• Feit of fictie? Nee: stijl!

    Feit of fictie? Nee: stijl!

    Begint H.C. ten Berge (1938) aan een tweede jeugd nu hij sinds kort onderdak heeft gevonden bij Koppernik? De uitgeverij heeft in korte tijd een eigenzinnig fonds opgebouwd met auteurs als Cynan Jones, Giorgio Bassani, Huub Beurskens en Wessel te Gussinklo. Niet vreemd dat Ten Berge met zijn eveneens eigenzinnige werk hier een welkome plek gevonden heeft. In 2019 verschenen bij Koppernik dan ook twee boeken van hem: De beproeving van Álvar úñez Cabeza de Vaca, een poëtische weerslag van een dramatisch verlopen Spaanse expeditie naar Amerika in 1527, waarbij Ten Berge zich baseerde op het verslag dat Cabeza de Vaca voor keizer Karel V schreef; en Notities van Nemo: een verzameling verhalen en novellen, geschreven tussen 1965 en 2012.

    Verhalen die een schrijversleven markeren 

    Notities van Nemo bevat geen nieuw werk. Wellicht kun je de verzamelde verhalen en novellen zien als piketpaaltjes in de schrijversloopbaan van Ten Berge, proza dat je zowel als realistisch, bijna journalistiek zou kunnen noemen, als wel surrealistisch, waarbij de lezer verre van een kant en klaar verhaal voorgeschoteld krijgt. In de laatste categorie kan het openingsverhaal ‘De honden’ en het titelverhaal, het tweede in deze bundel, geschaard worden.

    Voor liefhebbers van meer toegankelijk proza geldt daarom: eerst het zuur dan het zoet. Het derde verhaal, ‘Marble Island. Een reconstructie’, uit 1976, laat een geheel andere kant van Ten Berge zien. Een geschiedenis over zeevarende Europeanen, hun overwintering op Marble Island, het contact met Eskimo’s. Waarschijnlijk stuitte Ten Berge op deze geschiedenis toen hij in 1974 in Canada verbleef en werkte in het Volkenkundig Museum van Ottawa. De toon blijft vervreemdend. Het lijkt erop alsof een historisch verhaal wordt verteld, gebaseerd op bronnenonderzoek, maar is dat ook zo? Verbeelding lijkt deze wrede geschiedenis een extra dimensie te geven. Daarnaast openbaart zich voor het eerst – maar in deze bundel zeker niet voor het laatst – Ten Berges kritische blik op kolonialisme, politiek en macht. ‘Wat veroveraars en ontdekkingsreizigers delen is de gewoonte elke onbekende kust plompverloren “in bezit te nemen” namens een of andere imperialistische macht, die op plundering en uitbreiding gericht is.’

    De waarheid van de ‘oral historian’

    In ‘Lege stoelen, vijf novellen’ (dat de meeste ruimte inneemt in deze bundel) krijgt maatschappijkritiek ook de melancholieke ondertoon van de zestiger die terugblikt op een lang leven. ‘In Nederland knaagde de tand des tijds feller en sneller, omdat er geknoeid werd met ongeveer alles: de taal, de spelling, de scholen, de media. Alles moest altijd anders, minder en slechter.’ Aan het woord is M., de hoofdpersoon die in vier van de vijf novellen verhalen vertelt, maar vooral naar verhalen luistert over schrijvers van vervlogen tijden. M. keert terug naar Zeedorp, de plek waaraan hij goede herinneringen koestert, maar waarvoor hij ook tegenstrijdige gevoelens koestert (‘Als hij er niet gewoond had, zou het een prachtig oord zijn om doorheen te rijden.’). Kunstenaarsdorp Bergen aan Zee staat model voor Zeedorp.

    Met Betty praat M. over kunstenaars die in het dorp en in hun leven een rol hebben gespeeld: Tilman Hovius, Rieks Verwoold van Zanegeest zijn schuilnamen, maar andere personages worden onder hun eigen naam opgevoerd, zoals schrijver en journalist Jean Lenglet die onder het pseudoniem Édouard de Nève enkele romans schreef, en de Britse dichter Lawrence Durrell. Zo speelt Ten Berge met feit en fictie. Het lijkt allemaal op waarheid te berusten, maar het is de waarheid van de ‘oral historian’ die interviewt en uitsluitend met behulp van herinneringen, van ooggetuigen, geschiedenis weergeeft. Blijf je gefocust op dat historisch perspectief, wat is waar en wat is minder waar, dan mis je het belangrijkste aspect van deze bundel: en dat is de stijl van Ten Berge die je in korte verhalen als De honkvaste reiziger en Schimmen in de kloostertuin, maar vooral in Lege stoelen zo prominent bij de les houdt.

    Het beste verhaal voor het laatst bewaard

    Tot twee keer toe wordt William Faulkner aangehaald: ‘Houd drie dingen voor ogen (…): ervaring, waarneming en verbeelding’. Alleen een schrijver die voor zichzelf ook deze heilige drie-eenheid als adagium hanteert kan zijn personage het volgende laten denken, wanneer M. naar zijn gastvrouw kijkt: ‘Hij besefte dat hij urenlang in haar gezicht naar het gelaat van vroeger had gekeken. Haar echte leeftijd was voor hem een fictie die ineens werkelijkheid werd.’

    Save the best for last, alleen al het lezen van het slotverhaal ‘De vleeswolf’ maakt Notities van Nemo tot een waar avontuur. Uit de verantwoording blijkt dat de ‘De vleeswolf’ deel uitmaakt van De stok van Schopenhauer, een documentaire roman die Ten Berge in 2012 in eigen beheer uitgaf. Het is de geschiedenis van Fritz Haarmann, een seriemoordenaar die het vooral op jonge jongens had gemunt. Hij misbruikt en vermoordt ze niet alleen, maar stilt er ook zijn honger mee. Het decor is Hannover ten tijde van de Weimarrepubliek, de prille Duitse democratie van na de Eerste Wereldoorlog, maar de uitwerking van het drama is wellicht meer universeel.

    Het opnemen voor de eenzaat, de machtelozen

    Het dedain van machthebbers voor mensen van eenvoudige afkomst, tunnelvisie bij de politie, vriendjespolitiek. Zo werd er niets gedaan met de zorgen van de ouders van de vermiste jongens, noch met de verslagen van de buren van Haarmann – zij spraken over het verdachte rumoer in zijn huis, maar ook van verdachte handelingen buitenshuis. Sigarenboer Clobes en zijn vrouw zijn getuige hoe Haarmann met grote, zware zakken uit zijn huis wandelt om die in de rivier de Leine te gooien. Als het uiteindelijk tot een rechtszaak komt, is het de kritische berichtgeving van de journalist Theodor Lessing waar de rechtbank meer mee worstelt dan met de handel en wandel van Haarmann.

    Dan keert terug wat Ten Berge tot schrijven motiveert is het opnemen voor de eenzaat, de onmaatschappelijke (die eigenlijk juist heel maatschappelijk betrokken is), de machtelozen (van Eskimo’s tot ‘kleine luyden’). Het kan niet anders of het is zijn eigen woede als hij zijn alterego M. Louis Paul Boon laat citeren: ‘Men moet de mensen een geweten schoppen.’ Laat dit de opmaat zijn voor Ten Berges tweede jeugd.

     

  • Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    H.C. ten Berge (1938) is altijd geïnteresseerd geweest in andere culturen. Hij vertaalde onder andere Japanse noh-spelen, Azteekse poëzie en volksverhalen uit de Eskimo-cultuur. In zijn dichtwerk is het ‘onderweg zijn’ een belangrijk thema. In De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat zich afspeelt in Noord- en Midden-Amerika, worden deze interesse en thematiek met elkaar verenigd.

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is een reisverhaal in dichtvorm. In ‘een script in 45 scènes & een tussenspel’ beschrijft Ten Berge de avonturen van deze Spaanse edelman, alias ‘Koeienkop’ (‘Cabeza de Vaca’), een eretitel met een mythische oorsprong. Deze avonturenvonden plaats in de zestiende eeuw en begonnen met een expeditie naar toen nog onbekend land rond de Golf van Mexico. De expeditie mondde uit in een ware uitputtingsslag die bijna niemand overleefde. Na lange omzwervingen kwam Núñez terug in zijn vaderland waar hij schriftelijk verslag deed aan keizer Karel V. Ten Berge baseert zich op Núñez’ relaas en citeert hier delen uit.

    Het is één lang gedicht

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is dus eigenlijk één lang gedicht. Aan het begin voert Ten Berge  zichzelf als verteller op:

    ‘Op de tuibrug naar Tampa,
     staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
     de baai boven ravottende dolfijnen

     in een lange glijvlucht overspant,
     de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
     denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
          die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
          met drie kraken en een brigantijn
          op deze blinkend witte kust verzeilde.’

    Aldus een brug slaand naar het verleden. In het tussenspel keert de dichter terug, letterlijk stappend in de voetsporen van zijn helden. Althans, dat zou hij graag doen: ‘Wat trad ik graag als late nazaat/in hun weggewiste sporen –/ door niets gesteund en zonder liefde/ trok ik er, de angst verkropt, alleen op uit,/ een godvergeten minnaar van extremen.’ Uiteindelijk doet hij dat met het woord. 

    Ingenieus narratief spel

    Ten Berge speelt een ingenieus narratief spel met verschillende perspectieven. Alleen dit al maakt het gedicht bijzonder levendig. Zoals hij zich op Núñez baseert, verwees ook Núñez naar andere bronnen, om de keizer een zo compleet mogelijk verhaal voor te schotelen. Bijvoorbeeld over hoe het afliep met de roekeloze, zelfzuchtige expeditieleider Pánfilo de Narváez, de tegenpool van de verstandige, edelmoedige Núñez:

    ‘[Hernando] vertelde zijn verhaal aan Figueroa,
     die het doorgaf aan Dorantes en Castillo,
     die het overbrachten aan de nobele Álvar Núñez,
     die het later opschreef voor de vrome en gevreesde
        koning-keizer van een wereldrijk
     die men Carlos I in Spanje noemde, maar in Brussel Karel V.’

    De keizer moet Núñez op zijn woord geloven. Bewijsmateriaal is soms verloren gegaan: ‘Ik vroeg hem [een boosaardige kapitein die hij ontmoette] jaar en maand en dag / waarop wij voor het eerst / weer christenen zagen / voor mij op te schrijven / (wat hij toen ook deed). / het papier is later zoekgeraakt.’ Ten Berge legt hiermee extra nadruk op de verbeelding. Niemand weet meer wat er echt is gebeurd. Aan de andere kant heeft de lezer houvast aan talloze tijdsaanduidingen, soms als noot in de kantlijn toegevoegd.

    Huiveringwekkende avonturen

    Núñez’ belevenissen zijn prachtige en vaak huiveringwekkende avonturen. De lezer waant zich in een jongensboek. De titel van het gedicht zegt het al: er is sprake van talloze beproevingen. Ze worden met veel gevoel voor detail opgedist: 

    ‘Klamme hitte. Honger. Dorst.
     De van god gezonden monniken, soldaten,
     officieren hebben koorts of lijden aan kwetsuren.
     De gewonden legt men over paardenruggen
     bij het oversteken van rivieren.
        Er wordt een Arabier gedood, het vlees verdeeld:
        een daad die men alleen bij hoge nood
        met tegenzin herhaalt.’

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca staat vol met dit soort aansprekende anekdotes. In de scène ‘Kleine kroniek van Prikkelperenland’ (prikkelperen zijn cactusvijgen) wordt het leven van de Charruco, een volk van woudlopers, met sociologische precisie beschreven. Begrippen worden in de kantlijn verklaard of in de als bijlage opgenomen aantekeningen verduidelijkt. Waarom dit op twee verschillende plaatsen in het boek gebeurt is onduidelijk. Naar de aantekeningen wordt in het gedicht niet verwezen. Soms had er meer verklaard kunnen worden. Want wie weet dat een ‘cacique’ een opperhoofd is?

    Vloeiende regels vol klankrijm

    Uiteraard wordt de moeilijke verhouding tussen de Spaanse overheersers en de diverse indianenstammen beschreven, die gekenmerkt wordt door uitbuiting, wraak en onbegrip: ‘Zoals onwetende veroveraars in angst en vreze leven/ heeft de indiaan geen weet van overzeese volken/ of een wereldrijk dat inlijft en berooft.’ Núñez is in deze geschiedenis de ware adellijke held, die optreedt als heelmeester en streeft naar rechtvaardigheid voor de indianen. Het lijkt daarom rechtvaardig dat hij het overleeft, al is hij voornamelijk ‘een geluksvogel’. 

    Ten Berge schrijft dit alles op in vloeiende regels vol klankrijm. Beeldspraak wordt achterwege gelaten. De verhalen spreken voor zichzelf. Dat maakt dit gedicht tot een makkelijke leeservaring. Heel anders dan je doorgaans bij deze dichter gewend bent. Erg is dit zeker niet. Daarvoor fonkelt dit gedicht meer dan genoeg, waarbij je al lezende vergeet dat het voor een groot deel aan de verbeelding van de dichter is ontsproten.

     

  • Persoonlijke essays en de moderne letteren

    Persoonlijke essays en de moderne letteren

    Wie een studie wil maken van de poëticale opvattingen van H.C. ten Berge (1938) treft een ware ‘Fundgrube’  aan in zijn bundels met essays en dagboeknotities. Ruim twintig jaar na De honkvaste reiziger en Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken heeft Ten Berge wederom stukken verzameld en van een even mysterieuze titel voorzien: Een spreeuw voor Harriët. Behalve scherpzinnige analyses van het werk van collega-dichters die hij vaak persoonlijk kende zoals Breyten Breytenbach en A. Roland Holst, bevat dit derde boek ook essays en schetsen over de mens achter de literator. Waarbij Ten Berge niet alleen  exegeses van eigen werk geeft, maar ook zichzelf portretteert.

    Herbenoemen van de wereld
    Het meest centraal staat Ten Berge in de met foto’s verluchte afdeling ‘Eigen achtergronden’. Daarin figureren ook dichters en schrijvers die hij in zijn literaire carrière is tegengekomen, bespreekt hij zijn redacteurschap van tijdschrift Raster en zijn vernieuwende literatuuropvattingen. Opvallend hierbij is de objectieve kijk die Ten Berge op zichzelf heeft. Nergens ijdeltuiterij of zelfroem in deze afdeling die het stuk bevat waarnaar de hele bundel genoemd is. In ‘Een spreeuw voor Harriët’ toont Ten Berge dat hij als beginnend dichter al zocht naar het woord dat de wereld herbenoemt en nieuwe perspectieven opent in verten met naar verwachting wijkende kimmen.

    Jeugdgedicht
    Dit zeer persoonlijk essay bevat de ontstaansgeschiedenis van een jeugdgedicht. Het vers is een van Ten Berge’s eerste publicaties, verschenen bij de ‘Spreeuwenpers’ (oplage: één exemplaar) en opgedragen aan een vriendin. De thematiek van zijn debuut Poolsneeuw en volgende bundels – die samen met werk van vooral Hans Faverey en van Gerrit Kouwenaar de experimentele poëzie uit de jaren Vijftig ‘gecorrigeerd’ hebben – tekent zich in dit gedicht af. De reis voert niet naar noordelijke of andere ver gelegen onontgonnen gebieden (waar een horizon, die hoe dichter deze genaderd wordt, in rook blijkt op te gaan). Het is echter een even verwachtingsvolle reis naar Zuid-Europa die óók in het niets eindigt: de reiziger is ‘opgebrand / Of neergeschoten op de vlucht.’ Gevolgd door de verrassende slotregels: ‘Niemand die hem mist? / Ja, ik!’

    Sterke taalbouwsels
    Het titelessay doet in zijn sterk (auto)biografisch getintheid niet onder voor de andere stukken over schrijvers- en dichterslevens. Onmiskenbaar is de maker en kunstenaar met zijn werk verstrengeld. Hoe boeiend de biografische gegevens op zichzelf ook zijn, voor Ten Berge moeten ze het werk overstijgen. De door Ten Berge bewonderde Breytenbach bijvoorbeeld, is een meester in zulke sublimaties. Hij weet als geen ander persoonlijke ervaringen en observaties te verbinden met het ‘algemene’.
    Evenals de poëzie en het verhalend proza (Ten Berge schreef enkele romans en novellen) kunnen de essays goed in elkaar gezette en prachtige taalbouwsels worden genoemd. Niet alleen weet Ten Berge het ‘juiste’ woord te vinden maar ook de vorm die dat woord in kracht en ‘onsterfelijkheid’ laat stralen. De nieuwe en vruchtbare gronden waarnaar hij in zijn poëzie steeds weer vergeefs op zoek is, komen in de essays open te liggen in de zoektocht naar de mens achter het literaire werk.

    Vertrek van een nulpunt
    Op deze reis is de collega-dichter en -schrijver een lotgenoot van Ten Berge, iemand die net als hij telkens weer op vluchtigheid stuit en betrekkelijk weinig weet te doorgronden. Een ander punt van overeenkomst met de meeste besproken literatoren of andere kunstenaars is dat zij vaak vertrekken vanuit een nulpunt. Wat hen aan ‘werkelijkheid’ omringt, wordt vóór de zoektocht gezuiverd en leeggemaakt om van daaruit tot een diepgaander ontdekking te komen dan voorheen was gedaan.
    Geen wonder dat Ten Berge zoals hij in Een spreeuw voor Harriët ook zelf aanstipt, grote belangstelling aan de dag legt voor de ‘primitieve’ sprookjes en mythen, voor de middeleeuwen (de mystiek van Hadewych, de vaganten en de danse macabre) en voor de cultuur van de Azteken. Geen wonder ook dat hij in twee essays in Een spreeuw voor Harriët de bloeiende Duitse ‘Kosmische kring’ (ca. 1900) rond Stephan George centraal stelt.

    Ten Berge ziet in Albert Verwey – die nadat hij deel had uitgemaakt van de Beweging van Tachtig en zich mede onder invloed van die kring vernieuwde – een van zijn ‘historische’ metgezellen. De door Ten Berge ondernomen zoektocht is van alle tijden, evengoed als de verbeelding die daaraan vorm heeft gegeven. Bij alle verschillen is op zijn lijf het streven van Verwey geschreven, de Idee van de Verborgen Eenheid van Ik en wereld, zichtbaar gemaakt door de verbeelding.
    De lezer krijgt met Een spreeuw voor Harriët een literatuurgeschiedenis annex relaas over de moderne letteren voorgeschoteld via een speciale, maar veel omvattende invalshoek.

     

     

  • Oogst week 16 – 2018

    Hoe alles hier verandert

    Antjie Krog krijgt dit jaar de Gouden Ganzeveer. De in Nederland vooral als dichter bekende Krog maakte voor die gelegenheid een persoonlijke keuze uit drie van haar  non-fictie titels, waarin ze verslag doet van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika en die relateert aan haar eigen gevoel van erbij horen.

    In De kleur van je hart (2000) volgde Krog de verhoren van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Een andere tongval (2004) gaat over een land dat opnieuw moet beginnen en de inspanningen die bewoners daarvoor moeten leveren. Het meest persoonlijke is Niets liever dan zwart (2010) waarin Antjie Krog zich rekenschap geeft van haar eigen positie als witte Zuid-Afrikaan met een politiek-correct ANC-verleden, die haar draai niet kan vinden in haar veranderende land.

    Hoe alles hier verandert
    Auteur: Antjie Krog
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Macbeth

    De voorspelling dat hij ooit koning van Schotland zal worden, maakt van generaal Macbeth een ambitieus en meedogenloos man. Als hij eenmaal op de troon zit, moet hij vrezen voor zijn leven. Ook dat is onderdeel van de toekomst die drie heksen voor hem zagen. Door angst geregeerd, leidt hij zijn rijk op tirannieke wijze. Macbeth gaat over lijken, maar dat helpt hem niet. Tot zover William Shakespeare.

    Toen Jo Nesbø een Shakespeare mocht kiezen om in het kader van ‘Hogarth Shakespeare’ te hervertellen, koos hij Macbeth. Het eenvoudige plot en het geringe aantal personages vormden voor hem de ideale kapstok om een hedendaags misdaadverhaal aan op te hangen. Nesbø’s Macbeth speelt in een fabrieksstadje in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De politie neemt het op tegen drugsbaronnen. Inspecteur Macbeth wordt door één van hen uit de tent gelokt en laat zich manipuleren. Maar net zoals Shakespeare gaat het Nesbø niet alleen om de intrige. Beiden ontleden de mens en leggen het wezen bloot.

    Macbeth
    Auteur: Jo Nesbo
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2018)

    Een spreeuw voor Harriët

    Het oeuvre van H.C. ten Berge (1938) omvat poëzie, proza, essays, literaire antropologie en vertalingen. Het is niet opvallend omvangrijk, maar uitermate rijk als het gaat om bronnen en beelden. Ten Berge kijkt buiten voor de hand liggende kaders en verraadt in zijn werk belangstelling voor antropologie.
    In 2006 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre, omdat de jury zijn poëzie weigerde los te zien van zijn proza.

    Een spreeuw voor Harriët
    is de derde verzameling essays, dagboekbladen en veldnotities. Het zijn hele persoonlijke stukken, maar niet zoals literatuur tegenwoordig op het autobiografische af persoonlijk is. Ten Berge schrijft ook in zijn dagboekbladen en veldnotities niet primair over zichzelf. Het blijft hem ondanks die vorm gaan om waar hij aan werkt. Dat levert gedegen stukken op die van voorliefdes getuigen.

    Een spreeuw voor Harriët
    Auteur: H.C. ten Berge
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Blokken

    De roman Blokken (1931) van F. Bordewijk toont een strikt geordende samenleving. Rechtlijnigheid is letterlijk en figuurlijk het devies van de Staat die het helemaal niet zo slecht met de mens voor lijkt te hebben, als die mens zich maar schikt en de wens om een individu te zijn opgeeft.
    Bordewijk voorvoelde vast dat er weer wat te gebeuren stond, maar kon onmogelijk vermoeden hoe de samenleving op de langere termijn zou veranderen richting zijn angstbeeld. Blokken is dystopisch, maar zonder al te scherpe randjes.

    Viktor Hachmang (1988) weet inmiddels hoe de wereld er voor staat. Zijn beeldroman Blokken: de mislukking van een heilstaat oogt grimmiger dan het origineel leest. Met zijn tekenstijl geeft hij vorm aan de hoekigheid van het regime. Het inzoomen op details en het kleurgebruik verhogen het onheil. Terwijl Hachmang goed beschouwd – het heeft zin Blokken te herlezen – de zakelijkheid van Bordewijk nieuw leven inblaast. Blokken: de mislukking van een heilstaat volgt de tekst van Bordewijk nauwgezet.

    Blokken
    Auteur: F. Bordewijk
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2018)
  • Poëzie als vette klei en onomwonden vruchtbaar

    Poëzie als vette klei en onomwonden vruchtbaar

    Op ongeveer tweederde van de bundel Splendor staat een strofe die zo’n beetje allesomvattend voor het werk van H.C. ten Berge genoemd kan worden. Een vorm van persoonlijke kwalificatie, een helder inzicht in eigen materie:

    Ik ben de nominalist
    die alles met woorden bekleedt en benoemt.
    Ik zeg de naam en eigen mij de dingen toe.
    De woorden & de dingen: gist voor de geest,
    een zingen om het zingen, splendor –
    feest van licht, een gloed door de gebrande ramen.

    De dichter als ‘nominalist’ die zich dingen toeëigent, ze een naam geeft en alles met woorden bekleedt. Dat gebeurt zonder noemenswaardige emotie, in een spel vol begrip en betekenis, maar wel met een plotselinge opleving: gist voor de geest, dát zijn de woorden & de dingen. Het is zingen om het zingen, en zelfs – splendor! – een feest van licht. Zo uitbundig tref je Ten Berge zelden of nooit, en zeker niet over zijn eigen poëzie (aangenomen dat hier een zweem zelfreflectie heeft plaatsgevonden). Zijn verzen kenmerken zich juist door een afgemeten thematiek die op grondige wijze met woorden wordt vormgegeven. Splendor is daar een lichtend voorbeeld van.

    De wonderlijke aanvang ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’ is meteen een boeiende binnenkomer. Het prozagedicht over middeleeuwse mystica – verlichte geesten in diepgaande adoratie voor en lichamelijke versmelting met Christus – is een opsomming van de bizarre eigenaardigheden van historische vrouwen in hun religieuze dweepzucht. ‘Het bloedend hart van Christus wekt hevig hartzeer/ bij de vrouwen van de vrije geest’, zo steekt de dichter van wal om daarna een opsomming te geven van de lichamelijke extravagantie waarmee het ‘hartzeer’ gepaard ging. Met het nodige cynisme wordt de vaak gruwelijke levensloop van deze ‘bruiden van God’ beschreven, waarbij telkens fijntjes wordt aangestipt hoe het hemelse licht niet vanzelfsprekend tot verlichting leidde.

    De grondige werkwijze van Ten Berge wordt goed zichtbaar in het tweede hoofdstuk onder de noemer ‘O de aarde’. De woordspeling, die het geheel als een ‘ode’ laat klinken, zal hier niet toevallig geplaatst zijn. Met een intensiteit die zinderend door de regels stroomt, laat de dichter voelen hoe de aarde als basis van onze existentie een levensader is. Hij zoekt doorlopend naar nieuwe woorden en samenstellingen om substantie uit te beelden. Poëzie als vette klei – onomwonden vruchtbaar:

    Op de aarde, in een bad
    van modder, dompig slijk –
    in de bagger plat voorover, poel
    van venig nat.
    Jouw aangezicht besmeurd,
    verkild, een grijns verstard in drab.
    Ook dit is de grond
    waarop je leeft en ligt
    en lijdt.

    Dompig slijk en venig nat, een wereld van zintuiglijke werkelijkheid. De materie wordt op haast zinnelijke wijze voelbaar gemaakt. Dat is de intense vorm waarmee Ten Berge zijn verzen ‘met woorden bekleedt’. Eén simpele beschrijving is niet voldoende, dat worden er al gauw twee of drie, telkens in een andere andere weergave, sterker en versterkend. Geen kwestie van herhaling, maar een driftig zoeken naar nóg krachtiger formuleringen die het geheel tot een diep gevoelde eenheid maakt.

    In de ‘aarde’-gedichten komt tegelijkertijd een sterk pleidooi voor de zorg voor het klimaat en milieu naar boven. ‘Is de wereld de aarde te machtig?/ Is de mens haar nog waard?’ vraagt de dichter zich af. Dat leidt tot een duistere uiteenzetting waarbij hij de dystopische voorspelling hier en daar nog weet te neutraliseren door een flinter licht toe te laten. Minimale splendor in een inktzwarte wereld, veel donkerder kan de toekomst niet worden.

    Toch vloeit opeens weer de schittering van de poëzie over de bladzijden in het onderdeel ‘Splendor of de metafysica van het licht’. Een prachtige serie verzen over de weergave en uitwerking van het schijnsel in zowel melancholische als opbeurende gedachten:

    Bijna tastbaar brandt de zon haar licht
    in hoge, smalle vensters van de kathedraal.
    Onaards de bron en toch op deze plaats
    door glas en ruimte omgevormd
    tot weerspiegeling van een wereld
    die niet meer bestaat.

    De middeleeuwse bouwmeesters worden genoemd als aardse scheppers van het licht in hun kathedraal ‘bedwongen door gotieke slankheid, luchtbogen, glas/ en wat bouwlust met ruimte vermag,/ droeg een lofzang op het licht’. Het is een doorlopende ode aan de kunsten, waarbij de splendor, de briljante verschijning van inval, tevens aan andere kunstvormen wordt gekoppeld. Muziek (koorzang), schilderkunst (William Turner) en poëzie (Herman Gorter) zijn bij uitstek onderwerpen waar de glorieuze schittering een zintuiglijke ervaring wordt. Gorter krijgt van Ten Berge een eigen gedicht, fraaie regels over de dichter van de ‘allerindividueelste emotie’:

    De liefde is overal, lichtsplinterfijn –
    ‘Uw schoudertjes zijn zoo mooi,
    om u is lichtgedooi.’
    Herman gaat op ‘in den schijn’
    die uit ogenvuur straalt;
    zijn ‘hooge beenen riemden het spikklend spatzilver er uit’ –
    Jawel, het leven spat in licht uiteen,
    zijn liefdesbuit eet hij alleen
    om ‘de zuiverheid van het mooi’ voor de mensheid
    in gloedvolle taal te verklaren.

    Ook heeft H. C. ten Berge in deze bundel de ‘zuiverheid van het mooi’ in gloedvolle taal vormgegeven. Zijn aanhoudende zoektocht naar de verwoording van een intense ervaring, het fonkelen dat alles overtreft, krijgt in Splendor een lumineus slotakkoord: Er is een leven dat krimpt en verkwijnt. / Er is het licht dat verblinkt noch verdwijnt.

     

     

     

  • Neomodernisme, grimmige sprookjes en humoristische sermoenen

    Neomodernisme, grimmige sprookjes en humoristische sermoenen

    H.C. ten Berge heeft een selectie uit de canto’s van Ezra Pound vertaald, overigens al in 1970. Uw recensent heeft een hele tijd gedacht dat Ten Berge ook wel heel moeilijke poëzie zou schrijven, à la Pound. Dat valt hard mee, blijkt na lezing van Cantus Firmus, waarin weliswaar afstandelijke, maar zeer leesbare poëzie staat.

    Cantus Firmus bundelt alle bundels van Ten Berge sinds 1993 tot 2014, en dus niet 2013 zoals op de omslag vermeld is. Er staat namelijk ook een geheel nieuwe, niet eerder verschenen gedichtenbundel in: Kerven, kastijdingen (overigens wel in 2013 geschreven). Deze bundel is helaas niet apart uitgegeven: je zou als Ten Berge-bewonderaar maar netjes al zijn bundels gekocht hebben en veertig euro neer moeten leggen voor Kerven, kastijdingen.

    Eerlijk is eerlijk: Ten Berge’s poëzie doet aanzienlijk minder cerebraal aan dan je op basis van zijn Pound-vertalingen zou verwachten. Ten Berge doet vooral aan Robert Hass (1941) denken, een Amerikaanse dichter/vertaler wiens werk naar het Nederlands vertaald werd door Ten Berge. Beide dichters schrijven gedichten in een heldere, vaak anekdotische/verhalende stijl. Hass schrijft overigens wel iets warmere poëzie; Ten Berge neemt wat meer afstand en is koeler. ‘De laatste modernist’, het eerste gedicht in Cantus Firmus, begint zo:

    Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen,
    maar dronk een glas wijn bij het vuur.

    Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
    m
    aar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

    Hij moest nog een meesterwerk scheppen
    maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

    Het gedicht gaat zo nog een aantal strofes door, waarbij steeds de kloof tussen groots en meeslepend leven, en de bittere rustige realiteit geschetst wordt. Die afstand is een typisch modernistisch thema. Ten Berge positioneert zichzelf direct al in relatie tot de modernistische traditie en blijkt dat in Cantus Firmus vaker te doen. Het modernisme is natuurlijk sterk gecanoniseerd; Ten Berge heeft sterke schouders gevonden om op te staan.

    Ten Berge wijdt bijvoorbeeld een gedichtreeks aan de relatie tussen Hilda Doolittle en haar jeugdvriend Ezra Pound: ‘Een liefde in 1905’. De laatste werd zoals gezegd door Ten Berge vertaald, en de tweede is H.D., een in Nederland relatief onbekend gebleven Amerikaanse dichteres. Op het gedicht over hen volgt een vrij ruime selectie (23 pagina’s, meerdere gedichten) van vertalingen van H.D.’s werk. Het pleit natuurlijk voor Ten Berge dat hij ook ruimte maakt voor een hier minder bekende modernist, en zo haalt hij toch stevig zijn banden met die traditie weer aan.

    Een opvallende overeenkomst tussen Ten Berge en de al eerder aangehaalde Robert Hass is niet alleen dat ze beiden ook vertalen, maar dat ze ook plaats inruimen voor het werk van anderen in hun eigen bundels. In Ten Berge’s Oesters en gestoofde pot is een gelijknamige afdeling opgenomen, met een in- en uitleidend gedicht van hemzelf, en daartussen veertien vertaalde gedichten van anderen. Ten Berge heeft een uitstekende selectie gemaakt en kiest ook voor dichters die in Nederland niet heel bekend zijn. Naast een gedicht van de beroemde, recent overleden Seamus Heaney staan in de afdeling ook gedichten van Gary Snyder en Mark Strand, die bij minder mensen een belletje zullen laten rinkelen.

    Na twee bundels begint dat ingehoudene van Ten Berge soms een beetje te vervelen. De derde bundel in Cantus Firmus heet Hollandse sermoenen en verruilt de ingetogen afstandelijkheid voor wildere poëzie in gebiedende wijs. In opener ‘Zweepvormige sermoen’ worden er geen doekjes om gewonden: ‘Aaah! / Zing! / Of verhang je! / Word als Jonas op een lege kust geworpen. / Lood het mysterie, daal in / tot de aarde. Slik weg / de weerzin’. Deze toespraken zijn levendig en humoristisch.

    Hollandse sermoenen is eigenlijk het interessantste deel van Cantus Firmus, en dan vooral de eerste dertien sermoenen waar de bundel mee opent. In de bundel staat verderop namelijk ook nog heel wat verstilde natuurlyriek, typisch Nederlands. Het is zeker niet slecht, maar het sluit net te veel aan bij wat al overbekend is in de Nederlandse poëzie:

    Padden op asfalt, zoemende
    wielen, blinkend
    metaal.
    De oversteek naar de zomertuin
    net
    niet gehaald.

    Ten Berge’s diversiteit zorgt er in elk geval bij uw recensent voor dat een deel van het werk zeker in de smaak valt, en een ander deel minder. Ook met Kerven, kastijdingen is dit het geval: eerst wat ingehouden poëzie, daarna een gedicht van een paar pagina’s over J.J. Slauerhoff en diens exotisme, en daarna een aantal natuurgedichten. Het leukste aan de bundel is de slotafdeling: ‘Zeven balladen’. Ten Berge baseert zich hier op vrij onbekende volksverhalen uit onder meer Denemarken en Groenland, en een paar wat obscuurdere sprookjes die door de broeders Grimm opgetekend zijn. Wat er in de verhalende gedichten gebeurt is wonderlijk: zo verandert een enorme lintworm in een knappe prins. De balladen hebben de levendigheid van Ten Berge’s sermoenen en hun grimmige humor is verfrissend.

    Cantus Firmus is een flinke verzamelbundel geworden, waarin vertalingen en eigen werk mooi samenkomen en Ten Berge laat zien dat hij ook andere stijlen beheerst dan zijn wat afstandelijke ‘hoofdstijl’. Zeker niet alles is even interessant, maar er komt genoeg moois langs, met de grimmige balladen en scherpe sermoenen als kers op de taart.

     

     

  • Hollandse sermoenen H.C. ten Berge

    H.C. ten Berge in toptien 2008
    Hollandse sermoenen van H.C. ten Berge werd  door De Groene Amsterdammer verkozen als een van de beste bundels van 2008. Piet Gerbrandy schrijft: ‘Ten Berge kruipt in de huid van Occitaanse troubadours, bezingt Amerikaanse landschappen, gaat in discussie met mystici en Engelse dichters, identificeert zich met een verkrachte vrouw en observeert een fluitende pad in een karrenspoor. […] Dit is een imposant boek.’