vissenschild’, haar geest wordt ‘een molecuul van licht’ en gaat hemelen. 

    Dit verhaal is vrijwel gelijk aan de Vlaamse legende van de Fiere Margriet, ofwel Margaretha van Leuven, die rond 1207 geboren werd. Omdat zij zich hevig verzette tegen haar verkrachter, kreeg ze de bijnaam ‘de fiere’ of ‘de trotse’. Haar lichaam zou volgens de legende door vissen stroomopwaarts gedragen zijn door de rivier de Dijle in de richting van de vismarkt van Leuven, met een wijnkruik nog in haar hand. Ze werd een echte volksheilige aan wie mirakels werden toegeschreven en in 1902 werd ze zalig verklaard. In 1982 werd er een standbeeld van haar in Leuven geplaatst, drijvend in het water, naakt, met de kruik in haar hand.

    Een oud verhaal

    Lagemaat kiest ervoor om haar verhaal te laten verwoorden door ‘de kalligrafist’, die zich gedwongen voelt om het verhaal van Elpis te vertellen (‘Tegen wil en dank dient zij zich aan’) en die zoekt naar vormen om haar te laten ontstaan. Hij verzint een begin, waarin de twaalfjarige Elpis een voorspellende droom heeft, een donker visioen waarin ze op het water drijft. 

    De taal die de dichter de kalligrafist in de mond legt, is die van orakels, een droomtaal met een sterk, dwingend ritme en met verzonnen woorden. Deze woorden, zoals ‘zweemschirrezusje’ en ‘flikkerse vlinderslagvrouw’ kunnen in geen enkel woordenboek worden opgezocht, maar bepalen in sterke mate de muziek en de droomsfeer van de bundel, die zich goed leent om voorgelezen te worden. De woorden van de kalligrafist staan in romein; als de verhaalpersonen zelf aan het woord zijn, is de tekst cursief gedrukt. Zoals wanneer de tante van Elpis haar verhaal doet:

    DE DAALDERSE VROUW,
    HARDNEKKIG IN WROK EN HUNKERING

    ‘ Spreek ik als een moeder van nep en gort en ik weet het,
      jazeker, ze heeft haar ogen overal dat kind,

     […]

     […] Daar loopt ze. Daar. En wat is dat
     voor een naam, Elpis. Niemand die zo heet.’

    Elpis’ naam betekent ‘hoop’ in de Griekse mythologie, de hoop die achterbleef in de doos met onheil, die Pandora ondanks alle waarschuwingen toch opende. De ‘daalderse’ vrouw, de ‘vrouw met het duitenhoofd’, misschien zo genoemd omdat ze over het geld gaat in de herberg, heeft zelf nooit kinderen kunnen krijgen en staat zichzelf daarom niet toe om van Elpis te houden:

    ‘Te wrokken over een houten schoot, en de duurmalige
     verdamping van wat ik ben in kop en lijf, zouden mijn vingers

     geen daalders tikken dan wou geen mens nog raken aan
     mijn huid. Een zeemleren lap is mijn woonst. En toch. Soms

     leg ik mijn hand op de kan die zij net naar binnen bracht, Elpis.
     Lijkt het steen van de kruik warm als klei. […]’

    Stiefmoeder en schaduwzusje

    Net als in de sprookjes van Grimm is ook hier de boze stiefmoeder aanwezig. De kalligrafist noemt haar ‘die moeder van stief / en waan’, die jaloers is op het ontluikende meisje dat inmiddels zestien jaar is. Uit eenzaamheid heeft Elpis een ‘schaduwzusje’, gefantaseerd, een ‘nevelkind’. Datzelfde ‘schirrezusje’ probeert Elpis te behoeden als ze van de herberg naar huis loopt:

    ‘[…] Van achter pakt het schirrezusje haar bij de kladden.
     aan de oever ligt drijfzand vandaag, weg bij die beek.’[…]’

    Maar ze kan niet voorkomen dat de kruik van Elpis gebroken wordt door Nietsman, die verandert in Allesman als hij Elpis naar huis begeleidt. De kalligrafist zoekt uitvluchten om niet te hoeven optekenen hoe het verder gaat. Hij is bang dat hij medeschuldig zal worden aan wat komen zal en wat niet te veranderen is: de verkrachting en de moord op Elpis. Maar Elpis weet dat hem geen schuld treft:

    ‘[…] Kan ik hem beschermen

     tegen de schending, hem zacht naar het breekpunt geleiden.
     Mijn lichaam was nooit van mij, ben ik weggeglipt in een scheur

     van het weilanddecor. Wat blijft, en later zich toont in schittering –
     kon ik hem geven dit respijt: een soelaas om mijn lot dat niet

     door hem ontwonden. Hij is de tekenzetter, dat is al. Hij verdient
     compassie. Voorlopig kan ik niets doen dan zijn handen warmen,

     zijn pols, de muis van zijn duim.’

    Een verhaal van alle tijden

    De kalligrafist probeert een ander einde voor haar te bedenken, maar moet zich neerleggen bij het feit dat hij de gebeurtenissen slechts kan boekstaven, niet beïnvloeden. Hij moet Elpis laten gaan en schrijft een eerbetoon voor haar waarin zij rust op haar vissenschild. Het is een verhaal van alle tijden, maar Lagemaat heeft het opnieuw verteld in deze prachtige bundel. De afbeelding op de voorkant brengt in eerste instantie een epos uit de oudheid in herinnering, maar door kleine dingen zoals een horloge een rol laten spelen, plaatst de dichter het dichterbij in de tijd. Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren. 

    Op 12 december zal Liesbeth Lagemaat in Amsterdam een gesproken opera op basis van haar bundel laten horen in het theater van Stichting Perdu in Amsterdam.

     

     

  • La Paloma

    La Paloma

    Ik zag hoe tijdens een gezellige avond in een zaaltje van het dorpscafé, de oude, knoestige mannen één voor één naar voren werden geroepen. Mannen met grote handen en grove trekken, die van jongs af aan van aanpakken wisten. Vaak nauwelijks tot hun elfde jaar de lagere school bezocht hadden, moesten meewerken op het land, of in de haven, omdat vaders loon ontoereikend was. Ze werden toen direct lid van de vakbond en nu, vijftig, zestig jaar later, kwamen ze hun gouden speldje in ontvangst nemen. Al dan niet met een robijntje naar gelang het aantal jaren van hun lidmaatschap. Zestig jaar geleden waren er geen vrouwen bij die avond in het café, toen was de plaats van de vrouw nog thuis.
    De vakbondafgevaardigde sprak de oude mannen toe en wist van iedereen een kleine anekdote op te dissen alvorens het speldje werd opgeprikt. Er werden foto’s gemaakt – de fotograaf fluisterde elk lid opnieuw in het oor dat de foto’s zouden worden thuisgestuurd – en de echtgenotes die trots naast hun mannen stonden, kregen een bos bloemen. 

    Eén vakbondslid had zich vrijwillig gemeld om de avond muzikaal af te sluiten. Midden op het podium zat hij achter een synthesizer, als vanzelf klonken de stampende ritmes. Hij zong erbij en zette steevast net iets te laag in waardoor hij aan het eind van het lied onder zijn register zat, alleen nog brommend kon fluisteren. De liedjes kwamen uit de oude doos: Jim Reeves was langs gekomen, het ‘Blonde Greetje uit de polder’ hadden we al meegezongen en ‘Blue Spanish eyes’ kende ik ook wel. Maar hij zong geen ‘rode’ strijdliederen, geen socialistische hymnen of de Internationale, het strijdlied van de arbeidersbeweging dat door Henriette Roland Holst in 1900 vertaald was. ‘Tante Jet’, zoals ze genoemd werd, had zich verwoed ingezet voor het sociaal marxisme. Zo schreef ze: 

    ‘Over de zwakheid van het verenkelde’

     […]
     zoo doet hij, die zijn machtwoord luid laat rijzen,
     boven den wil van een geheel geslacht,
     vergetend dat gezamentlijke wijzen
     alleen, de schoonheid paren aan de kracht.

     Want koren worden gemak’lijk gedragen
     door ruimten heen, waar ééne stem bezwijkt
     wijl alle stemme’ in kore’ elkander schragen.
     En wie alleen wil zingen, moet niet klagen
     wanneer zijn stem soms onwelluidend blijkt,
     en niet zoo ver, als een koor draagt, kan dragen.’

