• Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

    Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

    De nieuwe roman van Jan van Mersbergen draagt een wat omslachtige titel, De onverwachte rijkdom van Altena en een – aangename – omslachtigheid kenmerkt ook de stijl van de vertelster in dit verhaal. Zij is Marlies, cryptogrammen-puzzelaarster en partner van Frank die vijvers bouwt en niet houdt van lange woorden. Zij hebben een lichamelijk gehandicapte zoon, Willem, en wonen in een klein dorpje in de heerlijkheid Altena, Noord-Brabant. Een geïsoleerde gemeenschap, om naar de stad te gaan moest je ‘een brug over die er nog maar twintig jaar lag en iedereen kende de verhalen van daarvoor, van toen je met een pontje naar de overkant moest. Niemand wilde naar de overkant, niemand wilde naar die stad, alleen twee keer per jaar om kleren te kopen (..)’

    Dertig jaar eerder

    Eén meisje vertrekt wel naar de stad, Eveline, schoolvriendin van Marlies en eerste liefde van haar partner Frank. Zij wordt een bekende schrijfster en komt pas na dertig jaar terug als haar vader is overleden. En wat die vader dertig jaar eerder deed, is de centrale gebeurtenis in deze roman.   Hij sloot De Put af, een zandafgraving die dankzij regen een enorm grote vijver was geworden. De tieners van Altena plachten er te zwemmen en op het veld rondom de plas te zonnen en te doen wat tieners verder nog doen. Marlies herinnert zich die tijd en de eerste aanraking van Frankie als de dag van gisteren:
    ‘De avond in juli ’87, net na de langste dag, was het nog lang warm en lekker lang licht en zeker nog boven de twintig graden dus we bleven op dat veldje hangen en er waren traytjes bier en voor de meisjes bessenjenever. (…) Die dag was net het nieuws bekend dat de complete Put dicht ging. Verslagenheid, verzet, woede. Frankie kwam bij mij in de buurt zitten, schuin voor me (…) en op een gegeven moment leunde hij tegen mijn been en dat was het. Dat had hij nodig.’

    Manoeuvres

    Het kilometers lange hek dat Rochat om De Put liet zetten maakte toegang voor de jeugd onmogelijk. Wat hij met De Put deed bleef dertig jaar lang onbekend. Maar als hij sterft en dochter Eveline het beheer over het grote water overdraagt aan Marlies en vijverdeskundige Frank ontdekt dit tweetal dat op de bodem van De Put een levende schat te vinden is. Het duo besluit die schat voor zichzelf te houden, eigenares Eveline maar ten dele in te lichten en de opbrengst te gebruiken voor de operatie en revalidatie van hun zoon. Ze zijn niet gewend te liegen en bedriegen en de omzichtige manoeuvres die zij daarbij uitvoeren behoren tot de hoogtepunten van deze roman.

    Spreektaal

    Van Mersbergen heeft wel eens laten weten dat hij streeft naar een schrijfstijl die eigenlijk een praatstijl is en schrijfster Eveline, de jeugdvriendin van Marlies, deelt die wens:
    ‘Ik vraag haar of ze er goed van kan leven. Ja, knikt ze, gespeeld bescheiden. (…) En dan zegt ze iets opvallends: Ik zoek een taal die werkelijk dicht bij me staat. Hoe bedoel je?
    En dan zegt ze: Dat. Precies zoals jij het nu zegt: hoe bedoel je? Ze komt met een heel betoog, dat ook zij hier vandaan komt maar dat haar schrijftaal anders is dan onze spreektaal. Eigenlijk wil ze schrijven zoals de mensen hier praten, zoals we nu aan dit tafeltje zitten, hoe we kijken en van die korte woorden zeggen als Welk? en Hoe bedoel je? in plaats van Wat zeg je?’

    Boeiende vertelster

    In dit boek is dat Van Mersbergen heel goed gelukt. Vertelster Marlies zit op een terras in het Franse ski-oord Chamrousse een cryptogram op te lossen (elke hoofdstuktitel is een cryptozin) en vertelt aan een ongenoemde luisteraar het verhaal van de onverwachte rijkdom van Altena. Van Mersbergen laat haar onbelemmerd en ongeremd aan het woord, terwijl ze zichzelf af en toe een glaasje inschenkt en vertelt over haar angsten en beperkingen, over de stoere en zwijgzame maar o zo kwetsbare Frank, over haar dappere gehandicapte zoon Willem, over de kinnesinne in het dorp, over haar vrees dat schrijfster Eveline haar man van haar af zal pakken.

    Moeder-de-vrouw Marlies is een boeiende vertelster en houdt de spanning er goed in tot en met de laatste pagina’s, als eindelijk onthuld wordt waaróm ze in dat ski-oord zit en wie het is die haar gesproken verhaal heeft opgeschreven.
    Dit verhaal is eigenlijk een tot roman uitgesponnen sprookje met de bij een sprookje behorende onwaarschijnlijkheden en als moraal: stelen mág, als het maar voor je kind is. In dat sprookje past ook naadloos een bejaarde Japanner die enkele keren het dorp bezoekt met raadselachtige uitspraken en kennelijk Rochat heeft geholpen bij het creëren van zijn schat. Ook de vele Japanse sprookjes die Marlies vindt in een door Rochat nagelaten boekje met metingen, wijsheden en aantekeningen, dragen bij aan wat de sage van Altena’s onverwachte rijkdom is geworden. Een mooi verhaal.

     

  • Onvermijdelijke consequenties van een multiculturele samenleving

    Onvermijdelijke consequenties van een multiculturele samenleving

    Robert Vuijsje, zoon van journalist Bert Vuijsje en vertaalster Sheila Vuijsje-Gogol, groeide op in het keurige Amsterdam-Zuid. In 2008 schreef hij de in deze buurt gesitueerde roman Alleen maar nette mensen die goed werd ontvangen maar weinig opzien baarde totdat vanuit de Bijlmer protest kwam tegen de als racistisch beschouwde tekst in het boek. Want Vuijsjes’ hoofdpersoon David Samuels, zelf joods maar vanwege zijn zwarte haar vaak gezien als Turk of Marokkaan viel op Surinaamse vrouwen, onder meer vanwege hun dikke billen. Surinaamse vrouwen zijn méér dan hun billen werd Vuijsje verweten en de landelijk opwaaiende discussie deed het boek goed: het werd 200.000 keer verkocht.

    Vuijsje ging net als zijn vader de journalistiek in, met etniciteit als specialisme en dan vooral de vraag hoe huidskleur je identiteit bepaalt. Na 10 jaar huwelijk met een Surinaamse en het zien opgroeien van hun kinderen leek hem de tijd gekomen om zijn debuut een vervolg te geven. Het werd een thema-roman, deels over Joods zijn in Nederland (je toch anders voelen) maar met eigenlijk maar één hoofd-onderwerp: de onderdrukking van zwart door wit. Vuijsje vertelt in Salomon’s oordeel hoe Max Cohen, een joodse student in Amsterdam, verliefd wordt op Alissa, een Surinaamse studente uit de Bijlmer. Ze trouwen en krijgen een zoon die ze Salomon noemen. Het verhaal wordt verteld in een reeks korte scènes waar telkens het thema zwart-wit de kop opsteekt. Te beginnen met de eerste keer dat ze seks hebben:

    Het is nooit goed

    ‘Ze waren klaar. Alissa stond op. Door een kier in de gordijnen keek ze weer naar buiten.”Moet ik hier nou trots op zijn?” vroeg ze, met haar rug naar Max toe. “Moet ik vereerd zijn dat hij met mij wil zijn? Dat een witte man opgewonden kan worden van mij? (…) Laat me je dit vragen.” Ze pauzeerde weer. “Wie was er net de baas?”
    “Dat was jij.”
    “Nee,” zei Alissa. “Dat was jij.” Max beschreef alle lichamelijke handelingen die ze hadden uitgevoerd en wie daarvoor de commando’s uitdeelde. Alissa onderbrak hem. “Maakt niet uit. Ja, ik speel de baas. En dan? Waarom denk je dat ik dat doe?”
    Max wist het niet. “Jij neemt wat ik heb. Wit, joods, hoe je jezelf ook noemt – jij bent een witte man die komt pakken wat ik heb. Ik zet een grote bek op, maar het is nog steeds: een witte man die mij komt pakken.”‘

    Obsessief anti-rassistisch

    De boodschap is duidelijk: Max, de witte man is fout, wát hij ook doet of laat. Simpelweg omdat hij wit is. Als dat nu de meest eenvoudige en heldere oplossing voor de relatie tussen Max en Alissa is, kan geen lezer daar bezwaar tegen hebben. Maar Max en Alissa komen beiden uit gezinnen waar veel geruzied werd of in hun vertaling: gediscussieerd werd. Dus volgen vele hoofdstukjes waarin Max keer op keer dezelfde les moet leren: ik ben wit dus zit ik fout. Het gevolg is dat hij heel alert wordt op mogelijk disrespect van bedienend personeel als hij met Alissa in een restaurant zit, ze daarop aanspreekt en vervolgens door haar toch weer wordt terechtgewezen: ‘”Een fles plat water alstublieft,” zei Alissa tegen de ober. “Dank u wel.” En nadat de ober weg was: “Eindelijk zit ik een keer in zo’n fancy restaurant en dan doe je dit? Ben je gek of zo?” Max zei dat het hem speet. Maar ze moesten hem niet tergen. Hij was niet blind, hij zag heus wel hoe ze deden tegen Alissa en hem. “Zomaar doe je dit,” zei Alissa. “Luister dan. Je bent paranoïde.’”

    Opnieuw zit Max fout: hij reageert obsessief anti-rascistisch terwijl Alissa gelouterd is door haar ervaring als zwarte vrouw in een witte maatschappij. En zo blijft hij altijd aan het kortste eind trekken in hun relatie. De scènetjes zijn door Vuijsje goed opgeschreven, zonder een standpunt in te nemen en zijn hier en daar schrijnend. Maar op den duur wordt het toch wat eentonig, die voortdurende obsessie met wit en zwart die Max’ leven beheerst. Het is een verademing als Alissa en hij een keer ruzie krijgen over Max’ rommelige manier van het vullen van de vaatwasmachine. ‘”Lekker hè?” zei Alissa. Net alsof ze gewone mensen waren. Niet een witte man en een zwarte vrouw, maar gewoon: een man en een vrouw. Die ruzie konden maken over dezelfde problemen als alle andere mannen en vrouwen van Nederland.’

    Joods of Surinaams

    Als Salomon, hun zoon, zich meer Surinaams blijkt te voelen dan joods zoals zijn vader, heeft Max opnieuw een probleem. Een zoon die eigenlijk niet je zoon wil zijn omdat hij zwart is en jij wit, en die je een kankerjood noemt, hoe ga je daar mee om? Niet dus, want alles wat je doet is fout. In het van racisme-denken vervulde leven van Max is er uiteindelijk maar één plek waar Alissa en hij echt tot rust komen: In Drenthe en dan met name op de Brink van Dwingeloo. Daar zijn ze allebei vreemd.

    ‘”Weet je wat een unit is?” vroeg ze. “Dat zijn wij, met z’n drieën.’” Ze bedoelde Max en zichzelf en de jongen die aan de andere kant van de tafel op zijn telefoon zat te kijken. Gezin. Werk. School. De rest was ballast. Max had zijn zonnebril ook afgedaan, met zijn ogen dicht zat hij in de zon. ‘”Je hebt gelijk,’ zei hij. “De rest zit alleen maar in de weg.”  Alissa vroeg of ze hier champagne zouden hebben. Twintig jaar hadden ze erover gedaan, maar nu keken ze op dezelfde manier naar de wereld. Die shit waar ze in Amsterdam mee bezig waren geweest, al die gesprekjes over wit en zwart en joods en Surinaams – waar ging het over? ‘

    De weegschaal nooit in balans

    Even kan de lezer herademen. Maar als Salomon kort daarna door zijn ex-vriendin beschuldigd wordt dat hij haar verkracht heeft en daarvoor in de cel belandt, komen Alissa en Max onmiddellijk weer in de rassenproblematiek. Want Max wil niet direct geloven dat Salomon onschuldig is, terwijl moeder Alissa dat van hem eist.
    ‘Hoe waren zwarte mannen, in de ogen van Max? Kregen ze ongecontroleerde woedeaanvallen? Waren ze seksueel losgeslagen?’
    Het leidt tot een verwijdering tussen de beide ouders en ook als Salomon’s ex bekent dat ze de verkrachting verzonnen heeft is het de vraag of ze ooit weer bij elkaar zullen komen.

    ‘”Ben je terug?” vroeg hij. “Weet ik niet,” zei ze. “Wij moeten praten.”‘ Dat is het eind van de roman waarmee de echtelijke discussie vooralsnog onbeslist blijft. Voor wie wil weten wát er allemaal aan mogelijke kwetsuren zijn te maken of te ondergaan in de multiculturele samenleving is Salomon’s oordeel ongetwijfeld een leerzaam handboek. Voor liefhebbers van een roman is het een wat bedrukkend kijkje in het leven van iemand die niet kan accepteren dat mensen elkaar in hokjes plaatsen op basis van opleiding, godsdienst, huidskleur, geslacht, leeftijd, gewicht enz. en daar stereotypen op plakken. En dat de fricties die dat geeft een onaangename maar onvermijdelijke consequentie zijn van de multiculturele samenleving die over de hele wereld, en dus ook in Nederland aan het ontstaan is.
    Max Cohen lijkt dat – een enkel moment daargelaten – in het geheel niet te beseffen, elke relativering in huidskleur-zaken is hem vreemd. Bij een als intelligent beschreven personage is dat een gemis en het blijkt ook een forse beperking te zijn in de opzet van deze roman. Vreemd dat een socioloog als Vuijsje dit niet heeft beseft.

     

  • Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Moord op de moestuin is de wat dubbelzinnige titel van Nicolien Mizee’s eerste niet op autobiografische gebeurtenissen gebouwde roman. Wie de titel letterlijk neemt en bang is dat er een moestuin wordt vermoord kan gerust zijn: het gaat gewoon om een moord op het terrein van een moestuin. Mizee is een bewonderaarster van het oeuvre van Agatha Christie en wilde ook eens proberen een detective te schrijven.
    Ze vond daarvoor een heel geschikte personele bezetting en situatie. Hoofdpersonage Judith, net als Mizee zelf schrijfster en docent aan de schrijversvakschool is pas enkele dagen getrouwd met de vijftien jaar oudere Thijs als hij onverhoeds een hartaanval krijgt en moeizaam herstelt van de operatie die hij ondergaat.
    ‘De goden hadden de roekeloosheid bestraft waarmee ik mijn oude leven achter me had gelaten door met Thijs te trouwen en mijn zolderetage op te geven. Ze hadden mijn knappe, aardige, geleerde man in één minuut veranderd in een bijna onherkenbare grijsaard met lege ogen, voor wie ik eigenlijk een beetje bang was.’

    Culinaire traktaties

    Als de situatie nog verergerd wordt door bouwactiviteiten van de buurman bieden Judith’s zus en haar man soelaas: ze huren voor de zomer een boswachtershuisje op het landgoed Groenlust en gaan daar met Judith en haar man wonen. De eigenaressen van het landgoed zijn jeugdvriendinnen van Judith en haar zus en het wordt – zo te lezen – op het landgoed een gezellige boel, waar Thijs zichtbaar van opknapt. Culinaire tractaties die daar plaats vinden schrijft Mizee graag uitvoerig:
    ‘Ik liep met Cora mee om de vis uit de oven te halen. De zoutkorst was prachtig lichtbruin geworden. De marmeren plaat zou gauw afkoelen, toch was ik bang dat de bloemen zouden verflensen. Vlug maakte ik een krans van grote slabladeren om de zoutheuvels en daarop legde ik de bloemen. Cora maakte in een platte schaal een rand van de bladeren van de Oost-Indische kers, stortte de bietjes erin en tikte er met een pollepel de donkerrode pitten uit de granaatappel overheen. Her en der staken we nog wat bloemen in de schalen met krieltjes en worteltjes, en na enkele malen heen en weer lopen stond alles op tafel en konden we de bewonderende uitroepen gracieus in ontvangst nemen.’

    Een schedel

    Als de roman ongeveer op de helft is, de lezer een uitvoerig verslag van het maken van chipolatapudding achter de rug heeft en zich begint af te vragen wanneer het detective-verhaal nu eens zal beginnen, vindt Judith op de volkstuin die zij op het landgoed gehuurd heeft, een schedel. Ze barst van de weeromstuit in lachen uit, want Judith heeft zo haar eigenaardigheden, net als eigenlijk alle personages in deze roman. De schedel was ooit deel van het lichaam van de tientallen jaren geleden verdwenen vader van de beide zussen die nu – met hun 80-jarige demente moeder – het landgoed bewonen. Een dronkaard en weinig populair bij de tien volkstuinders die per traditie op het landgoed een gratis stukje grond mogen bewerken. Als vastgesteld is dat de eigenaar van de schedel is omgekomen door een klap met een scherp voorwerp hebben we eindelijk de moord waar het in dit boek om begonnen zou zijn. Eén van de volkstuinders zal vermoedelijk de dader zijn en Judith weet: de tiende is zij zelf en zij heeft het niet gedaan. Wie dan wel?

    Vreemde volkstuinders

    De politie (‘bij de politie komen ze altijd in paren, net als bij de ark van Noach’) richt haar aandacht op de vijf à zes actieve volkstuinders die Judith in de loop van die zomer heeft leren kennen als stuk voor stuk vreemde vogels.
    Heel erg ijverig wordt er door de politie niet gespeurd en als Judith probeert via gesprekken met de volkstuinders een verdachte te vinden, gaat het in de praktijk vooral over vogels en planten, waar Mizee en dus ook haar alter ego Judith graag hun gedetailleerde kennis over spuien.
    In het voortkabbelende verhaal vindt uiteindelijk nóg een moord plaats en na veel heen-en-weer-gepraat wordt bekend wie de vuige daders zijn van beide afrekeningen.

    Never a dull moment 

    Agatha Christie zou vermoedelijk niet erg onder de indruk zijn van Moord op de moestuin , want een rechttoe rechtaan whodunit zit er bij het soms wijdlopige en altijd van de hak op de tak springende proza van Nicolien Mizee niet in.
    Het is overigens goed te begrijpen dat Mizee veel fans heeft en dat Moord op de moestuin door het DWDD-boekenpanel gekozen is tot boek van de maand, want ‘never a dull moment’. Wat duidelijk haar schrijversmotto is en ze vertelt haar verhaal met zwier.
    Met als hoogtepunt de begrafenis van de bejaarde moeder, waar enkele oude vlammen komen opdagen en één van hen een lied gaat zingen:
    ‘Enkele seconden zweefden Felix’ handen boven het klavier. Toen sloeg hij toe. Raak. Maar zijn stem was licht en onvast, als een vlinder in de storm. (…) Ik was altijd diep onder de indruk van misplaatst zelfvertrouwen. Misschien hoorde hij iets heel anders dan wij.’

    Lichtvoetig en zwaar op de hand

    Voor haar fans zal Moord op de moestuin ongetwijfeld een traktatie zijn. Mizee moet wel uitkijken dat haar schalkse terzijdes en het het Joop ter Heul-achtige zeggen-wat-in-haar-opkomt van haar ‘fictieve’ alter ego niet teveel een maniertje wordt. Er zit ook iets vreemds in de combinatie van vermakelijke invallen en associaties die de schrijfster haar reputatie van originaliteit bezorgen, en de vele doodserieus bedoelde wijsheden en karrenvrachten kennis van plant en dier die ze op de lezer los laat.
    Dat Mizee enkele succesvolle boeken op haar naam heeft staan, wordt de lezers wel erg vaak verteld en de ‘Waardevolle Lessen’ die ze aan haar studenten aan de Schrijversvakschool voorschotelt, worden hen evenmin onthouden:
    ‘Les twee van mijn schrijfcursus gaat over het personage. Met koeienletters schrijf ik dan op het bord: “Grote Wil en Grote Angst.”‘
    Oei! Samenvattend lijkt het probleem van deze schrijfster dat ze én lichtvoetig én zwaar op de hand wil zijn. En dan moet je wel héél erg veel in je mars hebben. Maar daar zit allicht nog een roman in.

     

  • Nog juist geredde tijdsbeelden

    Nog juist geredde tijdsbeelden

    De titel van de Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis is grappiger dan hij op het eerste oog lijkt. Het gedeelte tussen haakjes verwijst naar de debuutbundel van auteur Hans Vervoort uit 1970 (Kleine Stukjes Om Te Lezen) en een ‘nipper’ was de achterkant van een schip waar de matroos nog net op kon springen als het schip al aan het uitvaren was. Toen Hans Vervoort (geboren in 1939) ouder werd, begon hij zich steeds meer te realiseren dat hij beelden en herinneringen had die uit het collectieve geheugen zijn verdwenen. Wie kent nog het prachtige woord ‘Buiteltuin’ voor een kinderspeelplaats? Ooit verzonnen door Godfried Bomans. Vervoort zij getroost: Van Dale heeft ‘buiteltuin’ geconserveerd; maar hij heeft gelijk dat niemand het nog gebruikt. Typisch een ‘nipper’ – een woord dat nog net op het droge kan worden gehaald.

    De ‘nippers’ zijn korte stukjes over faits divers uit Vervoorts leven die nog juist kunnen worden gered van de vergetelheid. Hij begon ze te noteren op zijn Facebook-pagina en besloot ze te bundelen bij gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. De nippers worden in het boek aangevuld met ‘snippers’: korte mijmeringen over meer actuele zaken (die soms ook weer herinneringen oproepen).

    Vervoort, geboren in Indonesië, publiceerde in zijn leven bij diverse uitgevers, maar gaf dit nieuwe boek in eigen beheer uit. Dat doet vermoeden dat uitgevers die eerder werk van hem uitbrachten er deze keer geen financieel haalbare kaart in zagen. Toch liet Vervoort in een interview in het VPRO-programma Nooit meer slapen weten dat hij er bewust voor koos om het zelf te doen: uitgevers richten zich steeds meer op het Top-Tiensegment. Ze kunnen hun belangrijkste oorspronkelijke rollen (redacteur, distributeur, pr-leider) niet meer vervullen voor een (ervaren) schrijver die maar een paar duizend boeken verkoopt. Tegelijk kunnen de groeiende mogelijkheden voor auteurs om zelf boeken te bezorgen ook een gevaar gaan vormen voor bestaande uitgevers, waarschuwt hij. Zo bezien is deze uitgave in eigen beheer zelf ook een soort nipper: net gered uit de commerciële drukte.

    Wat de nippers betreft zal het genoegen voor de lezer wellicht groter zijn naarmate hij zelf ouder is. Ze roepen af en toe het ‘ach ja’ op van degene bij wie een vergeten deurtje weer even open gaat: hoe mannen sigaretten aanstaken naar het voorbeeld van Humphrey Bogart; de pinda-chinees met de bak voor zijn buik in de bioscoop; de vroeger alom aanwezige engelbewaarder – waar is hij gebleven? Er zijn de verrassende feitjes: nooit geweten dat TV-producent Gied Jaspers de uitvinder is van de Rolykit, de handige oprolbare gereedschapskist. Mooi ook zijn de uitdrukkingen die Vervoort in zijn nippers redt: de ‘achterwaartse drempelvrees’, ooit gediagnosticeerd door psycholoog Bert de Vries en nu bij Google niet één hit opleverend! Of de verzuchting van Hans Faverey ‘Dat is tranen persen uit ijzervijlsel’. Goed dat die nu alsnog is geboekstaafd.

    Maar nog vermakelijker qua stijl en verteltrant dan de ‘nippers’ zijn de ‘snippers’. Ze stellen voor meerdere lezers herkenbare, want actuelere, kwesties aan de orde. Hierin treedt ook de literator Vervoort iets meer naar voren met humor en ironie. Hij komt bijvoorbeeld met een beleggingstip: koop de postzegels van PostNL. Sinds die genummerd zijn gaat de prijs steeds onopvallend omhoog. Koop ze groot in; ze worden steeds meer waard.
    En absurdistisch is het advies om te besparen op gezondheidszorg door alle consulten in het Engels te laten plaatsvinden. Logisch: wij Nederlanders hebben door de bank genomen 20% meer woorden nodig dan een Engelsman om dezelfde boodschap over te brengen. Dat scheelt 3 minuten op een consult van een kwartier. Dat betekent dat een Engelse arts 40 patiënten kan helpen in de tijd die de Nederlandse dokter nodig heeft om er 32 bij te kunnen staan.

    De Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis zal als samenraapsel de literatuuroverzichten wel niet halen, maar het boek is toch een bescheiden historisch document dat bovendien goed is voor een gulle lach.

    (Gratis als pdf te downloaden op www.hansvervoort.nl)