• Twintig verhelderende essays

    Twintig verhelderende essays

    Piet Gerbrandy is dichter, classicus, docent en essayist. In zijn boek Het woord en de wereld laat hij in ruim twintig essays zien hoe deze vier domeinen van zijn werkterrein samenkomen, sterker nog, noodzakelijk zijn in hun samenhang. De essays zijn geschreven tussen 2018 en 2024 en bestrijken diverse terreinen: van religie tot de klassieke oudheid, van filosofie, Griekse en Latijnse schrijvers tot aan moderne poëzie. Vanuit verschillende invalshoeken en wetenschappen hebben mensen volgens Gerbrandy geprobeerd antwoord te geven op de eeuwige vragen: ‘Wie zijn wij? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Ook Gerbrandy zelf buigt zich over deze vragen, waarbij zijn dichterschap leidend is in zijn zoektocht naar antwoorden, zoals de ondertitel van dit boek al aangeeft: Duidingen van een dichter. Maar je zou deze ondertitel ook anders kunnen lezen: er staat immers niet: duidingen door een dichter. Je zou je ook kunnen afvragen welke dichter er geduid wordt. Want dit boek gaat over veel dichters, die allen zoeken naar wat zij ‘aan de wereld kunnen toevoegen.’

    Poëzie als middel tot begrijpen

    Alles wat mensen naar elkaar willen overbrengen, geschiedt door middel van taal die ‘zowel verheldert als vertroebelt.’ In den beginne was het woord en dan met name beeldspraak en metafoor, zegt Gerbrandy. ‘Het is het enige gereedschap dat ons […] ten dienste staat om greep te krijgen op het geheel waarvan we zelf deel uitmaken.’ Poëzie zou daarbij het middel bij uitstek zijn om te begrijpen ‘wie, wat en waar we zijn’ omdat zij zich het meeste bedient van beeldspraak. Hij haalt daarom ook Aristoteles aan: ‘Poëzie onderzoekt wat het is te zijn’.

    Verrassend genoeg begint Gerbrandy zijn zoektocht naar samenhang en betekenis niet bij de hem zo vertrouwde klassieke oudheid, maar bij de dichter Lucebert (1924-1994) en het geheim dat hij zijn hele leven bij zich droeg. Namelijk dat hij nazistische en antisemitische opvatting zou hebben gekoesterd terwijl hij zich eerst keerde tegen oorlogsgeweld en onderdrukking. Gerbrandy onderzoekt of er in Luceberts poëzie sporen zijn aan te wijzen die duiden op sympathie voor het gedachtegoed van de nazi’s. Een gedegen analyse waarbij Gerbrandy diep ingaat op enkele gedichten van Lucebert en tot verrassende conclusies komt, maar nergens een oordeel velt.

    Heldere taal

    Andere dichters wier werk zorgvuldig en indringend wordt onderzocht zijn onder anderen Gorter, Sasja Janssen, H.C. ten Berge, Hans Faverey en Annemarie Estor. Het betoog van Gerbrandy over het werk van deze dichters is scherpzinnig en verrassend en biedt verschillende nieuwe inzichten in de analyse van poëzie. Belangrijk is dat hij zich in deze analyses niet verliest in vage bespiegelingen. Dat maakt zijn essays buitengewoon leesbaar, ook al zou je nog nooit iets hebben gelezen over de onderwerpen die Gerbrandy tegen het licht houdt. Niet iedere lezer beheerst de kennis van Grieks of Latijn, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om deze essays te lezen; Gerbrandy neemt je mee naar de klassieke oudheid, waar hij je rondleidt en je nieuwsgierig en enthousiast maakt over alles wat hij erbij vertelt.

    Zoals bijvoorbeeld de essays over de Romeinse dichter Ovidius en zijn Metamorfosen, de Griekse Pindarus of de verteller Claudius Claudianus, over wie Hella S. Haasse Een nieuwer testament schreef. Het is Gerbrandy’s grote kracht dat hij het gedachtegoed van deze mensen naar onze tijd kan halen door te laten zien dat hun verhalen en mythen van alle tijden zijn:

    ‘Er is geen definitieve interpretatie, en iedere versie heeft evenveel bestaansrecht. het lichaam van de mythe trekt bij elke herneming een ander kleed aan, een weefsel van woorden die ertoe uitnodigen betekenis toe te kennen aan wat zich mogelijk onder de taal bevindt.’

    Nieuw licht op de bijbel

    Van de Klassieke Oudheid en haar goden is het een kleine stap naar een hoofdstuk over het ontstaan van offeren en dan vooral de overgang van mensenoffers naar het doden van dieren vanuit een religieuze overtuiging. Gerbrandy geeft een verklaring die aannemelijk is: ‘In eerste instantie is het waarschijnlijk een sociaal automatisme geweest: ik neem iets, dus ik moet iets geven. Het omgekeerde geldt eveneens: ik geef iets, dus mag ik verwachten iets te krijgen.’ Later wordt het offer getransformeerd tot een zoenoffer voor eerwraak tussen twee strijdende partijen om verder bloedvergieten te voorkomen.

    Ook het Christendom kent mensenoffers: de kruisiging van Christus, die Gerbrandy een ‘Unschuldskomödie’ noemt, ‘een vorm van ritueel gesjoemel’, omdat ‘zowel offeraar als slachtoffer wist dat de laatste na zijn dood opnieuw zijn comfortabele positie naast zijn vader zou kunnen innemen.’

    Gerbrandy noemt zichzelf een ‘ex-gereformeerde classicus’ en werpt vanuit die positie een geheel nieuw licht op de Bijbel en verschillende verhalen daaruit. Vooral zijn verhandelingen over het Hooglied en het verhaal over Job zijn verrassend en de bevindingen van Gerbrandy zijn goed onderbouwd. Hij komt tot de volgende conclusie: ‘het is in de eerste plaats de literaire kwaliteit van Job die me omverblaast, maar de strekking als zou de mens niets vermogen ten overstaan van hogere krachten, of je die nu God, het Lot, het Toeval of de Natuur noemt, blijft onverminderd actueel.’

    Het belang van kennis vergaren

    De enige manier om je staande te houden in een verwarrende wereld is volgens Gerbrandy in zijn essay De vorstin der dingen, het vergaren van kennis over die wereld. Niet per se via het onderwijs, al kan dat wel een helpende hand reiken, maar vooral door verhalen en door poëzie, omdat de literaire traditie universele waarheden bevat die via symbool en metafoor worden overgeleverd. Waarheid en werkelijkheid worden duidelijk door ze in taal te vatten. Taal en teksten geven inzicht in ons bestaan. Een brede intellectuele ontwikkeling is noodzakelijk om je te kunnen weren in het maatschappelijke leven. ‘Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou de 21st century skill bij uitstek kunnen zijn.’ Gerbrandy pleit voor een samengaan van traditie en experiment bij het verwerven van kennis.

    Een voorbeeld daarvan geeft hij als hij in de Metamorfosen van Ovidius en het Symposium van Plato verbinding legt met de hedendaagse maatschappij: de verkrachting van vele vrouwen door Zeus. de oppergod van het Griekse godendom, de huidige Me too– beweging en de Epstein files hebben te veel overeenkomsten om te negeren als het gaat om man-vrouw-verhoudingen en de moderne opvattingen daarover. De bruggen over de kloof tussen vroeger en nu kunnen alleen geslagen worden door een grondige verdieping in de materie die te vinden is in de literatuur, de dichters en de taal. Lees Gerbrandy en word wijzer.

     

     

     

    Titel

    Titel

    auteur

  • Kaf en koren

    Kaf en koren

    Het concert was prachtig: acht perfect op elkaar ingespeelde stemmen die werk van Palestrina ten gehore brachten. Sopranen, alten, tenoren en bassen, van elk twee. De menselijke stem als precisie-instrument. Als toegift zongen ze een kort polyfoon motet ‘Salva me domine’ van Jean Mouton, geboren in 1459, van wie ik nog nooit gehoord had. Zo ongelofelijk mooi en sereen, het streek de scheuren in mijn ziel een beetje glad en bracht tranen in mijn ogen.

    Toen ik na het concert naar buiten liep, ving ik flarden van gesprekken op tussen de andere bezoekers. Palestrina werd geprezen en daarna ging het gesprek over tot de orde van de dag, met vragen naar de treintijden en nog even iets drinken. Maar niemand had een woord over voor dat lied van Mouton en ik vroeg me af waarom. Omdat alleen de grote namen de moeite van het bespreken waard zijn? Omdat onbekend onbemind maakt?

    Ook in de literatuur vind je dat terug: onbekende auteurs komen niet gauw aan bod in de bestsellerlijsten, tenzij er flink aan promotie gewerkt wordt door de uitgeverij. Voor beginnende auteurs is het moeilijk om een uitgeverij te vinden die wel iets ziet in je werk. Veel van die schrijvers geven hun boek dan maar zelf uit, maar daar wordt vaak de neus voor opgetrokken: als geen uitgever het wilde hebben, dan zal het vast en zeker ook wel niks zijn. Iedereen kent het verhaal van J.K. Rowling die langs twaalf uitgevers had lopen leuren met haar eerste boek over Harry Potter voordat eentje het aandurfde om haar boek te publiceren.

    RECEPTIE

    ‘Poëzie’, sta ik te beweren
    tegen een paar ongelovige klootzakken
    in wandeltoilet, ‘komt niet uit de lucht vallen.’
    En ineens zeg komt er, je zou het
    poëtiseren kunnen noemen, poëzie
    uit de lucht vallen.
    Gelukkig dat niemand het zag verder.

    C.B. Vaandrager

    Uit: Made in Rotterdam – Verzamelde Gedichten, 2008

    Er zijn genoeg kleine dichters die grote dromen koesteren. ‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’, zegt het ‘Dichtertje’ van Nescio. Sommigen lukt het om de droom dan maar zelf te verwezenlijken.

    Van een lieve kennis kreeg ik twee bundels cadeau: Mirjam Musch, Bloedlijn, en Theo Monkhorst, Levenslang, beide uitgegeven bij een printing-on-demand-uitgeverij. Monkhorst heeft zijn sporen verdiend met proza, maar de gedichten die hij schreef van 1960 tot 2025 gaf hij in eigen beheer uit. Ook voor Musch is deze bundel, waarin zij vertelt over haar Indische ouders die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen, geen debuut. Self-publishing heeft grote opgang gemaakt en beide bundels zien er prachtig uit. Zowel in die van Monkhorst als van Musch staan goede en minder goede gedichten.

    Staat het al per definitie vast dat een bundel die niet bij een officiële uitgeverij is uitgekomen, daarom geen literaire waarde heeft? Nee, natuurlijk niet. Er zijn ook genoeg bundels van beroemde dichters uitgegeven door bekende uitgeverijen waarvan je denkt: mwah. Toch zou ik altijd kiezen voor een traditionele uitgeverij. Die staat garant voor kwaliteit, zowel voor binnen-  als de buitenkant van de bundel. Een professionele redacteur is onmisbaar om het kaf van het koren te scheiden. Bij een zelf uitgegeven boek moet de lezer dat doen.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 6 – 2026

    De vogelgrens oversteken

    In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.

    Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.

    Halfbroer/halfzus/halfbloed

    Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
    gaf onze vrouwen zwart
    gebruikt het vissengif tegen het kind
    in de baarkamer van de backyard

    Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
    zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
    hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
    waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is

    Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
    wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
    schatplichtig is, en ging daarom over  tot het
    verdrinken van het ongewenst

     

     De vogelgrens oversteken
    Auteur: Bernice Vreedzaam
    Uitgeverij: AtlasContact

    Het liegend konijn 2025/2

    Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Het liegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.

    De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen van nu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”.  Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’

    Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van  Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.

    Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:

    Draad

    Zullen we een rollenspel doen, van plaats
    wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
    Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
    worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,

    maar onzin met een zin. Ik wil je terug
    en zolang jij praat is er een draad die ons
    verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
    mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.

     

    Het liegend konijn 2025/2
    Auteur: Jozef Deleu (redactie)
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Ik sta in wilde schoonheid

    Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.

    In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.

    De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.

    Zo ook Vrouwkje Tuinman:

    Vruchtbaar

    Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
    begrijpen ze dat ik echt niet wil.
    Ik zie het niet voor me: zorgen voor
    een kleiner iemand met daarin de helft
    van mij. Bovendien: statistisch ben ik
    gelukkiger wanneer ik deze kans

    voorbij laat gaan. En duurt het langer.
    Van de mensen ouder dan een eeuw
    heeft een derde helemaal geen kinderen.
    De rest kreeg er minder dan gemiddeld
    en maakte ze laat. Het kan nog,
    zeggen de eitjes eens per maand.
    Dan antwoord ik niet, en zwaai
    een kleine groep voor altijd uit.