    Net toen ik dacht dat de zanger deze strofen ter harte kon nemen, zette hij het lied van Freddy Quinn, ‘La Paloma’ in. Ineens was ik terug in de keuken van mijn ouderlijk huis en zag mijn ouders samen dansen bij de radio. Het was hun lied, het werd gedraaid op hun 25-jarige bruiloft, en het werd gespeeld toen mijn moeder gecremeerd werd. Ik knipperde met mijn ogen: het moment was voorbij voor ik werkelijk verdrietig kon worden. De zanger had trouwens al ‘The green, green grass of home’ ingezet.

     

    Citaat uit: Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, (1896).


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Taal die striemt en overweldigt

    Taal die striemt en overweldigt

    De titel van de zesde bundel van Anne Vegter doet vermoeden dat het terrein van de wetenschap betreden wordt, maar al gauw blijkt dat de titel op z’n Nederlands uitgesproken dient te worden: gegevens over een big, een varken. Met ‘big’ wordt de man bedoeld, vriend, echtgenoot, vader, geliefde van de vrouw die in deze bundel in drie verschillende gedaantes haar beklag doet over zijn ontrouw. De eerste vrouw die aan het woord komt is de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, van wie een prachtig portret werd geschilderd in de documentaire Korreltjie niks is mij dood. Haar bekendste gedicht is wel Die kind wat dood geskiet is deur soldate by Nyanga. 

    Toen Ingrid Jonker tien jaar was, overleed haar moeder en ging ze met haar zus bij haar vader wonen, die al voor haar geboorte haar moeder verlaten had. In zijn nieuwe gezin werd ze echter nooit volledig opgenomen; haar band met haar vader bleef slecht. Later werd ze verliefd op de al getrouwde schrijver Andre Brink, op de veel oudere schrijver Pieter Venter en nog later op de twintig jaar oudere Jack Cope. Een abortus, de breuk met Brink en haar manische depressiviteit deden haar in een kliniek belanden, van waaruit ze in 1965 de zee inliep en verdronk.

    In naam van Ingrid Jonkers

    Vegter laat Jonker aan het woord in een fictief interview over haar reis naar Europa in de eerste afdeling, Hoe Europa doen. De gedichten hebben de vorm van proza, omdat Vegter er heel veel biografische gegevens in heeft verwerkt. Ze laat Jonker vertellen over haar verlangen om te reizen en grote steden te zien. De mannen die haar daarbij beurtelings vergezellen, zijn niet echt betrokken bij haar leven: Cope blijft onverschillig bij haar abortus, Brink gaat terug naar zijn vrouw, de ruzies zijn niet van de lucht. Als Jonker daarna instort, komt dat niet als een verrassing: haar doodsverlangen wordt door Vegter door de hele cyclus heen verweven in de gedichten. In het laatste gedicht als Jonker naar een kliniek wordt gebracht, laat ze haar zeggen: 

    ‘Ik neem dit niemand kwalijk.
     Ik wilde zelf ook want ik moest van mezelf almaar dood.
     Daarom neem ik niemand iets kwalijk.’

    Overspelige man

    De big, waarvan tot nu toe geen melding werd gemaakt, doet zijn intrede in de tweede afdeling, ‘Big Data’ genaamd. Deze bestaat uit gedichten waarin een vrouw zich richt tot haar overspelige man. Beiden blijven naamloos, maar de man wordt big of pigboy genoemd. Deze gedichten zijn minder toegankelijk dan de rest van de bundel, omdat er weinig achtergrondinformatie gegeven wordt over de relatie van de man en de vrouw en de uiteindelijke breuk. De beelden die Vegter gebruikt, zijn niet eenvoudig te duiden. Het zijn duidelijk voelbare woede-uitbarstingen van de vrouw, waarin ze de man verwijten toeslingert die een glimp laten zien van wat er zich moet hebben afgespeeld: de relatie was aanvankelijk goed, er kwamen kinderen, er werden toekomstplannen gemaakt, maar leugens en ontrouw hebben alles vernield. Therapie en verzoeningspogingen brengen geen redding meer, de man vertrekt naar een andere vrouw. 

     in de praktijk

    ‘meer dan een jaar en wat deed dat met je of wil je dat niet delen dokter zegt seksles
       is dat iets
     om over na te denken de honger neemt af de bloedarmoede neemt toe en de statistieken
     knikken vriendelijk
     je dacht dat je de uitzondering was de enige die godvergeten ver wilde fietsen om haar
     tranen
     naar een begrafenis te brengen trouw, mevrouw, een schaars goed, ik heb nogal wat
     oudere patiëntes die
     net u en het zusje van mijn vrouw is trouwens ook boem de leidende rol in de rouw is
       voor ons’

    Kwijlende big

    De laatste en langste afdeling is Medea 2.0 die de vorm van een monoloog heeft. Medea is in de Griekse mythologie de tovenares die haar twee kinderen doodde om haar ontrouwe echtgenoot Jason te straffen. De kinderen doden doet Vegters Medea niet, maar het scheelt maar weinig of ze waren omgekomen bij een auto-ongeluk.
    Big heeft na een relatie van twintig jaar troost gezocht bij een andere vrouw: ‘[…] een kwijlende big / die zijn neus snoot / in een jonge schoot’.  In vlijmende zinnen  beschrijft Vegter hoe de zelfrealisatie van de vrouw ondergeschikt werd gemaakt aan de ambities van de man uit naam van de liefde. Daar droeg ze zelf schuld aan, ze maakte zichzelf te afhankelijk van het mannelijk leiderschap, want ‘ik wilde je te graag’.

    Tijdens een autorit met de beide jongens op de achterbank verliest ze haar concentratie, raakt een paaltje, waardoor de auto gaat tollen en achteruit het water in rijdt. Ze ziet zich gedwongen om haar man te bellen, te vragen of hij hen komt halen. Het wordt een vreselijk gesprek vol beschuldigen en verwijten, die Vegter als zweepslagen laat knallen. Ze bedenkt ook wat ze met hem zou doen:

    Wraak en vergiffenis

    ‘hem halverwege laten bungelen
     uithongeren
     versterven
     of aan je hakken omhooghengelen
     ik help je niet
     vader van mijn liefsten
     verschrompel in je droge riool
     je had een ander
     (alweer’)

    Toch is haar liefde voor hem niet verdwenen. Als Jason op de stoep staat en ‘jammert dat de liefde niet voorbij is’, weet ze niet wat ze moet doen. Vegter haalt Euripides aan, die de oorspronkelijke Medea schreef, en besluit met: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.’ 

    In een stijgende lijn van pijn, haat en woede heeft Vegter drie vrouwen hun verhaal laten doen in een taal die striemt en overweldigt. Overtuigende verhalen van sterke vrouwen, levensecht. 

     

     

  • Weten dat er iets is

    Weten dat er iets is

    Twee gedichtenbundels schrijven in één jaar: Echo echo en Guillaume, dat lukte Kreek Daey Ouwens (1942) omdat ze, volgens een interview met haar in het Eindhovens Dagblad, ‘deze tekst cadeau had gekregen’. Ze doelt hiermee op haar nieuwste bundel Guillaume, die gewijd is aan haar verstandelijk gehandicapte broer, met wie ze opgroeide in de jaren vijftig in een klein dorp in de mijnstreek van Zuid-Limburg. Ze was het derde kind in een gezin van elf, Guillaume werd na haar geboren: een jongen, nadat er al drie meisjes waren. Dat maakte vader bijzonder gelukkig, totdat bleek dat zijn zoon verstandelijk gehandicapt was:

    ‘We weten dat er iets is we weten dat er iets
    aan de hand is we weten niet wat we zien we
    horen dat onze Vader anders is als hij met
    Guillaume is dat wij andere kinderen –

    Dit was Vaders droom:

    Guillaume naar de universiteit   hoge funktie
    dokter    advokaat

    Guillaume die iemand te woord staat  welbespraakt

    “U mag trots zijn op Uw zoon,
    Hoe heet hij?”‘

    Parallel hiermee loopt het gedicht waarin ook Guillaumes verwachtingen en wensen worden weergegeven: ‘Guillaumes bucketlist: / Papa zegt: Jij bent een slimme jongen.’

    Moeders washandje

    In een groot gezin is er weinig tijd om speciale aandacht te schenken aan een kind dat daar meer dan een ander behoefte aan heeft. Schande en schaamte zijn mede de oorzaak dat Guillaume in een tehuis wordt geplaatst als hij elf jaar is. Af en toe mag hij naar huis en dan vindt hij het zo erg dat hij weer terug moet naar de instelling, dat hij een keer in een dwangbuis moet worden afgevoerd. Bovendien krijgt hij in het tehuis ook nog te maken met seksueel misbruik door meneer Wim, die daarvoor later veroordeeld wordt. Daey Ouwens vertelt hier niet veel over, maar ze heeft dan al met heel weinig woorden duidelijk gemaakt dat de eerste jaren van Guillaumes leven wreed zijn geweest. Later, als de seksuele gevoelens van Guillaume zich op dezelfde manier ontwikkelen als bij andere jongens, doet ze Guillaumes contacten met vrouwen in niet meer dan een paar suggestieve bewoordingen af. Want belangrijker was een liefdevol portret tekenen van de broer van wie ze veel hield, in kleine dingen, en met details die goed laten zien hoe hij was:

    […]

    Jouw thuis,
    dat was de oude kat
    moeders washandje

    Te groot kind op een wip.

