• Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    In verschillende interviews die Hella Haasse (1918-2011) op latere leeftijd gaf, zei ze dat ze geen biografie wilde. Het feit dat ze desondanks haar agenda’s bewaarde omdat ‘zulke bronnen voor iemand anders ook van waarde zouden kunnen zijn’, toont al aan dat ze in deze wens niet heel standvastig was. Daarnaast was er het ‘zwarte schrift’, waarin ze haar meest persoonlijke gedachten en herinneringen bewaarde. Naarmate het einde naderde werd het dan ook steeds duidelijker dat die biografie er na haar dood zeker zou komen. Dat Aleid Truijens voor deze dankbare taak werd benaderd was een logische keuze gezien haar grote staat van dienst in de bestudering van en het schrijven over het oeuvre van Hella Haasse.

    Familie

    Natuurlijk begint Truijens met de geboorte van Haasse in wat toen nog Nederlands Indië heette. Haar jeugd aldaar zou haar hele schrijversleven als een rode draad door haar werk blijven lopen – met Oeroeg (1948) en Heren van de Thee (1993) als de grote publiekslievelingen. In 1925 kreeg haar moeder tbc. Ze moest naar een kuuroord en Hella werd naar haar grootouders van moederskant gestuurd in Baarn. In 1928 keerde ze terug naar Indië. Afgezien van een half jaar met het hele gezin in Nederland (1935) waren de jaren daarna een gelukkige tijd voor haar, tot haar ouders haar in 1938 opnieuw naar Nederland stuurden om te studeren. Mede door de oorlog zou ze haar ouders acht jaar niet meer zien. De band met haar ouders bestond uitsluitend uit intellectuele intimiteit. Voor haar emotie zocht ze toevlucht in haar fantasie. ‘Ik heb de fantasie altijd nodig gehad om te kunnen leven’, zo zei ze in een interview. Voor Hella Haasse was de schrijver per definitie een waarnemer, geen deelnemer. Het werd haar tweede natuur om zich als buitenstaander op te stellen.

    Met haar vader was de relatie ook afstandelijk. Die afstand tot de ouders zou haar parten blijven spelen, en later zou dit patroon zich herhalen in haar band met haar dochters. Het opvallende is dat haar kinderen wél een goede band hadden met hun grootouders, net zoals Hella later een hechte band zou ontwikkelen met haar kleindochters. Haar broer Wim vertrok al op jonge leeftijd naar Australië. Een poging zich met zijn Australische vrouw in Nederland te vestigen liep op een mislukking uit omdat zijn vrouw hier niet kon aarden. De spaarzame bezoeken van Hella en echtgenoot Jan aan Australië worden gekenmerkt door afstandelijkheid; aan warme band zou het nooit worden.

    Huwelijk

    In 1939 ontmoette Hella Jan van Lelyveld. Ze werd verliefd, maar ondanks haar eigen woorden die het tegendeel beweerden, zou het huwelijk altijd problematisch blijven. Hella en Jan trouwden in 1944 en in datzelfde jaar werd dochter Chrisje geboren. April 1947 overleed Chrisje aan difterie. Hella zou haar hele leven schuldgevoelens houden; ze verweet zichzelf dat zij en Jan te laat hulp in het ziekenhuis hadden gezocht. Dit schuldgevoel speelde zeker ook een rol in haar latere verstandhouding met dochters Ellen en Marijn. Het is tevens een van de redenen dat het huwelijk tussen Hella en Jan stand hield want zij droegen samen dit verdriet.

    Er was geen intimiteit in het huwelijk, waardoor Hella verbitterd raakte. Compensatie zocht ze in het schrijven. Dochter Ellen van Lelyveld zei daarover: ‘Ik denk wel eens: mijn moeder had dat drama nodig. Ze had sterk de behoefte om slachtoffer te zijn, en dan een slachtoffer dat haar ellende met opgeheven hoofd droeg.’ Aleid Truijens: ‘Pas toen ze volwassen waren, doorzagen ze het patroon: een mengeling van superioriteit en zichzelf vernederen was een belangrijke karaktertrek van hun moeder. Naarmate Hella meer de smekende rol op zich nam werd hun vader afstandelijker, wat weer reden tot klachten gaf. Zo nam de kilte tussen hen toe.’ Echtgenoot en dochters hadden er moeite mee zichzelf te herkennen in de verhalen van Hella, ook al begrepen ze heel goed dat Hella soms eigenschappen van hen leende omdat ze pasten in het verhaal. Voor vrijwel al haar werk haalde Hella Haasse inspiratie uit haar eigen leven. ‘Wat ik ook schreef, het ging over mezelf’, zo zei ze ooit.

    De Grote Vier

    Een biografie van Hella Haasse ontkomt niet aan de clichés die we door de jaren heen zo vaak gehoord hebben. Als vrouwelijke auteur zou zij niet de waardering hebben gekregen die haar mannelijke collega’s ten deel vielen, er hing altijd een zweem van braafheid om haar heen. ‘Wat moet ik in godsnaam doen om van dat imago af te komen? […] Iemand die mij maar een beetje kent, zal nooit en te nimmer zeggen dat ik braaf ben’.  Tegelijkertijd werd ze ‘De Grande Dame van de Nederlandse Literatuur’ genoemd en werd ze niet zelden tot ‘De Grote Vier’ gerekend. Toch voelde Hella Haase zich altijd de mindere van de grote drie, Reve, Hermans en Mulisch. Toen haar in 1983 de P.C. Hooftprijs werd toegekend, nam zij deze dankbaar in ontvangst, maar ergens wrong toch ook de late toekenning.

    Haasse had grote waardering voor Hermans, Wolkers en Reve. Met Hermans ontstond er zelfs een vriendschap, al werd tijdens hun gezamenlijke etentjes vrijwel nooit over hun werk gesproken. Voor Reve had ze een zwak, al vond ze hem ‘een beetje getikt’. De vriendschap met Yvonne Keuls liep regelmatig deuken op, niet in het minst omdat het nogal eens botste als ze aan een gezamenlijk project werkten. Alleen met Harry Mulisch boterde het totaal niet. De laatste decennia woonden Hella en Jan in Byzantium, aan het begin van het Vondelpark. Mulisch woonde letterlijk aan de overkant. Als Annie Kroon, een van haar twee vaste Franse vertalers, op bezoek was, meden ze voor hun gezamenlijke lunches liever Hotel Americain omdat ze bang was Mulisch daar te treffen. En elk jaar dronken ze samen een glas van haar favoriete wijn Morgon om te vieren dat Mulisch opnieuw de Nobelprijs níet had gewonnen.

    Tegelijkertijd overvleugelde ze haar mannelijke collega’s in haar tweede thuisland Frankrijk, waar ze jaren woonde met Jan. Mede dankzij haar heldere, zeer vertaalbare stijl waren de Franse vertalingen van Haasse’s werk zeer succesvol. Het leverde haar zelfs een plaats op in het programma Bouillon de Culture van Bernard Pivot. Opvallend is het verhaal achter de Amerikaanse vertaling van haar vroege roman Het woud der verwachting. Ene Lewis Kaplan raakte in 1949 geïntrigeerd door het onderwerp en leerde speciaal hiervoor Nederlands. Hij maakte een vertaling die na zijn dood in 1957 jaren in de kast bleef liggen, tot zijn zoon het weer oppikte in de jaren tachtig. Met behulp van professionele vertalers verscheen er in 1989 een vertaling die naast lovende recensies een oplage haalde van 50.000 exemplaren.

    Monumentaal en invoelbaar

    Misschien wel de gootste verdienste die Aleid Truijens met dit monnikenwerk – het schrijven van deze biografie nam acht jaar in beslag – heeft geleverd is de wijze waarop je als lezer zoveel zaken vooral aanvoelt, hetzij voor, hetzij nadat deze zijn benoemd. Het moeizame huwelijk met Jan, diens autisme, tegelijkerijd de wederzijdse waardering voor de persoon, vooral gebaseerd op hun intellectuele band, de moeizame relatie met haar ouders en haar dochters, het gemak in de verstandhouding met haar kleindochters. En vooral, dat er zoveel meer schuilt achter die op het oog inderdaad misschien wat brave dame. Je kunt het als biograaf natuurlijk vertellen, maar het werkt zoveel beter als de lezer het ook werkelijk voelt.

    Aleid Truijens is zeer zorgvuldig te werk gegaan in het leveren van de context bij de vele romans van Hella Haasse, waarbij het knappe is dat het werk zelf centraal blijft staan en nooit ondergesneeuwd raakt door al die informatie. Het is en blijft altijd ‘in dienst van’, en daarmee heeft ze een zeer waardevolle biografie van deze ‘grande dame’ van de Nederlandse literatuur geschreven.

     

     

  • Wedstrijdje?

    Wedstrijdje?

    Anna Blaman, Anton Coolen, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Hella Haasse, Alfred Kossman, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk: samen schreven ze de roman De doolhof.
    Hun namen staan in alfabetische volgorde op de titelpagina. Allemaal schreven ze één hoofdstuk en de goede verstaander – de lezer met ‘kennis van de huidige Nederlandse literatuur’ – maakte kans op een mooie prijs als hij in staat was de schrijvers aan hun hoofdstukken te koppelen: ‘zend Uw oplossingen vóór 31 Januari 1952 per briefkaart onder vermelding van “prijsvraag” en naam en adres van Uw boekhandel aan N.V. Int. Uitg. Mij “Het Wereldvenster”, Heerengracht 433, te Amsterdam.’*

    Ik vond De doolhof vorige week in een antiquariaat en kocht het bij wijze van curiositeit. Acht schrijvers van naam die samen een roman schrijven, dat is zoiets als vijfentwintig leerlingen die tijdens de lessen Nederlands moeten voortborduren op de woorden van een klasgenoot, maar dan van een andere literaire orde. De vergelijking met De schrijver: een literaire estafette gaat minder mank. Ook aan De schrijver schreven acht auteurs, maar hun namen – Harry Mulisch, Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart, Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus en Joost Zwagerman – staan vermeld bij hun respectievelijke hoofdstukken.

    Deze laatste acht zijn gevrijwaard van eventueel gezichtsverlies. Of die andere acht reputatieschade opliepen door hun anonieme bijdragen aan De doolhof of in het kader van hun ‘teamwork’ juist genoten van het feit dat de één regelmatig voor een ander aangezien werd, vertelt het verhaal van de prijsvraag niet.
    Ik neem tenminste aan dat dat – ondanks al die in de toenmalige Nederlandse literatuur ingevoerde lezers – het geval was. En wat vond Simon Vestdijk er dan van als zijn werk voor dat van Anna Blaman of Hella Haasse gehouden werd? Dat zou ik wel willen weten.

    Stijl is waarmee de ene schrijver zich van de andere onderscheidt. Maar hoe herkenbaar is de stijl van een schrijver nog als een lezer geen idee heeft wie hij voor zich heeft? Ik vrees dat ik gigantisch door de mand zou vallen. In het geval van De doolhof kan ik me er nog vanaf maken door te zeggen dat ik het werk van de schrijvers niet goed genoeg ken, maar die vlieger gaat voor de schrijvers van De schrijver niet op. Hun werk ken ik al mijn hele lezersleven, maar toch ben ik er niet zeker van dat ik ze allemaal herkend zou hebben als de uitgever er ook hier een wedstrijdje van gemaakt had.

    Maar ja: je moet me ook niet vragen om de ingrediënten op te sommen die verwerkt zijn in een verrukkelijke maaltijd. Ik kan smakelijk eten, zonder precies te weten wat.
    Om te genieten van een boek is het niet altijd nodig om te ontleden hoe een schrijver doet wat hij doet. Pas als hij helemaal geen stijl heeft en een schrijver zich naar het einde hakkelt, haak ik af.

     

    * De volgorde van opkomst bleek: Van Eyk, Dendermonde, Blaman, Haasse, Kossman, Coolen, Van der Veen en Vestdijk.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Op 11 april 1947 scheepte mijn moeder in Amsterdam in op het MS Oranje voor haar passage naar Indië. Van die reis deed zij verslag. Ze maakte er een verhaal van in de vorm van een dagboek. Dat verhaal zit keurig uitgetypt in een plakboek, verlucht met onderweg gemaakte foto’s, menukaarten en nog wat parafernalia die helpen bij het koesteren van eerste indrukken.
    Dat verhaal over haar eerste zeereis schreef ze vooral voor zichzelf. Slechts weinigen zullen er weet van gehad hebben. Misschien liet ze het haar collega’s lezen: de andere Marva’s aan boord die net als zij onderweg waren naar Batavia dat twee jaar lang hun standplaats zou zijn. Of het thuisfront ooit kennis nam van haar wederwaardigheden aan boord en tijdens het passagieren…

    Wanneer ik haar verhaal voor het eerst mocht lezen, weet ik niet meer. Ik weet nu wel dat ik toen nog niet oud, wijs en belezen genoeg was om te doorgronden wat er tussen de regels stond. Ik was me er ook nog niet van bewust hoe veel er van mijn moeder in dat verhaal zit. Ik weet alleen nog dat ik af en toe schrok van haar nogal boude uitspraken en ongenuanceerde opvattingen.
    In plaats van mijn moeder vragen te stellen – in eerste instantie kwam dat niet in me op, daarna was het te laat om er nog op terug te komen – las ik me haar verleden in. Probeerde ik via de literatuur vat op mijn moeder te krijgen. Ook op de avontuurlijke moeder die ik nooit gekend heb.
    Ik dacht dat de sleutel in Indië lag. Het Indië van Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella Haasse, maar De stille kracht, Oeroeg en De tienduizend dingen brachten mij niet nader tot mijn moeder. Hun band met dat land was inniger. Zij waren er geworteld, mijn moeder was maar een passant.

    Toen mijn moeder op 1 mei 1947 voet aan wal zette in Batavia was van een idyllisch Indië geen sprake meer. Tempo doeloe was voorgoed voorbij. Er braken andere tijden aan. Die geschiedenis werd bij ons thuis niet opgerakeld. Wat mijn moeder – en de man die mijn vader werd: ze ontmoette hem daar en trouwde ter plekke – in Indië moest, is een vraag die ik mezelf met enige regelmaat stel.
    Ik kan het haar niet meer vragen, en troost mezelf met de gedachte dat zij hoe dan ook een ontwijkend antwoord zou hebben gegeven.

    Indië is voor mij altijd het land van anderen gebleven. Ik ben er niet geboren en ook niet gemaakt, maar mijn ouders voelden zich er ooit thuis. Dat rechtvaardigt dat ik me via de literatuur nog altijd een pad naar hun verleden probeer te banen. En dat ik plaatjes kijk in Een passage naar Indië van Rudy Kousbroek in de hoop dat die over de woorden van mijn moeder schuiven.
    Dat ik me tijdens al dat gelees af en toe het kleine zusje waan van Nathan Sid is een milde vorm van culturele toe-eigening die volgens mij geen kwaad kan.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Maatje, zag je mij? 

    Maatje, zag je mij? 

    Tijdens de oorlog vond in Nederlands-Indië een driedeling plaats onder de Nederlanders:  alle weerbare mannen – meestal opgeroepen voor het leger – werden ingezet als dwangarbeider voor het aanleggen van spoorwegen (in Birma, op Sumatra) of het werken in de Japanse mijnen. Vrouwen, kinderen en bejaarde mannen werden geïnterneerd, tenzij ze konden aantonen méér dan 50% Indonesisch bloed in de aderen te hebben. Dan mochten ze buiten de kampen blijven, waar ze – de economie was ingestort – met het breien van sokken voor de Japanse soldaten of het verkopen van koekjes of het verpanden van huisraad moesten zien te overleven.

    De geïnterneerden maakten kennis met de hardhandige Japanse cultuur, waar hogergeplaatsten diepe buigingen van hun ondergeschikten verwachtten en slaan en schoppen een gebruikelijke bestraffing was. Elke Japanse soldaat was hier de meerdere van de gevangenen en ze maakten daar lustig gebruik van. Kinderen zagen hun moeder voor hun ogen vernederd en afgerammeld worden en tezamen met de steeds slechter wordende voeding – die aan het eind van de oorlog vaak slechts bestond uit wat doorzichtige tapioca-pap –  maakte dit de oorlog tot een zwarte herinnering. Een speciale sub-groep vormden de jongens die 10 jaar of ouder waren. Zij werden van hun moeder gescheiden en in aparte kampen gezet, waar zij de oude – vaak zieke – mannen moesten verzorgen. De herinneringen van die jongetjes aan de zelfzuchtigheid van de stervende bejaarden behoren tot de meest trieste van deze oorlog. Vanwege de zware arbeid die zij moesten verrichten kregen zij iets meer te eten en het kwam voor dat de zieke bejaarden uit nijd spuugden in de etensbakjes van de kinderen. Tot deze subgroep behoorde Willem Nijholt (1934) die een jaar voor het eind van de oorlog 10 werd en met zijn oudere broer Jan in zo’n mannen-kamp terecht kwam.

    Hij hield aan de oorlog bittere herinneringen over, niet alleen om wat hem was overkomen, maar ook om wat zijn moeder, zijn ‘maatje’ had moeten ondergaan. Eerder schreef hij dat al deels van zich af in een reeks brieven aan Hella Haasse. Gebundeld onder de titel Met bonzend hart.
    En nu verschijnt het autobiografische Een ongeduldig verlangen waarin Nijholt terugkeert naar zijn jeugd.
    De Indische Letteren waartoe dit boek zeker behoort, vormen een enclave in de Nederlandse Letteren, met schrijvers als Multatuli, Maria Dermout, Bep Vuyk, Vincent Mahieu. P.A. Daum, F. Springer en nog aardig wat anderen.
    Van oudsher bestond het contact tussen de in de kolonie wonende Nederlanders en hun familie uit brieven, waarin zij vertelden over hun leven in de Oost. De brieven-schrijfstijl was gebaseerd op spreektaal, losser en ook verhalender dan het zwaarwichtige Hollandse proza van de 19e en begin 20ste eeuw. En die losse, verhalende stijl werd het kenmerk van schrijvers met een koloniale achtergrond. Willem Nijholt maakt daarop geen uitzondering met zijn brievenboek.

    Rasverteller
    Ook in Een ongeduldig verlangen is een verteller aan het woord. Een rasverteller op zijn praatstoel.
    Nijholt springt ogenschijnlijk van de hak op de tak, maar zorgt er voor dat zijn verhaal zich afwisselend afspeelt in het aangename en gedetailleerd beschreven dorp Millingen waar zijn doodzieke Maatje en de kinderen na de oorlog warm werden opgevangen, het mooie Nederlands-Indië van zijn vroegste jeugd en het gehate Japanse Indië van de oorlogsjaren. Met als kers op de taart een prachtig relaas van zijn 3 maanden in Denemarken, het land dat aangeboden had de sterk vermagerde bleekneusjes uit de Oost op te vangen met roomboter en vette melk. Hij komt terecht in de boerderij van Karl en Anne en beleeft er als elfjarig jongetje voor het eerst een homo-erotische sensatie als hij Karl ziet slapen op de sofa en merkt dat er uit de scheur in diens werkbroek iets aan het licht komt:

    Nog nooit had ik de piemel van een volwassen man gezien. Door zijn liggende houding was Karls werkbroek strak om zijn dijen getrokken waardoor ik nu duidelijk door die scheur naast de gulp-rits zijn piemel kon zien opbollen. Toen ik uit de flauwte bijkwam, kreeg ik een sterke drang om die arme piemel, die zo in de knel zat, uit zijn gulp te halen en goed te leggen. Meteen liet ik dat idee varen. Gedachten en gevoelens streden om het hardst in mijn donder! Stel je voor dat Karl wakker zou worden. Wat moest hij dan niet van me denken! Hij zou mij vragen waar ik mee bezig was.

    Want het 11-jarige jongetje Nijholt had tot dan toe alleen verliefdheden gekend die op meisjes gericht waren: Ik had toch in Millingen een vriendinnetje, Corrie Sak, die op Doris Day leek en heel lange, blonde pijpenkrullen had. Tot op haar bips. Pijpenkrullen die altijd om haar heen dansten en haar ‘onbereikbaar maakten bijkans’, zoals Jan van Lier altijd zei als zij met nuffig neusje voorbijschreed.

    Een steeds terugkerend thema is natuurlijk de oorlog en wat dat met zijn Maatje en hemzelf maar ook zijn vader had gedaan. Vader, een Overijsselse boerenzoon, in de jaren dertig naar Indië getrokken en daar bij het KNIL exercitie-sergeant geworden had met moeite de Birma spoorweg overleefd en was daarna direct ingeschakeld in de oorlog tegen de Indonesische Nationalisten. Dat deed hem veel pijn, want hij – die ze vaak had opgeleid voor het KNIL –  zag ze als ‘zijn jongens’.  Als hij een paar jaar na de oorlog terugkeert in het gezin is hij een oude man geworden, zonder gezag over zijn puberende zoons. Nijholt doet zijn best om in herinneringen de klewang-held te laten herleven die zijn vader vroeger voor hem was. Vader ontwikkeld een goede relatie met het jongste kind Ria, de twee zoons zijn hem ontgroeid. Van die twee voelt Willi zoals Willem genoemd werd, zich inferieur aan zijn sportieve broer Jan, die al snel een praktische opleiding voltooit en geld gaat verdienen.
    Willi is een aarts-kwebbelaar die naar eigen gevoel altijd en overal mislukt. De HBS-B blijkt een verkeerde keuze en ook een korte tijd bij de Marine mislukt omdat hij toch te ánders is.
    Zoekend en tastend in het geheugen, zichzelf onderbrekend met verwijzingen naar zijn huidige staat (Nou ja, dat bordje pap onder mijn schedel is zo langzamerhand aan het verschalen, en niet meer op te kloppen) neemt Nijholt ons mee in de vaak verrassend levendige en gedetailleerde herinneringen aan de tijd dat hij nog zoekende was.