     

    Ik sta in wilde schoonheid
    Auteur: Susan Smit (samensteller)
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
  • Tintje

    Tintje

    De taxichauffeur vindt dat het de laatste twintig jaar met Nederland de verkeerde kant opgaat. Of ik weet hoe dat komt, vraagt hij. Nee, dat weet ik niet, maar ik heb wel een bang vermoeden van wat hij gaat zeggen. ‘Omdat we de grenzen wagenwijd opengezet hebben voor al die eh…mensen met een tintje’, zegt hij. ‘Die geen fatsoen kennen, zich niet aan onze regels houden. Die denken dat ze zich alles straffeloos kunnen permitteren. Ze zouden ze moeten terugsturen of op zijn minst opsluiten. Maar ja, Nederland is niet streng genoeg.’
    Ik breng voorzichtig naar voren dat de gevangenissen ook vol zaten toen er nog geen migranten in Nederland waren. Misdaad is niet aan een enkele bevolkingsgroep voorbehouden. Maar hij luistert niet en vraagt of ik wel eens naar het programma Opsporing verzocht gekeken heb. ‘Dieven, verkrachters en moordenaars, altijd allemaal donkere mensen, mevrouw.’

    De adem stokt in mijn keel en ik voel hoe ik verstijf. Wat als ik hem nu vertel dat ik al een halve eeuw getrouwd ben met een van die donkere mannen? Dat mijn kinderen met een tintje aardige, eerlijke, betrouwbare mensen zijn? Dat hij mijn man, mijn kinderen, mij, een klap in het gezicht geeft met zijn uitlatingen? Misschien moet ik James Baldwin citeren: ‘It has always been much easier (because it has always seemed much safer) to give a name to the evil without than to locate the terror within’. Misschien moet ik het gedicht van Anne Vegter voordragen, dat ze in 2015 schreef als Dichter des Vaderlands.

    ‘Welkom in Nederland

    Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
    De tellingen hebben ons overtuigd:
    mensen en mogendheden in ongelijke mate.
    Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
    vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
    En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
    je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
    je school, je huis, je deken, je matras,
    je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
    Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
    En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
    om het logeermatras te kloppen.’

    Maar ik zeg niets. Hij zou niet luisteren en als hij het wel deed, zou hij zijn mening niet wijzigen, of erger nog: zeggen dat er ook wel goeie tussen zitten.
    De tijden zijn voorbij dat ik als wereldverbeteraar vooraan op de barricades stond, mijn bloeddruk is tegenwoordig te hoog. Je kunt tijdens een taxiritje van twintig minuten geen eeuwen aan vooroordelen bestrijden.

    Heb ik de morele plicht om er iets van te zeggen? Misschien. Ben ik laf? Nee, ik ben alleen maar moe. Ik wil me niet weer moeten verdedigen of rechtvaardigen. Het is bij lange na niet de eerste keer dat ik zulke tirades moet aanhoren. Omdat ik wit ben, omdat ik ‘eigen volk’ ben. Maar dat ben ik niet. Niet meer. Ik wil niet behoren tot een volk dat eeuwenlang landen en volkeren heeft geplunderd en uitgebuit en nu weigert de rekening te betalen. Ik wil horen bij mensen die hun verantwoordelijkheden nemen en samen ervoor zorgen dat de wereld inderdaad verandert. Maar dan een andere kant op dan die de taxichauffeur voor ogen staat.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Vragen zonder antwoorden

    Vragen zonder antwoorden

    Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en debuteerde in 1997 met zijn bundel Nooit zonder de paarden. Zijn vierde bundel, Groter dan de feiten, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. In 2016 ontving hij de Jan Campertprijs voor de dichtbundel Seizoensroddel. Met het in de bundel Het verkeerde hart (2022) opgenomen gedicht `Ik bel mijn moeder’ won hij de Melopee Poëzieprijs van 2020.

    De tiende bundel van Jan Baeke geeft in de titel al aan dat er in het leven gebeurtenissen zich voordoen waar we allemaal tegenaan zullen lopen. Het woord ‘Die’ duidt erop dat iedereen wel weet welke dat zijn, daarom hoeven ze niet nader benoemd te worden. Zoals het glas water op de foto van de omslag onherroepelijk van tafel zal vallen, zullen ziekte, ouderdom en dood ons allen ten deel vallen. Zoals de dichter zelf zegt: ‘Naar binnen gaan en buiten zingend mooier maken jezelf of de wereld vergeten/ niet kunnen vergeten en daarom die onrust die melancholie die verslagenheid/ die onvermijdelijkheden.’

    Beheersing van de realiteit

    Baeke werpt in zijn gedichten vele vragen op, maar antwoorden worden niet gegeven, niet aan de lezer, maar waarschijnlijk ook niet aan hemzelf. Daarom probeert hij door middel van de taal de werkelijkheid naar zijn hand te zetten en met de verbeelding van zijn poëzie de realiteit te beheersen. De raadsels die hij de lezer voorlegt, tracht hij zelf ook nog steeds op te lossen. Fundamentele vraagstukken zijn het, mysteries die aan grote gevoelens raken. Op filosofische wijze gaat Baeke ermee om, zonder evenwel tot een slotsom te komen.

    Omdat zowel verbeelding als realiteit niet voor iedereen hetzelfde zijn, kunnen er talloze interpretaties aan de gedichten gehangen worden, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Maar door hun meerduidigheid worden dezelfde gedichten niet gemakkelijker om te begrijpen.

    Baeke kijkt naar de hem omringende wereld vanuit steeds andere ogen van veel verschillende personages, waardoor het niet altijd eenvoudig is om te bepalen wie er aan het woord is als de dichter spreekt van ‘ik’. De personages zijn niet duidelijk gedefinieerd, ze praten veel en door elkaar, hun gesprekken en monologen lijken fragmenten zoals wanneer er mensen langs je lopen, van wie je enkel een paar zinnen opvangt waarvan je de context niet kent. Baeke geeft een stem aan soldaten in Oekraïne, aan treinreizigers, aan tienermeisjes, aan bootvluchtelingen, aan misdadigers. Hij laat hen vertellen hoe ieder van hen een wereld voor zichzelf tracht te scheppen, hoe ze zich staande weten te houden.

    Onderdompelen en laten meevoeren

    De gedichten doen denken aan een licht absurdistische film, waarvan je de eerste helft niet gezien hebt en uit de dialogen van de vele spelers moet je het verhaal zien op te maken. Analyseren heeft voorlopig geen nut, je kunt je het beste onderdompelen en je laten meevoeren door de stroom van taal die over je uitgestort wordt.

    ‘Van belang is niet wat ik kan voelen, van belang is
    dat in datzelfde labyrint mijn dromen wonen
    verdeeld over hoofdstukken waarin lichamen opduiken
    die niet bij de namen horen waaraan je ze herkent
    labyrinten van leem waar ik keer op keer in verdwaal.

    Gesprekken domineren en hoewel ze tot de nacht behoren
    brengen ze geen geluid voort, verdwijnen ze terug
    naar die oneindige voorraad gebeurtenissen
    die mij iets willen vertellen.’

    Van de vier afdelingen van deze bundel is de derde de meest toegankelijke. Een zwarte bladzijde gaat vooraf aan de gedichten die geschreven zijn ‘Bij de dood van mijn geliefde, Marrigje de Bok [1965-2021]’. Dood, een van de onvermijdelijkheden waar we allemaal mee te maken krijgen, laat geen ruimte vrij voor meerdere duidingen:

    ‘even dacht ik
    als ik de wereld erna ervoor gekend had
    dan had ik alles in de warmte gestopt en in die warmte de aanraking
    kleine en grote woorden
    een misschien haperende maar ontroerende melodie
    wat zou ik hebben geruild voor je aanraking?

    De relativerende filosofische benadering waarmee Baeke andere onvermijdelijkheden aanpakt, moet het hier afleggen tegen de rauwe verslagenheid. Baeke laat hier een ‘ik’ zien dat heel dicht bij ons staat, dat ieder van ons zou kunnen vertolken, omdat verdriet, verlies en desillusie universeel zijn. Hier is geen plaats voor vrijblijvendheid of objectieve observaties, hier geldt alleen de rauwe werkelijkheid.

    Filmische fragmenten

    Maar Baeke is op zijn best in de vierde afdeling, De toekomst is een terughoudende minnaar, waarin hij in filmische fragmenten een verhaal vertelt bij monde van een jonge vrouw, die terugkijkt op haar jeugd, haar ouders, een liefdesrelatie. Niets is duidelijk omlijnd, het verhaal kan alle kanten op en maakt sprongen in de tijd. Algemeenheden worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen. De indruk die achterblijft is er een van eenzaamheid, teleurstelling en onbegrepen zijn. Maar de taal waarin alles plaatsvindt, is hallucinerend, als in een koortsdroom, en doet een overtuigend beroep op begrip.

    ‘Wetenschap, natuur versus opvoeding, bij de sloot wegblijven
    zei mijn moeder, niet zomaar de weg oversteken
    het leven is te groot voor ons.

    Iedereen heeft een moeder, die bij het station een schepper
    en een heel rek folders.

    Iedereen getuige van het lijden, van de onvoorspelbare medemens
    het bestaan van anderen om je heen onveilig vinden.
    Moeder, moeder, maker, maker, kom met regels en de zweep.

    De complexe poëzie van Baeke is op zijn minst intrigerend, op zijn best onontkoombaar. Geen gedichten die als hapklare brokken worden aangeleverd, maar waar de lezer zelf nog moeite voor moet doen.

     

     

  • Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • De lift

    De lift

    De lift in het ziekenhuis gromt en spert zijn kaken open als een monster uit een verhaal van Stephen King. Ik moet naar de vijfde verdieping, omdat mijn man daar is opgenomen, maar ik durf niet. Lang geleden heb ik een weekend vastgezeten in een gammele lift. Op een zaterdagochtend wilde ik iets ophalen uit het gebouw waar ik toen werkte. Er was geen alarmknop in de lift en mobieltjes bestonden nog niet. En omdat ik alleen woonde, was er niemand die zich afvroeg waar ik bleef. Pas op maandagmorgen werd ik bevrijd, toen ik allang gek geworden was in het donker en de stilte, zonder enig begrip van tijd. Ik hield er claustrofobie aan over, die zelfs na langdurige therapie nooit verdwenen is. Het blijft een van mijn grootste angsten die zich ’s nachts manifesteert als een klamme nachtmerrie waaruit ik schreeuwend wakker word. Ik heb liften sindsdien altijd weten te mijden, maar als ik nu de trap neem naar de vijfde, zullen ze me ergens tussen de derde en vierde verdieping moeten oprapen.

    Bij de lift in het ziekenhuis sta ik minutenlang besluiteloos te kijken. Dan zie ik een jonge vrouw in een rolstoel. Zij heeft geen andere keuze dan met de lift te gaan. Ik overwin mijn schroom en vraag haar of ze me wil helpen. Maar ze hoeft niet met de lift, zegt ze, ze blijft gewoon op de begane grond. Misschien ziet ze mijn ontreddering, want ze zegt vriendelijk dat ze me toch wel naar boven wil brengen. Ik vraag of ze eerst wil gaan, dan haal ik diep adem en zet een stap in de lift. Terwijl ik me vastklamp aan de reling en naar de grond staar, breekt het zweet me aan alle kanten uit. Het lijkt uren te duren, mijn spieren staan strak en ademhalen gaat moeizaam. Om me heen bulderend geruis en duisternis. Als ik een bevrijdend ‘ping’ hoor, stort ik me door de open deur van de lift naar buiten, snakkend naar adem. Maar de vrouw roept me terug, dit is pas de derde verdieping, er heeft iemand van buiten op de knop gedrukt. Trillend over mijn hele lijf moet ik me opnieuw vermannen, naar binnen stappen, me overleveren aan de lift die op een dodencel lijkt. Op de vijfde verdieping struikel ik bijna huilend naar buiten.

    Stel je niet aan, zegt mijn rationele brein elke keer. Er gebeurt niets, die lift gaat duizend keer per dag op en neer. Maar mijn bange hart zet zijn hakken in het zand en schreeuwt zich geluidloos buiten zinnen. Zelfs het gedicht van Vaandrager kan ik niet lezen zonder dat paniek mijn keel dichtschroeft.

    ‘Aangekomen op de vierde

    Wat is er veranderd op deze m²?
    Er zijn maanden over heen gegaan.
    En leveranciers en hoeveel
    onbevoegden?

    Wat is er veranderd dat deze schacht
    steeds vaker weigert?

    Nog steeds geen gebrek aan beleefdheid:
    Gaat u voor en men vraagt zelfs
    welke knop men mag indrukken voor mij.’

    Maar voor nu: rug recht, opgewekt naar binnen, niets laten merken. ‘Hallo lief, hier ben ik weer, hoe gaat het vandaag met je?’

     

    C.B. Vaandrager (uit: Met andere ogen, 1961)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Gedichten die ertoe doen

    Gedichten die ertoe doen

    Allard Schröder (1946) is bekend als auteur van essays en proza zoals de romans Grover en vooral De hydrograaf, waarvoor hij in 2002 de AKO-literatuurprijs ontving. Toch debuteerde hij in 2011 op 65-jarige leeftijd als dichter met de bundel Het meisje met de afstandsbediening, die tot stand kwam door een keuze te maken uit een verzameling poëzie die hij gedurende 35 jaar geschreven had. En in 2024 verscheen zijn tweede bundel, Lichtvang getiteld. Het zou zomaar kunnen dat deze bundel ook ontstaan is door een keuze uit de gedichten die Schröder in de tussenliggende dertien jaar heeft geschreven, want de opgenomen gedichten zijn zeer uiteenlopend van zowel vorm als inhoud, maar niet van kwaliteit, die blijft constant hoog.

    Het zijn gedichten van iemand die veel gezien en geleefd heeft en die daardoor wijs genoeg is om zich niet druk te maken om wat een ander van hem vindt. Schröder is geen moderne dichter en stoort zich niet aan poëtische conventies of modetrends. Er is moed voor nodig om zo volstrekt eigenzinnig te dichten, zonder acht te slaan op wat de tijdgeest voorschrijft of wat je populair maakt. De gedichten lijken puur te zijn geschreven voor eigen genoegen, als een weergave van de dingen die de dichter overpeinsd heeft en waarvoor hij nu en na veel schaven een passende formulering heeft gevonden. Daarbij mengt hij heden, verleden en toekomst dooreen tot een tijdloze wereld waarin realiteit en fantasie in elkaar overlopen. Nooit worden de gedichten zwaar, maar ook zijn ze nooit zonder betekenis. De dichter zoekt het in de lichtheid van het bestaan, zoals de titel van de bundel al aangeeft. Hij zoekt het in de romantiek van het leven, de sprookjeskant:

    ‘Ergens daartussen, tussen dag en nacht,
    vind je mij in het vale licht, oud schemerkind, al jaren
    bezig met zijn zoveelste ademtocht, daar leef ik
    in de zachte grijzen, te midden van stemmen nog zachter
    dan grijs – geen god of demon die zich daar laat horen.
    Dit is mijn rode uur, dat van licht nog even fonkelend
    spiegelt in onverschillig glas, voor het zijn dood smeult.’

    Het licht is overal 

    Het licht gaat altijd met de dichter mee. Het vergezelt hem op zijn reis door de klassieke oudheid in het gedicht ‘In Beneventum in het voorjaar van 268 van onze jaartelling’, dat een eerbetoon is aan de Griekse dichter Kavafis die over het verleden schreef alsof het nog steeds een levende realiteit was. Zo maakt Schröder ook geen onderscheid tussen oude en moderne poëzie: zijn werkterrein bestrijkt alle eeuwen. Dat is ook te merken aan de mythologische elementen waarover hij dicht: eenhoorns, griffioenen en nimfen bevolken zijn gedichten alsof ze echt bestaan. En de oude Griekse goden lijken nooit verdwenen te zijn. Rozenvingerige godinnen, najaden en silenen kondigen hun terugkomst aan. ‘Alles wordt nieuw, overal straalt groot licht / en zingt het weer, want de goden zijn teruggekomen. […] – de goden zijn weer onder ons // en alles is weer, zoals het hoort te zijn.’ De schikgodinnen bepalen het noodlot van de mens, zoals in het mooie gedicht dat begint met de versregel: ‘Een vrouw komt naar buiten, zet de handen in de zij.’

    ‘De vrouw strekt lachend de armen uit, zachte
    armen met kuiltjes, die kinderen hebben gewiegd;
    ze kruist ze over de borst en sluit de ogen.
    Dit is de dag der dagen, hiervoor wilde ze geboren zijn.’

    De draad van de tijd

    Ondertussen zitten onder een oude boom drie oude vrouwen, die ‘de draad van de vrouw [hebben] opgepakt en meegeweven.’ De vrouw heeft er geen besef van dat haar dood al voorbestemd is, maar de dichter aanvaardt dat gegeven zonder dat het afschrikwekkend is, het hoort er gewoon bij. ‘Intussen staat zij daar en zingt met gesloten ogen./ Haar stem snelt de wereld in, omdat het die dag is.’

    Naast Kavafis lijkt Schröder ook te verwijzen naar een andere grote dichter, Czeslaw Miłosz, als hij in het gedicht ‘Dat’ zegt: ‘Dat ik nu het onmogelijke moet doen:/ voorzichtig de wereld optillen/ en haar dan omkeren zodat we/ haar eindelijk van onderen kunnen zien.’ In het gedicht ‘De zin’ zegt Miłosz in de vertaling van Gerard Rasch: ‘Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien./ De achterkant […]’.

    Er zijn meer verwijzingen naar de literatuur te vinden: versregels van bijvoorbeeld Goethe, Homerus, Willem Kloos, zitten in de gedichten verborgen. Ze leggen getuigenis af van wat in de poëzie van waarde is voor Schröder, van wat blijft, ook als al het andere verdwenen is.

    Leef je leven

    Het verleden wordt door de dichter niet alleen aangeduid door middel van de klassieke oudheid, maar ook door zijn herinneringen aan zijn jeugd, in het besef dat de tijd voorbij gaat en dat we ouder worden, maar bij hem hoeft dat niet per se een nadeel te zijn. Een lichte melancholie over de vergankelijkheid is hem niet vreemd, maar echt zwaar wordt het nooit, omdat de dichter met milde zelfspot in alles naar het licht zoekt. Leef je leven, zoek het licht, want eens zal alles voorbij zijn, lijkt de dichter te willen vertellen. De gedichten lijken door een gelukkig mens te zijn geschreven.

    Toch is de dood nooit ver weg, maar de dichter ziet die niet met angst tegemoet, omdat hij als  heiden zich opgenomen weet in de kringloop van het leven, waar elk einde steeds weer een nieuw begin betekent:

    ‘Uiteindelijk zal ik een herfstblad zijn
    en rood en bedachtzaam wikkend en wegend
    uit de hemel komen zweven
    om me voorzichtig neer te vlijen
    op wat me al is voorgegaan om ermee tot humus te vergaan
    voor wie na ons komt.

    Mooi einde.’

    Een einde van een mooi leven, ‘een leven als een zoete bries op een zomerdag.’ Deze gedichten doen ertoe. Zelfs als alles donker wordt, zal er ergens nog licht schijnen, zeggen ze.
    Schröder heeft dat licht gevangen in deze indrukwekkende en troostrijke bundel.

     

     

  • Oogst week 46 – 2025

    De droom van elke cel

    Maricela Guerrero is een Mexicaanse dichteres die in 2006 debuteerde. Ze heeft inmiddels een aantal dichtbundels op haar naam staan, waarvan De droom van elke cel (2018) door Lisa Thunnissen uit het Spaans vertaald werd. In een afdeling van deze bundel is een lerares biologie aan het woord, mevrouw Olmedo genaamd, die door middel van plantkunde de relatie tussen mens en natuur verheldert. De taal staat daarbij centraal: de taal van de plantkunde met haar Latijnse namen, maar ook de vergelijking tussen plant en taal: vertakkingen, afstamming, netwerk. Sommige gedichten laten zich dan ook lezen alsof ze uit een biologieboek genomen zijn, maar de onderliggende betekenis gaat dieper. Er lopen wolven door de bundel, die saamhorigheid aanduiden en zorgzaamheid. Natuur en mens moeten verenigd en beschermd worden. Guerrero roept op tot doorbreken van het ‘imperium’, tot opstand en verzet. Vertaalster Thunnissen schreef een verhelderend nawoord.

    ‘Tonaliteiten

    Er klinkt gespin, gebries dat maant:
    Het regent harder dan verwacht en de aarde brult:
    een daad van wederopbouw:
    we dromen wordingen bladgroen
    herstel:
    adem:
    regen
    op de planten en de bomen op het braakland van hiernaast:

    tonaliteiten
    waarin de dag weerklinkt
    dat we elkaar ontmoetten
    en geliefden werden
    netwerken
    en verzoenende blikken.

    Een wolvin ligt op de loer hoog in het bos’

     

    Auteur: Maricelea Guerrero
    Uitgeverij: M10Boeken

    Ik trek mijn species aan

    Hoe vaak gebeurt het dat een dichtbundel meerdere drukken mag beleven? Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen werd in 2014 voor het eerst gepubliceerd en mag zich dit jaar verheugen in een vierde druk. Het is Janssens derde bundel, waarin ze als dichter onderzoekt hoe je je als individu staande kunt houden te midden van alle anderen. Wat is belangrijker: het bewaken van je eigen identiteit of het gevoel bij een groep te horen? Zijn we onderling inwisselbaar of onderscheiden we ons door onze kenmerken? Zijn we als mensen vervangbaar of blijft de herinnering aan onze eigenheid bestaan? Janssen beschrijft op geheel eigen wijze hoe de wereld geschapen zou kunnen zijn, waarbij de taal een grote rol speelt. Leven en dood zijn  onlosmakelijk met elkaar verbonden en gaan naadloos in elkaar over: elk einde betekent een nieuw begin. Zowel bijtend als teder dicht Janssen over een universum dat ze zelf geschapen heeft, zoekt ze naar betekenis van zoiets vergankelijks als een mensenleven, naar manieren om te overleven en om tot de kern van jezelf te komen.

    ‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
    moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist

    door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
    het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.

    We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.

     

     

    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    Wat deed ik daar

    Tsead Bruinja gaf zijn bundel Wat deed ik daar de wijdlopige ondertitel ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’ mee. De ironische toon die in in de ondertitel gezet wordt, is de opmaat voor de rest van de bundel. Of het werkelijk biografisch te noemen is, blijft in het ongewisse: weliswaar neemt Bruinja in de bundel diverse rollen op zich en vertelt hij over zijn jeugd, zijn ouders, het dorp waar hij opgroeide, maar dat hoeft niet allemaal waar te zijn. Eerder is het een zoektocht naar hoe hij in het leven staat. De gedichten zijn divers van vorm en inhoud: prozagedichten, een dialoog met ChatGPT, liefdesgedichten, zowel in het Nederlands als soms ook in het Fries. Er is een afdeling met gedichten waarin de dichter gesprekken voert met ouderen in een zorginstelling en zich daarbij zo inleeft, dat elk gedicht begint met de metamorfose van de dichter in de ondervraagde. Ontroering en humor gaan hier hand in hand.

    ‘lentige herfst winterig zonnetje

    als ik mij straks enigszins krakkemikkig zonder mijn jeugdigheid te verliezen
    langs geluk gebrek en ongemak richting een nieuwe onbekommernis begeef
    hoop ik dat het waar is wat ze zeggen en meer nog hoop ik dat het niet alleen
    een dorp vergt om een kind groot te brengen maar er evenzogoed een dorp
    voor nodig is om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen
    zodat ik onderweg naar het gedroomde hiernamaals of de sublieme stilte
    bevrijd van achterdocht en argwaan ervan uit kan gaan dat ik genoeg fooi
    op de toog heb laten liggen om het er een keer op aan te laten komen’
    Deze bundel is genomineerd voor de 3- of 4 jaarlijkse Karel van de Woestijneprijs.

     

     

    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido
  • Het huis uit

    Het huis uit

    Ik heb een grote doos gevuld met boeken die mijn huis moeten verlaten. Ze zijn gelezen, gewogen en te licht bevonden. Het was geen eenvoudige beslissing: ik hou van mijn boeken alsof het mijn kinderen zijn, maar net als in de dierenwereld, waar vogeljongen door hun ouders over de rand van het nest worden gekieperd om ze te dwingen hun vleugels uit te slaan, hebben ook kinderen af en toe een duwtje nodig om de thuishaven te kunnen verlaten. Deze vergelijking loopt natuurlijk vreselijk mank, want waar het mijn boeken betrof, had ik zelf dat duwtje nodig.

    Je kunt niet alles bewaren, had ik mezelf voorgehouden, er komt een moment waarop het huis vol is. Dat die gedachte zelfbedrog is, dat weet ik ook wel. Amper een maand geleden was ik op een boekenmarkt tekeer gegaan alsof ik moest hamsteren voor barre tijden waarin boeken verboden zouden worden.

    Uiteindelijk had ik een keuze gemaakt. Wat inhield dat ik in eerste instantie elk afgewezen boek om en omdraaide, doorbladerde, er een stukje uit las. Kortom: ik wikte en woog of het wel verstandig was dit boek weg te doen. Zou ik er geen spijt van krijgen? Zou ik niet na een week de onstuitbare drang krijgen om juist dat ene boek weer eens open te slaan? Was het wel zo’n oppervlakkig lichtgewicht, of verdiende het nog een twee kans om zijn onvermoede diepte prijs te geven? Maar ik had de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel al gebeld om te vragen of ze de doos wilden komen ophalen. Ik kon niet meer terug.

    Hoe anders had een vriendin van me gehandeld, toen haar boeken het huis uit dreigden te puilen! Ze had ondanks haar hoge leeftijd een veel groter huis gekocht in België en was blijmoedig daarnaartoe verhuisd met haar vijf katten en al haar boeken. Liever de rompslomp van een verhuizing dan een van haar vele boeken te moeten missen. Ik had haar nog gevraagd wat ze doen zou als ook in het nieuwe huis de beschikbare ruimte op den duur niet meer voldoende zou zijn. Lachend had ze gezegd dat het zo ver niet zou komen, tegen die tijd lag ze net als haar boeken tussen de planken. En wat er dan met haar boeken zou gebeuren, zou haar onbekend blijven, daar hoefde ze zich dan ook nu niet druk over te maken. ‘Als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is, zijn wij er niet.’

    Slordige notities (25)

    Wat is poëzie
    zonder de wind en de regen
    en de zon waarin alles weer droogt?
    hier is alleen
    het betonnen licht
    van een lege kelder

    H.A. Gomperts

    Vanmorgen vroeg haalde ik de krant uit de brievenbus en ik was buitengewoon verrast toen ik een grote doos vol boeken in de gang zag staan. Ik werd er op slag blij van. Een fractie van een seconde later besefte ik dat ik vergeten was dat ik die er zelf gisteravond neergezet had.  Vandaag wordt hij opgehaald. In een opwelling heb ik er gauw willekeurig een uitgehaald, het waren de verzamelde verhalen van Tennessee Williams, die mogen dan voorlopig blijven. Mijn huis is nog groot genoeg.

     

    (uit: Tirade 200, 1974)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 41 – 2025

    Verblijf

    Deze veelgeprezen bundel is het debuut van psychiater en dichter Yasmin Namavar, die haar wortels in Iran heeft liggen. Hoewel haar afkomst niet nadrukkelijk voorop staat, speelt die wel een rol in haar zoektocht naar waar je voorgoed verblijven kunt. Omdat ze desondanks weet dat alles slechts tijdelijk is, onderzoekt ze de diverse mogelijkheden van verblijven: in je lichaam, in het verleden, maar vooral in de taal. Dat levert prachtige en vooral spannende poëzie op omdat verblijf en veiligheid nooit samen lijken te gaan.

    Het verleden van haar ouders wordt afgezet tegen haar eigen heden in zintuigelijke, voluptueuze taal, weelderig en wulps. Zo probeert ze twee werelden te verenigen in haar leven die beide deel uitmaken van haar identiteit, zonder de ene boven de andere te laten uitstijgen. Identiteit als ‘een jas die je nooit meer hoeft uit te doen’. De gedichten van Yasmin Namavar onttrekken zich aan elke vergelijking en breken met alle hedendaagse trends. Haar zinderende poëzie reikt verder dan Nederland of Iran: het is vooral een zoektocht naar vrede met en in zichzelf, die ze gevonden lijkt te hebben in een modus vivendi die van twee delen één geheel maakt.

    ‘Ik trek een lange jas aan, veel te groot en draag hem zesentwintig jaar, sleep hem over keien, bergpassen, door bossen sleep hem door het gangpad van een drukke tram als het regent loopt mijn capuchon vol, mijn haar in een knot, nat op mijn hoofd hier groeit mijn eigen gelijk, een maretak verstikt zichzelf nooit de jas wordt een verhaal, een altaar, een gotspe, een bos dat aan mijn lippen staat het bos is hout mijn plek is groen op een zonnige dag in maart (en het lijkt wel mei), overal de geur van reukgras ga ik weer links en werp mijn jas af mijn lichaam een vondeling in het bos wacht op een nieuwe kledingstuk, vel na vel bladder ik af iets om aan te kleven is er niet’

     

    Verblijf
    Auteur: Yasmin Namavar
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)

    Stichting Poetry International bestaat dit jaar vijfenvijftig jaar. Dichters, vertalers en poëzieliefhebbers komen al even lang bijeen op het Festival dat jaarlijks in juni in Rotterdam georganiseerd wordt. Vijfendertig dichters uit binnen- en buitenland worden daar uitgenodigd om hun werk te laten horen. Ter ere van dit jubileum is er een bundel uitgebracht met bijdragen van zeventien dichters uit vijftien verschillende landen, die in de originele taal te lezen zijn, maar ook in een vertaling naar het Nederlands en het Engels. De Nederlandse poëzie wordt vertegenwoordigd door Ramsey Nasr, Derek Otte (uit wiens gedicht De Tijd de titel voor de bundel werd gekozen) en Ilja Leonard Pfeijffer.

    Andere Nederlandstalige gedichten zijn van Astrid Roemer uit Suriname en Tom Lanoye uit België. Maar ook dichters uit Oekraïne, Liberia en Barbados komen aan het woord, bekende en onbekende, luchtige en zwaarmoedige, zoals ook de titel aangeeft. In het voorwoord wordt vermeld dat deze bundel alles ‘weerspiegelt […] waar Poetry International voor staat’ en waar ze ook in de toekomst voor blijft staan. Extra aandacht zou wel mogen uitgaan naar de vertalers van elke gedicht, van wie enkelen zelf ook dichter zijn, zoals Jabik Veenbaas en Babeth Fonchie Fotchind, maar ook Ton Naaijkens, Lisa Thunnissen en Ingrid Degraeve. Zonder hen hadden we het meeste van al dit moois niet kunnen lezen. Zoals dit fragment uit het lange gedicht ‘Toen het voorbij was’ van Ljoeba Jakymtsjoek (Oekraïne), vertaald door Eric Metz.

    ‘hier hollen kinderen rond die opgroeiden zonder stroom
    ze groeiden op in de vochtige schuilkelders van scholen en flatgebouwen
    en nodeloos zijn pathetische frasen zoals dat kinderen bloemen zijn
    want de kamerplanten gingen dood tijdens de winteravonden
    zonder warmte, zonder licht, zonder toezicht
    maar onze kinderen leerden te groeien onder beton en in de diepte
    ze leerden te leven in gangen en in badkuipen’

     

     

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)
    Auteur: 55 jaar Poetry International
    Uitgeverij: Koppernik

    Er hangt iets van lente in de klas…

    Een aanrader voor iedereen die iets met het onderwijs te maken heeft (gehad), deze dikke bloemlezing van meer dan 900 gedichten over leraren, leerlingen, huiswerk, pesten, spijbelen, schoolverlaters, strafwerk, examenstress en veel meer! Het schoolleven biedt rijke stof voor dichters. Ze nemen je mee in de onderwijsgeschiedenis vanaf de middeleeuwen tot nu, met gedichten en liedteksten uit Nederland, Vlaanderen, Suriname en de Nederlandse Antillen. De onderwijsgedichten brengen je in een oogwenk terug in je eigen klas, op het schoolplein, in de gymzaal, bij je schoolvrienden, bij de gepeste leerling of het piepende krijtje. Ze roepen ook herinneringen op aan de leraar die zó kon vertellen dat Willem van Oranje ieder moment kon binnenlopen. En aan de gymleraar die je zo trots maakte omdat je nu wél de kastsprong kon maken of aan de leraar voor wie je met genoegen steeds weer rijtjes Engelse woorden leerde.

    Pijn, eenzaamheid, verdriet, spijt, maar ook vrolijkheid, trots en dankbaarheid, alle emoties met betrekking tot het schoolleven komen voorbij in deze gedichten. Henk Sissing en Theo Magito brachten al in 2011 de bloemlezing Soms moet het werkelijk even stil zijn uit, maar deze nieuwe bundel overtreft de vorige in opzet en omvang. De gedichten zijn niet alleen van bekende, maar ook van veel tot nog toe onbekende dichters. Bovendien zijn er meer gedichten uit het laatste decennium opgenomen. Zoals het mooie gedicht van Paul Bezembinder over dichter en leraar klassieke talen J. H. Leopold:

    Dichterschap
    Hij gaf verdwenen talen. Aan een school
    in Rotterdam. Daaruit ontstond misschien
    die diepe eenzaamheid die in hem school,
    de angst dat iemand hem zou willen zien
    om wie hij was, – om wie hij had te zijn,
    een fluisteraar van oude stemmen zacht
    die zich in peppels om de woning klein
    verstopten voor de stiltes van de nacht.

     

     

    Er hangt iets van lente in de klas...
    Auteur: onder redactie van : Henk Sissing en Theo Magito
    Uitgeverij: Noordboek
  • Ontdekkingsreiziger

    Ontdekkingsreiziger

    Mijn lerares Engelse literatuur nam haar taakomschrijving wel heel erg letterlijk: nooit sloop er een dichter in haar lessen die niet uit Engeland kwam. Geen Amerikanen als Walt Whitman of Ezra Pound. Geen Ieren, als Yeats of Seamus Heaney.  Maar ook nooit een vrouwelijke dichter, geen Christina Rossetti of Elizabeth Barrett Browning. En nooit eigentijdse dichters, maar altijd die uit een stoffig verleden. En veel, heel veel Shakespeare en John Donne. Ik vond het niet erg toen, voor mij was alles nieuw.

    Veel later zou mijn ongebreidelde nieuwsgierigheid en liefde voor poëzie op papier hele  continenten voor me ontvouwen: Sharon Olds, Mary Oliver en Elizabeth Bischop in Amerika, Gwen Harwood in Australië. En ook Engeland zelf had meer te bieden dan ik ooit geleerd had: Stevie Smith, A.E. Fanthorpe, Philip Larkin. Ik drong als ware een ontdekkingsreiziger steeds verder door in onbekend gebied, de ene vondst voerde me naar de andere en ik genoot van alles wat ik tegenkwam.

    Een van mijn laatste ontdekkingen betrof Delmore Schwartz, een Amerikaanse dichter, van wie ik nooit eerder gehoord had, maar van wiens werk ik veel was gaan houden. Hij debuteerde in 1938 met In dreams begin responsibilities, een bundel met verhalen en gedichten, en hij werd meteen het wonderkind van literair Amerika: geniaal, briljant en gek als hij was leek hij de belofte van de toekomst. Maar nu is hij vrijwel vergeten, wonderkinderen kunnen maar zelden hun belofte waar maken. ‘En een wonderkind van veertig/ Dat is een naar geval/ Die zo veel had kunnen worden/ Maar die niks meer worden zal’, zong ook Boudewijn de Groot.

    Ik kocht eens het bundeltje Summer Knowledge van Delmore, en toen ik onlangs op de boekenmarkt in Utrecht een biografie van hem aantrof, wilde ik die eigenlijk meteen hebben. Maar ik was nog maar net aangekomen, eerst maar eens rondkijken wat er nog meer te koop was. Dat boek wachtte wel op me, wie kende Delmore nou? Maar toen ik na een hele middag rondneuzen terugging om het boek te kopen, was het weg. Zoals elke ontdekkingsreiziger had ik er niet bij stilgestaan dat anderen er eerder bij zouden kunnen zijn. Er waren dus lezers die een heel andere lerares Engels hadden gekend. Mijn arrogantie te denken dat ik de enige was die zich bezighield met Delmore, werd nog harder afgestraft toen ik hoorde dat er sinds kort een selectie van zijn gedichten door Jur Koksma en Joep Stapel bij uitgeverij Vleugels in het Nederlands vertaald is: Een orang-oetan en geen Hongaar! 

    ‘Gaven en keuzes! Alle mensen zijn gemaskerd
    en wij zijn clowns die denken ons gezicht te kunnen kiezen
    en de tijd leert ons over de omstandigheden
    en we hebben griep, blond haar en wiskunde,
    want we hebben gaven die onze keuzes doorkruisen
    en met al onze keuzes spelen we ezeltje-prik:
    “Eenmaal getrouwd was mijn vrouw heel anders,”
    “Ik ben advocaat, maar plantkunde is mijn passie,”
    spaar zegels of foto’s, maar
    vergeet je ziel niet! Alleen het verleden is onsterfelijk.’

    Ik voelde me enigszins getroost door de boeken die ik wel had weten te veroveren, Yeats, Wilde, Plath en Faulkner, die een bekend en vertrouwd gebied vormden. En die biografie van Delmore,die ontdek ik nog wel.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.