• In memoriam Het Liegend Konijn

    In memoriam Het Liegend Konijn

     


    Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937)  het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang  als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.

    Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.

    Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.

    In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.

    Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.

    En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn.
    Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord. 

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • Hoe korter hoe beter, is de leus

    Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat  Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK  meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.

    Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.

    ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo  nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.

    Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen

    Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met  de smaak van poëzie in elke regel.
    ‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier)

    ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert).
    ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez)
    ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman)
    ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink)
    ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal)
    ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)

    Het kortste gedicht is van K. Michel:

    Op de Dam

    (klimaatmars 6-11-21)

    als het zonlicht doorbreekt
    en valt op twee flaporen voor mij in de menigte
    zie ik twee dieprode vlinders

    Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.

    ‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd.
     Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk
     de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader
     in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
     Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis.
     (…)’
     Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
    Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ 

     (…)

    Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt

    Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.

    ‘Hoe krijg ik je samen heel
     stil mag je zijn hier breekman
     schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe
     dagwater in, schreeuwend om losgelaten
     vastgehouden te zijn

     Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me
     hartman hoe snij je je
     klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper

     begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne
     elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’

    Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.

     

     

  • Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

    Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • Oogst week 46 – 2020

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie verschijnt twee keer per jaar onder redactie van Jozef Deleu. Elk nummer brengt steeds weer een gevarieerd beeld van poëzie van onze huidige tijd. Dat is zeker de kracht van dit boekwerk, dat het iets overbrengt van de tijd waarin we leven, fris, met verse inkt geschreven. Zoals ‘Take a seat please’, van Anne Provoost waarin nieuwe omgangsvormen, eisen van deze tijd een plek vinden: ‘Hij leerde zittend plassen / Een nieuwe houding, die hem hielp / nadenken over / hoe de weg die hij was gegaan /(…) // Ik leerde staand met hem praten / altijd klaar voor vertrek / richting bij hem vandaan / omdat ergens op een facebookpagina / was gezegd dat je dood kon gaan / als je teveel zat’

    Wanneer je Het Liegend Konijn in handen hebt, kun je niet meer ophouden erin te bladeren, het verleidt je door poëtische gangen te gaan met ondoordringbare, openhartige, schokkende en opgewekte poëzie.

    Aan deze editie werkten zevenendertig dichters mee, samen goed voor meer dan tweehonderd gedichten, met onder meer Charles Ducal, Anne Broeksma, Mark Boog, Abdelkader Benali en Mieke van Zonneveld.

     

     

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis

    Het lichtje in de verte

    Antonio Moresco (1947) wordt gezien als een van de grondleggers van een nieuwe richting in de Italiaanse literatuur die verder gaat dan de postmoderniteit. Hij wordt wel vergeleken met Don DeLillo en Thomas Pynchon. Het lichtje in de verte (La lucina) verscheen in 2013 en werd in 2018 verfilmd, met Moresco zelf in de hoofdrol. Dit jaar werd het boek bij uitgeverij Oevers uitgegeven.

    Het lichtje in de verte gaat over een man die in eenzaamheid in een verlaten bergdorp leeft. Elke nacht ziet hij een lichtje aan de andere kant van de vallei, hij vraagt zich af wat het is, waar het vandaan komt. Als hij op onderzoek uitgaat, vindt hij een jongen in een huis midden in het bos, ook alleen. Hij vraagt zich af wie dit kind is. Het antwoord is zowel geheimzinnig als ontroerend, volgens de uitgever. En meer nog, ‘het is een verhaal over wezens die het bos bevolken, luchtwortels, bomen, vuurvliegjes en over  over leven en dood, maar ook over wat mensen en dieren met elkaar verbindt’.

    In de Franse pers werd het boek aldus geprezen: ‘Betoverende tekst die de lezer onmiddellijk meeneemt op een wonderlijke literaire reis.’

     

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: Oevers

    Opwindende tijden

    De Ierse schrijver Naoise Dolan debuteerde met de roman Opwindende tijden, die zeer goed ontvangen werd. Ze komt uit Dublin, woonde in Hong Kong, Italië, Singapore en Engeland. Afgelopen zaterdag, 7 november was ze onderdeel van het online programma The Cronicles van Crossing Border

    Opwindende tijden is een liefdesroman over geld en de gevoelswereld van de drie jongeren Ava, Julian en Edith.

    De Dublinse Ava is in Hongkong komen wonen en vult haar dagen met Engelse les geven aan rijke kinderen. Julian is een bankier die graag geld uitgeeft aan Ava, met haar naar bed gaat maar waarvan ze niet zeker weet of hij van haar houdt.

    Als Julian voor maanden weg is, komt Edith in haar leven, zij neemt Ava mee naar het theater en koopt bloemen voor haar. Ava  is betoverd door Edith zijn, ze wil de hare zijn. Als Julian terugkomt naar Hongkong, staat Ava voor een probleem. Moet ze haar leventje met Julian weer oppakken, of liezen voor Edith?

    Hilary Mantel die de roman las, noemde het, ‘Kostelijk, scherpzinnig en onbevreesd. Een innemend debuut.’

     

    Opwindende tijden
    Auteur: Naoise Dolan
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Jozef Deleu (1937) is bij veel poëzielezers misschien wel het meest bekend vanwege zijn functie als stichter en hoofdredacteur van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat tweejaarlijks verschijnt en gedichten onder de aandacht brengt die nog niet elders gepubliceerd werden. Ook heeft hij diverse bloemlezingen samengesteld, waaronder een van het werk van Guido Gezelle en het Groot Verzenboek, een dwarsdoorsnede van de beste Nederlandse gedichten van de 20e eeuw. Dat Deleu zelf ook dicht, is waarschijnlijk veel minder bekend. Toch heeft hij sinds zijn debuut in 1963 zeven dichtbundels gepubliceerd, deze zijn nu integraal opgenomen in de verzamelbundel Ondoorgrond, gedichten 1963-2019, tezamen met twee bundels lyrisch proza en de laatste, niet eerder verschenen dichtbundel Tussentijd. Voor zijn dichtwerk ontving Deleu in 1965 de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen en in 1995 de Prijs voor Poëzie van West-Vlaanderen.

    Monumentale verzameling

    Het is zoals te verwachten een monumentale verzameling geworden. De gedichten daarentegen zijn niet zo omvangrijk en nemen slechts een klein gedeelte van de bladzijde in. Deleu is geen man van een grote omhaal van woorden. Elk woord in zijn gedichten lijkt zorgvuldig gewikt, gewogen en gekozen:

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad.

    (Uit: Overboord, 2012)

    Het hoogst noodzakelijke

    Deleu houdt zichzelf strak in de hand, de gedichten doen stoïcijns aan, beheerst en teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Dat dit een kunst is die pas na vele jaren geperfectioneerd is, valt goed waar te nemen als de vroege bundels vergeleken worden met het latere werk. De dichter lijkt steeds minder te hoeven uitleggen terwijl de zeggingskracht van de gedichten juist groter wordt. De eerste bundels tonen nog overmoed en grote gevoelens, die uit de latere bundels zijn ingetogener, verstild. 

    Een verdere vergelijking van de verschillende bundels laat zien dat ze ook iets gemeenschappelijk hebben, het thema van leven en dood, tijd en vergankelijkheid. Er is vrijwel geen gedicht in zijn gehele werk te vinden dat niet het woord ‘dood’ in zich draagt. Deleu lijkt geobsedeerd door de dood, maar aanvaardt het feit dat er een einde is met hetzelfde stoïcisme dat zijn gedichten kenmerkt. Zo luidt de titel van de bundel uit 2005 Gras dat verder groeit, als een verwijzing naar de Bijbelse woorden ‘Alle vlees is als gras’ uit Jesaja 40:6. 

    Toch doet de titel van het verzamelde werk, Ondoorgrond, vermoeden dat ondanks de preoccupatie van de dichter met de dood, dit niet geleid heeft tot weten wat dood en leven inhouden. Maar Deleu streeft ook niet naar die kennis; hij laat het geheim intact.

    Over de dood

    Over de dood
    moet je schrijven
    als over het leven.

    Een doordeweekse dag
    valt de regen niet meer
    laat de zon zich niet meer zien.

    De dieren gaan schuilen
    voor de grauwe as, de dag
    is even zwart als de nacht.

    De postbode komt
    met een brief die je
    niet meer verwacht.

    Zo eenvoudig het leven
    zo eenvoudig de dood
    alles even.

    (Uit: De jager heeft een zoon, 1995.)

    Dichten voor kinderen en vrouw

    Omdat de dood geaccepteerd wordt als een vaststaand feit, kan de dichter zich ten volle richten op het leven voor de dood. Juist het besef dat alles tijdelijk is, verhevigt het genot van schoonheid en het carpe diem. Veel gedichten gaan over de volheid van de natuur in het algemeen, over bloemen, dieren en kleine kinderen. Ook over de eigen kinderen schrijft Deleu met liefde en aandacht voor kleine details; deze gedichten behoren tot de mooisten. En in elke bundel staat wel een gedicht dat opgedragen is aan zijn vrouw Anne-Marie. Ook hieruit spreekt de intense aandacht voor het leven en de liefde. 

    De taal is voor Deleu het middel bij uitstek om een brug te slaan tussen het leven en de dood. Zijn woorden en gedichten moeten de vluchtigheid van het leven vangen en bestendigen. Deleu schrijft om niet te vergeten, om de tijd te laten voortbestaan. Via de taal wordt elk gedicht als een stolp over een moment in de tijd gezet en wordt daardoor bewaard. 

    Binnen dit verzameld werk staan de bundels met lyrisch proza als uitzondering op de regel. Gezangen uit het achterland (1981) bestaat uit een Voorzang, zes ‘Bewegingen’ en een slotzang. Deze lange prozagedichten vertellen hoe een vrouw, Cecilia, aan haar man Felix terugdenkt, die in de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en gestorven is in een inrichting, het ‘Gesticht’. Ze herleest zijn brieven – waarvan Deleu de spelling met opzet verouderd heeft – en herdenkt hem met liefde, maar probeert ook een manier te vinden om verder te gaan met haar leven in de wetenschap dat ‘alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.’

    Ook in deze gedichten die zo duidelijk anders zijn, blijft Deleu trouw aan zijn thema’s: de dood moet aanvaard, de tijd onderworpen en beheerst worden.

    Klassiek in zijn thematiek

    Het is opmerkelijk dat de redacteur van een tijdschrift dat plaats biedt aan nieuwe dichters zelf zo klassiek is in thematiek en versvorm. Deleu experimenteert niet, met vorm noch inhoud. Zijn poëzie is niet maatschappelijk geëngageerd noch modern of vernieuwend. Deze traditionele gedichten zijn tijdloos, niet onderhevig aan mode of trend, juist door hun onveranderde consistentie. Ze maken indruk doordat ze ontdaan zijn van elke afleiding van het wezenlijke, de kern. Zo geconcentreerd teruggebracht naar het allernoodzakelijkste tonen ze door de hele bundel heen de constante kwaliteit van een groot dichter.

    Nu Deleu drieëntachtig jaar is geworden, is deze verzameling van zijn complete werk als een eerbetoon aan zijn lange dichterschap. Het laatste gedicht uit het verzameld werk is zeer toepasselijk getiteld Nalatenschap:

    […]
    wat wij deden
    of nalieten te doen
    wat wij opbouwden
    of bestreden
    was openbaar

    van verlies was geen sprake
    op winst werd
    nooit gehoopt –
    niets ging verloren

    De dichter lijkt hier de balans op te maken van zijn hele leven en zijn poëtisch oeuvre en kan tevreden constateren dat ‘niets verloren ging’. Of met deze nalatenschap tevens zijn loopbaan als dichter wordt afgesloten, is nog de vraag. Misschien verrast Deleu zijn lezers nog.

     

     

  • Oogst week 42 – 2019

    Nacht en dag

    Deze week in de oogst twaalf verhalen van de Britse schrijver Cynan Jones in vertaling van Jona Hoek, gedichten uit het nest geroofd in Het Liegend Konijn onder redactie van Jozef Deleu en een nog niet eerder vertaald werk van Virginia Woolf door Barbara de Lange.

    De laatste roman die Barbara de Lange van Virginia Woolf (1882-1941) vertaalde was De jaren, die Woolfs omvangrijkste roman werd genoemd. Naar blijkt kan het nog omvangrijker. Nacht en dag,  verschenen in 1919 is de tweede roman van Woolf, en nog omvangrijker dan De jaren. Hoewel Woolf werd gezien als modernist was de kritiek op Night and Day dat niet vernieuwend was maar volledig in de Engels romantraditie stond. Een roman waarmme Woolf in de voetsproren trad van  door haar bewonderde Engelse schrijfster, met name Jan Austen. De openingszin is dan ook een Engelse klassieker: ‘Het was een zondagmiddag in oktober, en net als veel andere jonge dames uit haar kringen was Katherina Hilbery bezig thee te schenken.’ Na die eerste zin wil je verder, duik je onder in ontmoetingen tijdens theevisites en diners en loop je mee op de vele omzwervingen door de straten van Londen.

    Nacht en dag
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het Liegend Konijn 2019/2

    Twee edities per jaar verschijnen er van Het Liegend Konijn, een compact boekwerk waarin vele dichters geregeld nieuw werk presenteren. In de oktober uitgave zijn honderdvijfennegentig nieuwe gedichten, uit het nest van negenendertig dichter geroofd, waaronder vier gedichten van Anneke Brassinga, Demetercyclus in tien afdelingen van  Anna Enquist, Heidi Koren met twee gedichten, Delphine Lecompte met drie gedichten, Maarten Buser met vijf gedichten, Paul Demets met Plattelandgedichten in acht delen en Willem van Zadelhoff, enkel om alfabetische volgorde, sluit af met een reeks gedenkgedichten getiteld: Zonder aanzien des persoons, waarin onder meer Menno Wigman, Wim Brands en Jan elemans herdacht worden. Met een ware slotrede: ‘envoi’ waarvan hier het eerste couplet: aan het graf geen eenzame dichter / laat zijn hei elders zoeken /naar levenden om te wekken / met verzen en veerkracht’.

     

    Het Liegend Konijn 2019/2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Pelckmans

    De wetten van water

    Natuurelementen spelen een rol in het werk van de uit Wales afkomstige schrijver Cynan Jones (1975). In de novelle Inham vecht een man tegen de zee en wordt een man door de bliksem getroffen, bij De lange droogte is het een boer die de droogte van het land moet ondergaan. In De wetten van water, hebben de inwoners van een stad te maken met waterschaarste. De trein die de stad van water moet voorzien loopt het risico gesaboteerd te worden en mensen gaan de straat op om te demonstreren tegen het feit dat ze hun huizen moeten verlaten voor de bouw van een IJsdok. Een gebeurtenis waarbij veel emoties vrijkomen en raakt aan de tijd waarin we nu leven: die van de klimaatcrisis.

     

    De wetten van water
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik
  • Lanterfanten

    Lanterfanten

    Het liefst lanterfanter ik mijn dagen door. Beetje bramen en appels plukken, taart bakken, boek lezen aan de keukentafel, jampotjes vullen, pakketje aannemen bij deur, koffie zetten, later een wijntje. Dagen die ik graag afwissel met gewoon een dag in bed, beetje schrijven, boek lezen (dat blijft) en dan komen er gedachten los. Over het nut der schijnbare nutteloosheid deze keer. In het aprilnummer van Het Liegend Konijn wijst Jozef Deleu, de bezorger van, ja, ik kan niet anders zeggen, het meest onvolprezen poëzietijdschrift, ons op het nut van de nutteloze kunsten. Bezigheden die economisch gezien niets opleveren en derhalve nutteloos zijn. Deleu schrijft dat in een tijd waarin alles wordt afgewogen, kunst in de marge van de maatschappij wordt bedreven. Dat dichters (goddank!) er in blijven geloven ‘dat in de orde van de levende wezens de mens de nutteloze dingen, zoals het schrijven van gedichten en het maken van kunst, moet blijven doen.’

    Wie naar kunst kijkt, ziet vaak een vervorming van de werkelijkheid, maar juist die vervorming maakt dat we -bij herhaaldelijk kijken- vastgeroeste beelden loslaten. Wie een gedicht leest, ziet een wereld zoals die nog nooit getoond werd. Waarna je de grote, serieuze realiteit (verlorenheid der dingen, tweespalt tussen culturen, leven en dood) met zachte hand kunt benaderen. Een kunstenaar kent geen vaste contracten of werktijden. Geconditioneerde kunst is een kunstje. Stel je voor dat de kunstenaar een vaste baan aanneemt, in de pas gaat lopen van het rendementsdenken. Waar halen wij, lezers dan onze inspiratie vandaan? Ik ben blij dat Deleu zijn dichters opport tot het schrijven van poëzie (geloof maar dat elke dichter, gearriveerd of beginnend, ervan droomt dat Deleu ook hun nest met dichterlijke schrijfsels aandoet, daar een keuze uitmaakt en opneemt in Het liegend konijn. Voor de eeuwigheid gebundeld, een tijdsbeeld van poëzie.

    Dan, wat mij steeds weer treft, ongelooflijk grof en vernietigend, maar zo schoon beschreven, is dit. De wereld opgetrokken uit poëzie:
    ‘Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
    een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
    daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
    daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
    grollen brakend een tiener op haar knieen – de boog
    kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’

    Wie bekommert zich om de dichter die weggestopt in een kamertje of bezemhok zijn strofen schrijft. Schrappen en herschrijven tot de dood erop volgt en het de wereld in kan (Pessoa). Wie betaalt de schrijver voor zijn dagelijkse brood, wie betaalt de moeder (ik denk aan Hagar Peeters nieuwe dichtbundel De schrijver is een alleenstaande moeder) die haar kind klaarstoomt voor de wereld? Dat zijn wij natuurlijk, lezers die het lanterfanten tot kunst verheffen en heilig geloven in een soort zelfvoorzienendheid van het leven. Poëzie, dat is opium voor de ziel. En het kost niet veel.

     

    Gedicht fragment van Hier en daar van Esther Jansma, opgenomen in: Het liegend konijn 2019/1.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Oogst week 14

    Mevrouw Osmond

    In 1881 kwam Portret van een dame, de bekendste roman van Henry James uit, dat o.a. verfilmd werd met Nicole Kidman en John Malkovic in de hoofdrollen.

    In Portret van een dame wil de mooie, jonge Isabel Archer na de dood van haar vader een onafhankelijk en vrij leven gaan leiden en niet eindigen in een huwelijk, maar dat gebeurt desondanks toch. Ze trouwt met de nare Gilbert Osmond en wordt niet gelukkig.

    Portret van een dame laat de lezer in het ongewisse hoe het afloopt met Isabel, maar de Ierse schrijver en Bookerprijswinnaar John Banville heeft de draad weer opgepakt in zijn roman Mevrouw Osmond. Isabel Archer, mevrouw Osmond dus, ontdekt dat haar man haar jarenlang heeft misleid en overweegt wat ze moet doen.

    Mevrouw Osmond is niet ‘het vervolg op’, maar borduurt voort. In een geheel eigen stijl, met weliswaar veel dezelfde maar op een andere manier uitgewerkte hoofdpersonen. Mevrouw Osmond gaat over verraad, bedrog en moraal.

     

     

    Mevrouw Osmond
    Auteur: John Banville
    Uitgeverij: Querido

    Veldheer Banner

    Veldheer Banner is het tiende boek van Marie Kessels (1954) die in 1991 debuteerde  met de roman BoaVeldheer Banner beschouwt Kessels zelf als haar levenswerk. Het gaat over universitair docent Saul Banner die de ziekte van Parkinson heeft. Fotografe Dana Stromberg, een vriendin van hem, kijkt terug op hun ontmoetingen in het appartement dat hij eens in een aanval van razende woede kocht om zijn gezin en zijn dorp te ontvluchten en wat ruimte voor zichzelf te hebben.

    […] In die ene minuut van onze omhelzing werd ik me er heel sterk van bewust wat een brute gezondheid, wat een kolossale robuustheid ik meebracht nadat ik in het appartementencomplex naar binnen was gestormd en zijn voordeur achter me had dichtgegooid, met twee grote leren tassen aan mijn schouder en grote bewegingen waarmee ik ruimte in bezit nam. De verkwistende bewegingen van hen die het zich kunnen veroorloven om niet methodisch en niet economisch om te springen met hun lichaam, hun tijd, hun energie. […]

    Veldheer Banner
    Auteur: Marie Kessels
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Roza

    In 1959 komen negen studenten om op de Djatlovpas in het Oeralgebergte. Hun doel was de top van de Otorten, ze richtten hun kamp op op de oostflank van de Cholattsjachl, een streek die ‘al eeuwenlang het domein van de Mansen, een nomadenvolk dat voornamelijk van hun rendieren leeft’ is. ‘De namen van veel bergtoppen in het noorden zijn afkomstig van de Mansen. Zo betekent het oude woord Otorten ‘ga daar niet naartoe’ in het Mansi. De Cholattsjachl zouden wij vertalen als de ‘berg der lijken’.’

    Als de tent van de studenten tijdens een zoektocht gevonden wordt ‘blijkt het doek aan één zijde met een scherp voorwerp te zijn opengesneden. Binnenin worden negen paar bergschoenen aangetroffen, keurig op een rij.

    De lijken liggen op verschillende plekken en hebben allen uiteenlopende verwondingen.

    Een officieel onderzoek oordeelt dat de studenten een ‘overheersende, onbekende kracht’ gestorven zijn. Het gerechtelijk onderzoek wordt in mei 1959 officieel beëindigd en de processtukken verdwijnen tot in de jaren 90 in een geheim archief .

    In de roman Roza blikt Roza Andreja Onilova terug op haar ontmoeting met de studenten, enkele dagen voor hun dood, en op haar merkwaardige vlucht uit de voormalige Sovjet-Unie. Is haar fantasie op hol geslagen of weet Roza daadwerkelijk wat er die winternacht in 1959 op de Djatlovpas is gebeurd?

     

    Roza
    Auteur: Olivier Willemsen
    Uitgeverij: De Harmonie

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018

    Het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, is verschenen. Twee keer per jaar – in april en oktober – brengt het blad een gevarieerd beeld van onze actuele Nederlandstalige poëzie. Het bevat uitsluitend nieuwe, niet eerder gepubliceerde gedichten.

    Dichters uit Het Liegend Konijn 2018/1:

    Obe Alkema, Jana Arns, Tina van Baren, Gilles Boeuf, David Bogaers, Fleur Bourgonje, Charlotte van den Broeck, Anne Büdgen, Dorothee Cappelle, Hendrik Carrette, Paul Demers, Charles Ducal, Vicky Francken, Eva Gerlach, Maarten Goethals, Luuk Gruwez, Sara Haven, Lucas Hirsch, Bernke Klein Zandvoort, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Peter Mangel Schots, Luc C. Martens, Giuseppe Minervini, Fred Papenhoven, Bert van Raemdonck, Lars Ruben, Mustafa Stitou, Bernadette Stom, Willem Thies, Florence Tonk, Peter Verhelst, Peggy Verzett, Arno van Vlierberghe.

     

     

     

     

     

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018
    Auteur: onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis