• Je weet niet wat je leest

    Je weet niet wat je leest

    Om de chaos en rauwheid van het leven in Angola ten tijde van de onafhankelijkheid (na 400 jaar Portugese kolonisatie) en de daarop volgende 27 jarige burgeroorlog te beschrijven, heeft José Eduardo Agualusa (1960) het in werkelijkheid gebeurde gegeven  gebruikt van de vrouw die zich gedurende de burgeroorlog inmetselde in haar flat en zo de oorlog overleefde. Daaromheen wervelen personages waarvan het leven op drift geraakt is en die allen direct of indirect met de vrouw verbonden zijn.

    Van de in Angola geboren Portugese schrijver verscheen onlangs Een algemene theorie van het vergeten, zijn vijfde door Harrie Lemmens in het Nederlands vertaalde roman. De titel kan de indruk geven dat je een boek in handen hebt waarin een theorie over de werking van het geheugen uit de doeken wordt gedaan. Niets is minder waar. Geen weerslag van een studie naar vergeetachtigheid maar van verborgen geschiedenissen in Angola van de jaren 1975 tot 2002. Maar wees gewaarschuwd: Agualusa voert zijn personages in zo’n bevlogen verteltrant op dat er wel eens een enkele uit beeld verdwijnt. Wat overigens niets af doe aan de intensiteit van de vertelling. Die zit in de manier waarop Agualusa zijn personages opvoert, zonder uitgebreid in te gaan op plaats, tijd of herkomst, zijn ze er.  

    Pure fictie

    Het boek begint met een opmerking vooraf. Agualusa zegt dat hij de kopieën van tien schriften kreeg waarin de in 2010 op vijfentachtigjarige leeftijd overleden Ludovica Fernandes Mano, kortweg Ludo, een dagboek bijhield tijdens de eerste jaren van haar geïsoleerde leven. Hij zegt dat haar dagboeken en gedichten hem geholpen hebben het drama dat Ludo heeft beleefd, te reconstrueren. Om licht ironisch te besluiten: ‘Ze hebben me geloof ik geholpen haar te begrijpen. Desondanks is wat u zult lezen fictie. Pure fictie.’ En dat is het mooie aan de boeken van Agualusa, je weet niet wat je leest.

    Ludo lijdt sinds haar kinderjaren aan straatvrees. In haar jeugd is haar iets overkomen dat als ‘Het ongeluk’ wordt aangeduid waarna ze zich helemaal niet meer op straat durft te begeven. Wanneer haar ouders overlijden vertrekt ze met haar zus Odete en haar Angolese zwager Orlando vanuit Aveiro, Portugal naar Angola. Ze betrekken  een appartement op de elfde verdieping van een flat in Luanda. Als de onafhankelijkheid op het punt van uitbreken staat, vluchten de Portugezen massaal het land uit. Ook verdwijnen er Portugezen waar nooit meer iets van vernomen wordt, zoals ook Odete en Orlando die op een avond spoorloos verdwijnen. In de complete chaos die dan heerst ontstaat een burgeroorlog die 27 jaar zal duren.

    Uit angst voor plunderaars die de Portugezen willen verdrijven, metselt Ludo eigenhandig een muur (er is zand, cement en stenen voorhanden) om zich in haar appartement af te scheiden van de rest van de flat. Ze verbouwt groenten en druiven op het dakterras en om het appartement te verwarmen, verbrandt ze de meubels en duizenden boeken uit de bibliotheek van haar zwager. Haar leven geeft ze inhoud door een dagboek bij te houden en gedichten te schrijven : De dagen verglijden alsof ze / vloeibaar zijn. Ik heb geen / schriften en ook geen pennen meer. Ik schrijf met brokjes / houtskool korte gedichten op de muren / Ik ben zuinig met eten, water en woorden. //  (…).

    Overleven

    Wanneer de schriften vol zijn, gaat ze verder op de muren: (…) Als ik nog ruimte op de muren had, zou ik een / algemene theorie over het vergeten kunnen schrijven. (…) In dit huis hebben alle muren mijn mond.

    Er is onder andere sprake van een duif met een briefje in een kokertje aan zijn poot en diamanten in zijn ingewanden; een jongetje wiens moeder in haar strijd tegen handel in organen voor zijn ogen wordt doodgestoken; een lid van de geheime politie; een schaapsherder met zijn zoon: een witte hond met de naam Spook; een journalist die ‘De verzamelaar van verdwijningen’ wordt genoemd; een dochter die ter adoptie is aangeboden en een aap die Che Guavara heet. Een bonte verzameling aan gelukszoekers met hun eigen verhaal die aan het einde van het boek, (dood of levend) als bij de apotheose van een toneelstuk, over elkaar heen buitelen, dan toch nog hun plek krijgen.

    Poëtisch, humoristisch en verleidelijk

    Agualusa schrijft ogenschijnlijk zeer intuïtief, zonder vooropgezet plan. Zijn taal is poëtisch, humoristisch en verleidelijk. De grens tussen werkelijkheid en fantasie is flinterdun. Dat wat hij nodig heeft om zijn verhaal te kunnen vertellen, schrijft hij erbij: want alles dient het verhaal. Zoals wanneer Ludo het plan opvat zich in te metselen, lijkt hij ter plekke te verzinnen dat Orlando, voor hij verdween, het plan had een zwembad op het dakterras aan te leggen. Daarom liggen er zakken cement, zand en stenen op het terras. Die kan Ludo goed gebruiken om die muur te metselen. Die ze ook nog eens in één ochtend klaar kreeg. Fantastisch.

    Het geeft aan dat handelingen en hoe het verhaal in elkaar steekt ondergeschikt kunnen zijn aan het verhaal zelf. Het gaat om het zichtbaar maken van een leven in chaos. Terwijl in onze westerse samenleving alles is gericht op de toekomst – hoe het beter kan, meer en grootser – is het gros van de mensheid bezig met overleven. Dat is wat Theorie van het vergeten voelbaar maakt: wij hebben geen idee hoe het is te leven in een wereld waarin niets vast staat.

    Geloofwaardige fictie

    In het boek zijn twee gedichten, die het personage Ludo geschreven heeft, niet geschreven door de auteur, zoals te verwachten, maar door de Braziliaanse dichteres Christiana Novoa. Zij schreef die gedichten op verzoek van hem, aldus Agualusa in een dankbetuiging.
    Vertaler Harrie Lemmens verzorgde een mooi nawoord waarin hij onder meer vermeldt dat de fictie van Jose Eduardo Agualusa nog wel eens een eigen leven kan gaan leiden. Zo heeft de auteur in een van zijn boeken (Regenseizoen, 1996) een dichteres als personage opgevoerd. Hij deed haar zo geloofwaardig uitkomen dat de uitgever hem later vroeg een anthologie uit te brengen van het werk van de dichteres. De kunst om waarachtig te maken wat niet bestaat is Agualusa niet vreemd. Het kan dus zijn dat Christiana Novoa niet bestaat of, als ze bestaat, zijn die gedichten, waarvan hij zegt dat zij ze geschreven heeft, niet door haar geschreven. Maar dat terzijde. Voor wie zich wil laten overrompelen: lees dit boek.

     

     

  • Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Eindelijk is er weer een vertaling van het meesterwerk Angel van Cormac McCarthy uit 1979. Dit maal heet het Suttree, naar de naam van de hoofdpersoon Cornelius Suttree.
    McCarthy werkte er twintig jaar aan en dat leverde 477 pagina’s adembenemend proza op. Of, is het wel proza? Bij sommige passages zijn de woorden, is de taal zo poëtisch, dat we met een heus gedicht te maken denken te hebben.
    Zo staat er bijvoorbeeld (blz.76) wanneer de hoofdpersoon van het verhaal Cornelius Suttree een café binnen komt: ‘Aan een tafeltje achterin zaten een paar lui van onduidelijk geslacht smachtend naar hen te kijken. Ze leunden met hun ellebogen op de tafel en hun handen hingen als geknakte lelies aan de omhooggedraaide stengels van hun polsen.’
    Of wanneer Gene Harrogate, de jonge protegé van Suttree een markthal verlaat schrijft McCarthy: ‘Boven zijn hoofd rinkelde een windklokkenspel in de trage luchtstroom van de ventilators.‘Deze Gene Harrogate diepte Suttree op in de gevangenis. Suttree beschermde hem daar tegen de schurken en hun wegen kruisen zich af en toe.

    Het verhaal van Cornelius Suttree is de geschiedenis van een aan lager wal geraakte bewoner van een woonboot op de rivier de Tennessee bij Knoxville. Verder speelt op de achtergrond dat de zoon van Suttree na zijn scheiding is overleden. We komen niet achter de doodsoorzaak maar wel dat men Suttree daarvan de schuld geeft. Hij mag niet verschijnen op de begrafenis van de jongen. We komen te weten dat Suttree in de gevangenis heeft gezeten en veel drinkt, maar hij is ook een overlever. En dat laatste komt door zijn levensfilosofie : ‘De menselijke ellende kent geen grenzen. Het kan altijd nog erger!’ Hierdoor onderscheidt hij zich van de andere types, die in zelfgebouwde hutten, boten of krochten langs de rivier leven en vaak in de handen vallen van dieven, moordenaars of van de politie. De politie, die samenwerkt met de onderwereld maar er ook een diepe minachting voor heeft. En Suttree heeft ergens diep in zijn binnenste de eigenschap behouden anderen in eerste instantie met respect te behandelen tot het niet meer kan.

    Dat levert hem zeldzame tips en contacten op, zodat hij slim kan overleven op de drukbevolkte en uiterst smerige rivier, waar wonder boven wonder nog allerlei dieren in voorkomen, die je kunt vangen om van te leven of om er geld mee te verdienen.
    De ‘geheimzinnige indiaan,’ leert hem hoe hij schildpadden kan vangen en dat is een lugubere bezigheid, maar hij stelt Suttree ook op de proef en wil zien of hij tegen al dat bloed is opgewassen: ‘De indiaan zette zich schrap en zwaaide het druipend uit de rivier op de rotsen, waar het hen grimmig aanstaarde met knipperende varkensoogjes. Hij zat vast met een stuk ijzerdraad door zijn kin en de indiaan greep de draad en rukte eraan. De schildpad sloeg en siste, kaken wagenwijd open. De indiaan pakte zijn zakmes, klapte het open, trok de obscene nek van het beest strak en sneed met een snelle opwaartse beweging van het lemmet de kop eraf. Suttree deed onwillekeurig een stap terug. De rimpelige kop bungelde aan de draad en wat daar tussen de gespreide voorpoten gaapte, was een zwarte gerimpelde hondenkut waaruit trage golven bijna zwart bloed gulpten.’
    Het blijkt dat de schildpad door de indiaan gekookt zal worden en Suttree gaat ’s avond bij hem eten op een oude vervallen woonboot.

    En dan is er de drank. Er wordt langs de rivier enorm gezopen. Vooral eigen brouwsels, levensgevaarlijk maar niet minder effectief: ‘Suttree hield zijn ogen stijf dichtgeperst en stak de fles uit. Godsamme, wat is dat voor bocht? Early Times, riep J-Bone. Beste spul dat er is. Als je dat zuipt heb je nergens last van ’s morgens. Of nooit meer. Och wat, geef hier. Hallo, Early, kom maar bij het baasje schat. Hier, gooi hier maar een plens in, doe ik er cola bij. Kan niet Bud, in een mok. Hebben we al geprobeerd. Vreet de bodem eruit. Pas op, Suttree, dat je niks op je schoenen knoeit. Hé Bobbyjohn. Wanneer komt Callahan vrij? vroeg Bobbyjohn. Geen idee. Ergens deze maand. Heb je Bucket nog gezien?Die is verhuisd naar Burlington. Komt hier niet meer. Kom erbij zitten Sut. (. . .)Mijn God, wat is dit voor brouwsel? Early Times, Nik, riep J-Bone. Early pleite kun je beter zeggen. Godjezus, ik weet dat ze die troep in een badkuip maken, maar dit hebben ze zeker in de plee gemaakt.’

    Het boek van McCarthy is vergeleken met Huckleberry Finn van Mark Twain. Maar de overeenkomsten zijn weinig talrijk. Het is meer als een reis door de ziel zoals bijvoorbeeld On the Road van Jack Kerouac. Suttree overleeft door zijn onaangepastheid in zijn zelfgekozen jungle. Zoals Dan Moriarty in Road overleeft in een stadsjungle en het pas fout gaat wanneer hij zich wil aanpassen aan de ratrace van het burgermansbestaan. Suttree overkomt bijna hetzelfde wanneer hij met een prostituee aanpapt. Ze verwent hem met geld en alcohol, maar hij kan het leven van een rijke burgerman niet aan, zeker niet wanneer zij lelijker wordt en dik: ‘Haar toilet maken duurde eeuwig. Met haar glanzende metalen krulspelden in leek ze het object van bizarre experimenten met het menselijk brein. En ze werd steeds dikker. Ze zei: “Ik zou jou wel ‘ns willen zien als je in een bordeel woonde. Zou je ook gaan vreten”.

    De prachtige beschrijvingen van McCarthy zijn zo sterk dat je je pas na een aantal malen lezen realiseert dat hij eigenlijk een wanhopige puinhoop poëtisch beschrijft: ‘Het was nog steeds vroeg toen hij het steile pad langs de resten van een oude muur afdaalde. Een overwoekerde antieke stad hier. Op een dorre akker hingen versleten , door de wind aan flarden gereten kleren aan een kruis met bovenop een hoed. Verderop de oever, met slijk bevlekte rotsen, oude asfaltplaten en blokken beton, waar geroeste ijzeren stangen uitsprietten.’

    Op de laatste bladzijden rijdt Suttree in een auto die voor hem stopt langs de weg en dan volgt de monumentale laatste zin van het boek: ‘Ergens in het kreupelhout langs de rivier loert de jager, en in het golvende koren en de gekantelde drukte van de steden. Zijn werk ligt overal en zijn honden worden nooit moe. Ik heb ze in een droom gezien, kwijlend en wild, de ogen van de honger naar aardse zielen. Ontvlucht hen.’

    Waarvan akte!
    Wat een schitterend boek! Mooi vertaald ook door Harrie Lemmens.

     

  • Allegorische fantasie streelt de zintuigen

    José Veiga’s boeken beginnen volgens vertaler Harrie Lemmens steeds in een dorp, waarin het onschuldige, gezapig leventje van buitenaf ruw wordt verstoord. Zo ook in De drie plagen van Manirema (oorspronkelijke titel: A hora dos ruminantes), een fantastisch ofwel magisch realistisch verhaal over een klein stadje dat machteloos moet toezien hoe het ten prooi valt aan onbegrijpelijke, verwoestende gebeurtenissen. Op een avond staan een paar mannen op de brug over de rivier langs Manirema het einde van de dag te verwelkomen. In de schemering zien zij een groep pakezels naderen. Maar de brug blijft leeg en in het donker discussiëren de mannen over de vraag óf ze eigenlijk wel iets hebben gezien. De volgende dag blijkt er bij de vervallen boerderij naast de rivier een kamp opgeslagen te zijn. De mensen in het stadje praten erover en wachten tot de vreemdelingen contact met hen zoeken en zich in hun winkels vertonen. Zelf weigeren zij naar het kamp te gaan om uitleg over de komst van de mannen te vragen. ‘Als zij duur doen, doen wij dat ook. Niks aanbieden.’

    De eerste contacten zijn al meteen onaangenaam. De nieuwkomers zijn bezig met bouwen en verbouwen op het terrein van de boerderij, gedragen zich brutaal en autoritair en accepteren geen nee. De eerste die daarmee te maken krijgt is Geminiano, eigenaar van een kar en een ezel waarmee hij voor de bewoners vracht vervoert. Hij weigert zijn kar aan de kampbewoners af te staan en geeft te kennen dat ze gewoon op hun beurt moeten wachten om iets vervoerd te krijgen. Maar als Geminiano daar eenmaal aan toe is, blijkt de opdracht gaandeweg zo groot dat hij erin gevangen wordt en niet meer aan andere vervoersklussen toekomt. Ook Amâncio, heethoofd en eigenaar van de plaatselijke winkel voor allerhande waren, raakt in de macht van de mannen.

    De tweede plaag bestaat uit ontelbare honden die de straten binnenstromen. Ze blaffen, vertrappen planten, woelen moestuinen om, springen over muurtjes, stoten hekken om en bijten kippen dood. ‘Soms drong er een hond een huis binnen, onduidelijk hoe, en dan raakten de bewoners in paniek. De hond keek hen een voor een aan en koos vervolgens iemand uit waar hij kwispelstaartend naartoe liep. Die kromp ineen, beschermde handen en benen en kon geen woord uitbrengen om het beest weg te jagen.’

    Als de hondenplaag voorbij is kunnen de mensen zich weer even bezighouden met hun eigen perikelen – waaronder een kleine liefdesgeschiedenis en een verhoor, verweven met de nog steeds aanwezige mannen in het kamp. Maar al gauw komen de ossen. Ze bezetten straten en huizen, loeien luid en trappen alles kapot, ‘de koppen omhoog om geen last te hebben van hun hoorns, zonder ruimte om zelfs maar hun staart op te heffen als ze moesten schijten, zodat de drek langs hun poten omlaag liep en verwerd tot één grote derrie. […] Een os die zijn evenwicht verloor en […] door de knieën ging kwam niet meer overeind, de andere trapten op hem tot hij dood was, en dat bood wat verlichting – heel even maar …’ De ossen zijn overal, vanaf de straten waar ze opeengepakt staan steken hun hoorns door de ramen naar binnen. Niemand kan zijn huis meer uit, honger, stank, wanhoop en ziekte slaan toe en de mensen ‘piekerden over wat ze hadden misdaan om deze straf te verdienen’.

    Al is dit een klein boek van slechts 104 pagina’s, José Veiga beschrijft op zijn gemak in zintuigelijke taal de op handen lijkende ondergang van Manirema. Als lezer sta je er middenin, je hoort de mensen praten, de honden blaffen, ziet de opeengepakte massa ossen, ruikt de drek en voelt het chaotische gedrang waarin de meutes, mensen en dieren, zijn terechtgekomen. Want ook de honden en ossen lijken willoze slachtoffers van een onzichtbare hand, van een vijand zonder mededogen met hun onmacht.

    Zoals het bij fantastisch realisme gaat laat Veiga het ook hier aan de eigen fantasie van de lezer over om betekenis aan het verhaal te geven. Achterop het boek staat te lezen: ‘In 1964 pleegt het Braziliaanse leger een staatsgreep en vestigt een nationalistische dictatuur. Er daalt een duistere nacht van vrijheidsberoving, censuur en geweld neer over het land die twintig jaar zal aanhouden. De drie plagen van Manirema is in 1966 het allegorische antwoord van José J. Veiga op die nacht.’

    Vertaler Harrie Lemmens meldt echter in zijn nawoord dat Veiga zijn manuscript al voor de staatsgreep bij zijn uitgever had ingeleverd. Deze zag volgens Lemmens de vervreemding, het wantrouwen, de dreiging en de verbrokkeling als de grote kracht van de roman en vond het raadzaam met uitgeven te wachten tot helder werd welke kant het met de dictatuur opging.

    Of het boek nu ontsnapt is aan de aandacht van de generaals of dat die het als een onschuldige fantasie beschouwden, het gold volgens Lemmens voortaan als hét verzetsboek in Brazilië. Veiga zelf vond het best dat de lezers zijn boek als metafoor van en aanklacht tegen de dictatuur interpreteerden, want was het leger niet ook een plaag? Mogelijk heeft Veiga bij het schrijven eerdere staatsgrepen en dictaturen in Zuid-Amerika voor ogen gehad. Zo niet, dan is voor de lezer die zijn zintuigen wil laten strelen deze fantastische geschiedenis toch een feest.


    De drie plagen van Manirema

    Auteur: José J. Veiga
    Vertaald door: Harrie Lemmens
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 14,99

  • Literatuur als invalshoek

    Literatuur als invalshoek

    Er zijn in de loop der tijd vele visies op het fenomeen reizen geformuleerd. Twee van de meest voorkomende varianten lijken niet met elkaar te verenigen, namelijk dat reizen je horizon verbreedt en dat reizen juist iets is voor mensen met weinig fantasie. Volgens het laatste denkbeeld heeft een goed functionerend mens aan zijn omgang met de bekende omgeving voldoende voor een rijk leven. Het is aan jezelf om je realiteit te kleuren, zo bont als je maar kunt. Op reis gaan is dan iets voor mensen die een tekort in zichzelf ervaren en hopen dat omgang met het exotische hen zal stimuleren. Een dergelijke visie gaat ervan uit dat je de verwondering om het leven steeds opnieuw in jezelf en je vertrouwde omgeving kunt vinden. Het lijkt echter zo te zijn dat jezelf blootstellen aan andere ervaringen wel degelijk iets toevoegt. Je maakt kennis met de andersheid van de Ander en zit minder opgesloten in je eigen zelf als je reist. Voorwaarde is wel dat je de omgeving tegemoet treedt als geoefend waarnemer.

    Precies dat doet de vertaler van Portugese literatuur Harrie Lemmens in zijn reisboek over Brazilië. Hij gelooft dat reizen de mens kan voeden en verrijken. In zijn boek God is een Braziliaan bezoekt hij met zijn fotograferende vrouw acht steden in het land met de meeste Portugees sprekenden. Lemmens kiest niet voor het uitvergroten van het exotische en ook gaat hij nauwelijks in op zaken als samba, carnaval en voetbal, waarmee veel mensen Brazilië associëren. Vanuit zijn literaire kundigheid kiest hij ervoor de locaties die hij bezoekt steeds in verband met schrijvers te brengen. Zo biedt hij een gevarieerd beeld dat enthousiasmeert en de lezer benieuwd maakt naar diverse van de besproken auteurs. Misschien meer nog dan naar de bezochte steden.

    Toch weet Lemmens de steden treffend te evoceren. Door het lezen van zijn boek leer je waarschijnlijk meer over Brazilië dan als je het land daadwerkelijk zou bezoeken, maar onvoorbereid. Als onvoorbereide weet je immers niet wat je ziet en had je net zo goed thuis kunnen blijven. Lemmens gebruikt misschien iets te veel termen als ‘fraai’, ‘wonderschoon’ en ‘prachtig’, waar de lezer liever tot dat oordeel zou komen door de context die wordt opgeroepen. Maar dat is van ondergeschikt belang. De auteur weet zeer duidelijk te maken dat iemand die openstaat voor cultuur en andere mensen veel meer kan halen uit een bezoek aan het buitenland dan slechts een zongekleurd lijf.

    God is een Braziliaan biedt historische context van de bezochte steden. Als historiserend auteur slaat Lemmens de plank zo nu en dan mis. Zo stelt hij dat van de Europese volkeren alleen de Belgen altijd hebben bestaan.(59). Dat is een merkwaardig denkbeeld. Het volk der Belgen uit de oudheid heeft weinig van doen met het surrealistische curiosum dat het moderne België is. Op bladzijde 239 vergist Lemmens zich in de eeuw dat de Braziliaanse keizers aan de macht waren. Dergelijke kleine missers doen enigszins afbreuk aan het geheel, omdat ze de autoriteit van de auteur ondergraven.

    Hier en daar neemt Lemmens een ferm standpunt in, bijvoorbeeld als hij het heeft over het onrecht dat de indianen is aangedaan. Hij schrijft: ‘Nee, de geschiedenis is niet fraai. Nooit. Nergens. De geschiedenis is het verhaal van geweld.’ Hij voegt er aan toe: ‘Maar je kunt de geschiedenis ook niet terugdraaien, je kunt niet ongedaan maken wat, al dan niet gesteund door de wet (en welke?), werd aangericht. Toch is dat nu juist de steeds luider wordende wens, of eis, van groepen indianen en sympathisanten die de toenemende reeks herdenkingen van dergelijke gruweldaden aangrijpen om zich te manifesteren.’ (57) Lemmens lijkt met deze visie deels voorbij te gaan aan het echte leed dat in het verleden is aangericht en dat best benoemd mag worden, als correctie op het verhaal van de winnaars dat geschiedschrijving volgens een bekend (en waar) cliché is. Toch is er ook wel iets te zeggen voor zijn realisme. Elke periode uit de geschiedenis kent zijn slechtheid. Daar verander je niets aan en misschien moet je een dergelijke slechtheid maar accepteren als inherent aan het leven. Het is de wisselwerking tussen goed en kwaad uit het verleden die de geschiedenis zo’n fascinerend schouwspel maakt. Zonder de menselijke slechtheid was het leven saai, een eeuwig samenzijn in het aards paradijs zonder verhaal en zin.

    Niet alleen samba en voetbal spelen geen hoofdrol in het boek. Ook het begrip ‘saudade’ ontbreekt, de nostalgie van Portugeestaligen. Dat is jammer omdat dit fenomeen een invalshoek had kunnen zijn om iets meer over de aard van de Braziliaan te vertellen. Het boek zoals het er ligt is vooral een beschrijving van de culturele elite, de volkscultuur van de gewone man blijft wat onderbelicht. Ook is het jammer dat de hoofdstad van Brazilië, Brasilia, ontbreekt. Brasilia is een stedenbouwkundig experiment dat in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd geschapen, met onder meer veel architectuur van Oscar Niemeyer.

    God is een Braziliaan is een rijk boek dat de lezer iets laat ervaren van plaatsen die hij of zij waarschijnlijk nooit zal bezoeken. Met veel aandacht voor kleuren en details roept Lemmens een beeld op dat strikt persoonlijk is, maar dat een universele zeggingskracht heeft. Er blijkt uit dat kennismaking met de cultuur van andere landen essentieel is om iets te begrijpen van wat het is om een volwaardig mens te zijn.

     

     

  • Sluit je ogen maar

    Sluit je ogen maar

     

    De filmwereld kent The Golden Raspberry Awards, ook wel The Razzie Awards genoemd, voor de slechtste films. Voor zover bekend kent de literatuur een dergelijke prijs niet. Dat is jammer want anders had het boek Als ik mijn ogen sluit van de Braziliaanse auteur Edney Silvestre hoge ogen gegooid in de categorie Slechtste buitenlandse boek dat in eigen land met een literaire prijs bekroond is.

    Het debuut van Silvestre, dat twee Braziliaanse prijzen gewonnen schijnt te hebben, mag je eigenlijk geen literatuur noemen. Het is eerder een ‘literaire thriller’ waarbij je dan meteen het raadsel op moet lossen waar dat literaire dan in zit. Vaak is die benaming niet veel meer dan een dun laagje vernis dat de thriller moet doen opleuken. Hier is dat ook zo.

    Dit boek is geen literatuur. Daarvoor is het gewoon te oppervlakkig. De spanning – als die er al is – glijdt langs de huid maar komt er nergens onder. Het geheel is geschreven in een taal die vlak en bij vlagen gekunsteld aandoet. De personages zijn bedacht, meevoelen en inleven is alleen op een oppervlakkige manier mogelijk. Elke originele gedachte of formulering ontbreekt. In plaats daarvan krijgen we een thriller, een detective, een verhaal dat wil amuseren maar de lezer niet aan het werk zet – op geen enkele manier.

    Goed, geen literatuur dus, maar is het boek als thriller wel geslaagd? Niet echt. Het verhaal is dun, de uitwerking mager en onverwachte plotwendingen ontbreken. In het begin doet Als ik mijn ogen sluit nog wel denken aan de boeken van de Italiaanse succes-auteur Niccolo Ammaniti, die in eigen land ook een literaire prijs in de wacht sleepte. Bij Ammaniti zijn de hoofdpersonen vaak jonge jongens en is er een mysterie dat opgelost dient te worden, of hangt er een misdaad in de lucht. Zo ook hier. Bovendien vertoont het omslag van Als ik mijn ogen sluit nogal wat overeenkomsten met de omslagen van de boeken van Ammaniti. Maar gaandeweg nemen de verschillen toe en blijkt Silvestres boek niet veel meer dan een mislukte thriller.

    Het verhaal dan maar. Hoofdpersonen zijn de twaalfjarige jongens Eduardo en Paulo. De één is arm en wordt thuis verrot geslagen, de ander is in alle opzichten wat beter af. Samen vinden ze in de eerste pagina’s een lijk van een vrouw die ernstig mishandeld blijkt te zijn. Eén van haar borsten is afgesneden. Nadat de jongens even kort verdacht zijn geweest van de moord, gaan ze op zoek naar de dader. Daarbij worden ze al snel bijgestaan door een oude man. Het drietal gaat op onderzoek en het spoor leidt o.a. langs een non, een hoer (echt waar), een generaal en een burgemeester naar de krochten van de Braziliaanse macht.

    Het hele verhaal wordt opgediend met een licht sausje van Braziliaanse geschiedenis (er zijn drie bladzijden historische uitleg aan de roman toegevoegd) en speelt zich af in 1961, en kijkt af en toe terug op de jaren dertig toen Brazilië zuchtte onder de dictatuur van Getulio Vargas. Een slechterik. Ook de namen van Mao, Stalin, Hitler en Eichmann worden even genoemd, waarschijnlijk om duidelijk te maken dat we hier met echte schurken van doen hebben.

    Seks speelt een belangrijke rol in dit boek maar dan vooral om de lezer bang te maken en de spanning erin te brengen. Vrouwen zijn van seks het slachtoffer, mannen zijn daders. De vermoorde vrouw is haar hele leven al misbruikt. Zij is de enige niet. Ook de vrouw van de oude man is seksueel gefolterd en verkracht. Mannen zijn schurken. Het puberbroertje van één van de jongens pocht al over het misbruiken van een werkster, en de vermoorde vrouw bleek door talloze mannen van stand al jaren seksueel uitgebuit te zijn.

    De enigen die vrij van zonde zijn, zijn de twee jongens en de oude man. Simpelweg omdat zij de lust nog niet kennen of voorbij zijn. De oude man kijkt terug op een zondig leven en de jongens voelen de hormonen soms kriebelen. Kortom, de jeugd heeft nog een onschuld die in de verdorven wereld der volwassenen ver te zoeken is. De aanwezigheid van de jongens dient dan ook als tegenwicht tegen de duistere machten. Diezelfde truc, want dat is het, kom je ook tegen bij Stephen King en Steven Spielberg. Die doen dat doorgaans een stuk beter.

    De aanwezigheid van de jongens gaat op den duur behoorlijk irriteren. In te lange dialogen, vol korte zinnetjes, kakelen ze soms als kip zonder kop. Hun karakters komen niet uit de verf en blijven van papier.

    Een aantal keer overschrijdt Silvestre een grens waar hij al voortdurend tegenaan schuurt, de grens tussen kunst en kitsch. Zo vraagt de oude man de jongens of zij de film Sneeuwwitje hebben gezien, de Disney tekenfilm uit 1937. De jongens zijn even druk met iets anders. Dan zegt de man: ‘Weten jullie wat Guernica was? Wat Guernica betekende? Het bloedbad? Het bombardement? De afslachting van vrouw, kinderen en bejaarden? Weten jullie dat? De opkomst van het fascisme? Weten jullie van de Spaanse burgeroorlog? Picasso?’
    Van Sneeuwwitje naar Picasso met als tussenstop de Spaanse burgeroorlog en dat op een toon die aan Jiskefet doet denken.

    Dergelijke grotesken komen wel meer voor. Er is een scène met een hoer in een heuse peignoir die dol is op de opera Tosca van Puccini. De muziek dient ook de lezer te bedwelmen en uit de opera wordt herhaaldelijk geciteerd. De jongens weten uiteindelijk informatie uit deze vrouw (ze komt uit Polen) los te krijgen door te dreigen haar langspeelplaat met het meesterwerk te vernietigen. De combinatie van een prostituee, een peignoir, de opera, de jongens en de oude man is op zich al grotesk. Daarbij komt nog dat de hele scène uiterst ongeloofwaardig is. De vrouw gaat vervolgens eens rustig aan de oude man vertellen hoe het nu zit.

    Het mag nu wel duidelijk zijn. Nee, dit boek is niet wat het belooft. Wie van literatuur houdt heeft betere dingen te lezen.