    Identiteit
    Adembenemend is de beschrijving van het moment waarop zijn seksuele identiteit gevonden heeft in contact met de klusjesman van het bejaardenhuis waar zijn oma woont.
    Frans, de klusjesman is een ‘ongeveer dertigjarige, lange man met een blozend hoofd, blonde krullen en een brede lach die een rij perfecte witte tanden liet zien.’
    Hij en Willi kunnen goed met elkaar overweg en als hij Frans een aantal jaren niet gezien heeft en hem als puber opzoekt gebeurt ineens het volgende:

    Toen ik de keldergang in was gelopen, had ik zijn naam geroepen: ‘Fráns, ben je daar?’
    Even was het stil en toen galmde mijn naam ‘Willi! Ziedde gij ut?!’ vanuit zijn werkplaats tegen de muur van de gang en weerklonk tot achterin door. (…) Frans was meteen de hoek om gekomen, nam de zon mee in een straal licht die vanuit het raam in de werkplaats tegen de gangmuur kaatste. Goud vonkte zijn haar, rood sloegen zijn wangen uit en de witte streep (tanden, HV) flitste breder dan ooit toen ik op hem toeliep. Hij opende zelfs zijn armen wijduit waarin ik me meteen nestelde, maar snel liet hij me weer los en wist duidelijk niet waar hij met zijn armen verder moest blijven. Ik kon even niets zeggen, zo verrast was ik door dit intens vreugdevolle welkom dat ik maar doorliep de werkplaats in en mijn billen op de werkbank schoof. Frans kwam langzaam binnen, bleef naar mij kijken en wist ook even niets te zeggen, maar lachte opeens en zei: ‘Willi, ge bint al een mooie, grote knul.’

    Een mooiere weergave van wat kortweg ‘het klikte tussen ons’ genoemd wordt, moet nog geschreven worden. En na het vinden van zijn seksuele identiteit begin Willi ook zijn talenten te ontdekken. Het ongeduldig verlangen dat hij in zijn jeugd voelde krijgt vorm en wat tot dan toe Spielerei leek (het naspelen van filmrolletjes en het verzinnen en regisseren van toneelstukjes voor de buurtvriendjes) blijkt ineens de kern te zijn van wat hij wil en kan. Zijn moeder zag niets in een carrière op het toneel en dat zij – jong overleden-  zijn debuut op de planken niet heeft kunnen meemaken is een terugkerende pijn in Het ongeduldig verlangen. Nijholts beschrijving van haar overlijden is diep ontroerend.

    Dat haar Willi ook nog schrijven kon heeft ze zelfs nooit kunnen vermoeden.  Als ze dit boek had kunnen lezen zou ze gemerkt hebben dat hij zijn belevenissen van vóór en na de oorlog met passie en in klein detail beschrijft, maar zodra het over de Japanse internering in de oorlog gaat nemen de woede en het verdriet Nijholts pen over en remt hij zichzelf na enige tijd af.
    Déze herinneringen in detail oproepen is ook na 70 jaar kennelijk nog te moeilijk. In de persoonlijke brieven aan Hella Haasse (gebundeld in Met bonzend hart) ging hem dat makkelijker af. Laten we hopen dat het met Nijholts late schrijverschap nog niet ‘En toen al’ is, de gebruikelijke afsluiting van een Indische vertelling. Dat er nog veel herinneringen mogen volgen. De laatste 60 pagina’s van Het ongeduldig verlangen gaat over zijn leven als acteur. Daar moet nog heel wat meer over te vertellen zijn.

     

     

  • Portret van een oeuvre

    Portret van een oeuvre

    Recensie door Hans Bender

    Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

    In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

    Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

    In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

    Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

    Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
    Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

    In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

    Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

    In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

    Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

    Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

    Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er genoeg.

     

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Adoe, Willem, hij heeft een tak, hij springt erop, hij springt eraf. Mannen die hun jeugd hebben doorgebracht in Nederlands Indië bedienen zich soms, als ze onder elkaar zijn, van een grappig taaltje dat is doorspekt met Maleise woorden en waarbij dan ook nog eens spreekwoorden en zegswijzen worden verhaspeld, het zogenaamde petjoh. Willem Nijholt springt dus van de hak op de tak in zijn brieven aan Hella Haasse maar hij doet dat op een buitengewoon onderhoudende wijze. Natuurlijk, hij heeft een kist vol met sporen die hij allemaal heeft verdiend als acteur en voordrachtskunstenaar maar nu blijkt dat hij ook een boek kan schrijven. Maar wat is het voor een boek? Is het een roman in brieven en gaan hiermee de tijden van Sara Burgerhart herleven? Is het een dagboek? Allebei niet, het is een boek zoals alleen Willem Nijholt het kan schrijven waarin hij herinneringen ophaalt aan het land waar Hella en hij hun jeugd hebben doorgebracht.

    Niet alle herinneringen zijn even mooi, ook de afgrijselijke belevenissen in het jappenkamp worden in meerdere brieven gememoreerd. Willem schrijft de narigheid van zich af, de brieven hebben misschien een therapeutisch karakter.
    Vanaf het moment dat hij toelatingsexamen doet voor de toneelschool wordt de toneelcarrière gevolgd en komt de verhouding met een aantal collega’s uitvoerig aan de orde. Er waren eeuwigdurende vriendschappen maar er was ook wel eens sprake van onverenigbaarheid van karakters, echter nooit van een echte vijandschap. Willem is niet haatdragend want zelfs wanneer Japan wordt getroffen door rampen en overstromingen gaat zijn mededogen uit naar de mensen die er ook niets aan konden doen dat hun grootvader misschien wel had behoord tot de Japanse horde die destijds Indië onder de voet had gelopen.

    Interessant is ook de discussie die ontstaat wanneer er een vriend op bezoek komt die geen enkele empathie op kan brengen voor het leed dat de Indische Nederlanders is overkomen tijdens de Japanse bezetting. Het woord Auschwitz valt als een hakbijl. Het Indische leed wordt vergeleken met het Joodse leed. De herdenking op 4 mei op de Dam wordt gekenmerkt als een samenkomst waar de slachtoffers van de Holocaust worden herdacht, en de Indische samenkomsten in Den Haag op 15 augustus zouden meer het karakter hebben van een reünie. Nu heeft Willem de grootste moeite om zijn boosheid te verbergen, hij blijft netjes en houdt zijn mond stijf dicht, maar God hoort zijn gebrom. De volgende morgen belt de vriend, die eigenlijk geen vriend meer is, Willem op met de vraag of hij nog steeds boos is. Het antwoord luidt: ‘Als praten over Jappenkamp met Joodse mensen, adoe, jij vangt bot. Nu soeda dese’.

    Steeds opnieuw komen er herinneringen naar boven en die worden dan uitvoerig opgeschreven in de brieven aan Hella. De beschrijvingen in de brieven zijn vaak poëtisch van aard, zij zijn als vallende bladeren neergedaald in een vijver, om daar langzaam te verzinken in het slik van de vergetelheid en komen soms boven drijven wanneer er een steen in de vijver wordt gegooid. Een dergelijke steen valt in de vijver als Willem in een boek leest over de onthoofding met een botte klewang van een gevangene aan de Birma spoorweg en hij herinnert zich heel goed dat zijn vader nooit wilde praten over dergelijke gebeurtenissen. Hij vertelt wel een nogal cynisch grapje dat Wim Kan ooit maakte. Hij vroeg zich af, tijdens zijn verblijf in Birma: ‘Wat zal ik vandaag eens aantrekken? Tja wat’. Ter verduidelijking, het Maleise woord tjawat betekent schaamlap en dat was zo ongeveer het enige kledingstuk dat de gevangenen aan de Birmaspoorweg droegen.

    Willem Nijholt heeft als acteur altijd getracht zijn publiek te verheffen uit de smurrie van het dagelijks bestaan en dat is hem gelukt. Zelf heeft hij zichzelf uit de smurrie van de kampherinneringen omhoog getrokken en de brieven aan Hella waren daar een belangrijk hulpmiddel bij.

     

    Met bonzend hart

    Auteur: Willem Nijholt
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,95, als E-boek: € 15,95