    Uit liefde voor haar broer

    Ze vertelt een aangrijpend en ontroerend verhaal, dat in enkele zinnen aanschouwelijk wordt gemaakt en bij de lezer emoties oproept zonder dat de dichter daarbij gebruik hoeft te maken van sentimentele of overdreven bewoordingen. Elk gedicht schetst een apart moment of een gebeurtenis in het leven van Guillaume waarbij heen en weer gesprongen wordt in de tijd, en roept een tafereel op waarin de lezer zich gemakkelijk kan verplaatsen. De gedichten worden verteld vanuit het perspectief van de dichter: dat van een onvoorwaardelijk liefhebbende zus, die terugblikt met weemoed en een gevoel van onmacht, omdat niemand in staat is geweest het leven van Guillaume anders te laten verlopen.

    ‘Voor Sorry is dit verhaal
    Voor het gemis
    Voor de kleur van je ogen
    Voor waar zou je het liefst hebben gewoond?
    Waar was je het liefst geweest?’

    De kracht van Daey Ouwens zit in de kunst met weinig woorden alles te zeggen. Nergens is haar dat beter gelukt dan in deze bundel: ‘Een voor een dooft Vader al zijn dromen.’

    Jaren 50

    Toch oordeelt ze niet over haar vader, ook al schildert ze hem af als een gedesillusioneerd man die zijn teleurstelling over zijn zoon op het kind afreageert door heel streng te zijn voor hem, ook al geeft hij blijk van bezorgdheid als er iets met de jongen dreigt te gebeuren. In de jaren vijftig werden kinderen en ouders niet geacht om emotioneel te zijn naar elkaar toe: er werd lichamelijk en financieel gezien goed voor de kinderen gezorgd en dat was het belangrijkste. Daey Ouwens houdt in deze bundel de liefde voor haar ouders intact, evenals die voor haar broer: niemand draagt schuld, de dingen waren nou eenmaal zoals ze waren. De jaren vijftig waren voor niemand gemakkelijk en vader heeft geprobeerd er het beste van te maken. Ze is zich er tevens van bewust dat broers en zussen waarschijnlijk een heel ander verhaal zouden vertellen over hun gedeelde jeugd, hun vader en hun broer Guillaume.

    Guillaume stierf drie jaar geleden, een bejaarde man met het uiterlijk van een notaris of ‘het hoofd van een school’, laat Daey Ouwens een van haar broers en zusters zeggen, maar met het hart van een kind. Als hij sterft, is de bucketlist waarvan eerder sprake was, leeg gelaten: enkel streepjes zijn afgedrukt. Was er voor Guillaume niets meer te wensen over of betekenen die alleen maar het einde? Voor zijn zus de dichter rest er nog wel een wens in de epiloog van deze bundel:

    ‘Guillaume opnieuw geboren en dit keer goed,

    Dezelfde zee
    Dezelfde wind’

    Deze bundel autobiografisch, maar tegelijk is het een verhaal voor en over alle mensen die een verstandelijk gehandicapt familielid hebben. Hoe er in de jaren vijftig werd omgegaan met een kind dat ‘anders’ was, zal wel even wennen zijn voor mensen van deze tijd. Maar liefde is in alle tijden eender.
    De bundel is geïllustreerd met fijnzinnige tekeningen van Ineke van Doorn, die de gedichten een extra dimensie geven.

     

     

  • Zeehonden

    Zeehonden

    Het was druk en benauwd in het zwembad. De hoofden van de zwemmers dreven op het water als gehaktballen in de soep. Maar het grootste gedeelte van de bezoekers was verdeeld over de hoeken van het zwembad, waar ze in kleine groepjes met elkaar stonden te kletsen. Het water kwam niet hoger dan hun heupen, want hun haar wilden ze droog houden. Ze leken op een groep zeehonden, die dikke oude vrouwen, in zwarte en donkerblauwe badpakken  – donkere kleuren kleden slank af – zeehonden die de hele dag lang op het strand of op de rotsen bij de zee liggen, lui en langzaam bewegend terwijl ze af en toe naar elkaar snorkten. Toen kwam er een jonge vrouw binnen, een mooie, elegante vrouw in een vlammend rode bikini die uit niet meer dan drie lapjes bestond om de strategische punten van haar lichaam te bedekken. Ze stond aarzelend aan de rand van het bad, keek rond.

    Alsof het zwembad veranderd was in een bijenkorf, zo begon het ineens te gonzen. Hoofden werden gedraaid in de richting van de indringster in rood, het fluisterend geroddel was bijna verstaanbaar. Het meisje werd net zo rood als het onderwerp van de verontwaardiging  van de vrouwen, ze kon alleen maar ontsnappen aan hun commentaar door een elegante duik in het water te nemen. Het duurde niet lang voor ze uit het water kwam en verdween in een van de kleine hokjes om zich om te kleden. Het verontwaardigde geroezemoes hield nog even aan, maar de overwinning was behaald, het geroddel stierf weg.

    ‘Vleugelslag

    Zwemmen moet je leren. Het vaste omzetten in vloeibaar.
    Veren op de steunzool van het water. Liggen op het water.
    Zwemmen is loslaten, drijven, meegaan met de stroom.

    Maar wat is vliegen? Vliegen is dit alles niet.
    Vliegen valt niet te leren. Je kunt het of
    je kunt het niet. Alle vrouwen kunnen het.
    Ze zijn het soms vergeten. Vliegen is de weidse
    bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht.

    Geen makke schoolslag maar een vlindervlucht:
    het overwinnen van je zware zelf en opstijgen,
    klapwiekend, wervelend, de lucht doorklievend.
    De vleugelslag van vrouwen is verraderlijk. Mooi.’

    De week daarop, toen alle zeehonden weer verzameld waren, verscheen de jonge vrouw weer. Deze keer droeg ze een donkerblauw badpak dat haar prachtige lichaam van de hals tot haar billen omsloot. De matrones mompelden goedkeurend, glimlachten en knikten toen ze hen voorbij zwom. De orde was hersteld, ze hadden overwonnen en konden het zich veroorloven vriendelijk te zijn. Ze was nu een van hen.
    Het begon al te schemeren toen ik mijn zwarte zeehondenvacht afstroopte en weer mens werd. Maar dat voelde niet als iets om trots op te zijn.

     

    ‘Vleugelslag’ uit: Het onverborgene / Lut de Block / Arbeiderspers


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Verlangen naar verandering

    Verlangen naar verandering

    De Vlaamse Tom Van de Voorde (1974) is dichter, essayist en vertaler van voornamelijk Amerikaanse poëzie. Zijn eerste bundel Vliesgevels filter (2008) werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs, de tweede, Liefde en aarde, voor de Herman de Coninckprijs. Deze tweede bundel kreeg tevens de driejaarlijkse poëzieprijs van de provincie Oost-Vlaanderen. Daarnaast publiceerde Van de Voorde in diverse literaire tijdschriften. Zijn werk werd in meer dan tien talen vertaald.

    Zijn vierde dichtbundel Jouw zwaartekracht mijn veer is een intrigerende titel: je kunt je voorstellen dat ‘jouw zwaartekracht’ een vaste waarde in het leven van de ik-figuur betekent, waarnaar de laatste onvermijdelijk weer terugkeert. Anderzijds zou het ook kunnen dat de veer een springveer is, die zich herhaaldelijk aan de zwaartekracht wil onttrekken door even op te springen. Het is hoe dan ook een titel om over na te denken.
    Dat geldt ook voor de inhoud, want Van de Voorde laat in deze bundel veel van zichzelf zien, maar omdat de gedichten heel persoonlijk zijn, zijn ze ook vaak ondoorzichtig en niet gemakkelijk te interpreteren voor de lezer.

    Onvrede

    In vijf afgebakende afdelingen, die niet veel met elkaar te maken lijken te hebben, brengt de dichter zijn observaties en zijn gevoelens onder woorden. De eerste afdeling, Ik toog mijn gebergte, gaat uit van een status quo die niet bevredigend is, een dagelijks leven dat nodig dient te worden opgeschud:

    We always began it again

    het is 4 a.m. en ik kijk
    naar een etende vrouw

    Het paleis dat onze heuvels
    en muren verlicht

    vertelt leugens
    aan slapende gezinnen

    Niemand kijkt toe hoe
    ons bouwwerk in elkaar stort

    terwijl mijn ruggengraat
    tussen haar dijen hangt

    Wie zal waken
    over de hongerige gier

    die boven mij zweeft
    als ik weer ingeslapen ben

    Het verlangen naar verandering van richting in het leven wordt steeds sterker en culmineert uiteindelijk in gedichten met titels als De vooravond van een verandering en De zorg voor eigen keuzes, waarin de dichter tenslotte ‘onbegonnen’ de avond inloopt, en zich herinnert ‘wat achter mij verborgen ligt’.

    Homo politicus, de tweede afdeling, herbergt een aantal gedichten waarin begrippen ter sprake komen als democratie, fascisme, hamer en sikkel, populisme en leiderschap. Hoewel in elk van deze gedichten een lyrisch ik aan het woord is en er vanuit een persoonlijk standpunt gesproken wordt, missen ze echte betrokkenheid en de mogelijkheid tot identificatie voor de lezer. Dat de dichter geen hoge pet op heeft van de politiek, weet hij echter wel op humoristische wijze duidelijk te maken.

    Heel anders daarentegen is de afdeling Apocalyps van het kleine geschil, met tien gedichten waarvan er slechts twee een titel kregen. Dit is pure liefdespoëzie over de relatie tussen twee mensen die ruzie hebben gekregen en hun best doen om de afstand die tussen hen ontstaan is, weer te overbruggen. Deze gedichten zijn eenvoudiger en directer dan de overige, maar weten daardoor juist te raken in hun oprechtheid die ontdaan is van alle literaire pretenties.

    Een kwestie van uitdrukking

    Op het punt iets te zeggen
    vraag je me waarom
    ik niets zeg

    Ik vermijd
    de vergelijkende trap
    en doe iets
    met mijn eerste zin

    Je zwijgt
    wanneer me ontgaat
    wat eerder is gezegd

    het duurt lang
    voor de dag weer lijkt
    op de vorige

    Amerikaanse kunst

    Maar het persoonlijkst is de dichter in de afdeling De schilderijententoonstelling, waarin hij spreekt over voornamelijk Amerikaanse schilders van het abstract expressionisme, over de componist Morton Feldman, de Amerikaanse dichter Wallace Stevens wiens gedichten door Van de Voorde vertaald zijn. Beeldende kunst, poëzie en vertaling daarvan worden hier samengebracht in een aantal heel lange gedichten – het gedicht Robert Mangold en ik beslaat tien pagina’s waarin de dichter een fictief telefonisch gesprek met de 82-jarige schilder voert – waarin de dichter zijn ideeën over moderne kunst en kunstkritiek uiteenzet.

    Wie meer wil weten over al deze kunstenaars en hun werk moet heel veel opzoeken, want alleen al in het gedicht Ons worden meer dan twintig vrouwelijke kunstenaars genoemd in het kader van een tentoonstelling die de dichter wil opzetten met als titel Female Abstraction.

    Het lange gedicht Who’s afraid of red, yellow and blue werd geschreven bij het schilderij van Barnett Newman, dat de meeste mensen wel zullen kennen, al was het alleen maar door de aanval in 1986 op de derde versie van het werk, toen een verwarde man met een stanleymes vijf lange sneden in het doek maakte. Dat werd toen gerestaureerd op een manier die leek alsof er met een verfroller overheen gegaan was. Maar Van de Voorde rept daar niet over: bij hem leidt het schilderij tot een bespiegeling over het nut van vertalen, over poëzie en of helderheid daarbij een vereiste is. De kernvraag waar het gedicht omheen cirkelt, is wat de ideale leeftijd is om gedichten te schrijven. Het is een ernstig zelfonderzoek naar waarden, zekerheden en twijfels omtrent het kunstenaarschap en wat belangrijk is. De dichter moet daarbij wel tot de conclusie komen dat wanneer je ouder wordt de gedachte aan de toekomst automatisch verbonden blijkt te zijn met de dood. Het gedicht leest als een credo, een heel intieme getuigenis van wat het levensdoel en de idealen van de dichter inhouden. Alsof je een kijkje kunt nemen in zijn ziel. Het is een van de mooiste gedichten uit deze bundel.

    Bijna net zo mooi is de laatste afdeling Les Barricades Mystérieuses, waarin in acht gedichten een ode wordt gebracht aan Clement Greenberg, een van de invloedrijkste kunstcritici in de Verenigde Staten, die een lans brak voor het abstract expressionisme.

    6. Op het laatst schreef ik
    een brief in gebroken Alexandrijns
    en sprak hem als boodschap in;
    Beste Clement,
    Loodzwaar is de vracht
    die zelden bijna nooit de bodem
    van diens kracht verzacht
    Hij wou geschiedenis op aarde,
    schreef hij terug,
    desnoods iets hemels als
    zekerheid, ontspanning en comfort,
    jongleren in een eenzame jungle
    van onmiddellijke gewaarwording

    Het is aan te raden om Google en Wikipedia bij de hand te hebben bij het lezen van deze bundel. Nog beter is het om van tevoren al het een en ander op te zoeken over de genoemde kunstenaars. Niet dat de gedichten anders onbegrijpelijk zijn: ze gaan uiteindelijk niet over hen, maar over hoe ze de dichter beïnvloed hebben in zijn liefde voor kunst en hoe ze hem duidelijk gemaakt hebben waar het wezen van zijn eigen kunstenaarschap lag. In die zin gaat deze bundel, hoeveel namen er ook genoemd zijn, alleen maar over Van der Voorde zelf.

     

     

  • Een baksteen

    Een baksteen

    Het was laat geworden toen de vergadering eindelijk voorbij was. Mijn collega  bood aan me met zijn auto naar het station te brengen, vandaar zou ik de trein naar huis nemen. De nachtlucht was scherp en koud, de sterren schenen stralend aan de donkere hemel. Het had gesneeuwd en het landschap leek een illustratie uit een boek van Anton Pieck. We liepen door de hobbelige straten van het slapende dorpje, gordijnen waren gesloten, geen mens op straat, zelfs niet om nog een laatste keer de hond uit te laten. Toen we langs een rij geparkeerde auto’s liepen, zagen we dat bij één van de auto’s de sleutels nog in het deurslot staken. We waren van mening dat we niet zo maar door konden lopen. Dus ik liep naar het huis waarvoor de auto geparkeerd stond en drukte op de bel. Na een poosje deed een oudere man open, een grote man met een baard en een bril. Hij nam ons argwanend van hoofd tot voeten op terwijl hij probeerde in te schatten met wie hij te maken had op dit late uur. Zijn blik bleven hangen bij het zwarte gezicht van mijn  collega.

    Hij snauwde, ‘Wat moeten jullie?’ Ik zei, ‘Pardon meneer, is dat uw auto die hier voor de deur staat?’ Meteen werd hij nog achterdochtiger, deed een stapje terug en vroeg, ‘En wat dan nog? Wat hebben jullie daarmee te maken?’
    ‘Helemaal niks, meneer,’ zei ik, ‘ik wilde alleen maar zeggen  dat u de autosleutels aan de buitenkant van de deur hebt laten zitten.’ Als bij toverslag veranderde zijn houding. Hij ademde opgelucht uit en bedankte me uitbundig, steeds maar weer. Hij schudde langdurig mijn hand, mijn collega, die uiteindelijk ongevaarlijk bleek, daarbij volledig negerend. Die haalde gelaten zijn schouders op en voegde dit nare incident toe aan een lange rij van vervelende ervaringen die met zijn huidskleur te maken hadden. Ik voelde me onpasselijk worden van woede, wilde tekeer gaan, heel dat kleine dorp verwoesten, platbranden tot de grond toe, tot alleen smeulende resten zouden overblijven. Het zou niet helpen, ik zou me er maar even beter door voelen.

    Na deze gebeurtenis kon ik het bekende gedicht van Lucebert nooit meer lezen zonder aan die avond te denken:

    ‘Er is een grote norse neger in mij neergedaald
     die van binnen dingen doet die niemand ziet
     ook ik niet want donker is het daar en zwart

     maar ik weet zeker hij bestudeert er
     aard en structuur van heel mijn blanke almacht

     hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
     dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
     nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
     teveel slaven trok ik af van de belasting’

    Die avond zelf was ik alleen maar op zoek naar een baksteen, om door het raam van de auto te gooien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.