• Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’

     

     

  • Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre ‘sleutelen’ tot er bijna niets van overblijft. ‘het schrompelt als een kriks ineen’, zou men vrij naar ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die ‘totale poëzie’ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, ‘korte en zeer korte’, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poëtische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.

    Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en ‘De nieuwe stijl’. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog ‘fout’ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geïllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).

    Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.

    Willemsbrug mei ‘40
    Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
    Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
    – De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
    Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

    In de ‘Lof van de poëzie’ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.

    Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
    Wat niet? Een echo van een echo
    is het woord. Maar menigeen
    die geen vermoeden heeft van poëzie,
    ziet soms de wereld in haar wonder licht.

    Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld ‘Schaars licht’, ‘Vermiste stad. Rotterdamse kwatrijnen’, ‘Verspreide gedichten’, ‘Vroege verzen’ en ‘Vertalingen’, plus een opstel uit 2005 met de titel ‘Kan rijm nog?’. Ook relevant zijn de ‘Aantekeningen’ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.

    De dichter, in het stugge woord bedreven,
    die zijn gesloten hart nors openstelde,
    sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
    De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

    Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: “Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.” Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn ‘Nieuw Rotterdam’, “Hier is geen plek voor nietigheid.” Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.

     

     

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman