• Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    De roman 51 manieren om de liefde uit te stellen van Erik Lindner bestaat uit een lange reeks korte, titelloze hoofdstukken. Het boek begint met een inleiding van amper een bladzijde lang, waarin de ik-figuur zich afvraagt: ‘Kan ik iemand tevoorschijn schrijven die er niet is?’ Een vraag die aan het eind van het verhaal herhaald wordt en de lezer uitdaagt het antwoord te geven. De roman is een chronologisch opgebouwd verslag van de liefde die de ik-figuur opvat voor Karmele, een vrouw die opgeleid is in de grime- en opmaakstudio van haar moeder en die ambities heeft om zich verder als maquillista (visagiste) te vestigen in de filmwereld. De chronologie van het verslag wordt geregeld onderbroken door een hoofdstuk tussen twee asterisken te plaatsen. In zo’n hoofdstuk wordt van ruimte gewisseld, hoewel niet altijd duidelijk wordt welke ruimte dat is.

    Karmele Soler

    Karmele en de ik-figuur ontmoeten elkaar in de Baskische stad San Sebastián, die gelegen is aan een baai van de Golf van Biskaje. Het is een aantrekkelijke badplaats voor toeristen en bekend vanwege zijn internationale filmfestival dat al sinds 1953 daar gehouden wordt. De ik-figuur werkt als journalist aan een tijdschriftartikel over het onafhankelijkheidsstreven, de culturele eigenheid en de identiteit van de Basken. Hij ziet Karmele met een vriendin een bar binnenkomen, maar het eerste oogcontact wordt vanuit het perspectief van Karmele beschreven: zij zwaait bij haar vertrek naar de ik-figuur die naast de dj zit te schrijven.

    De dagen daarna ontwikkelt zich in snel tempo het contact tussen de twee: van elkaar verhalen vertellen over hun werk tot vrijpartijen in het appartement van Karmele, die voor de ik ‘een geur tussen Carmen en karamel’ heeft. De taal geeft problemen, maar belemmert niet hun hartstocht voor elkaar. De ik-figuur spreekt geen Spaans en Karmele geen Engels, om die reden verlopen hun gesprekken moeizaam in het Frans, een taal die ze beiden niet goed beheersen. Karmele is geen fictief personage, maar een bestaande Baskische visagiste die in de internationale cinema belangrijke prijzen heeft gewonnen, zoals de Goya-prijs (2012) voor de grime in La piel que habito, van regisseur Pedro Almodóvar en de Zinemira Award (2015), een oeuvreprijs voor 25 jaar grimeren en kapsels verzorgen in ruim 50 films. De roman is hierdoor niet alleen een liefdesroman, maar tevens een eerbetoon aan Karmele Soler, zoals ze in werkelijkheid heet. 

    Een afstandelijke aanwezigheid

    Wanneer Karmele aan het werk is, verzamelt de ik-figuur materiaal om verder aan zijn artikel te werken, maar sinds zijn ontmoeting met Karmele is zijn motivatie om dat te doen duidelijk minder geworden. Daarbij wordt in de roman duidelijk dat Karmele na hun kennismaking in San Sebastián nog amper contact met de ik-figuur zoekt. Ze concentreert zich volledig op haar werk in de internationale cinema. Wat 51 manieren om de liefde uit te stellen tot een bijzonder boek maakt, is het noemen en navertellen van talloze Spaanstalige films, die in verband worden gebracht met het reilen en zeilen van de ik-figuur.

    De inhoud van de genoemde films loopt parallel met de gevoelens van de ik-figuur en geeft hem een zekere mate van inzicht in de activiteiten van Karmele. Althans, hij denkt dat het zijn inzicht is; in feite is het meer zijn verbeelding die geactiveerd wordt. Opvallend is de verwijzing naar punk- en rockgroepen in de roman, zoals de Engelse groep Wire, Nick Cave en de experimentele band Tuxedomoon uit Californië. Daarnaast wordt ook ‘Pirate Jenny’ van Kurt Weill en Bertolt Brecht in de uitvoering van Nina Simone vermeld. De teksten van de songs worden in de tekst verbonden met de ervaringen van de ik-figuur. 

    Verhalen van films

    Mooi is de verwijzing naar de verfilming van De kus van de spinnenvrouw (1976) van de Argentijnse auteur Manuel Puig. Molina, een veroordeelde homoseksueel, en Valentin, een marxistische verzetsstrijder, zitten in een gevangeniscel in Buenos Aires. Molina vertelt ’s nachts verhalen aan Valentin om de tijd te doden; hij wordt door de geheime politie gedwongen om Valentin informatie te ontfutselen. Ook 51 manieren is gebouwd op verhalen van films die de ik-figuur ziet op momenten dat hij niet in de buurt is van Karmele. De ik-figuur en Karmele lijken in de 23 jaar waarin ze elkaar niet zien uit elkaar te groeien. Het verlangen van de ik-figuur wordt sterker, elke keer wanneer hij een film ziet waaraan Karmele meegewerkt heeft. Het telkens opnieuw wachten van de ik-figuur op de aftiteling van de film waarin de naam van Karmele vermeld staat krijgt iets aandoenlijks. Zo komt Karmele steeds meer in de ik-figuur tot leven. Voor de ik-figuur is zij de vrouw ‘die ongezien is omdat ze mensen mooi maakt.’ De films, waarin Karmele als visagiste werkt en die de ik-figuur ziet, zijn hun deelgenoot.

    De titel, 51 manieren om de liefde uit te stellen wekt de nieuwsgierigheid. Na het schrijven van een artikel en het schrijven van brieven aan Karmele die niet beantwoord worden, gaat de ik-figuur korte teksten schrijven: ‘Ik noem ze manieren om de liefde uit te stellen en het moeten er in totaal 51 worden zodat ze uitgegeven kunnen worden als kaartspel.’ Hij onttrekt één kaart aan het spel: een vrouw, een aas, een joker of eventueel een instructiekaart. De kaarten zijn voor de ik-figuur een speels alternatief voor brieven of artikelen schrijven. Het is voor hem een vastlegging en een cultivering van zijn eigen uitstelgedrag. Zo creëert hij een ‘afstandelijke aanwezigheid’ van Karmele. Iets van: ze is er niet, maar toch weer wel.

    Zorgvuldig verteller

    De roman is een construct. Soms bewandelt de auteur teveel een zijspoor, maar er is geen sprake van een blokkerende werking op het verloop van dit liefdesverhaal op afstand. Dat komt mede omdat Lindner niet alleen binnen zijn romanwerkelijkheid, maar ook in de samenvattingen van de films een zorgvuldig verteller is. Hij heeft, als het om beschrijvingen van steden en dorpen gaat, een sterk visueel geheugen en is een goed waarnemer en een bekwaam stilist. Elke plaats die hij bezoekt, beschrijft hij nauwkeurig tot in de kleinste details.

    Deze roman is een aantrekkelijk boek voor filmliefhebbers. Vooral bekende Spaanse films worden genoemd, besproken en gekoppeld aan het leven van de verteller. Om er enkele te noemen: Tierra (1996) van Julio Médem, Hable con ella (2002) van Pedro Almodóvar en El olivo (2016) van Icíar Bollaín. Voor wie de films gezien heeft die in de roman een rol spelen, krijgt de inhoud van het boek meer betekenis. Je kunt het ook omdraaien: na het lezen van deze roman ben je geïnteresseerd geraakt in de genoemde films en wil je deze alsnog gaan zien. Dat zal een verrijking van de leeservaring zijn. 

     

  • Een unieke en hoopgevende sprookjesachtige roman

    Een unieke en hoopgevende sprookjesachtige roman

    Een meisje, haar vader, het graf van haar moeder bovenop een berg en een beer. Meer is er blijkbaar niet nodig om een roman te schrijven over het einde van de menselijke beschaving en het begin van een nieuwe samenleving met een jong meisje als enig overgebleven mens moet overleven in de natuur. De derde roman van de Amerikaanse schrijver Andrew Krivak (1963), De beer, is zijn het eerste boek dat van deze schrijver in Nederlandse vertaling is verschenen. Als kind van Slowaakse immigranten is hij opgegroeid in Pennsylvania; tegenwoordig woont hij in Massachusetts. Het boek bestaat uit twee delen: het leven van het meisje samen met haar vader en haar leven na zijn dood. De mensen in het boek zijn naamloos, de dieren worden met hun soortnaam genoemd, alsook de planten.

    De natuur als ruimte 

    Vanuit de beschrijvingen van de natuur en de woonplaats van de auteur is het duidelijk dat de roman zich in het noordwesten van de Verenigde Staten afspeelt. Een vader voedt, sinds de dood van zijn vrouw, zijn jonge dochter liefdevol op. Hij onderricht haar op het kunnen overleven in de natuur. De vader ziet de noodzaak in om haar te leren hoe ze in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Hij leert haar hoe ze van natuurlijke materialen wapens voor de jacht en visvangst kan maken. Hij leert haar naar mossels te duiken, konijnenstrikken uitzetten, honing uit bijennesten halen, alsook hoe een kompas te gebruiken en vuur maken. Bovendien leert hij haar hoe ze met behulp van de maanstanden en de wisseling van de seizoenen vat kan krijgen op het fenomeen tijd.

    Niet de klokken bepalen het tempo waarin de mens wordt gedwongen te leven, niet Kronos, de Griekse god van de tijd, maar zijn mythologische tegenhanger Kairos, de god van het juiste moment, van de gelegenheid, is daarin bepalend. Wanneer een probleem zich aandient, dan pas is het ogenblik aangebroken om dit op te lossen. De mens moet niet voortdurend proberen alle eventuele moeilijkheden voor te zijn, want het leven is geen zaak van plannen, vooruitdenken, uitgebreid hamsteren of je toekomst veilig stellen. Leven is één worden met de natuur, dat straalt dit boek uit. Opgemerkt moet worden dat De beer meer is dan een eigentijds handboek vol handige tips om in de ongerepte natuur te kunnen overleven. De dialogen tussen het meisje en de vader zijn zo levendig en oprecht dat ze ontroeren. Ze hebben een filosofische grondtoon en zijn een eenvoudige handreiking voor de mens die direct in contact wil komen met de natuur.

    De beer als leidsman

    Na het overlijden van de vader gaat het meisje alleen verder. Ze verbrandt zijn stoffelijk overschot en draagt zijn as als een kostbaar kleinood bij zich. Haar doel is zijn as bij te zetten in het graf van haar moeder. Dat is een fraai thema in de roman, het grote verlies dat haar overkomt, vertaalt ze rechtstreeks naar haar reisdoel, namelijk de juiste rustplaats voor haar vader is bij haar moeder. Zo’n wijze van denken is alleen mogelijk wanneer je in harmonie leeft met de natuur, zonder het harde leven zelf verwijten te maken. Een beer helpt en begeleidt haar tijdens haar reis zonder dat een van de twee dominant is ten opzichte van de ander. Ze leren van elkaar te jagen en te vissen. Ook vertellen ze elkaar verhalen. Wanneer de beer toe is aan zijn langdurige winterslaap, moet het meisje zelf zien te overleven. Echter, wanneer ze in gevaar is, is er een poema die haar redt en haar helpt bij de dagelijkse voedselvoorziening. In dit tweede deel is de roman geworden tot een fabuleus sprookje en tegelijkertijd blijft het verhaal geloofwaardig.

    Post-apocalyptische roman?

    Bij de verschijning van de Amerikaanse editie van De beer werd dit boek in de aankondigingen en  recensies beschouwd als een post-apocalyptische roman. De vraag is of De beer aan de kenmerken van dit genre voldoet. De post-apocalyptische roman valt onder de noemer science fiction en daarin worden de gevolgen gepresenteerd van de ondergang van de hedendaagse, menselijke beschaving. In het algemeen gaat het om de teloorgang door een natuurramp of door onverantwoord menselijk handelen. Soms is de kern van het boek dat de samenleving gestraft wordt omdat deze zich heeft afgewend van de natuur, deze vernietigd of een grote afstand tot de natuur heeft gecreëerd. Veel lezers zullen in dit boek van Andrew Krivak een waarschuwing zien: geef je niet roekeloos over aan een al te moderne levenswijze. Een dergelijke visie wordt overigens niet expliciet gepropageerd.

    De beer voldoet aan de meeste kenmerken van een post-apocalyptische roman, maar enkele andere aspecten vallen op. Zo ontbreekt in De beer een desastreuze ramp die een grote massa mensen treft. Het apocalyptische is teruggebracht tot het overlijden van de vader, het meisje als wees overblijft en volledig afhankelijk is van de natuur. In dit boek gaat de eindtijd over in een prille begintijd en de nadruk ligt op dit nieuwe begin, niet op wat verloren is gegaan. De beer is in een sobere maar poëtisch taal geschreven, met gevoel voor de precieze waarneming van de flora en fauna en het handelen van de dochter en haar vader en later met de beer. De auteur laat het meisje op een (bijna) volwassen manier met haar vader spreken. Hij vermijdt al te kinderlijk taalgebruik, want dat zou afbreuk doen aan de gelijkwaardige verhouding tussen de vader en zijn dochter. Ook het taalgebruik van de dochter en de beer in de dialogen is met elkaar in evenwicht.  

    Een betoverende werking

    De beer is zeker geen moralistisch boek, er wordt een natuurlijke wereld beschreven waar wij misschien ver van afstaan, maar die als een paradijs wordt gepresenteerd. Het zet aan het denken, zonder dat de lezer zich schuldig hoeft te voelen over het leven dat hij zelf leidt. Omdat de personen, de dieren en de plantenwereld met elkaar in balans zijn, krijgt De beer een betoverde werking, je zou de roman wel willen binnenstappen om deze nieuwe wijze van leven en de daarbij behorende opvattingen te leren kennen. Het is moeilijk het boek, dat stilistisch meer het karakter heeft van een novelle dan van een roman, weg te leggen. Het in één keer uitlezen van het boek is een bijzondere en indringende leeservaring. Het is een verademing tussen de vele boeken die zich in de moderne wereld afspelen, over verstedelijkte samenlevingen waarin allerlei problematische situaties onder de loep genomen en psychologisch verklaard worden.  De beer is een unieke en hoopgevende sprookjesachtige roman, waarin de natuur centraal staat.

     

     

  • Een persoonlijk levensverhaal als beknopte theatergeschiedenis

    Een persoonlijk levensverhaal als beknopte theatergeschiedenis

    De deels autobiografische roman Als een nacht zonder slaap van Frans Strijards, kent een korte inleiding onder de titel ‘Dwalen tussen werkelijkheid en verbeelding…’. Daarin balanceert Strijards op de grens van fictie, geschiedenis en autobiografie. De confrontatie op dertienjarige leeftijd met twee in het zwart geklede jonge toneelspelers die teksten speelden van Guido Gezelle en Paul van Ostaijen, is het begin van zijn fascinatie voor het toneel. Vanaf dat moment leidt Strijards als toneelschrijver regisseur een ‘uitbundig artistiek bestaan’. Voordat hij na de zomer van 1972 naar Amsterdam vertrekt, ziet hij in Eindhoven alle voorstellingen van Proloog en is hij onder de indruk van toneelgroep Globe met artistiek leider Ton Lutz. Hij ziet theater maken als ‘een schaalvergroting van het werkelijke leven’. De benodigde ingrediënten daarvoor zijn: de vrijheid om je leven op eigen wijze in te richten, een krachtige wil, energie en bezieling en zelf teksten schrijven.

    Amsterdam zomer 1972

    Deel twee van de roman heeft dezelfde titel als het boek en bevat qua lengte meer dan de helft van het boek. Het is een opeenstapeling van bijzondere ontmoetingen van de ik-figuur met allerlei theatermensen. Namen als Hugo Claus en Lodewijk de Boer passeren de revue. Plaatsen van handeling zijn het Waterlooplein, de Nes en later de Rozengracht. De ik-figuur krijgt inzicht in het wel en wee van de Amsterdamse theaterwereld, die zich in de zeventiger jaren sterk aan het vernieuwen is. Hij laat duidelijk blijken welke contacten hem bevallen en welke niet. Het voortdurend improviseren tijdens voorstellingen of acts staat hem tegen, hij houdt niet zo van ‘we zien wel’. Hij bereidt liever de zaken voor door zijn ideeën op papier uit te werken en te overleggen met de uitvoerenden. Ook wordt hij meegetrokken in ludieke straatactiviteiten, bizarre theaterinitiatieven en ambitieuze spelprojecten en vindt hij het moeilijk zich daaraan te onttrekken. Eigenlijk wil hij gewoon aan het werk als theatermaker, maar hij beseft dat hij mee moet gaan met de actuele ontwikkelingen als hij een plaats wil veroveren in het theaterleven.   

    Als een nacht zonder slaap is meer dan een autobiografische roman. Het is tevens een kleurrijke Amsterdamse theatergeschiedenis zoals die na de Aktie Tomaat vorm kreeg. Op 9 oktober 1969 gooiden enkele studenten van de Amsterdamse Toneelschool tomaten naar de acteurs tijdens de première van De Storm van Shakespeare door de Nederlandse Comedie, geregisseerd door Han Bentz van den Berg. Zij vonden het toneelrepertoire in het algemeen oubollig en er werd volgens  hen ongeïnspireerd gespeeld. De actie verspreidde zich binnen enkele maanden over het land. In 1976 kwam het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk met de nota Kunst en Beleid. Hierin werden enkele vernieuwingen geconcretiseerd, zoals de geografische spreiding van theatergezelschappen over het land. Ook ontstonden in de provinciesteden tal van nieuwe theaters en kleinere theatergezelschappen. Wat Als een nacht zonder slaap zo interessant maakt, is dat de inhoud van het boek zich in deze maatschappelijk en cultureel roerige tijd afspeelt.     

    Een halve eeuw later

    Tijdens het lezen is voortdurend voelbaar dat de ik-figuur niet volledig opgaat in de actuele theatrale ontwikkelingen en dat is een spannende dimensie van de roman. Het lijkt wel alsof hij zich niet thuis voelt in dit enerverende Amsterdamse spektakel, dat hij in ‘het verkeerde leven is terechtgekomen’. Daarbij wordt op de helft van het boek duidelijk dat de hij merkt dat hij bijzondere herinneringen heeft aan zijn ontmoeting met actrice Ineke, maar dat hij deze nog moet opdiepen: ‘Althans ik begrijp nu dat er iets is, dat nog niet is verteld, iets heb ik nog niet onder ogen willen zien.’ Dit is een andere spanningslijn in dit boek. De derde afdeling ‘Penseelstreken’ brengt de lezer vijftig jaar verder in het leven van de ik-figuur. Hij komt bij toeval te weten dat Ineke enkele jaren eerder overleden is. Van een neef ontvangt hij een brief waarin staat dat in haar nalatenschap een envelop aanwezig is die voor hem bestemd is.

    De ik-figuur ontmoet deze neef die nieuwsgierig is naar wat hij weet over zijn tante. De neef wil haar biografie schrijven omdat zij dat vlak voor haar dood gesuggereerd heeft. De strekking van de enigszins verwijtende brief is dat de ik-figuur zo’n vijftig jaar geleden aan Ineke heeft beloofd een toneelstuk met een specifieke rol voor haar te schrijven en dat hij dat nooit gedaan heeft. Bij alle stukken die de ik-figuur daarna nog heeft geschreven heeft zij zich afgevraagd of er een rol voor haar in zat. Aan het eind van haar brief richt Ineke zich tot hem: ‘Wie heeft het leven geleefd dat voor mij was bedoeld? Weet jij dat?’ Met deze vragen komen de herinneringen aan die korte Amsterdamse periode van vijftig geleden in een ander perspectief te staan. Vooral het bezoek van de ik-figuur en de neef aan een poppenspelvoorstelling zorgt voor een verrassende wending in deze herinneringsroman. Het leven van Ineke, dat de neef karakteriseert als een onvervuld leven, is uiteindelijk een spiegel van het leven van de ik-figuur, ‘een tot leven gewekte verbeelding’. Weliswaar zijn Ineke en de ik-figuur elkaar in het tijdsbestek van bijna vijftig jaar uit het oog verloren, maar ze zijn elkaar nooit vergeten. In deze afdeling ontwikkelt Als een nacht zonder slaap zich geleidelijk tot een gelaagde psychologische roman. 

    Tussen herinnering en verbeelding

    In 2019 vindt onder auspiciën van het tijdschrift Theatermaker een herdenking van de Aktie Tomaat plaats in de Amsterdamse Schouwburg die ondertussen Het Internationaal Theater Amsterdam (ITA)  heet. Belangrijke theatermakers als Gerardjan Rijnders en Jan Joris Lamers zijn aanwezig. Er wordt teruggeblikt en vooruitgekeken en het publiek heeft zelfs de beschikking over tomaten. Na de voorstelling verlaat de ik-figuur het theater om in café Eijlders aan de Korte Leidsedwarsstraat een vrouw te ontmoeten die hem gevolgd is. Deze vierde afdeling met de titel ‘Geen geschiedenis’ heeft een sterk reflectief karakter. De ik-figuur denkt na over zijn carrière als regisseur en auteur, zowel artistiek als zakelijk, en vraagt zich af wat voor leven hij geleefd heeft, wat de betekenis is van zijn kunstenaarschap en wat zijn nalatenschap is. Met de vrouw – Lies heet ze – wil hij er niet over praten, toch is zij op de hoogte van veel feiten uit zijn theaterleven. Samen met Lies gaat de ik-figuur naar de neef, die hem aan een scherp interview onderwerpt. 

    In de vijfde, korte afdeling ‘Tussen verbeelding en werkelijkheid…’ valt de ik-figuur samen met de auteur van het boek. Frans Strijards blikt terug op de gezelschappen die hij leidde in het Rozentheater, op zijn vervreemding van de hedendaagse theaterwereld, op zijn conflicten met de nieuwe generatie acteurs en vooral op het schrijven van Als een nacht zonder slaap. Dat maakt deze roman tot een rijk boek dat in een aantrekkelijke stijl is geschreven. Het bevat zowel breed uitgewerkte situatieteksten als korte schetsen over het Amsterdamse theaterleven. De pittige dialogen en lange monologen van de ik-figuur als antwoord op de aan hem gestelde vragen zijn een genot om te lezen, wat je van deze succesvolle toneelschrijver mag verwachten.

     

     

  • Wat dit boek zo boeiend maakt is de variëteit aan bronnen

    Wat dit boek zo boeiend maakt is de variëteit aan bronnen

    Jan Brokken is bewonderaar van het werk van de Caraïbisch-Britse auteur Jean Rhys (1890-1979). Vooral de roman De wijde Sargassozee die zich voor een deel afspeelt op Dominica, een van de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen, heeft zijn belangstelling. Het eiland van Jean Rhys is een onderzoek naar haar schrijverschap in de vorm van een literair reisverslag dat gebaseerd is op de bezoeken die Jan Brokken in 1991, 1992 en 1996 aan het eiland bracht en dat eerder al leidde tot de uitgave van Goedenavond mrs. Rhys in 1992. Hierna vestigde de auteur zich op het eiland Curaçao, waar hij de documentairemaker Jan Louter ontmoette die een film over Jean Rhys wilde maken. Na een verblijf in Londen, waar Brokken materiaal verzamelde over de schrijfster, werd een uitgebreide versie van Goedenavond mrs. Rhys onder de nieuwe titel En de vrouw een vreemde gepubliceerd. Het eiland van Jean Rhys is de derde versie van dit reisverslag.

    Onder de indruk van het eiland

    Jean Rhys wilde met De wijde Sargassozee een aanvulling geven op het vermaarde boek Jane Eyre van Charlotte Brontë uit 1847. Vanuit het perspectief van de half-Caraïbische Mrs. Bertha Rochester uit Jane Eyre, die in dit boek aan krankzinnigheid lijdt, geeft Jean Rhys vorm aan de ‘nieuwe Mrs. Rochester’, die in De wijde Sargassozee Antoinette Conway heet en evenals Bertha Rochester langdurig opgesloten wordt. Rhys toont in haar boek begrip voor de benauwende situatie waarin Antoinette verkeert. Ze geeft haar personage veel autobiografische gegevens mee om vat te krijgen op haar handelen en karakter. Haar kille Engelse echtgenoot voelt haar West-Indische sensualiteit niet aan. Ze groeien uit elkaar en het zelfbeeld van Antoinette komt in een negatieve spiraal terecht.

    Jan Brokken is onder de indruk van de natuurlijke schoonheid van het eiland die bij hem herinneringen oproept aan De wijde Sargassozee. Brokken laat in zijn boek diverse keren zijn reisverslag met Rhys’ roman in elkaar overlopen of met elkaar versmelten, wat prachtige passages oplevert. Hij wijst er ook op dat Rhys de roman in de negentiende eeuw laat spelen en zich soms bedient van negentiende-eeuwse woorden, hoewel de roman in de twintigste eeuw geschreven is en in zijn dialogen en beschrijvingen een moderne indruk maakt. Om eerst Jean Eyre te (her)lezen, daarna dit boek te vergelijken met De wijde Sargassozee en dan pas Brokkens Het eiland van Jean Rhys ter hand te nemen, is aan te bevelen, maar niet noodzakelijk. Het boek van Brokken kan onafhankelijk van de andere boeken gelezen worden.

    Karakteristieke eilandbewoners

    Niet de schrijfster Jean Rhys of haar roman De wijde Sargassozee, maar het paradijselijke eiland Dominica dat een magische uitstraling heeft op zijn bewoners en bezoekers is de hoofdpersoon van haar boek. Dat betoogde Mevrouw Daphne Agar, de dochter van de schrijfster Elma Napier, die Jean Rhys bij haar terugkeer op Dominica ontmoet heeft. Jean Rhys raakte met haar in conflict, maar Mevrouw Agar gaf wel toe dat De wijde Sargassozee een meesterwerk was. Deze dame van zevenenzeventig met haar ‘scherpe tong’, die al zestig jaar op het eiland woonde, vertelde aan Jan Brokken de familiegeschiedenis van Jean Rhys. Tijdens zijn bezoeken aan het eiland ontmoette Brokken veel karakteristieke bewoners met hun inheemse gewoonten die hun verhalen aan hem kwijt konden of die zich zwijgzaam tegenover hem opstelden. De meest genoemde persoon is Mr. Royce, de zwarte taxichauffeur die Jan Brokken op het eiland naar de plaatsen brengt die hij wil bezoeken.

    Brokken ontmoet ook de eilandhistoricus Lennox Honychurch, de oude man Mike Morrison die het eiland voor hem op papier uittekent en de jonge Paul Hindeman die hem de weg wijst naar de ruïnes van het huis waar Jean Rhys opgroeide en dat in 1930 door brandstichting werd verwoest. Hindeman zorgt ervoor dat Jan Brokken familieleden van de schrijfster ontmoet, neven en nichten van de oorspronkelijk blanke familie Lockhart. De hoteladministratrice Joséphine en haar echtgenoot Max vertellen hem over de Mardi Gras-opstand in de jaren zeventig vorige eeuw van de Black Power-achtige Dreads, zo genoemd naar hun Afrikaanse haardracht. Elke tocht die Brokken onderneemt, levert een bijzondere ontmoeting of ervaring op. Zo bezoekt Brokken de ruïne van de plantage Geneva Estate, waar hij even aan de bemoste stenen voelt.

    Op deze plantage had Jean Rhys gespeeld en waren haar de verhalen over de oproeren verteld. Op deze plek moet de schrijfster ook ‘de sfeer van verlatenheid en verval, van ondergang’ gevoeld hebben, die een belangrijke rol in haar roman speelt. In haar boek vindt hier de bloedige confrontatie plaats tussen het zwarte meisje Tia en het meisje Antoinette, met als gevolg dat de vriendschap van de twee hartsvriendinnen in één ogenblik omslaat in vijandschap. ‘Schoonheid en geweld, schoonheid en verval,’ zo geeft Jean Rhys de pijnlijke geschiedenis van het eiland met zijn natuurrampen, etnische verschillen en bloedige revoltes weer. In Het eiland van Jean Rhys maakt Brokken de geschiedenis voelbaar. Het boek staat vol persoonlijke verhalen en herinneringen van eilanders met wie Brokken in aanraking kwam en die bijdroegen aan de kennis van het vroegere leven op Dominica. 

    Bronnen van een schrijverschap

     ‘Als je je in een leven verdiept, komt er een moment dat je je volledig met je onderwerp vereenzelvigt. Het is een mooi moment en een gevaarlijk. De wereld verkleint zich tot dat ene.’, schrijft Brokken aan het einde van zijn boek. Identificatie kan leiden tot een vorm van kokervisie. Echter, wat dit boek zo boeiend maakt, is de variëteit aan bronnen die hij aanroert. Hij haalt zijn gegevens uit de bibliotheek van Roseau, uit geschriften van en over Jean Rhys en uit de verhalen van eilandbewoners en andere mensen die er geweest zijn.

    In het boek zijn een achttal foto’s opgenomen. De ondertitel Op zoek naar de bronnen van een schrijverschap is goed gekozen,  zijn reizen naar de Caraïben hebben hem uiteindelijk naar de oorsprong van Rhys’ auteurschap gebracht. Tegelijkertijd laat Het eiland van Jean Rhys een werkwijze en onderzoeksmethode zien die inzicht geeft hoe Jan Brokken zijn boeken schrijft en structureert. Dit boek gaat niet alleen over Jean Rhys, maar is tevens een spiegel van het schrijverschap van Jan Brokken. Bij hem is een boek een zorgvuldig afgewogen combinatie van een reportage, journalistiek onderzoek, een of meerdere literaire lagen, biografische gegevens en levensechte personages. Jan Brokken is een rasverteller, zowel van zijn eigen verhalen als die van anderen. 

     

     

  • Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    De belangstelling voor het werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1981) blijft onverminderd groot. Zijn romans worden door literaire fijnproevers nog steeds gelezen en zijn toneelstukken worden met enige regelmaat op de planken gebracht. Na bijna veertig jaar verschijnt nu zijn roman De onderspitdelver (1983) in een toegankelijke Nederlandse vertaling van Chris Bakker. De onderspitdelver is een psychologische roman over kunstenaar zijn, waarin drie talentvolle pianisten die een bijzondere relatie met elkaar hebben de hoofdrol spelen. Daarbij gaat de roman in op de overgave aan het kunstenaarschap, op begrippen als virtuositeit en genialiteit en op de maatschappelijke betekenis van de kunstenaar wat het boek tot een ideeënroman maakt.

    Twee virtuozen en een genie

    Allereerst is er Glenn Gould, de Canadese, briljante vertolker van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach. In 1953 volgt Gould aan het Mozarteum in Salzburg pianolessen bij de Russische pianist Vladimir Horowitz (1903-1989), daar komt hij in contact met het fictieve personage Wertheimer en met de ik-figuur. Beiden zijn virtuoze pianisten en hebben net als Glenn Gould pianoles van Horowitz en zijn in staat een ongekend hoog niveau te bereiken. Echter, als Wertheimer en de ik-figuur Glenn Gould horen spelen, haken ze af. Ze beseffen dat Glenn Gould een niet te overtreffen piano-kunstenaar is, een muzikaal genie, die zelfs hun leermeester Horowitz overtreft. Zijzelf zijn pianisten zoals er al zoveel zijn, gedoemd een carrière te richten op banale zaken als lesgeven en het voor de hand liggende repertoire te spelen dat de voorkeur van het publiek heeft. 

    De verhouding van de drie personages ten opzichte van elkaar is complex. De ik-figuur is de verteller in deze roman, een verteller die niets en niemand ontziet. Zijn bewondering voor het kunstenaarschap van Glenn Gould kent geen grenzen, zijn diepgravende beschouwingen over het handelen en het karakter van zijn kwetsbare cursusgenoot Wertheimer zijn spijkerhard. De titel van de roman De onderspitdelver is te herleiden tot de bijnaam die Glenn Gould aan Wertheimer geeft. Bij hun ontmoetingen spreekt Gould hem aan met: ‘Mijn beste onderspitdelver’. Het boek dat Wertheimer later schrijft, heeft ook De onderspitdelver als titel. Uiteindelijk wijzigt en schrapt hij zoveel in het manuscript dat slechts de titel overblijft en een boek nooit gepubliceerd wordt. Na het opgeven van zijn carrière als pianist geeft de ik-figuur zich over aan de ‘geesteswetenschappen’, tevens werkt hij aan het essay, Over Glenn Gould, dat ook nooit gepubliceerd wordt. Het mysterie Glenn Gould heeft zowel Wertheimer als de ik-figuur in de rest van hun leven nooit losgelaten.

    Monologue intérieur

    De tekst van Bernhards roman kent geen indeling in hoofdstukken en alinea’s, deze wordt slechts onderbroken door gebruik van hoofdletters en interpunctie. De onderspitdelver is een monologue intérieur, een doorlopend aaneengeschreven tekst vanuit het perspectief van de ik-figuur, hoofdzakelijk opgebouwd uit persoonlijke herinneringen en gevoelens die door hem inhoudelijk worden becommentarieerd. Er zijn woorden en zinsneden die cursief gedrukt zijn, zoals kunstbezetenheid, pianoradicalisme, geen sporen achterlaten. Ze dwingen de lezer pas op de plaats te maken en mee te gaan in de gedachtestroom van de ik-figuur of zich te verwonderen over neologismen als glenngeniaal en aforisticus.      

    De ik-figuur pelt de herinneringen aan Glenn Gould en Wertheimer laag voor laag af. Gedachten worden vaak onderbroken door de toevoeging ‘dacht ik’ of ‘dacht ik in het logement’. Het herhaalde gebruik van ‘dacht ik’ verwijst niet alleen naar de herinneringen van de ik-figuur, maar het refereert ook aan zijn twijfel over het waarheidsgehalte van zijn gedachten. De herhaalde toevoeging ‘in het logement’ maakt duidelijk dat het terughalen van de herinneringen door de ik-figuur grotendeels in dezelfde ruimte plaatsvindt. De ik-figuur is een analytische denker, die voortdurend wikt en weegt of zijn herinneringen en gedachten juist zijn. Veel van zijn gedachten zijn in een vorm van cyclisch denken weergegeven; al redenerend komt de ik-figuur na een aantal denkstappen weer uit bij de beginsituatie. 

    De toepassing van de woordherhalingen en de invoegingen van ‘dacht ik’ in de romantekst accentueren deze cyclische denkstructuren. Bovendien verwijzen ze naar de compositie van de Goldbergvariaties, die deze elementen ook bevat. Om Thomas Bernhard te vergelijken met de ik-figuur is te simpel. Ofschoon er overeenkomsten zijn tussen het leven van de auteur en dat van de ik-figuur, zoals hun studie aan het Mozarteum, hun schrijverschap en hun longproblemen, is laatstgenoemde geen blauwdruk van de auteur. Zo eenvoudig stelt Thomas Bernard zijn personages niet samen. Overigens zijn er ook overeenkomsten tussen het fictieve personage Wertheimer en de auteur.  

    Auteur en zijn personages

    Wie bekend is met het werk van Thomas Bernhard zal de meedogenloosheid van de ik-figuur herkennen in zijn oordeel over allerlei zaken, zeker wanneer dit het culturele en maatschappelijke leven in Oostenrijk betreft. Het landschap, de dorpen, de spoorwegen, de hotels, het eten en drinken, het katholicisme, niets deugt. Ook de mensen in zijn directe omgeving pakt hij genadeloos aan. Vrijwel iedereen vormt een belemmering in de ontwikkeling van de ik-figuur, op enkele personen na die hij bewondert. In De onderspitdelver is hem het niveau van virtuositeit te min en het bereiken van de status van genialiteit het ultieme. Een tussenweg is er niet. Met een zekere nuance naar de mens en zijn omgeving kijken doet hij niet, sterker nog: kán hij niet. 

    Verwacht bij Thomas Bernhard geen relativering, geen lichtvoetigheid. Inhoudelijk is zijn werk loodzwaar, geschreven vanuit een negatief en somber wereldbeeld. Wanneer Bernard zich van humor bedient, dan is het een vorm van sarcasme of cynisme. Hij heeft zowel in Oostenrijk als in het buitenland veel kritiek gehad op zijn werk en zijn persoon – critici noemden hem een nestbevuiler – maar de auteur zonder meer afdoen als zwartgallig zonder zijn werk zorgvuldig te lezen, doet geen recht aan zijn authentieke schrijverschap. De onderspitdelver is een knap geschreven roman met een bijzondere inhoud en een spanning wekkende monologue intérieur die nergens inzakt. Bernhard mag dan bij een deel van het lezerspubliek nog steeds weerstand oproepen, zijn romans en toneelwerk zijn van een internationale allure.

     

     

  • Een bosbouwer en zijn drie zonen

    Een bosbouwer en zijn drie zonen

    Beeldend kunstenaar en schrijver Max Niematz, wordt door een kleine groep liefhebbers van zijn werk nauwlettend gevolgd en hoog gewaardeerd. Sinds 1987 heeft Niematz drie dichtbundels, een verhalenbundel en zeven romans gepubliceerd. Nu verscheen acht jaar na zijn laatste roman, Smeulende vuren, bloedend hout. Bosbouwer Seefaert noemt zijn pasgeboren zoon Douglas, omdat hij op de dag van zijn geboorte met flinke winst een perceel met Douglassparren verkoopt. Douglas, de ik-figuur in de roman, is de jongste van drie zonen.

    Phill, de oudste, is beoogd opvolger  van zijn vader. Hij werkt bij een bank en helpt in de familieonderneming met de veelzeggende naam De Domeinen. Zijn broers beschouwen hem als ‘lichtelijk gladjes’. De andere broer, klimsporter en kunstverzamelaar Jefferson, is genoemd naar een van de Founding Fathers en de derde president van de VS en heeft ‘de feestzomers’ uit zijn jeugd achter zich gelaten. De drie broers hebben zeer uiteenlopende karakters. Dat leidt tot pittige discussies en stevige conflicten. Toch breken ze nooit definitief met elkaar. De wankele familieband tussen hen is een belangrijk spanningselement in de roman en verwijst naar de titel.

    Douglas onderscheidt zich van de twee, omdat hij zich als schrijver wil ontwikkelen. Wanneer de broers het ouderlijk huis verlaten, blijft Douglas met zijn ouders en het personeel achter. Om niet het contact met de werkelijkheid te verliezen gaat hij wekelijks naar een letterengenootschap in Rotterdam om schrijvers te ontmoeten en de literaire wereld te leren kennen. 

    Schrijven met artritis

    Smeulende vuren, bloedend hout is een ontwikkelingsroman, waarin de geestelijke ontwikkeling van de jonge schrijver Douglas beschreven wordt. Allerlei personages uit zijn omgeving beïnvloeden hem. In de eerste helft van de roman gebeurt weinig. De dialogen tussen de drie broers, hun denken over hun persoonlijke toekomst en de reflecties van Douglas op zijn ontwikkelende schrijverschap bepalen de primaire verhaallijn. In de onderliggende laag reflecteert Douglas voortdurend op aspecten van het schrijverschap. Dat is nodig, want het schrijven gaat hem niet gemakkelijk af. Ook fysiek niet: hij heeft artritis in zijn handen. Bij zijn bezoeken aan de literaire club ontmoet hij twee personen, die belangrijk worden in zijn schrijversleven. De eerste is behept met de sprekende naam Roepert Haveland, een jonge bewonderaar van Niematz’ eerste romans, maar ook iemand die zijn werk en levenshouding buitengewoon kritisch kan becommentariëren. De tweede is Melchiot, een vreemde vogel die zich in de literaire club ontplooit tot een dwangmatige, religieuze sekteleider. Hij krijgt een steeds grotere groep volgelingen, ook Jefferson maakt daar deel van uit.

    Over jezelf schrijven

    Roepert Haveland en Douglas sluiten zich niet aan bij deze beweging. Ze worden geleidelijk twee eenlingen die elkaar bij tijd en wijle opzoeken. Roepert is een man van verhalen, van smakelijke anekdotes, van wilde ideeën en allerlei vormen van dwarsdenken. In de roman is hij de literaire tegenhanger van de schrijver Douglas die hem allerlei ideeën influistert of toeroept. Hierdoor ontstaat een boeiende strijd tussen twee krachten: Douglas, het romanpersonage van de schrijver, die tegenover Roepert staat, het alter ego van diezelfde schrijver. Metaforisch gezien is hij het literaire geweten van Douglas. Daarmee is Smeulende vuren, bloedend hout tevens een roman over het schrijver worden. De literaire club waaruit onder leiding van goeroe Melchiot een spirituele club is gegroeid, staat voor de negatieve kanten van de literaire wereld, waar Douglas en Roepert geen deel van willen uitmaken.         

    Het schrijverschap, het enigszins buiten de werkelijkheid staan van het schrijverspersonage, het uitstellen van heftige gebeurtenissen, alsook het verdwijnen van zijn schrijversdrang zijn thema’s die in Niematz’ vorige roman In de schaduw van toekomstige rampen een prominente rol speelden. De thematiek van Smeulende vuren, bloedend hout sluit hier naadloos op aan. Ook Douglas stelt aan zichzelf vragen als: ‘Want over jezelf schrijven, kan dat? Hoe kun je als schrijver én een personage zijn én de bron van verbeelding waaruit dat personage voorkomt? Hoe tegelijk waarnemer en waargenomene zijn?’ 

    Een dood voorwerp

    De mogelijke antwoorden zijn in de roman terug te vinden. Niematz werkt net als in zijn vorige romans de personages en hun onderlinge relaties gedetailleerd uit. Om zijn verhaal niet te zwaar te maken past Niematz gedoseerd humor toe, met name in de dialogen. Meestal gaat het om milde ironie, soms is er sprake van venijnig sarcasme, een enkele maal komt bij een personage cynisme bovendrijven. De dramatische gebeurtenissen in de tweede helft van de roman worden niet breed uitgewerkt, maar in enkele woorden zakelijk geregistreerd. Het gaat de schrijver niet om het effect of schrikmoment van een handeling of situatie, het benoemen op zich is voldoende. De spanning van de roman ontstaat voornamelijk in de gesprekken en de gedachten van de personages zelf. De auteur weet de moeder van Douglas lang op de achtergrond te houden zonder dat ze geheel uit het verloop van het verhaal verdwijnt. Uiteindelijk speelt ze na de dramatische gebeurtenissen wat betreft de toekomst van haar jongste zoon een cruciale rol.

    Smeulende vuren, bloedend hout is een zorgvuldig geschreven roman met boeiende personages. Tegelijkertijd is het een verhaal met een gelaagde opbouw die evenwel wat mysterieus blijft. Het boek heeft een lange aanloop naar de meer dramatische gebeurtenissen in het laatste gedeelte en de ontknoping die daarop volgt. Het geeft de lezer op speelse wijze inzicht in een aantal aspecten van het schrijver-zijn. Het eindigt met de woorden van de schrijver Douglas die tegen zijn moeder zegt: ‘Als alles wat jij zegt en doet, ware gezegd en gedaan, wat zou mijn leven dan nog zijn? Een boek hooguit. Op een dag zou er met een doffe dreun een boek op de keukentafel vallen, een mooi boek, een mooi dood voorwerp.’ Dit boek over bosbouw, een ondernemersfamilie en het schrijverschap verdient een groot lezerspubliek. Het wordt tijd dat Max Niematz doorbreekt.